Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:7293

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-12-2016
Datum publicatie
12-01-2017
Zaaknummer
01/993291-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring:

Deelneming aan een criminele organisatie (hennepteelt- en handel).

Medeplegen van diefstal door middel van verbreking (diefstal elektriciteit).

Gevangenisstraf voor de duur van 256 dagen, met aftrek, waarvan 240 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, meldplicht en deelnemen aan vervolgtraject CoVa-training indien de reclassering dit nodig acht.

Taakstraf voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis.

Opheffing reeds geschorste voorlopige hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/993291-15

Datum uitspraak: 29 december 2016

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1967] ,

wonende te [adresgegevens 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 december 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 november 2016. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 15 december 2016 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij in of omstreeks de periode gelegen tussen maart 2014 tot en met 9 oktober 2015 te Eindhoven en/of te Nuenen en/of te 's-Hertogenbosch, in elk geval in het arrondissement Oost-Brabant en/of te Oirsbeek, in elk geval in het arrondissement Limburg, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte en/of een of meer anderen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde lid van de Opiumwet, te weten het in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B gegeven verbod, te weten het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II en/of artikel 11, vijfde lid van de Opiumwet, te weten het opzettelijk handelen in strijd met artikel 11, tweede lid van de Opiumwet gegeven verbod, te weten het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder B en/of C gegeven verbod terwijl het betrekking heeft op (een) grote hoeveelhe(i)d(en) van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

- in of omstreeks de periode van maart 2014 tot en met 27 maart 2015 (in een pand gelegen aan de [adresgegevens 2] ) te Den Bosch, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig gehad, een (grote) hoeveelheid hennep en/of hennepplanten en/of delen daarvan en/of

- in of omstreeks de periode van mei 2015 tot en met 9 september 2015 (in een pand gelegen aan de [adresgegevens 3] ) te Oirsbeek opzettelijk geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig gehad, een (grote) hoeveelheid hennep en/of (156) hennepplanten en/of delen daarvan en/of

- in of omstreeks de periode van mei 2015 tot en met 9 oktober 2015 (in een pand gelegen aan het [adresgegevens 4] ) te Den Bosch opzettelijk geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid hennep en/of hennepplanten en/of delen daarvan en/of - in of omstreeks de periode van augustus 2015 tot en met 6 oktober 2015 (in een pand gelegen aan de [adresgegevens 5] ) te Eindhoven opzettelijk geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid hennep en/of hennepplanten en/of delen daarvan, - in of omstreeks de periode van 1 juni 2015 tot en met 4 juli 2015 (in een pand gelegen aan de [adresgegevens 6] ) te Nuenen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) hennep en/of hennepplanten en/of delen daarvan in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat hij, verdachte, in de periode gelegen tussen maart 2014 tot en met 9 oktober 2015 te Eindhoven en/of Nuenen en/of ‘s-Hertogenbosch, in elk geval in het arrondissement Oost-Brabant en/of te Oirsbeek, in elk geval in het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (meermalen) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (een) hoeveelhe(i)d(en) hennep, zijnde hennep (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van art 3a van die wet

- in of omstreeks de periode van 14 maart 2014 tot en met 27 maart 2015 in een pand gelegen aan de [adresgegevens 2] te ’s-Hertogenbosch en/of;

- in of omstreeks de periode van mei 2015 tot en met 9 september 2015 in een pand gelegen aan de [adresgegevens 3] te Oirsbeek en/of;

- in of omstreeks de periode van mei 2015 tot en met 9 oktober 2015 in een pand gelegen aan het [adresgegevens 4] te ‘s-Hertogenbosch en/of;

- in of omstreeks de periode van augustus 2015 tot en met 6 oktober 2015 in een pand gelegen aan de [adresgegevens 5] te Eindhoven en/of;

- in of omstreeks de periode van 1 juni 2015 tot en met 4 juli 2015 in een pand gelegen aan de [adresgegevens 6] te Nuenen;

2. hij in of omstreeks de periode van mei 2015 tot en met 9 oktober 2015 te Eindhoven en/of te Den Bosch en/of te Oirsbeek tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen althans eenmaal (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit

- een woning gelegen aan de [adresgegevens 3] te Oirsbeek en/of

- een woning gelegen aan de [adresgegevens 5] te Eindhoven en/of

- een woning gelegen aan het [adresgegevens 4] te Den Bosch

heeft weggenomen stroom en/of electriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming immers heeft hij verdachte en/of zijn medeverdachte (telkens) een meterkast en/of de electriciteitsmeter verbroken en/of geforceerd en/of omleidingen gemaakt.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen.

Indien tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.

Bewijsoverwegingen.

Onder feit 1 primair is aan verdachte ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet.

