Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:77

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-01-2016
Datum publicatie
14-01-2016
Zaaknummer
C/01/294731 / HA ZA 15-423
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:890
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Contradictoir. Nietige opzegging door coöperatie van lidmaatschap en overeenkomst met een aangesloten huisarts. Opzegging is ultimum remedium.

Eiser heeft zich aangesloten bij een coöperatie voor de verlening van spoedeisende hulp buiten de praktijkuren. Deze coöperatie heeft een monopoliepositie binnen de regio waar huisarts praktijk uitoefent. De coöperatie zegt het lidmaatschap en de deelname-overeenkomst met de huisarts op, omdat deze volgens haar structureel zou disfunctioneren en omdat deze geen HAGRO (samenwerkingsovereenkomst) heeft met een andere huisarts die van dezelfde coöperatie lid is. De rechtbank oordeelt deze opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, omdat de huisarts als zodanig BIG- geregistreerd is, en zijn functioneren voor de bevoegde instanties, zoals de IGZ, geen aanleiding is hem als arts te schrappen en omdat voor de tussen partijen ontstane problemen alternatieve oplossingen mogelijk zijn. De coöperatie is niet een bevoegde instantie om eisen te stellen aan de dagpraktijk van de huisarts en aan diens functioneren. De opzegging is nietig en heeft geen rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/127
RN 2016/29
JONDR 2016/361
GJ 2016/54
GZR-Updates.nl 2016-0074
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/294731 / HA ZA 15-423

Vonnis van 13 januari 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. drs. C. van der Kolk-Heinsbroek te Eindhoven,

tegen

de coöperatie

COÖPERATIEVE HUISARTSENPOSTEN OOST-BRABANT U.A.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagde,

advocaat mr. R.J.H. van den Dungen te ‘s Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna [eiser] en CHP genoemd worden.

De procedure

1.1. [eiser] heeft bij dagvaarding d.d. 28 mei 2015 gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Zal verklaren voor recht dat de opzegging van de aansluitovereenkomst door CHP geen rechtskracht heeft aangezien de opzegging nietig is dan wel vernietigbaar daar geen sprake is van voldoende zwaarwegende redenen, omdat geen sprake is van structureel disfunctioneren aan de zijde van [eiser] , althans dat onrechtmatig is opgezegd op basis van valse dan wel voorgewende redenen en vermoedens van structureel disfunctioneren;

II. Zal verklaren voor recht dat de opzegging van het lidmaatschap van CHP geen rechtskracht heeft aangezien de opzegging nietig is dan wel vernietigbaar daar geen sprake is van voldoende zwaarwegende reden, omdat geen sprake is van structureel disfunctioneren, althans dat onrechtmatig is opgezegd op basis van valse dan wel voorgewende redenen en vermoedens van structureel disfunctioneren;

III. CHP zal veroordelen om binnen twee dagen na het vonnis [eiser] weer officieel toe te laten tot CHP, waarbij [eiser] zal zorgen dat zijn diensten worden waargenomen dan wel dat hij zijn diensten zal afkopen, op straffe van verbeurte van een dwangsom ten bedrage van € 1000,- voor iedere dag dat CHP deze veroordeling niet volledig na zal komen, althans een zodanig bedrag als de rechtbank zal bepalen;

IV. CHP zal veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag ad € 20.528,76 ter zake buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van de dagvaarding tot aan die der algehele voldoening;

V. CHP zal veroordelen in de kosten van het geding, waaronder tevens begrepen de nakosten.

1.2. [eiser] heeft bij akte producties in het geding gebracht.

1.3. CHP heeft bij antwoord, eveneens onder overlegging van producties de vorderingen van [eiser] bestreden.

1.4. Bij tussenvonnis van 16 september 2015 is een comparitie van partijen gelast. Deze heeft plaatsgevonden op 11 december 2015. Voorafgaand aan die comparitie is door CHP een aantal producties in het geding gebracht.

Tijdens de comparitie van partijen heeft [eiser] spreekaantekeningen overgelegd, die aan het proces-verbaal zijn gehecht. Daarna is vonnis bepaald.

Het geschil en de beoordeling ervan

2. In rechte kan, als enerzijds gesteld en anderzijds niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd bestreden, alsmede op grond van de in het geding gebrachte onbetwiste bescheiden, van de navolgende feiten worden uitgegaan.

