Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:6963

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-12-2016
Datum publicatie
19-12-2016
Zaaknummer
01/845423-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich gedurende elf maanden schuldig gemaakt aan de belaging van een toenmalige voetballer en zijn ouders. Daarbij heeft verdachte ook opzettelijk een opgelegde gedragsaanwijzing overtreden. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden met een proeftijd van drie jaar. Als bijzondere voorwaarde wordt aan die gevangenisstraf een contactverbod met het slachtoffer en zijn ouders gekoppeld. Dit contactverbod wordt tevens als maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opgelegd. Het contactverbod is dadelijk uitvoerbaar verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845423-15

Datum uitspraak: 19 december 2016

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

wonende te [adresgegevens] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 september 2016 en 5 december 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 9 september 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 oktober 2014 tot en met 23 mei 2015, te s-Hertogenbosch te Keldonk (gemeente Veghel), en/of te Venlo en/of te Helmond en/of te Deurne, in ieder geval in Nederland,

wederrechtelijk

stelselmatig

opzettelijk

inbreuk heeft gemaakt

op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] (toen) van beroep voetballer), in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1] , in elk geval die ander, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen,

door (telkens) - die [slachtoffer 1] en/of (een of meer van) zijn familieleden (veelvuldig) brieven en/of kaarten en/of e-mailberichten toe te sturen;

2.

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 juli 2014 tot 16 oktober 2014 te Keldonk (gemeente Veghel), en/of te Venlo en/of te Helmond en/of te Deurne, in elk geval in Nederland,

wederrechtelijk

stelselmatig

opzettelijk

inbreuk heeft gemaakt

op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] (toen van beroep voetballer), in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1] , in elk geval die ander, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen,

door (telkens) - die [slachtoffer 1] en/of (een of meer van) zijn familieleden (veelvuldig) brieven en/of kaarten en/of e-mailberichten toe te sturen;

3.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 juni 2014 tot en met 21 november 2014 te Erp, gemeente Veghel, in elk geval in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die voorgenoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte, aldaar in genoemde periode: - die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of zijn/haar/hun kennissen en/of zijn/haar/hun familieleden (veelvuldig) brieven en/of kaarten toegestuurd, en/of

- die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of zijn/haar/hun kennissen en/of zijn/haar/hun familieleden (veelvuldig) cadeaus, althans voorwerpen toegestuurd;

4.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 oktober 2014 tot en met 04 december 2014, te Erp, gemeente Veghel, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 16 oktober 2014 gegeven door de officier van justitie te 's-Hertogenbosch immers heeft verdachte opzettelijk (meermalen) brieven en/of kaarten en/of cadeaus, althans voorwerpen gestuurd naar [slachtoffer 4] en/of zijn familieleden en/of zijn bekenden;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsoverweging ten aanzien van de feiten 1 en 2.

De raadsvrouw van verdachte heeft ten aanzien van de feiten 1 en 2 bepleit dat de kaarten, brieven en cadeaus niet rechtstreeks naar [slachtoffer 1] , maar naar zijn ouders of anderen zijn gestuurd. Daardoor is er geen sprake van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] . Ook is niet voldaan aan de eis van stelselmatigheid in de ten laste gelegde periode.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten telkens sprake is van belaging door verdachte van de in de ten laste gelegde genoemde [slachtoffer 1] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

[slachtoffer 1] heeft op 23 mei 2015 aangifte gedaan van stalking door verdachte. Verdachte bleef hem brieven schrijven, terwijl hij en zijn familie niet gediend waren van haar benaderingen. Verdachte heeft de brieven en kaartjes via familieleden en de voetbalclub(s) aan [slachtoffer 1] doen toekomen. Gemiddeld kreeg aangever één keer per week post van verdachte. De laatste brief is op 7 mei 2015 ontvangen.

Uit een overzicht van de door aangever overgelegde stukken blijkt dat verdachte in 2014 in ieder geval op 10, 11, 16, 20 en 24 november en 2 en 4 december en in 2015 op 22 maart, 1, 8, 15, 19, 20, 22, 28 april en op 7 mei kaarten en/of brieven heeft gestuurd, (onder meer) gericht aan [slachtoffer 1] .

[slachtoffer 2] , de vader van [slachtoffer 1] , heeft op 19 september 2014 aangifte gedaan van stalking door verdachte. Uit deze aangifte blijkt dat verdachte in de periode van 19 juni 2014 tot 19 september 2014 17 brieven en/of kaarten en/of voorwerpen via het adres van de ouders van [slachtoffer 1] en via andere familieleden en/of kennissen heeft gestuurd. Deze brieven en/of kaarten waren (onder meer) gericht aan zijn zoon [slachtoffer 1] . [slachtoffer 4] is van alles op de hoogte en wil niks met verdachte te maken hebben.