Onder een dergelijke organisatie wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen verdachte en ten minste één andere persoon. Daarbij is een zekere bestendigheid vereist, echter is niet vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds gelijk is.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat in de periode tussen maart 2014 en 9 oktober 2015 sprake is geweest van een samenwerkingsverband zoals hiervoor bedoeld en dat dit samenwerkingsverband zich heeft beziggehouden met het bedrijfsmatig telen, bewerken, verkopen, afleveren en vervoeren van hennep. Verder stelt de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen vast dat (in elk geval) [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en verdachte deel hebben uitgemaakt van deze organisatie.

[medeverdachte 2] had de leiding over de organisatie. Uit getuigenverklaringen blijkt dat hij zich bezighield met het leggen en onderhouden van contacten met personen die mogelijk bereid waren hun woning beschikbaar te stellen voor een hennepkwekerij. Verder volgt uit onder meer de telefoontaps en observaties dat [medeverdachte 2] , wanneer er hennep was geoogst, binnen zijn netwerk knippers regelde, ze liet verzamelen bij zijn huis en ook voor de betaling zorgdroeg. Uit telefoontaps kan verder worden afgeleid dat [medeverdachte 2] met afnemers onderhandelde over de prijs waartegen de geoogste en geknipte hennep kon worden verkocht. Uit het dossier volgt dat [medeverdachte 2] nauwelijks fysiek betrokken was bij het inrichten en onderhouden van de kwekerijen en bij het knippen van de hennep. Wel bezocht hij regelmatig de woningen waarin de hennepkwekerijen aanwezig waren. Echter, uit de telefoontaps en getuigenverklaringen kan worden opgemaakt dat [medeverdachte 2] hierin een belangrijke regelende en sturende rol vervulde. Ook legden de leden van de organisatie regelmatig verantwoording af bij [medeverdachte 2] over de door hen verrichte werkzaamheden. Indien er problemen waren (zoals bij het bedreigingsincident op 7 september 2015 in de woning aan de [adresgegevens 3] ) werd [medeverdachte 2] daarvan op de hoogte gesteld.

[medeverdachte 2] besteedde de feitelijke uitvoering, zoals het onderhouden van de kwekerijen en het knippen van hennep, uit aan anderen. In dat verband komt [medeverdachte 3] uit het dossier naar voren als degene die - in opdracht van of in samenspraak met [medeverdachte 2] - contacten onderhield met de eigenaar van de kniplocatie in Nuenen en meehielp om de geoogste hennep van de kwekerij naar de kniplocatie te vervoeren. Uit onder meer de tapgesprekken en uit zijn eigen verklaringen blijkt dat verdachte frequent allerhande hand- en spandiensten voor [medeverdachte 2] verrichtte. Zo heeft verdachte geholpen met het verzorgen van de kwekerijen aan de [adresgegevens 3] te Oirsbeek, aan de [adresgegevens 2] te ’s-Hertogenbosch en aan de [adresgegevens 5] te Eindhoven. Ook heeft verdachte geholpen bij het afbreken van kwekerijen aan de [adresgegevens 5] te Eindhoven en aan het Brugplein te ’s-Hertogenbosch en heeft verdachte meermalen geoogste hennep naar de kniplocatie in Nuenen vervoerd, waarna hij de geknipte hennep naar [medeverdachte 2] vervoerde. Verder trad verdachte bijna dagelijks op als chauffeur van [medeverdachte 2] .

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie ex artikel 11b van de Opiumwet nu er - kort samengevat - in het geval van verdachte geen sprake was van duurzaamheid en structuur. De raadsman heeft in dat verband met name gewezen op de omstandigheid dat verdachte zijn opdrachten enkel uitvoerde uit vrees voor medeverdachte [medeverdachte 2] .

Ten aanzien van de stelling dat verdachte zijn opdrachten enkel uit angst voor [medeverdachte 2] zou hebben uitgevoerd, overweegt de rechtbank het volgende. De wijze waarop [medeverdachte 2] leiding gaf aan de organisatie waartoe verdachte behoorde, kenmerkt zich door de dwingende en soms intimiderende benadering van die [medeverdachte 2] , waarbij het dreigen met geweld niet altijd werd geschuwd. De rechtbank moet echter ook vaststellen dat verdachte gedurende langere tijd, in elk geval anderhalf jaar, deel heeft uitgemaakt van deze organisatie waarvan hij onmiskenbaar moet hebben geweten dat deze zich bezighield met het plegen van strafbare feiten. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat verdachte gedurende de lange tijd die hij voor die criminele organisatie is blijven werken, louter en alleen uit angst voor [medeverdachte 2] heeft gehandeld. De tapgesprekken geven daar onvoldoende blijk van en evenmin is gebleken dat verdachte bijvoorbeeld naar de politie is gestapt of hulp heeft gezocht bij anderen.

