Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:7243

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-12-2016
Datum publicatie
04-01-2017
Zaaknummer
C/01/306703 / HA ZA 16-259
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Contradictoir. Civiele aansprakelijkheid schoolbestuurder voor boedeltekort in faillissement school, na sluiting van die school in verband met ontuchtige handelingen van de schoolbestuurder met een minderjarige leerling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2017/456
AR 2017/117
RI 2017/38
OR-Updates.nl 2017-0022 met annotatie van F. Ortiz Aldana
INS-Updates.nl 2017-0019
PS-Updates.nl 2017-0057
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

zaaknummer / rolnummer: C/01/306703 / HA ZA 16-259

Vonnis van 28 december 2016

in de zaak van

mr. PHILIP WILLEM SCHREURS Q.Q.

in hoedanigheid van curator van de stichtingen

Stichting Instituut voor Psychogenese Nederland en Stichting De Bontekoe,

wonende te Nederweert,

eiser,

advocaat mr. M. van de Wolde te Eindhoven,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.P. van Knippenbergh te Best.

Partijen zullen hierna de curator en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 juli 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 november 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De stichting Stichting Instituut voor Psychogenese Nederland (hierna: IPN) en de stichting Stichting De Bontekoe (hierna: De Bontekoe) zijn bij vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant van 19 februari 2013 in staat van faillissement verklaard met aanstelling van eiser als curator.

2.2.

IPN exploiteerde de particuliere school genaamd Agnus Dei (hierna ook: de school). De Bontekoe exploiteerde een horecagelegenheid.

2.3.

IPN en De Bontekoe waren sinds 2010 gevestigd in hetzelfde pand aan de [adres] (hierna ook: het schoolgebouw). De benedenverdieping werd als buurthuis/horecaruimte hoofdzakelijk door De Bontekoe gebruikt. De bovenverdieping werd door IPN als schoolruimte gebruikt. De Bontekoe huurde het pand van een derde. IPN was onderhuurder van De Bontekoe.

Voor 2010 was de school elders gevestigd. De verhuizing naar een ander pand was aanleiding voor de oprichting van De Bontekoe.

2.4. (

De school van) IPN werd gefinancierd door (privé)leningen van [gedaagde] en daarnaast door ouderbijdragen.

2.5.

Op de school zaten 20 tot 30 leerlingen met een extra zorgbehoefte (voortvloeiende uit bijvoorbeeld hoogbegaafdheid, ADHD e.d.). De leerlingen van de school verrichtten ook werkzaamheden voor De Bontekoe, met name in het kader van het oefenen van sociale vaardigheden en dergelijke.

Er waren tussen de 10 en 15 leerkrachten.

2.6.

Het bestuur van IPN werd (ten tijde van het faillissement) gevormd door [gedaagde] (voorzitter/penningmeester) en mevrouw [naam secretaris] (secretaris; hierna: [naam secretaris] ).

Het bestuur van De Bontekoe werd (ten tijde van het faillissement) gevormd door [gedaagde] (voorzitter), [naam secretaris] (secretaris) en de heer [naam penningmeester] (penningmeester; hierna: [naam penningmeester] ).

2.7.

[gedaagde] is feitelijk de initiatiefnemer en formeel (mede)oprichter van beide stichtingen. [gedaagde] was naast voorzitter van beide stichtingsbesturen ook schooldirecteur.

[naam penningmeester] is de partner van [gedaagde] en woonachtig op hetzelfde adres. Hij heeft de Thaise nationaliteit en spreekt niet tot nauwelijks Nederlands.

2.8.

Op 21 oktober 2012 is [gedaagde] aangehouden op verdenking van ontucht met een minderjarige leerling. [gedaagde] is uiteindelijk (onherroepelijk) door de strafrechter veroordeeld tot onder andere een vrijheidsstraf voor het meermalen plegen van ontucht met een aan zijn zorg en opleiding toevertrouwde minderjarige. Deze feiten hebben plaatsgevonden met een minderjarige leerling van de school en in het pand waarin de school is gevestigd.

In het kader van het strafvorderlijk onderzoek is in de woning van [gedaagde] kinderpornografisch materiaal aangetroffen. Voor het bezit daarvan is [gedaagde] niet strafrechtelijk veroordeeld.

2.9.

[gedaagde] (en aanvankelijk ook [naam penningmeester] , die overigens later niet is vervolgd) is in voorlopige hechtenis genomen na aanhouding.