2.1. [eiser] is sinds 1999 werkzaam als huisarts. Hij heeft sinds 2001een eigen huisartsenpraktijk aan de [adres] . Hij was sinds 1 november 2001 middels een deelname-overeenkomst, door partijen ook wel aangeduid als aansluitovereenkomst, aangesloten bij en tevens lid van de Coöperatie Zuidoost Brabant. Deze laatste faciliteerde en verrichtte via haar leden (huisartsen) spoedeisende huisartsenzorg in avonden, nachten, weekenden en op feestdagen. [eiser] nam door middel van een dienstrooster deel aan de spoedeisende huisartsenzorg.

2.2. Op 1 mei 2015 heeft een fusie plaatsgevonden tussen de Coöperatie Zuidoost Brabant en de Coöperatieve Huisartsendienst Noord Brabant. CHP is de rechtsopvolger van beide coöperaties en heeft alle rechten en plichten van die coöperaties overgenomen. Hierna zullen zowel de voormalige Coöperatie Zuidoost Brabant U.A. als gedaagde worden aangeduid met CHP.

2.3. CHP exploiteert een zorginstelling als bedoeld in de Wet toelating zorginstellingen. Op haar is de Kwaliteitswet zorginstellingen van toepassing. Voorts valt zij onder het toezicht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: IGZ).

2.4. In de meest recente deelname-overeenkomst die [eiser] op 25 februari 2009 heeft gesloten met CHP zijn onder meer - voor zover hier van belang – de navolgende bepalingen opgenomen:

“Artikel 6

De huisarts verklaart zich bekend met de mogelijkheid tot het opleggen van sancties aan de Huisarts door of namens het bestuur van de CHP in de gevallen en op de wijze zoals in het hiervoor bedoelde Reglement CHP is bepaald, zoals, maar niet beperkt tot, het niet-tijdig of niet volledig doen van opgave van zijn patiënten en/of het niet nakomen van zijn verplichtingen met betrekking tot de diensten.

Artikel 7

Deze overeenkomst is aangegaan ingaande 1 november 2001 en is aangegaan voor onbepaalde tijd, behoudens beëindiging en opzegging overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 van deze overeenkomst.

Artikel 8

1. Deze overeenkomst eindigt van rechtswege:

a. In geval van overlijden van de huisarts (…)

b. In geval van ontbinding van de CHP (…)

c. Door ontbinding van deze overeenkomst (…)

d. In geval van faillissement van de CHP (…)

e. Met wederzijds goedvinden (…)

f. Door opzegging van de overeenkomst, conform de overige leden van dit artikel, op de dag waartegen is opgezegd;

g. Het einde van de maand, waarin de huisarts de 65-jarige leeftijd heeft bereikt;

h. Doordat de huisarts onder bewind of curatele wordt gesteld (…)

i. Indien de inschrijving van de huisarts in het BIG of KNMG- register als arts respectievelijk huisarts wordt doorgehaald, op het tijdstip waarop tot doorhaling wordt besloten.

2. De huisarts is bevoegd deze overeenkomst (…) op te zeggen (…).

Het bestuur van de CHP is bevoegd deze overeenkomst bij aangetekend schrijven met handtekening retour met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden, dan wel ingeval van een dringende aan de wederpartij onverwijld mede te delen reden met onmiddellijke ingang, op te zeggen.”

2.5.

In de statuten van CHP van 22 april 2011 zijn onder meer de navolgende bepalingen opgenomen:

“DEFINITIES

Artikel 2

In deze statuten wordt verstaan onder:

(…)

c. Huisartsengroep (HAGRO) : Groep huisartsen, doorgaans werkzaam in eenzelfde of aangrenzend verzorgingsgebied(en), die onderling verbonden zijn door middel van een HAGRO- overeenkomst of reglement en onder meer de diensten, de nascholing en dag- en vakantie waarneming gezamenlijk ter hand te nemen;

(…)

j. Waarneemgroep: groep huisartsen van ten minste twee personen die gezamenlijk, op basis van een schriftelijke (waarneem)overeenkomst, afspraken maken met betrekking tot de diensten.

(…)

LIDMAATSCHAP

Artikel 5

1. Leden kunnen slechts zijn:

a. zelfstandig gevestigde huisartsen, die zijn aangesloten bij een HAGRO, een deelname-overeenkomst met de CHP hebben en het Reglement CHP onderschrijven;

b. huisartsen die niet zijn aangesloten bij een HAGRO, doch zelfstandig patiënten “op naam” hebben en derhalve een overeenkomst hebben met een zorgverzekeraar, een deelname-overeenkomt met de CHP hebben en deel uitmaken van waarneemgroep als bedoeld in artikel 2, sub j;

c. huisartsen in dienst van een rechtspersoon, die zijn aangesloten bij een HAGRO, of waarneemgroep, een deelname-overeenkomst met de CHP hebben en het Reglement CHP onderschrijven.