Gelet op de duurzaamheid en de bestendigheid van de samenwerking met de medeverdachten, hun gezamenlijke oogmerk en de bijdrage van verdachte daaraan, acht de rechtbank verdachte deelnemer aan een criminele organisatie die het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de artikelen 3 en 11b van de Opiumwet. Het bewijs van het opzet, zowel op de deelname aan de organisatie als op het oogmerk van de organisatie, volgt uit de bewijsmiddelen en wat over de rol van verdachte is overwogen.

De rechtbank acht tevens het medeplegen van de diefstal van stroom in de woning aan de [adresgegevens 3] te Oirsbeek wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft [elektromonteur] , een elektromonteur van beroep, twee keer naar de hennepkwekerij aan de [adresgegevens 3] te Oirsbeek vervoerd. Dit gebeurde in opdracht van [medeverdachte 2] . De eerste keer werd [elektromonteur] tijdens de rit door verdachte geblinddoekt en moest hij een dikke stroomkabel in de meterkast aansluiten. De tweede keer moest [elektromonteur] tijdens de rit een zwarte bril opzetten en moest hij de kabel los koppelen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat de stroom ten behoeve van de hennepkwekerij in de woning aan de [adresgegevens 3] te Oirsbeek illegaal werd afgenomen. Gelet op deze feiten en omstandigheden, bezien in samenhang met de rol van verdachte en zijn medeverdachten zoals hiervoor is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking, zodat het medeplegen van diefstal van stroom in deze woning kan worden bewezen.

Net als de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de diefstal van stroom op het adres [adresgegevens 5] te Eindhoven. De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger van de diefstal van stroom op het adres [adresgegevens 4] te ’s-Hertogenbosch. Verdachte zal hiervan derhalve partieel worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1. primair in de periode gelegen tussen maart 2014 tot en met 9 oktober 2015 te Eindhoven en te Nuenen en te 's-Hertogenbosch en te Oirsbeek, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte en anderen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet, te weten het in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B gegeven verbod, te weten het telen, bewerken, verkopen, afleveren of vervoeren van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II en artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet, te weten het opzettelijk handelen in strijd met artikel 11, tweede lid, van de Opiumwet gegeven verbod, te weten het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder B gegeven verbod terwijl het betrekking heeft op (een) grote hoeveelhe(i)d(en) van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

- in de periode van maart 2014 tot en met 27 maart 2015 (in een pand gelegen aan de [adresgegevens 2] ) te Den Bosch, meermalen, (telkens) opzettelijk geteeld, een (grote) hoeveelheid hennep en

- in de periode van mei 2015 tot en met 9 september 2015 (in een pand gelegen aan de [adresgegevens 3] ) te Oirsbeek opzettelijk een (grote) hoeveelheid hennep en

- in de periode van mei 2015 tot en met 3 juli 2015 (in een pand gelegen aan het [adresgegevens 4] ) te Den Bosch opzettelijk geteeld een (grote) hoeveelheid hennep en - in de periode van augustus 2015 tot en met 6 oktober 2015 (in een pand gelegen aan de [adresgegevens 5] ) te Eindhoven opzettelijk geteeld een (grote) hoeveelheid hennep en - in de periode van 1 juni 2015 tot en met 4 juli 2015 (in een pand gelegen aan de [adresgegevens 6] ) te Nuenen, meermalen (telkens) opzettelijk heeft bewerkt (grote) hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

2. in de periode van mei 2015 tot en met september 2015 te Oirsbeek, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen aan de [adresgegevens 3] te Oirsbeek heeft weggenomen stroom, toebehorende aan [benadeelde partij 2] , waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking, immers heeft verdachte en/of zijn medeverdachte een meterkast verbroken en omleidingen gemaakt.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Ter terechtzitting heeft de raadsman betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens psychische overmacht. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn cliënt is bedreigd en onder druk is gezet door medeverdachte [medeverdachte 2] , waardoor hij voor hem allerlei werkzaamheden heeft verricht.

De rechtbank acht het door de verdediging gestelde niet aannemelijk geworden. Voor psychische overmacht moet aannemelijk worden dat het handelen van de verdachte het onmiddellijke gevolg is geweest van een van buiten komende dwang, waartegen deze redelijkerwijs geen weerstand had kunnen en behoeven te bieden. Die drang moet acuut zijn en voor de dader onweerstaanbaar.