2.10.

In het kader van het strafvorderlijk onderzoek zijn door de politie administratieve bescheiden en computers uit het schoolgebouw meegenomen. Nadien was een samenhangende, complete administratie niet beschikbaar (waarbij moet worden opgemerkt dat in geschil is of dat voordien wel het geval was).

2.11.

De aanhouding en strafzaak van [gedaagde] hebben geleid tot persberichten in plaatselijke en landelijke media alsmede Kamervragen.

Voorbeelden van deze persberichten zijn: een artikel in Het Parool (onder verwijzing naar De Telegraaf en het Eindhovens Dagblad) van 8 november 2012 met als titel “Kinderen ontuchtschool zitten thuis”, een artikel in de Volkskrant van 23 november 2012 met als titel “School Valkenswaard definitief dicht na ontuchtzaak” en een artikel in De Telegraaf van 17 januari 2013 met als titel “Ook kinderporno gevonden bij schooldirecteur”.

De Kamervragen zijn gesteld op 18 december 2012 door een lid van de Tweede Kamer aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het kamerlid heeft daarbij onder andere gezegd: “Dertig kwetsbare leerlingen van de private school Agnus Dei in Valkenswaard dreigen op straat te komen staan na een ontuchtaffaire en door de aanstaande sluiting van deze school. Deze leerlingen, vaak autistisch of hoogbegaafd, zijn afhankelijk van speciaal onderwijs en kunnen niet worden opgenomen in het reguliere onderwijs.” In zijn antwoord heeft de staatssecretaris onder andere gezegd: “Daar is een heel vervelende situatie ontstaan in verband met een aantal misstanden. Ook het Openbaar Ministerie is hierbij betrokken. Ik sluit niet uit dat er nog wel wat meer achter vandaan komt, ook gezien de manier waarop de school wordt georganiseerd en gefinancierd. (…) De school zal ophouden te bestaan, vermoed ik, maar ik wil dat de kinderen zo snel mogelijk onderdak worden gebracht (…).”

2.12.

Begin november 2012 is de school naar aanleiding van de ontuchtverdenking tijdelijk gesloten op last van de onderwijsinspectie. De school is definitief gesloten op 21 december 2012. De faillissementsrekesten zijn ingediend in februari 2013 door [naam secretaris] (als op dat moment enig feitelijk beschikbaar bestuurder). Uit de (als productie 34 door de curator overgelegde) notulen van de spoedvergadering van de stichtingen op 8 februari 2013 over het onderwerp “zelf aanvragen faillissement”, blijkt dat redengevend voor de aanvraag van de faillissementen de volgende feiten en omstandigheden zijn geweest:

( a) Gezien de “plotselinge aard van de gebeurtenissen”(noot rechtbank: waarmee kennelijk wordt bedoeld op de aanhouding in het strafvorderlijk onderzoek) is prioriteit gegeven aan het veilig onderbrengen van de leerlingen van IPN, wat heeft geduurd tot medio januari 2013. De veiligheid van de leerlingen is uiteindelijk gewaarborgd.

( b) Twee bestuursleden van De Bontekoe zaten in voorarrest. Het derde lid ( [naam secretaris] ) was door ziekte al sinds 23 september 2011 niet meer actief voor de Stichting.

( c) Een groot deel van het personeel van De Bontekoe was tevens leerling op de school, om welke reden vrijwel direct na de gebeurtenissen is besloten tot (ook) een sluiting voor onbepaalde tijd van de door De Bontekoe gedreven horecagelegenheid.

( d) Na inventarisatie is (de bestuurder) duidelijk geworden dat er bij beide stichtingen sprake is van een algehele administratieve, financiële en contractuele malaise.

( e) Vanwege de samenhang tussen beide stichtingen is de besluitvorming voor beide gecombineerd.

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert kort samengevat - te verklaren voor recht dat [gedaagde] zijn taak als bestuurder kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld (als bedoeld in artikel 2:300a BW in verbinding met artikel 2:138 BW) dan wel niet behoorlijk heeft vervuld (als bedoeld in artikel 2:9 BW) alsmede veroordeling van [gedaagde] tot betaling van het boedeltekort dan wel anderszins tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Verder vordert de curator een voorschot daarop van € 217.310,06 alsmede veroordeling van [gedaagde] in de proces- en nakosten.