(…)

EINDE VAN HET LIDMAATSCHAP

Artikel 7

1. Het lidmaatschap van een lid eindigt:

a. (…)

b. (…)

c. (…)

d. (…)

e. door het niet langer voldoen aan de kwaliteitseisen als bedoeld in artikel 5 lid 1.

De Coöperatie kan het lidmaatschap (al dan niet met onmiddellijke ingang) opzeggen:

1.ingeval redelijkerwijs van de Coöperatie niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren;

(…)

Artikel 8

1. Opzegging kan geschieden zowel door het lid zulks onverminderd het bepaalde in artikel 9 als namens de Coöperatie. Zij moet schriftelijk geschieden en is alleen mogelijk tegen het einde van het boekjaar, met inachtneming van een termijn van ten minste zes (6) maanden. (…)

Artikel 13

1. Het bestuur kan in zeer bijzondere gevallen met inachtneming van het bepaalde in het Reglement CHP leden ontheffing verlenen van de verplichting om diensten te leveren, indien – zulks ter beoordeling van het bestuur – de belangen van de Coöperatie door deze ontheffing niet zullen worden geschaad.

(…)”

2.6.

Tijdens de ledenvergadering van 14 juni 2012 is besloten dat bij CHP een nieuwe aansluitovereenkomst dient te gelden, die begin 2013 is ingevoerd (productie 4 bij conclusie van antwoord). De nieuwe aansluitovereenkomst is door [eiser] niet ondertekend.

2.7.

Naar aanleiding van een door CHP als zodanig beschouwde calamiteit tijdens een dienst van [eiser] en die door haar als calamiteit is gemeld bij de IGZ, heeft de IGZ op 17 januari 2012 een gesprek gevoerd met [eiser] en op 2 april 2012 een bezoek aan diens praktijk gebracht en aldaar een onderzoek ingesteld. De IGZ heeft bij brief van 22 mei 2012 aan [eiser] meegedeeld dat diens praktijk per direct voor de duur van zes maanden onder verscherpt toezicht van de IGZ werd gesteld. Daarbij speelde onder meer een rol dat de IGZ voorzag dat [eiser] zijn lidmaatschap van CHP zou kunnen kwijtraken als [eiser] niet zou voldoen aan het statutaire vereiste van het vormen van een HAGRO, dat is een samenwerkingsverband met een andere huisarts, zodat er over en weer sprake kan zijn van waarneming. Aldus zou de continuïteit van zorg van de patiënten van [eiser] niet gewaarborgd kunnen worden. IGZ heeft daarom geëist dat [eiser] een waarneemovereenkomst met een andere huisarts zou sluiten, zodat voorzien zou worden in waarneming van zorg in geval van uitval. Voorts heeft de IGZ heeft nog een negental additionele eisen gesteld aan [eiser] aangaande het voeren van zijn praktijk, waaraan op korte termijn diende te worden voldaan.

[eiser] heeft medio 2012 een HAGRO (in de zin van artikel 5 lid 1 statuten CHP) gevormd met een andere huisarts.

Het toezicht van de IGZ is met ingang van 12 november 2012 opgeheven. Daarbij is bepaald dat in februari 2013 nog een bezoek door de IGZ zal worden afgelegd.

2.8.

Bij brief van 6 december 2013 laat CHP het volgende aan [eiser] weten:

“Op woensdag 27 november jl. hebben we een calamiteit en een klacht besproken en uw reflectie daarop. Na afloop gaven we aan dat we onze conclusies na een week aan u kenbaar zouden maken. In deze brief gaan we daarop in.

Uit zowel de reflectieverslagen als de reflectiebespreking hebben wij het sterke vermoeden gekregen dat bij u geen sprake is van een lerende opstelling zoals die van een hoog opgeleide professional, zoals een huisarts, met een risicovol beroep mag worden verwacht.

Op basis daarvan achten wij de veiligheid van de patiëntenzorg tijdens uw avond- nacht- en weekenddiensten dan ook niet gewaarborgd. Gelet op het belang van veilige spoedzorg overwegen wij welke maatregelen nodig zijn voor het waarborgen ervan. Uit oogpunt van zorgvuldigheid zoals neergelegd in het Protocol “Vermeend disfunctionerende huisarts”, artikel 8, zullen wij onze bevindingen bespreken met het voltallige bestuur van de CHP. Deze bespreking vindt plaats op 10 december aanstaande.

Ter bewaking van de veiligheid op de spoedpost zullen wij, in afwachting van het door het voltallig bestuur te nemen besluit, uw handelen op de post nauwgezet volgen.