Uit het dossier komt naar het oordeel van de rechtbank het beeld naar voren dat verdachte handelde in ondergeschiktheid aan voornoemde medeverdachte. Laatstgenoemde bepaalde wat verdachte moest doen. Uit de taps en ook uit verklaringen van medeverdachten volgt dat medeverdachte [medeverdachte 2] daarin dwingend en/of dreigend kon zijn. Niettemin is het vorenstaande naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht en niet zodanig klemmend van aard om aan te nemen dat verdachte hierdoor gedurende deze gehele periode steeds gehandeld heeft omdat hij niet anders kon en redelijkerwijs ook niet van hem gevergd kon worden. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

Nu er ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel dient als bijzondere voorwaarde een reclasseringstoezicht te worden verbonden. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf of taakstraf op te leggen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om te straffen conform het voorarrest van verdachte, met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft gedurende een periode van ruim anderhalf jaar deelgenomen aan een criminele organisatie die zich op grote schaal bezig hield met het telen, bewerken, verkopen, afleveren en vervoeren van hennep. Daarnaast heeft hij, ten behoeve van een hennepkwekerij, samen met een ander stroom weggenomen door een meterkast te manipuleren.

De georganiseerde hennepteelt en handel in hennep dienen met kracht te worden bestreden. Een samenwerkingsverband werkt criminaliteitbevorderend en ondermijnt, gelet op zijn criminele oogmerk en de daarmee samenhangende handelingen, de rechtsorde. Dat verdachte van dit samenwerkingsverband deel heeft uitgemaakt, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Daarbij is het algemeen bekend dat het telen van hennep steeds meer gepaard gaat met andere, ook zware vormen van criminaliteit. Met zijn handelen heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het illegale circuit betreffende de handel in softdrugs, met alle daarbij komende maatschappelijke problemen.

De rechtbank neemt in aanmerking dat verdachte gedurende langere tijd weliswaar volledig deel uit heeft gemaakt van de criminele organisatie en allerhande hand- en spandiensten voor één van zijn mededaders heeft verricht, maar dat hij binnen die criminele organisatie laag in de rangorde stond. Niet gebleken is dat financieel gewin de drijfveer voor verdachte is geweest. Verdachte werd in sterke mate beïnvloed door één van zijn mededaders.

Met betrekking tot de persoon van verdachte slaat de rechtbank acht op de inhoud van het reclasseringsadvies van Novadic-Kentron Eindhoven d.d. 10 december 2015, alsmede het ‘voortgangsverslag toezicht aan opdrachtgever’ d.d. 5 december 2016, afkomstig van diezelfde reclasseringsorganisatie. Uit deze rapporten blijkt dat verdachte een kwetsbaar persoon is. Hij is zwakbegaafd, hij heeft geen zinvolle of structurele dagbesteding, hij heeft in het verleden psychische problemen gehad, hij heeft een beperkt sociaal steunend netwerk en het ontbrak hem aan vaardigheden om de situatie waarin hij terecht was gekomen te verlaten. Hij was niet weerbaar genoeg om andere keuzes te maken. Er lijkt misbruik te zijn gemaakt van zijn kwetsbaarheid. In laatstgenoemd verslag wordt - kort samengevat - gerapporteerd dat verdachte gedurende het afgelopen jaar actief heeft meegewerkt met de reclassering. Ook wordt gemeld dat met verdachte is afgesproken dat hij op individuele basis een vervolgtraject op de Cova+ training zal volgen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard het voorgestelde vervolgtraject graag te willen volgen.

Gelet op het voorgaande en in het bijzonder de inhoud van het reclasseringsadvies en het voortgangsverslag, acht de rechtbank het niet opportuun om aan verdachte een vrijheidsstraf op te leggen. De rechtbank zal het onvoorwaardelijke gedeelte van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf daarom gelijkstellen met de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast acht de rechtbank een flinke voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats, teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan dit voorwaardelijke strafdeel zullen als bijzondere voorwaarden het reclasseringstoezicht en het vervolgtraject op de CoVa+ training worden gekoppeld.

Tevens acht de rechtbank het, gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten, geboden om aan verdachte een taakstraf voor de maximale duur op te leggen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 47, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11b van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1 primair: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde lid en vijfde lid, van de Opiumwet. t.a.v. feit 2: medeplegen van diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

t.a.v. feit 1 primair, feit 2:een gevangenisstraf voor de duur van 256 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 240 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde

  • -

    zich blijft melden bij de toezichthoudende reclasseringsinstantie Novadic-Kentron te Eindhoven zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    zich houdt aan de aanwijzingen en opdrachten van de toezichthouder die hiermee in verband staan, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    deelneemt aan het op hem afgestemde vervolgtraject op de CoVa+ training, indien de reclassering dit nodig acht.

t.a.v. feit 1 primair, feit 2:een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.

Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 22 oktober 2015 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,

mr. C.J. Sangers- de Jong en mr. B.A.J. Zijlstra, leden,

in tegenwoordigheid van P. Susijn, griffier,

en is uitgesproken op 29 december 2016.

Mr. B.A.J. Zijlstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.