De curator heeft ter zitting toegelicht dat de de opbouw van de vordering in primair (artikelen 2:300a en 2:138 BW) en subsidiair (artikel 2:9 BW) niet dwingend is bedoeld voor de beoordeling door de rechtbank. De vordering als geheel strekt tot een veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van het boedeltekort. Voor de daartoe te volgen juridische redenering staat het de rechtbank vrij de haars inziens meest passende en meest proceseconomische oplossing te kiezen.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank is tot de slotsom gekomen dat de vordering van de curator kan worden toegewezen op de grondslag van artikel 2:9 BW. De rechtbank zal de alternatieve grondslag van de artikelen 2:300a en 2:138 BW om proceseconomische redenen verder laten rusten.

Het oordeel, dat de vordering van de curator kan worden toegewezen op de grondslag van artikel 2:9 BW, is gebaseerd op de volgende inhoudelijke overwegingen.

4.2.

Voor aansprakelijkheid op de voet van artikel 2:9 BW is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt van onbehoorlijk bestuur. Of van een ernstig verwijt sprake is dient aan de hand van alle omstandigheden van het geval te worden beoordeeld. Van een onbehoorlijke taakvervulling is sprake indien geen redelijk denkend bestuurder - onder dezelfde omstandigheden - overeenkomstig zou hebben gehandeld.

4.3.

Vaststaat dat [gedaagde] meermalen ontucht heeft gepleegd met een minderjarige leerling van de school en dat in het pand waarin de school is gevestigd. De rechtbank is van oordeel dat dit handelen moet worden aangemerkt als onbehoorlijk bestuur van [gedaagde] als bestuurder in de zin van artikel 2:9 BW en niet - zoals [gedaagde] bij wijze van verweer heeft aangevoerd - als louter privé-handelen. Het handelen van [gedaagde] kan immers niet los van zijn functie worden gezien. [gedaagde] was initiatiefnemer van de school, oprichter van beide stichtingen, schooldirecteur en feitelijk de centrale leidinggevende figuur in de school. [gedaagde] is in dat verband in contact komen met de (aan zijn zorg toevertrouwde) minderjarige leerling en in die zin in de gelegenheid gekomen om met deze minderjarige leerling ontuchtige handelingen te plegen in het gebouw waarin de school is gevestigd. Gelet op deze feiten en omstandigheden dient het handelen van [gedaagde] hem ook in zijn hoedanigheid als bestuurder te worden toegerekend. Dit civielrechtelijk oordeel strookt ook met het strafrechtelijk oordeel dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan ontucht met een aan zijn zorg en opleiding toevertrouwde minderjarige en dat in zijn hoedanigheid van leraar/directeur van het slachtoffer.

4.4.

Uitgangspunt is daarmee dat het onder 4.3 beoordeelde handelen van [gedaagde] hem (ook) als bestuurder moet worden aangerekend. Dit handelen kwalificeert als onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:9 BW en daarvan kan [gedaagde] een ernstig verwijt worden gemaakt. Immers, [gedaagde] heeft als bestuurder niet alleen een ernstig strafbaar feit begaan met een slachtoffer waarmee hij in een functionele relatie stond, maar dit handelen is bovendien direct in strijd met en zelfs tegengesteld aan de statutaire doelstelling van IPN, namelijk het bieden van goede scholing en zorg aan kinderen en jongeren. Daar komt bij dat het een feit van algemene bekendheid is dat dit handelen - ontucht met een minderjarige - maatschappelijk gezien grote onrust en verontwaardiging oproept en - als dit plaatsvindt op een school - bovendien sterk vertrouwen ondermijnend werkt. De onder 2.11 genoemde persberichten en Kamervragen geven daar blijk van. Dat [gedaagde] meermalen het risico heeft aanvaard op ontdekking van het ontuchtige handelen, getuigt ook in dat licht van ontoereikend inzicht in de gevolgen van zijn handelen als bestuurder en ook in die zin kan hem een ernstig verwijt worden gemaakt. (De rechtbank gaat niet in op de betekenis van het handelen [gedaagde] voor het minderjarige slachtoffer. De reden daarvoor is louter gelegen in de omstandigheid dat dat op zichzelf voor de toewijsbaarheid van de onderhavige vordering niet direct van belang is en zeker niet omdat het niet belangrijk zou zijn. Dat is het uiteraard wel.)