Dit zullen wij doen door uw patiëntencontacten te viseren aan de hand van de waarneemberichten. Deze maatregel gaat per ommegaande in. (…)”

2.9.

Het bestuur van CHP heeft op 10 december 2013, op basis van de als productie 19 bij de conclusie van antwoord gevoegde notitie van 4 december 2013, besloten [eiser] op non actief te stellen, in afwachting van een plan van aanpak.

Bij brief van 13 december 2013 heeft CHP aan [eiser] medegedeeld dat hij gedurende één maand op non-actief is gesteld. Tevens wordt hem gevraagd binnen die termijn een plan van aanpak in te dienen waarvan coaching onderdeel uitmaakt. [eiser] heeft daarop niet binnen de gestelde termijn gereageerd.

2.10.

Bij brief van 16 januari 2014 laat CHP weten dat de op non-actiefstelling wordt verlengd tot 14 februari 2014 en dat daarnaast het structurele disfunctioneren van [eiser] zal worden getoetst door de Landelijke Commissie van Advies (hierna ook: LCA). Voorts wordt [eiser] gesommeerd uiterlijk op 7 februari 2014 schriftelijk volledig en inhoudelijk te reageren op de brieven van 16 december en 20 december 2013, bij gebreke waarvan het lidmaatschap van [eiser] met onmiddellijke ingang zal worden opgezegd.

2.11.

De raadsvrouw van [eiser] heeft op 5 februari 2013 schriftelijk gereageerd en verweer gevoerd tegen de op non-actiefstelling en de door CHP gestelde eisen.

2.12.

CHP meldt een en ander bij brief van 21 februari 2014 aan de IGZ.

2.13.

Op 8 oktober 2014 is door de LCA een advies uitgebracht. Dit luidt- ten aanzien van het handelen van [eiser] op de huisartsenpost - als volgt:

“Op grond van het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat sprake is van disfunctioneren door de heer [eiser] zoals gedefinieerd in het Protocol. Nu niet is gebleken dat er een enkele opening is voor een verbetertraject, waardoor voor de toekomst structureel verantwoorde zorg kan worden geboden in de zin van het Protocol, heeft het bestuur van de CHP naar het oordeel van de Commissie reden om ten aanzien van de heer [eiser] een beslissing te nemen op grond van artikel 13 van het Protocol van de VHN, en een of meer van de in het (Model) Protocol of de Aansluitovereenkomst van de CHP genoemde maatregelen te treffen.”

2.14.

Het protocol “Vermeend disfunctionerende huisarts” (hierna te noemen: het Protocol) kent - onder meer - de volgende bepalingen:

Vermeend disfunctionerende huisarts

Artikel 1 Definities

Een structurele situatie van onverantwoorde zorg, waarin een patiënt wordt geschaad of het risico loopt te worden geschaad en waarbij de betreffende arts niet (meer) in staat of bereid is zelf de problemen op te lossen. Disfunctioneren kan er ook uit bestaan dat een arts niet of onvoldoende in staat is tot collegiale samenwerking.

(…)

Artikel 13 Beslissing door bestuur van CHP

13.1

Het bestuur beslist in gevallen waarin sprake is van disfunctioneren en, nadat het de Locatiemanager gehoord heeft, indien:

a De betreffende huisarts geen medewerking verleent aan een verbetertraject;

b Het verbetertraject onvoldoende effect heeft.

13.2

Het bestuur kan de disciplinaire maatregelen treffen als bedoeld in artikel 16 van de aansluitovereenkomst die het geraden acht (…).”

2.15.

In de nieuwe tekst van de aansluitovereenkomst, waarnaar de LCA hiervoor verwijst, welke overeenkomst niet door [eiser] is ondertekend, maar waarvan hij in rechte heeft aangegeven bereid te zijn deze alsnog te onderschrijven, is in artikel 16 het volgende bepaald:

Artikel 16 Disciplinaire maatregelen

16.1

Het bestuur van de CHP kan de huisarts, nadat deze in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, de navolgende disciplinaire maatregelen opleggen:

a. schriftelijke waarschuwing

b. schorsing voor bepaalde tijd

c. een boete tot maximaal € 2.500,00 (zegge tweeduizendvijfhonderd euro)

d. het verbinden van nadere voorwaarden aan het voortzetten van de aansluitovereenkomst

(…)”

2.16.

