Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:754

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
29-03-2016
Zaaknummer
15_6291
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ziektewetuitkering terecht geweigerd wegens loondoorbetalingsverplichting werkgever. Payroll-overeenkomst. De inlener heeft op het moment van de ziekmelding geen verzoek gedaan tot beëindiging van de terbeschikkingstelling van de werknemer, zodat het uitzendbeding, voor zover dit al geldig was, niet in werking is getreden. Anders dan in uitzend-CAO's bevat de toepasselijke CAO niet de fictie dat bij ziekmelding zodanig verzoek geacht wordt door de inlener te zijn gedaan. De arbeidsovereenkomst is derhalve niet geëindigd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 691
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/6291

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 maart 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I. Vermeulen),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. M.W.G. Bombeeck).

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd de werknemer van eiseres, [naam werknemer] (hierna: de werknemer), met ingang van 13 juli 2015 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).

Bij besluit van 23 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2016. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiseres en de werknemer hebben op 19 maart 2015 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten.

In deze arbeidsovereenkomst is, onder meer, het volgende overeengekomen:

“Artikel 1: Flexibele fase (uitzendbeding)

1.1

Medewerker treedt met ingang van 16-3-2015 voor bepaalde tijd in dienst van de werkgever. Deze arbeidsovereenkomst eindigt, zonder dat opzegging nodig is, van rechtswege indien het toepasselijk recht in die beëindiging van rechtswege voorziet, maar uiterlijk op 15-3-2016. De medewerker zal worden te werk gesteld bij [bedrijf] , hierna te noemen de opdrachtgever in de functie van Hulpmonteur.

1.2

Deze arbeidsovereenkomst is aangegaan onder het beding dat de overeenkomst van rechtswege eindigt, doordat de terbeschikkingstelling van de werknemer door de werkgever aan de opdrachtgever op verzoek van die opdrachtgever ten einde komt, op grond van artikel 7:691 lid 2 BW en artikel 4.1 lid 2 van de toepasselijke CAO. Mocht er onverhoopt geen werk meer voorhanden zijn, dan kan de medewerker zich wenden tot het UWV.”

In artikel 20 is de CAO [eiseres] van toepassing verklaard.

Artikel 4.1, tweede lid, van deze CAO luidt als volgt:

“2. Partijen kunnen overeenkomen dat gedurende de flexibele fase het uitzendbeding conform artikel 7:691 lid 2 BW van toepassing wordt verklaard op de arbeidsverhouding. Gedurende de toepasselijkheid van het uitzendbeding eindigt de arbeidsovereenkomst van rechtswege doordat de terbeschikkingstelling van de werknemer door de werkgever aan de derde, op verzoek van de derde ten einde komt.”

Op 13 juli 2015 heeft de werknemer zich ziek gemeld. Eiseres heeft dit middels een formulier van 14 juli 2015, ontvangen door verweerder op 15 juli 2015, gemeld bij verweerder, waarmee tevens een ZW-uitkering voor de werknemer is aangevraagd.
Op dit formulier heeft eiseres aangegeven dat er een individuele overeenkomst met uitzendbeding met de werknemer is gesloten en dat de inlener op 13 juli 2015 de overeenkomst heeft opgezegd.

2. Verweerder stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat de werknemer geen recht heeft op een ZW-uitkering, omdat deze een arbeidsovereenkomst heeft met eiseres, uit hoofde waarvan eiseres verplicht is het loon van de werknemer door te betalen bij ziekte. Het door eiseres en de werknemer overeengekomen uitzendbeding leidt volgens verweerder niet tot het vervallen van de loondoorbetalingsverplichting, omdat een uitzendbeding als bedoeld in artikel 7:691, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) alleen geldt bij een uitzendovereenkomst, waarvan geen sprake is in de door hen overeengekomen arbeidsovereenkomst.

3. Eiseres voert - kort samengevat - aan dat het overeengekomen uitzendbeding rechtsgeldig is. Dit houdt in de onderhavige situatie in dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt doordat de terbeschikkingstelling van de werknemer door de werkgever aan de derde, op verzoek van de derde ten einde komt. Op het moment dat de werknemer arbeidsongeschikt is geraakt, wordt de derde geacht de opdracht te hebben ingetrokken, volgens eiseres.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW wordt geen ziekengeld uitgekeerd indien de verzekerde uit hoofde van de dienstbetrekking op grond waarvan hij de arbeid behoort te verrichten, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 7:629 van het BW, dan wel indien het recht op loon door toepassing van het derde, vijfde, zesde of negende lid van dat artikel geheel of gedeeltelijk ontbreekt.

6. Ingevolge artikel 7:690 van het BW is de uitzendovereenkomst de arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer door de werkgever, in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde.

7. Ingevolge artikel 7:691, tweede lid en eerste volzin, van het BW, kan in de uitzendovereenkomst schriftelijk worden bedongen dat die overeenkomst van rechtswege eindigt doordat de terbeschikkingstelling van de werknemer door de werkgever aan de derde als bedoeld in artikel 7:690 van het BW op verzoek van die derde ten einde komt.

8. Partijen houdt verdeeld de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en eiseres een uitzendovereenkomst is in de zin van artikel 7:690 van het BW, en bijgevolg het in die arbeidsovereenkomst opgenomen uitzendbeding rechtsgeldig is. Naar het oordeel van de rechtbank kan het antwoord op die vraag in het midden worden gelaten.

9. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de opdrachtgever, waar de werknemer op het moment van de ziekmelding feitelijk werkzaam was, geen verzoek gedaan tot beëindiging van de terbeschikkingstelling van de werknemer. De rechtbank stelt voorts vast dat in de onderhavige arbeidsovereenkomst noch in de daarop van toepassing zijnde CAO is bepaald dat de opdrachtgever geacht wordt de opdracht te hebben ingetrokken bij ziekte van de werknemer. Nu de opdrachtgever op het moment dat de werknemer ziek werd geen verzoek heeft gedaan tot het beëindigen van de terbeschikkingstelling van de werknemer, moet reeds daarom worden geoordeeld dat het uitzendbeding, voor zover dit al geldig was, niet in werking is getreden.

10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat met (enkel) de ziekmelding van de werknemer geen einde is gekomen aan diens arbeidsovereenkomst met eiseres, zodat eiseres op grond van het bepaalde in artikel 7:629 van het BW gehouden was het loon door te betalen. In die situatie staat artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW aan toekenning van ziekengeld in de weg. Dit betekent dat verweerder terecht heeft geweigerd de werknemer een ZW-uitkering toe te kennen.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Omdat het beroep ongegrond is, wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J.J.M. Weyers, voorzitter, en mr. L. Soeteman en

mr. S.D.M. Michael, leden, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.