Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:7143

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
27-12-2016
Datum publicatie
17-01-2017
Zaaknummer
15_6557 V
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 8:55, tiende lid, Awb en wegingsfactor 0,25 in een parkeerbelastingzaak.

Verzet gegrond. De rechtbank geeft toepassing aan artikel 8:55, tiende lid, Awb en doet het beroep ook inhoudelijk af. Omdat verweerder hangende het beroep de naheffingsaanslag heeft ingetrokken, heeft belanghebbende geen procesbelang meer bij een inhoudelijk oordeel over de tegen de voormelde naheffingsaanslag aangevoerde beroepsgronden. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten in beroep en beoordeelt, met inachtneming van de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARN:2012:BX8224), het gewicht van deze zaak als zeer licht (wegingsfactor 0,25). De onderhavige zaak betreft een naheffingsaanslag parkeerbelasting. Over het algemeen zijn dergelijke zaken niet bewerkelijk en ook niet gecompliceerd. In het onderhavige geval is dat niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/28.21.4
Belastingblad 2017/79
V-N Vandaag 2017/155
FutD 2017-0203
NLF 2017/0222 met annotatie van
NLF 2017/0222 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/6557 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 december 2016 op het verzet van

[opposant] , te [woonplaats] , opposant

(gemachtigde: R. de Nekker)

en uitspraak in de beroepszaak tussen

opposant

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven, verweerder

(gemachtigde: F. Fikri)

Procesverloop

Opposant heeft tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 27 oktober 2015 beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 28 april 2016 (buiten-zittinguitspraak) heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2016. Opposant heeft zich daags voor de zitting afgemeld en is derhalve niet verschenen. Verweerder is eveneens, met telefonisch bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het griffierecht niet is betaald.

2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank in de eerste plaats of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

3. De gemachtigde van opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat hij rekening-couranthouder is, zodat het griffierecht als onmiddellijk betaald had moeten worden beschouwd.

4. De rechtbank is uit eigen onderzoek – navraag bij het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) – gebleken dat de gemachtigde van opposant in de periode waaraan de nota griffierecht in de onderhavige zaak is verzonden, inderdaad een rekening-courantverhouding bij het LDCR had. Gelet daarop heeft de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak ten onrechte geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was en de zaak ten onrechte zonder zitting afgedaan. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan.

5. De in verband met het verzet gemaakte proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Van andere kosten dan kosten in verband met door een derde verleende rechtsbijstand is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank bepaalt de in verband met deze kosten door verweerder te betalen vergoeding op € 248 (0,5 punt voor het verzetschrift, waarde per punt € 496, wegingsfactor 1).

6. Partijen zijn beide uitgenodigd voor de zitting over het verzet. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek na de zitting niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom op grond van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep.

7. Bij fax van 16 december 2016 heeft verweerder de rechtbank medegedeeld dat hij de aan opposant opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft vernietigd. Verweerder heeft de gemachtigde van opposant door middel van een fax van 2 december 2016 op de hoogte gesteld van zijn voornemen de naheffingsaanslag te vernietigen, doch daarop, ondanks een daartoe in die fax gedaan verzoek, geen reactie van de gemachtigde van opposant ontvangen. Daarom heeft verweerder vervolgens besloten de rechtbank op 16 december 2016 over de vernietiging van de aanslag te berichten. De rechtbank constateert dat verweerder met die vernietiging volledig aan opposant tegemoet is gekomen. Gelet op de korte termijn tussen de ontvangst van de fax van 16 december 2016 van verweerder en de op 20 december 2016 geplande zitting en gelet op het feit dat van de gemachtigde van opposant geen telefoonnummer bij de rechtbank bekend is, heeft de rechtbank de gemachtigde van opposant via e-mail van 19 december 2016 op de hoogte gesteld van de vernietiging van de naheffingsaanslag en hem daarbij verzocht zo spoedig mogelijk telefonisch contact met de rechtbank op te nemen. De gemachtigde van opposant heeft vervolgens op 19 december 2016 telefonisch contact gehad met de griffier. In dat gesprek heeft de gemachtigde van opposant aangegeven nog niet te weten of hij nog behoefte heeft aan de op 20 december 2016 geplande zitting. De rechtbank heeft vervolgens op 20 december 2016 kennisgenomen van een fax van de gemachtigde van opposant, waarin deze aan de rechtbank mededeelt dat van de zijde van opposant niemand ter zitting zal verschijnen.