Bij brief van 30 december 2014 heeft CHP de aansluitovereenkomst met [eiser] opgezegd tegen 1 juli 2015 op de grond dat [eiser] structureel disfunctioneert zonder reëel uitzicht op verbetering. Voorts stelt CHP zich in die brief van 30 december 2015 op het standpunt dat het lidmaatschap van [eiser] met CHP op grond van artikel 7 lid 1 sub e van de statuten is geëindigd omdat [eiser] niet voldoet aan de kwaliteitseis die wordt gesteld in artikel 5 lid 1 sub a van de statuten. Voor zover nodig zegt CHP het lidmaatschap van [eiser] alsnog op tegen 1 juli 2015 vanwege structureel disfunctioneren zonder reëel uitzicht op verbetering, op grond waarvan van haar niet langer kan worden gevergd het lidmaatschap te laten voortduren.

3. [eiser] doet zijn vorderingen steunen op een deel van bovenstaande feiten en op, samengevat, de navolgende, ook tijdens de comparitie van partijen aangevoerde stellingen.

3.1.

Hij bestrijdt gemotiveerd dat hij structureel zou disfunctioneren, waarbij hij onder meer verwijst naar zijn verweerschrift dat is ingediend bij de Landelijke Commissie van Advies en waarin hij ingaat op de diverse voorvallen die daar zijn aangedragen door CHP. Daarnaast voert hij aan dat er geen objectief en zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden door de LCA omdat daar maar één schriftelijke ronde en een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, en dat beoordeling van het functioneren getoetst dient te worden aan deskundig inzicht.

[eiser] stelt dat de opzeggingen geen stand kunnen houden, omdat de LCA heeft geadviseerd aan CHP om een beslissing te nemen op grond van artikel 13 van het protocol, dat verwijst naar de maatregelen genoemd in artikel 16 van de aansluitovereenkomst. Opzegging is geen maatregel als bedoeld in dat artikel.

Hij wijst er voorts op dat CHP een monopoliepositie heeft voor de regio waarin hij werkzaam is. Aansluiten bij een andere regio, zoals door CHP gesuggereerd, kan niet vanwege de geografische afspraken. Als bewijs legt [eiser] een schrijven over van de dichtstbijzijnde huisartsenpost, die om die reden geen aansluiting wil.

De opzegging is gedaan in strijd met de redelijkheid en billijkheid en is onrechtmatig. Zijn patiënten kunnen niet meer gebruik maken van de spoedeisende hulp van de huisartsenpost. Zijn broodwinning komt in gevaar, omdat hij hierdoor geen continuïteit van zorg kan bieden zoals vereist door de IGZ. Hij is bereid de diensten bij CHP af te kopen, dan wel een vervanger te sturen. Zijn patiënten hebben er recht op door CHP te worden geholpen. Deze is voor wat betreft de eerste hulp in het ziekenhuis de toegangsdeur tot specialistische zorg. CHP mag zijn patiënten niet weigeren. Evenmin gaat CHP over de wijze waarop hij praktijk uitoefent: dat is de zorg van de IGZ. [eiser] vormt thans een HAGRO met de huisarts [naam 2] . Ook [naam 2] wordt echter niet toegelaten tot CHP, omdat diens samenwerking met [eiser] volgens CHP niet voldoet aan haar eis dat er sprake moet zijn van een HAGRO

in de zin van artikel 5 van de statuten, namelijk een samenwerking met een huisarts die óók lid is van CHP. De eis van CHP dat de huisarts verbonden moet zijn aan een HAGRO is onrechtmatig, aangezien dit in strijd is met het belang van de patiënten van [eiser] , die recht hebben op een aanspraak op uniforme, efficiënte en professionele zorg en met het belang van [eiser] bij een behoorlijke waarneming. [eiser] verwijst in dit verband naar het arrest van het Hof Amsterdam ECLI NL GHAMS:2008:BG1471.

4. CHP heeft hiertegen, mede tijdens de comparitie van partijen, samengevat, het volgende ingebracht.

4.1.

CHP dient voor haar patiëntenzorg te voldoen aan de wettelijke eisen. Kwaliteit van zorg is dan ook belangrijk.

Tijdens de ledenvergadering van 14 juni 2012 is besloten om een nieuwe aansluitovereenkomst met de leden aan te gaan. [eiser] weigert deze te ondertekenen. In die nieuwe aansluitovereenkomst is in artikel 15 lid 3 sub d geregeld dat de overeenkomst kan worden opgezegd indien de LCA van oordeel is dat een huisarts structureel disfunctioneert, zoals in dezen het geval is.

Er is een onherstelbaar ernstige verstoorde relatie met CHP. Deze vloeit voort uit het negeren door [eiser] van besluiten en regelgeving van CHP en de reactie van [eiser] als hij wordt aangesproken op zijn professioneel functioneren. Hij verwijt CHP tegen hem complotten te smeden. CHP heeft geen enkel vertrouwen meer in [eiser] , zodat een basis ontbreekt voor redelijke samenwerking in de toekomst.