Verdachte erkent in de onder 1 en/of 2 ten laste gelegde periodes brieven, kaarten en cadeaus naar [slachtoffer 1] te hebben gestuurd via de ouders van [slachtoffer 1] , familieleden en kennissen en via de voetbalclub. Zij wist in die periodes dat [slachtoffer 1] geen contact met haar wilde en is desondanks doorgegaan met het zoeken van schriftelijk contact.

De brieven en kaarten zijn gericht aan [slachtoffer 1] en zijn hem ook ter kennis gekomen. Verdachte stelde deze correspondentie van verdachte niet op prijs en dit is verdachte ook meerdere keren kenbaar gemaakt.

Gelet op de duur, de frequentie en intensiteit van het sturen van de kaarten, brieven en voorwerpen gericht aan [slachtoffer 1] in de onder 1 en 2 ten laste gelegde periodes, zoals onder meer blijkt uit de aangiftes en de overgelegde bescheiden, is de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] .

Dat de brieven, kaarten en voorwerpen niet rechtstreeks naar [slachtoffer 1] zijn gestuurd, maakt niet dat er geen sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] .

De brieven e.d. waren immers gericht aan [slachtoffer 1] en zijn hem ook ter kennis gekomen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

1.

op tijdstippen in de periode van 16 oktober 2014 tot en met 23 mei 2015, te

’s-Hertogenbosch, te Keldonk (gemeente Veghel) en/of te Venlo

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] (toen van beroep voetballer), met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te dulden, door telkens - die [slachtoffer 1] en/of (een of meer van) zijn familieleden (veelvuldig) brieven en/of kaarten toe te sturen.

2.

op tijdstippen in de periode van 11 juli 2014 tot 16 oktober 2014 te Keldonk (gemeente Veghel), en/of te Venlo wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt

op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] (toen van beroep voetballer), met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te dulden door (telkens) - die [slachtoffer 1] en/of (een of meer van) zijn familieleden (veelvuldig) brieven en/of kaarten toe te sturen.

3.

op tijdstippen in de periode van 20 juni 2014 tot en met 21 november 2014 te Erp, gemeente Veghel, telkens wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , met het oogmerk die voorgenoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , te dwingen iets te dulden, immers heeft verdachte, aldaar in genoemde periode: - die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en/of hun kennissen en hun familieleden veelvuldig brieven en/of kaarten toegestuurd, en/of

- die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en/of hun kennissen en hun familieleden (veelvuldig) voorwerpen toegestuurd.

4.

op tijdstippen in de periode van 16 oktober 2014 tot en met 04 december 2014, te Erp, gemeente Veghel, telkens opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 16 oktober 2014 gegeven door de officier van justitie te 's-Hertogenbosch immers heeft verdachte opzettelijk meermalen brieven en/of kaarten en/of voorwerpen gestuurd naar [slachtoffer 4] en/of zijn familieleden en/of zijn bekenden.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 4:

  • -

    een gevangenisstraf van 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde van een contactverbod gedurende de proeftijd met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Onder dit contactverbod vallen ook het bezoeken van wedstrijden van [slachtoffer 1] en het hebben van indirect contact met genoemde personen;

  • -

    de maatregel van een contactverbod (38v van het Wetboek van Strafrecht), inhoudende dat verdachte voor een periode van twee jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact op zal nemen met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] met een vervangende hechtenis van ten hoogste zes maanden; Voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, is de vervangende hechtenis die ten uitvoer wordt gelegd ten hoogste één maand.

  • -

    dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel van contactverbod;

  • -

    gehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , met wettelijke rente en het telkens opleggen van de maatregel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het verzoek om aanhouding.

De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden teneinde een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte te doen plaatsvinden.

Het enkel opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf zal, aldus de raadsvrouw, niet leiden tot het op de rit krijgen van het leven van verdachte. Het opmaken van een rapportage met aansluitend een behandeling is nodig om recidive te voorkomen.

De rechtbank wijst het verzoek om aanhouding af en overweegt als volgt.

Los van het feit of een klinische behandeling wel of niet op zijn plaats is voor de eventuele psychiatrische problematiek van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een verplichte klinische behandeling, gelet op de aard van de bewezen verklaarde delicten, niet proportioneel is.

Wat door de raadsvrouw wordt beoogd, namelijk een rapportage en een eventuele behandeling, kan naar het oordeel van de rechtbank ook bereikt worden door het stellen van de bijzondere voorwaarden, zoals hierna vermeld. De rechtbank zal onder meer bepalen dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als deze aanwijzingen inhouden het meewerken aan diagnostisch onderzoek en deelname aan een ambulante behandeling

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van [slachtoffer 1] , op dat moment van beroep voetballer, en zijn ouders. Verdachte heeft daartoe gedurende een periode van ruim 11 maanden veelvuldig brieven, kaarten en voorwerpen gestuurd naar voornoemde personen of hun familieleden en/of kennissen, terwijl haar meerdere malen duidelijk was gemaakt dat dit niet op prijs werd gesteld en als zeer hinderlijk werd ervaren door [slachtoffer 1] en/of zijn ouders. Het handelen van verdachte heeft het leven van voornoemde personen in behoorlijke mate verstoord. Verdachte is er meerdere keren op gewezen dat zij daarmee moest stoppen. Verdachte bleek echter niet voor rede vatbaar en zelfs interventies van de politie en een gedragsaanwijzing hebben verdachte er niet van weerhouden voornoemde personen op de hiervoor beschreven wijze lastig te blijven vallen.