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat de bovenstaande overwegingen en oordelen geldig zijn voor [gedaagde] in zijn hoedanigheid als bestuurder van zowel IPN als De Bontekoe. Redengevend daarvoor is de omstandigheid dat de stichtingen feitelijk sterk zijn verweven. Deze verwevenheid komt tot uiting in met name de omstandigheden dat (a) beide stichtingen (vrijwel) hetzelfde bestuur en dezelfde oprichters kennen en dat voor het geheel [gedaagde] als “het gezicht van” heeft te gelden, dat (b) de leerlingen van de school sociale vaardigheden opdeden door te werken voor De Bontekoe, dat (c) beide op hetzelfde adres waren gevestigd, dat (d) de gedachte tot oprichting van De Bontekoe juist was ontstaan naar aanleiding van de noodzaak tot verhuizing van de school om aldus te faciliteren dat de leerlingen van IPN sociale vaardigheden zouden kunnen opdoen (zoals ook ter zitting zijdens [gedaagde] is bevestigd), dat (e) sprake was van financiële verwevenheid, bijvoorbeeld doordat IPN onderhuurder was van De Bontekoe en doordat sprake was van grote hoeveelheden interne overboekingen en dat (f) beide stichtingen feitelijk algemeen bekend stonden onder dezelfde naam “Agnus Dei”.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat het ontuchtig handelen [gedaagde] regardeert in zijn hoedanigheid van bestuurder van beide stichtingen.

4.6.

Uit de bovenstaande overwegingen volgt dat [gedaagde] aansprakelijk is voor het hierboven omschreven onbehoorlijk bestuur. Met de curator is de rechtbank van oordeel dat de schade ten gevolge van dit onbehoorlijk bestuur gelijk kan worden gesteld aan het boedeltekort in de stichtingen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

[gedaagde] heeft door zijn handelen - bestaande uit een meermalen bewust doen - de stichtingen blootgesteld aan een groot continuïteitsrisico. Het handelen van [gedaagde] bestaat uit een onrechtmatig doen en de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid kwalificeert derhalve als schuldaansprakelijkheid. Het gaat om ontuchtige handelingen met een minderjarige leerling van de school in dat in het schoolgebouw. Ontdekking van een dergelijk feit leidt naar ervaringsregels tot maatschappelijke onrust, verontwaardiging en verlies aan vertrouwen in de betrokken school. Dat laatste in dit geval in sterke mate nu [gedaagde] niet zomaar een leerkracht is, maar kan worden aangemerkt als het gezicht van de school. De feitelijke gang van zaken toont een en ander aan, waarvoor kan worden verwezen naar de persberichten en Kamervragen genoemd onder 2.11. Ook de verdere gevolgen van het handelen na ontdekking daarvan, zijn naar het oordeel van de rechtbank naar ervaringsregels te verwachten. Dat geldt voor (a) de aanhouding van [gedaagde] - waardoor feitelijk de schooldirectie wegviel -, (b) het strafvorderlijk onderzoek in het kader waarin de administratie grotendeels in beslag is genomen (wat voor het besturen van de stichtingen uiteraard tot grote praktische problemen zal leiden), (c) de tijdelijke sluiting van de school op last van de onderwijsinspectie, (d) het vervolgens elders moeten onderbrengen van de leerlingen (voor de nadere onderbouwing van de voorspelbaarheid daarvan wordt verwezen naar de inhoud van de Kamervragen genoemd onder 2.11 en de notulen genoemd onder 2.12) en (e) het als gevolg daarvan wegvallen van de inkomsten van deze niet door de overheid maar door de ouders van de leerlingen gefinancierde school. Het verweer van [gedaagde] , inhoudende dat na zijn aanhouding en voorlopige hechtenis geen sprake was van teruglopende aanmeldingen van leerlingen, wordt door de rechtbank gepasseerd omdat dit naar ervaringsregels volstrekt onaannemelijk is. In de huidige samenleving bestaat voor ontuchtig handelen met minderjarigen geen begrip en wel sterke afkeuring. Het ondergaan van dergelijk ontuchtig handelen wordt bovendien algemeen gezien als zeer schadelijk voor de ontwikkeling van het minderjarige slachtoffer. Het is naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet voorstelbaar dat ouders van minderjarige, extra zorg behoevende leerlingen op een kleinschalige privéschool, niet ervoor zouden kiezen om hun kinderen daar weg te halen nadat hen is gebleken dat de oprichter/bestuurder/schooldirecteur meermalen ontucht met een leerling heeft gepleegd. De aanvraag van het faillissement van beide stichtingen door [naam secretaris] is in die zin wat er redelijkerwijs te verwachten viel en - mede gegeven de onder 2.12 weergegeven overwegingen daartoe - in de gegeven omstandigheden redelijk zo niet onvermijdelijk. Anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd, kan het aanvragen van het faillissement niet worden aangemerkt als een niet noodzakelijke, eigen keuze van [naam secretaris] .