Het structureel disfunctioneren van [eiser] en de onherstelbaar verstoorde relatie vormen naar het oordeel van CHP voldoende grond voor de opzegging van de aansluitovereenkomst. Opzegging is niet aan redenen gebonden. Niettemin vormt een en ander een zwaarwichtige reden daarvoor.

4.2.

Het statutaire lidmaatschap van [eiser] van CHP is geëindigd op grond van artikel 7 lid 1 sub e omdat [eiser] al geruime tijd niet voldoet aan de vereisten gesteld in artikel 5 lid 1 sub a van de statuten, vanwege het feit dat hij vanaf 1 januari 2014 niet meer is aangesloten bij een HAGRO die voldoet aan de statuten. Dit lidmaatschap is daarom, maar ook op grond van structureel disfunctioneren en de ernstig verstoorde relatie, opgezegd tegen 1 juli 2015. Van CHP kan niet langer gevergd worden het lidmaatschap met [eiser] te laten voortduren.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Een overeenkomst heeft niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien. Een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen, moet rekening gehouden worden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken. Relevante omstandigheden kunnen onder meer zijn, dat het gaat om een beding voorkomend in standaardvoorwaarden, de aard en de overige inhoud van de overeenkomst waarin het beding voorkomt, de wederzijds kenbare belangen van partijen, hun maatschappelijke positie en onderlinge verhouding.

5.2.

De rechtbank zal in het licht van het bovenstaande de diverse gronden die tot de opzegging van het lidmaatschap van CHV en van de deelname-overeenkomst hebben geleid beoordelen.

5.3.

Ten aanzien van de opzegging van het lidmaatschap van CHV op de grond dat [eiser] niet voldoet aan de eisen van artikel 5 lid 1 sub a statuten omdat hij niet zou zijn aangesloten bij een HAGRO met een bij CHP aangesloten andere huisarts.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Tijdens de comparitie van partijen is door CHP bij monde van haar lid van de raad van bestuur, de heer [naam 1] , uitvoerig uiteengezet dat door CHP geweigerd zal worden om de patiënten van [eiser] te behandelen, behoudens echte spoedgevallen. Die patiënten krijgen alleen hulp van CHV als zij een andere huisarts dan [eiser] kiezen. De patiënten van [eiser] moeten volgens CHP daarom erover ingelicht worden dat zij zich niet tot de huisartsenpost van CHP kunnen wenden. Dit heeft uiteraard gevolgen voor het kunnen uitoefenen van de praktijk door [eiser] , aldus CHP.

De rechtbank stelt vast dat CHP een monopoliepositie heeft voor de regio waarin [eiser] werkt voor wat betreft de hulp aan patiënten buiten de normale praktijkuren, èn voor wat betreft de toelating tot de spoedeisende zorg van de eerst hulp van een ziekenhuis buiten de praktijkuren van de huisartsen in haar regio. Als zijnde tijdens de comparitie van partijen door CHP niet (langer) weersproken en op grond van de door [eiser] in het geding gebrachte correspondentie met de dichtstbijzijnde andere huisartsenpost voor spoedeisende hulp buiten de praktijkuren, staat in rechte vast dat er voor [eiser] geen mogelijkheid bestaat om zich bij een ander huisartsensamenwerkingsverband voor spoedeisende hulp in of buiten de regio van CHP aan te sluiten.

Deze positie van CHP heeft tot gevolg dat alleen via CHP nog sprake kan zijn van een adequate continue waarneming van de spoedeisende hulp buiten de praktijkuren. De patiënten van alle huisartsen uit die regio zijn derhalve van CHP afhankelijk voor spoedeisende hulp buiten de praktijkuren, maar met name ook om toegang te krijgen tot de eerste hulp van het ziekenhuis en de specialistische hulp aldaar. Dit brengt een bijzondere maatschappelijke en publieke verantwoordelijkheid met zich mee voor CHP jegens de patiënten van alle huisartsen uit die regio. De rechtbank oordeelt het standpunt van CHP dat patiënten van artsen die niet aan haar voorwaarden voldoen geen toegang tot CHP hebben zonder meer onaanvaardbaar, omdat dit standpunt in strijd is met het beginsel van vrije artsenkeuze en met het algemeen maatschappelijk en publieke belang op goede en toegankelijke gezondheidszorg, welk belang door CHP nu juist wordt nagestreefd.