De bewezen verklaarde feiten hebben, zo blijkt ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de heer [slachtoffer 2] en mevrouw [slachtoffer 3] een zware wissel op hun gezinsleven getrokken en veel spanningen veroorzaakt.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk of andersoortig feit.

De rechtbank is van oordeel dat aan verdachte een voldoende strak kader dient te worden gegeven om recidive te voorkomen.

De rechtbank zal een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. De rechtbank acht een proeftijd van 3 jaren passend en geboden.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte recentelijk, in september en oktober 2016, nog contact heeft gezocht met de in de tenlastelegging genoemde personen. Ter voorkoming van strafbare feiten zal de rechtbank tevens een maatregel opleggen strekkende tot beperking van de vrijheid, inhoudende dat verdachte zich zal onthouden van contact met [slachtoffer 1] en zijn ouders [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .

De maatregel zal voor een periode van twee jaren worden opgelegd. De rechtbank zal bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens voornoemde personen.

De rechtbank zal bepalen dat de duur van de vervangende hechtenis één week zal zijn voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De totale duur van de ten uitvoer te leggen vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] . De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten immateriële schadevergoeding € 250,-- en materiële schadevergoeding van € 7,78 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de hierna te noemen onderdelen van de vordering. De rechtbank is van oordeel is dat de behandeling van de immateriële schade, voor zover deze het bedrag van € 250,-- te boven gaat, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Ten aanzien van de reiskosten van € 25,06 is het causaal verband onvoldoende gebleken.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] . De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten immateriële schadevergoeding € 250,-- en materiële schadevergoeding van € 7,78 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de hierna te noemen onderdelen van de vordering. De rechtbank is van oordeel is dat de behandeling van de immateriële schade, voor zover deze het bedrag van € 250,-- te boven gaat, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Ten aanzien van de reiskosten van € 25,06 is het causaal verband onvoldoende gebleken.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor de toegewezen bedragen tevens telkens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2015 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 38v, 38w,

57, 60a, 184a, 285b.

DE UITSPRAAK

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1: Belaging T.a.v. feit 2: Belaging T.a.v. feit 3: Belaging T.a.v. feit 4: Opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh,eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4:

 Gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht met een proeftijd van 3 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering, ook als deze aanwijzingen inhouden het verlenen van medewerking aan een diagnostisch onderzoek betreffende veroordeelde en het verlenen van haar medewerking aan een ambulante behandeling, indien een dergelijke behandeling door de reclassering nodig wordt geacht;

- zich gedurende de proeftijd op de door de Reclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de Reclassering Nederland te 's-Hertogenbosch, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact op zal nemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .;

De Reclassering Nederland, Regio's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch,wordt opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4:

* Contactverbod voor de duur van 2 jaar subsidiair ten hoogste 6 maanden vervangende hechtenis.

Legt op de maatregel dat de veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .

Beveelt dat vervangende hechtenis van ten hoogste 6 maanden zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan.

De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Bepaalt dat voornoemde op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrechtopgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4:

Maatregel van schadevergoeding van € 257,78 subsidiair 5 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van € 257,78 (zegge: tweehonderdzevenenvijftig euro en achtenzeventig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vijf dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 250,-- immateriële schadevergoeding en € 7,78 materiële schadevergoeding (post: reiskosten slachtofferhulp).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] ,

van een bedrag van € 257,78 (zegge: tweehonderdzevenenvijftig euro en achtenzeventig cent), te weten € 250,-- immateriële schadevergoeding en

€ 7,78 materiële schadevergoeding (post: reiskosten slachtofferhulp).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet- ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat, komt daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4: Maatregel van schadevergoeding van € 257,78 subsidiair 5 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] van een bedrag van € 257,78 (zegge: tweehonderdzevenenvijftig euro en achtenzeventig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vijf dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 250,-- immateriële schadevergoeding en € 7,78 materiële schadevergoeding (post: reiskosten slachtofferhulp).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] ,

van een bedrag van € 257,78 (zegge: tweehonderdzevenenvijftig euro en achtenzeventig cent), te weten € 250,-- immateriële schadevergoeding en

€ 7,78 materiële schadevergoeding (post: reiskosten slachtofferhulp).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet- ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat, komt daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 01/845423-15, welke voorlopige hechtenis reeds bij beschikking van 4 juni 2015 is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L.G.J.M. van Ekert, voorzitter,

mr. H.A. van Gameren en mr. H.M. Hettinga, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 19 december 2016.