Kortom: het abrupte eindigen van het functioneren van de in de respectieve stichtingen gedreven instellingen alsmede het daardoor stoppen van de inkomstenstroom van die instellingen is toe te rekenen aan het handelen van [gedaagde] . De daardoor ontstane financiële situatie - enerzijds het stoppen van de inkomstenstroom en anderzijds het blijven bestaan en zelfs oplopen van de verplichtingen in een situatie die volgens [gedaagde] al financieel problematisch was - rechtvaardigen [gedaagde] aansprakelijk te houden voor de boedeltekorten in beide faillissementen. De stelling van [gedaagde] dat de beide stichtingen ook zouden zijn gefailleerd vanwege de al langer slechte financiële situatie daarvan, wordt door de rechtbank gepasseerd. De reden daarvoor is dat een dermate slechte financiële situatie niet aannemelijk is geworden en omdat [gedaagde] zelf heeft gesteld dat zijn broer - na zijn aanhouding optredende als zaakwaarnemer voor [gedaagde] - heeft gezegd dat de school te redden was, terwijl enig al vóór de aanhouding van [gedaagde] bestaand voornemen de school te sluiten en/of de stichtingen te laten failleren is gesteld noch gebleken.

4.7.

De slotsom is dat [gedaagde] wegens onbehoorlijk bestuur aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade, welke schade bestaat uit het boedeltekort in de faillissementen van beide stichtingen. De curator heeft gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een voorschot daarop, welk voorschot de curator heeft begroot op € 217.310,06 zijnde het geschatte boedeltekort. In de omstandigheid dat het gaat om een schatting ziet de rechtbank aanleiding het voorschot te bepalen op een iets lager, afgerond bedrag, te weten € 200.000.

4.8.

[gedaagde] heeft zich beroepen op matiging gelet op zijn (in de strafzaak aangenomen) verminderde toerekeningsvatbaarheid. De rechtbank ziet daartoe geen aanleiding gegeven de aard en ernst van het onbehoorlijk bestuur.

4.9.

[gedaagde] heeft verzocht een eventuele veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De rechtbank zal dit verzoek niet honoreren, omdat - in het licht van de omstandigheid dat executie van een niet onherroepelijk vonnis altijd een risico inhoudt dat op zichzelf normaliter geen contra-indicatie vormt voor een uitvoerbaar bij voorraadverklaring - de door de curator genoemde omstandigheid - dreigende waardevermindering van het te executeren onroerend goed vanwege oplopend achterstallig onderhoud - zwaarder dient te wegen dan het door [gedaagde] genoemde risico op een andersluidende beslissing in hoger beroep.

4.10.

De beslissingen van de rechtbank zijn gebaseerd op de overwegingen die hierboven staan. Alles wat partijen meer of anders hebben aangevoerd blijft verder buiten beschouwing omdat het voor de beslissing van de rechtbank niet (langer) relevant is.

4.11.

De curator vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 346,48 voor verschotten en € 2.000,00 voor salaris advocaat.

4.12.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:

- dagvaarding € 96,01

- griffierecht 1.548,00

- salaris 2.000,00

Totaal € 3.644,01

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] zijn taak als bestuurder van IPN en De Bontekoe niet behoorlijk heeft vervuld in de zin van artikel 2:9 Burgerlijk Wetboek en aansprakelijk is voor de door de stichtingen geleden en nog te lijden schade, welke bestaat uit het tekort in de boedel van de stichtingen,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding aan de curator van die schade, op te maken bij staat,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan de curator van een voorschot op het door hem te betalen uiteindelijke tekort in de boedels van de stichtingen ten bedrage van € 200.000,00 (zegge: tweehonderdduizend euro) te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 2.346,48, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 3.644,01, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kluin en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2016.