[eiser] is als huisarts ingeschreven in het BIG-register en is bevoegd om zijn praktijk te voeren. Door in haar statuten kwalitatieve eisen te stellen aan de dagpraktijk van de aangesloten of aan te sluiten huisarts, met alle gevolgen van dien voor de patiënten èn de praktijk van die huisarts, meet CHP zich een oordeel en positie aan, die enkel toekomt aan de overheid ( IGZ). De IGZ is belast met het toezicht op de praktijken van de huisartsen. Aan de IGZ staan voor dat toezicht uitvoerige instrumenten en onderzoeksmogelijkheden ter beschikking. De rechtbank sluit hier aan bij het oordeel van het Hof Amsterdam ECLI NL GHAMS:2008:BG1471 waarop [eiser] heeft gewezen. Anders dan CHP ter zitting heeft aangevoerd, maakt het voor de principiële vraag of er kwaliteitseisen mogen worden gesteld aan de aangesloten huisartsen niet uit of het gaat om de toelating van een nieuwe huisarts dan wel om de opzegging van de overeenkomst met een reeds aanwezig lid omdat deze op een gegeven moment geen HAGRO meer vormt. Hieraan doet niet af dat de IGZ gelijke of gelijksoortige eisen stelt aan de huisartspraktijken. Het oordeel over die huisartsenpraktijken komt toe aan de IGZ. De rechtbank neem hierbij met name in aanmerking dat de huisartsen uit de regio van CHP geen andere keuze hebben dan zich bij CHP aan te sluiten teneinde de door de wet vereiste continuïteit van zorg te leveren. Zij worden aldus gedwongen om de bepalingen in de statuten van CHP en in de standaard aansluitovereenkomst van CHP te aanvaarden. Keuzevrijheid is er niet. Het door CHP als monopolist stellen van dergelijke eisen in haar statuten oordeelt de rechtbank in strijd met het algemeen maatschappelijk belang. Het zich beroepen op een statutaire eis van het vormen van een HAGRO met een ander CHP-lid om een huisarts uit de organisatie te zetten, terwijl de IGZ geen eisen stelt ten aanzien van een CHP-lidmaatschap, oordeelt de rechtbank dan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. CHP behoort iedere in haar regio gevestigde en in het BIG-register ingeschreven huisarts als lid toe te laten. Het recht tot toetsing en beoordeling van die wettelijke eisen ligt niet bij CHP, maar bij de IGZ en in voorkomende gevallen bij het Medisch Tuchtcollege.

De opzegging van het lidmaatschap door CHV op de grond dat [eiser] niet voldoet aan de eisen van artikel 5 lid 1 sub a van de statuten, heeft dan ook geen rechtsgevolg.

5.4.

Ten aanzien van de opzegging van het lidmaatschap van CHP en van de deelname-overeenkomst op de grond dat [eiser] structureel zou disfunctioneren.

Wat hiervoor is overwogen ten aanzien van het gebrek aan keuzevrijheid van de huisartsen in de regio van CHP geldt ook voor de standaard aansluitovereenkomst die zij moeten ondertekenen, willen zij gebruik kunnen maken van de diensten van CHP.

CHP heeft onder meer gewezen op de inhoud van de nieuwe standaardovereenkomst die zij de aangesloten huisartsen laat ondertekenen. [eiser] heeft deze niet ondertekend, zodat de rechtbank volstaat met hierover op te merken dat het aannemelijk is dat bepalingen in deze standaard-aansluitovereenkomst aan te merken zijn als onredelijk bezwarende bedingen in de zin van artikel 6:233 sub a BW, aangezien CHP vanuit haar monopoliepositie eist dat alle huisartsen die van haar diensten gebruik maken deze aanvaarden, terwijl hierin kwalitatieve eisen worden gesteld aan onder meer de (dag)praktijk van een BIG-geregistreerde huisarts (waar CHP niet over gaat), dan wel aan diens functioneren. Het stellen van eisen aan de dagpraktijk en het functioneren van een huisarts en de beoordeling of daaraan wordt voldaan hoort thuis bij de overheid en bij de daarvoor ingestelde instanties, de IGZ en het Medisch Tuchtcollege.

De overeenkomst met [eiser] bevat dergelijke bepalingen niet. CHP meent daarom dat zij zonder meer tot opzegging bevoegd is, met inachtneming van de contractuele opzegtermijn van 6 maanden dan wel in ieder geval op grond van zwaarwegende belangen zoals het structureel disfunctioneren van [eiser] waarvan volgens haar sprake is.

Gelet op het bijzondere maatschappelijk en publieke belang dat door CHP moet worden gediend bij de spoedeisende zorg voor de patiënt, oordeelt de rechtbank dat CHP alleen in uitzonderlijke gevallen de aansluitovereenkomst met een huisarts die bevoegd zijn praktijk uitoefent mag opzeggen. Opzegging dient een ultimum remedium te zijn.