8. Gelet op de fax van 16 december 2016 van verweerder, waarin deze mededeelt dat de aan opposant opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting in de onderhavige zaak is vernietigd, oordeelt de rechtbank dat opposant geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijk oordeel over de tegen voormelde naheffingsaanslag aangevoerde beroepsgronden. Uit het voorgaande volgt immers dat verweerder tijdens de beroepsprocedure geheel aan het beroep van opposant tegemoet is gekomen, zodat het beroep niet meer tot een voor opposant gunstiger resultaat kan leiden. Hierbij verdient nog opmerking dat een belang bij een beslissing op het beroep niet kan zijn gelegen in de mogelijkheid dat de rechter het bestuursorgaan veroordeelt tot vergoeding van griffierecht en/of proceskosten. De rechtbank verwijst ter ondersteuning naar het arrest van de Hoge Raad van 3 december 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BO5988). Het beroep is derhalve niet-ontvankelijk.

9. Aangezien verweerder pas aan opposant tegemoet is gekomen nadat de laatstgenoemde beroep bij de rechtbank had ingesteld, dient verweerder de proceskosten die opposant in verband hiermee heeft gemaakt te vergoeden. Van andere kosten dan kosten in verband met door een derde verleende rechtsbijstand is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank bepaalt de in verband met deze kosten door verweerder te betalen vergoeding op € 124 (1 punt voor het beroepschrift, waarde per punt € 496, wegingsfactor 0,25).

De rechtbank overweegt dat in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Bpb vijf categorieën van het gewicht van een zaak worden onderscheiden. De wegingsfactor kan variëren van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot wegingsfactor 2 voor een zeer zware zaak. Blijkens de toelichting op de wijziging van het Bpb van 25 februari 2002, Staatsblad 113, blz. 6, dient de uitkomst steeds in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. De beoordelende instantie dient zelfstandig – op grond van een eigen waardering – te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt (zie de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 september 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:

BX8224). De onderhavige zaak betreft een naheffingsaanslag parkeerbelasting. Over het algemeen zijn dergelijke zaken niet bewerkelijk en ook niet gecompliceerd. In het onderhavige geval is dat niet anders, zodat de rechtbank van oordeel is dat de zaak als zeer licht moet worden aangemerkt, zodat een wegingsfactor van 0,25 op zijn plaats is.

De rechtbank hecht eraan in dit verband op te merken dat de opvatting van verweerder, zoals neergelegd in diens fax van 2 december 2016 aan de gemachtigde van opposant, dat het niet accepteren van een compromisvoorstel gevolgen zou moeten hebben voor de wegingsfactor, op een misvatting berust, aangezien voor de wegingsfactor enkel de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van een zaak relevant zijn.

10. Opposant heeft verzocht bij gegrondverklaring van het beroep het bedrag van de hem toe te kennen proceskosten over te maken naar de rekening van de gemachtigde. Over dit verzoek kan de rechtbank geen oordeel geven. Uit artikel 8:75 Awb, noch uit enige andere wettelijke bepaling volgt dat de rechtbank is gehouden op een dergelijk verzoek te beslissen (vgl. Hoge Raad 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:324).

11. De rechtbank gelast verweerder voorts aan opposant het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het verzet gegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die opposant in verband met het verzet heeft gemaakt, tot een bedrag van € 248;

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die opposant in verband met het beroep heeft gemaakt, tot een bedrag van € 124;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan opposant te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Rijnbeek, rechter, in aanwezigheid van drs. H.A.J.A. van de Laar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 december 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het verzet binnen zes weken na verzending daarvan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.