Daarvan is hier geen sprake. [eiser] biedt immers aan te betalen voor de waarneming van zijn diensten, dan wel deze door een door hem te leveren waarnemer te laten doen. Daardoor wordt geheel tegemoetgekomen aan de problemen die CHP aan de opzegging van zowel de samenwerkingsovereenkomst als van het lidmaatschap van CHP ten grondslag legt. Deze hebben immers in essentie betrekking op een verstoorde samenwerking (waarvan overigens gebleken is dat deze met name de relatie tussen [eiser] en het bestuur van CHP betreft) dan wel de bewaren over de wijze waarop [eiser] als dienstdoende arts functioneert.

De diverse bepalingen in de overeenkomst tussen partijen en het protocol disfunctionerende huisarts ten aanzien van op te leggen sancties, waaronder uitsluiting van diensten, duiden er eveneens op dat opzegging slechts als een uiterste oplossing wordt beschouwd. Daaraan doet niet af dat in de overeenkomst zelf daaraan geen voorwaarden worden gesteld.

Hier komt nog bij dat opzegging van de overeenkomst niet overeenkomstig het advies van de LCA is, die immers slechts het opleggen van een disciplinaire maatregel adviseert. Deze kan volgens artikel 16 van de (nieuwe) deelname-overeenkomst onder meer bestaan uit het stellen van voorwaarden aan de samenwerking. Het voorstel van [eiser] in het petitum van de dagvaarding, dat hij zal zorgen dat zijn diensten worden waargenomen, zou een dergelijke, voldoende adequate, maatregel kunnen zijn.

Uit het bovenstaande vloeit voort dat de rechtbank de opzegging door CHP van het lidmaatschap en van de deelname-overeenkomst op de grond dat [eiser] volgens CHP structureel zou disfunctioneren, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar acht, omdat [eiser] als huisarts BIG geregistreerd is, zijn functioneren voor de bevoegde instanties, zoals de IGZ, geen aanleiding is hem als arts te schrappen en omdat voor de tussen partijen ontstane problemen alternatieve oplossingen mogelijk zijn.

De opzegging is nietig en heeft geen rechtsgevolgen.

5.5.

De rechtbank geeft geen oordeel over de vraag of [eiser] al dan niet structureel disfunctioneert, omdat dit voor de beoordeling van dit geschil niet meer ter zake doende is.

De rechtbank zal de termijn waarbinnen CHP [eiser] dient toe te laten zijn diensten bij CHP door een waarnemer te laten vervullen, om praktische redenen op een termijn van vijf werkdagen stellen. De rechtbank oordeelt onvoldoende wettelijke grondslag aanwezig voor een integrale vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Gelet echter op het grote belang van [eiser] en de door zijn advocaat verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden, zal de rechtbank hiervoor een bedrag toewijzen van € 5.000,-.

5.6.

De vorderingen van [eiser] zullen verder worden toegewezen zoals in het dictum te vermelden. CHP zal als de grootste in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten gevallen aan de zijde van [eiser] .

De beslissing

De rechtbank:

I. Verklaart voor recht dat de opzegging van de aansluitovereenkomst door CHP geen rechtskracht heeft aangezien de opzegging nietig is daar geen sprake is van voldoende zwaarwegende redenen;

II. Verklaart voor recht dat de opzegging van het lidmaatschap van CHP geen rechtskracht heeft aangezien de opzegging nietig is daar geen sprake is van voldoende zwaarwegende reden;

III. Veroordeelt CHP om binnen vijf werkdagen na dit vonnis [eiser] weer officieel toe te laten tot CHP, waarbij [eiser] zal zorgen dat zijn diensten worden waargenomen dan wel dat hij zijn diensten zal afkopen, op straffe van verbeurte van een dwangsom ten bedrage van € 1000,- voor iedere dag dat CHP deze veroordeling niet volledig na zal komen;

IV. Veroordeelt CHP tot betaling aan [eiser] van een bedrag ad € 5.000,- ter zake buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van de dagvaarding tot aan die der algehele voldoening;

V. Veroordeelt CHP in de kosten van dit geding, gevallen aan de zijde van [eiser] , welke kosten tot op heden worden begroot op € 285,- ter zake verschotten en op € 4.000,- ter zake salaris advocaat, alsmede in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 131,- als bijdrage in het salaris van de advocaat (niet met btw belast), en te vermeerderen, onder de voorwaarde dat CHP niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat en met de explootkosten van de betekening van het vonnis;

Verklaart dit vonnis voor wat betreft de uitgesproken veroordelingen tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. E.J. Spoor en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

13 januari 2016.