Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:6894

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-12-2016
Datum publicatie
15-12-2016
Zaaknummer
01/865022-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar met aftrek van voorarrest.

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsvrouwe voorbedachte rade niet bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer dagvaarding: 01/865022-16.

Parketnummers vorderingen: 01/845452-15 en 01/845793-13.

Datum uitspraak: 15 december 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

zonder bekende woonplaats in Nederland,

thans gedetineerd te: Justitieel Complex Zaanstad.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 26 mei 2016, 18 augustus 2016, 15 november 2016 en 1 december 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 4 mei 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 februari 2016 te Eindhoven [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet

met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door een (elektriciteits)kabel om de hals/nek van die [slachtoffer] te binden/houden en/of (vervolgens/daarmee) omsnoerend geweld op de hals toe te passen (verwurgen).

De vorderingen na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01/845452-15 is aangebracht bij vordering van 15 april 2016. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de meervoudige strafkamer in het arrondissement Oost-Brabant d.d. 24 december 2015.

Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De zaak met parketnummer 01/845793-13 is aangebracht bij vordering van 15 april 2016. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter in het arrondissement Oost-Brabant d.d. 27 januari 2014.

Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Inleiding.
Op woensdag 24 februari 2016 omstreeks 9.09 uur werden verbalisanten door de meldkamer naar het adres [adres 1] gestuurd. Op dit adres zou een vrouw gereanimeerd worden dan wel overleden zijn.

Omstreeks 9.11 uur kwamen verbalisanten ter plaatse. Er stond een ambulance voor de woning. Ter hoogte van de voordeur stond [betrokkene] . Hij verklaarde dat hij de meldkamer had gebeld, dat hij had gereanimeerd en dat het zijn schoonzus was die in de woning lag. De verbalisanten zijn de woning binnen gegaan en troffen in de woonkamer het slachtoffer [slachtoffer] aan. Ambulancemedewerkers waren bezig met het reanimeren van het slachtoffer.

[betrokkene] heeft verklaard dat hij naar de woning van zijn schoonzus was gegaan, omdat zijn broer [verdachte] (verdachte) kort daarvoor tegen hem had gezegd dat hij ruzie had gehad met zijn vrouw en dat [betrokkene] in haar woning moest gaan kijken. In de woning trof hij zijn schoonzus [slachtoffer] aan, zittend op haar knieën voor de bank, voorover. Hij vertelde dat zij een jas droeg die hij probeerde open te maken. Dat lukte niet, omdat er een snoer om haar nek zat, een zwarte elektriciteitskabel. Hij heeft 112 gebeld en is op aanwijzing van de meldkamer begonnen met reanimeren, totdat de ambulancebroeders dit van hem overnamen.

[betrokkene] heeft desgevraagd gewezen op een elektriciteitskabel die op de salontafel lag. Deze kabel had om de hals van zijn schoonzus gezeten. De kabel is door de politie in beslag genomen. De kabel bleek te horen bij een printer van het merk Canon. Een dergelijke printer stond in de woning van het slachtoffer. De elektriciteitskabel van de printer ontbrak.

Het slachtoffer werd in kritieke toestand met spoed naar het Catharina Ziekenhuis in Eindhoven gebracht. Ongeveer tien uur later is zij overleden.
Er is sectie verricht op het lichaam van het slachtoffer. Uit de sectie is gebleken dat het slachtoffer is overleden als gevolg van verwikkelingen van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend omsnoerend geweld op de hals. Tevens bleek zij een steek/snijverwonding in haar bovenlichaam en hals te hebben.

Verdachte heeft verklaard dat hij gescheiden van het slachtoffer en hun kinderen leefde. Hij woonde in de woning van zijn moeder. Die ochtend is hij naar de woning van het slachtoffer gegaan met het verzoek om daar de dag door te brengen. Er ontstond een woordenwisseling tussen het slachtoffer en hem. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij haar in de buik heeft gestoken. Daarna heeft hij een kabel gepakt van de computer, die hij om de nek van het slachtoffer heeft gedraaid.. Hij heeft knopen in de kabel gelegd. Hij is aan de kabel blijven trekken totdat het slachtoffer haar hand liet vallen en hij dacht dat ze buiten bewustzijn was. Verdachte dacht dat ze dood was. Hij is daarna naar de woning van zijn moeder gelopen, heeft daar een jointje gerookt, is vervolgens naar de woning van zijn broer gelopen en heeft hem gezegd dat hij in de woning van het slachtoffer moest gaan kijken.

Verdachte heeft bevestigd dat hij eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten, waaronder ook huiselijk geweld ten aanzien van het slachtoffer.

Bewijsoverweging. 1
Gelet op de bekennende verklaring van verdachte2, de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]3 en het sectierapport4 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 24 februari 2016 opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door haar te verwurgen. Verdachte heeft daartoe een elektriciteitskabel om de hals van het slachtoffer gewikkeld en deze kabel vervolgens aangetrokken, ten gevolge waarvan zij is overleden.

Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.


De rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsvrouwe, voorbedachte raad niet bewezen, nu niet vastgesteld kan worden dat verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Dit leidt, gelet op wat hiervoor is overwogen, tot de conclusie dat de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen is.
De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

op 24 februari 2016 te Eindhoven [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door een elektriciteitskabel om de hals/nek van die [slachtoffer] te binden/houden en daarmee omsnoerend geweld op de hals toe te passen (verwurgen).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

De rechtbank heeft kennis genomen van een door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) locatie Pieter Baan Centrum (PBC) uitgebrachte rapportage van 6 juli 2016, opgesteld door [naam psycholoog] (GZ-psycholoog) en [naam psychiater] (psychiater). Deze rapportage bestaat uit een milieuonderzoek, een groepsobservatie, een psychologisch onderzoek en een psychiatrisch onderzoek. Verdachte heeft zijn medewerking aan het onderzoek geweigerd.
Volgens de onderzoekers van het PBC zijn er geen aanwijzingen voor beperkingen in de intelligentie van verdachte. Bekend is dat verdachte middelen gebruikt, maar door de weigering van verdachte is het niet mogelijk geweest te onderzoeken wat de aard, ernst en frequentie van het middelengebruik is geweest, noch wat de effecten zijn op de stabiliteit van zijn psychische toestandsbeeld en op zijn gedrag. Door de weigering van verdachte is het ook niet mogelijk geweest de persoonlijkheid van verdachte te onderzoeken en hierbij zicht te krijgen op forensisch relevante aspecten, zoals de copingvaardigheden, krenkbaarheid, agressieregulatie, impulscontrole en gewetensfuncties. Van al deze aspecten lijkt het erop dat er tot 2012 geen aanwijzingen zijn geweest voor problemen op deze gebieden. Tijdens het onderzoek zijn er geen op zichzelf staande stoornissen in de agressieregulatie en impulscontrole waargenomen. Wel zijn er aanwijzingen voor het bestaan van een aanpassingsstoornis (mogelijk binnen een culturele context), depressie en een psychose/waanstoornis. Hierbij kan de rol van het middelengebruik, bijvoorbeeld in een door middelen geïnduceerde psychose, niet worden uitgesloten. Doordat verdachte niet heeft meegewerkt aan het onderzoek zijn er echter onvoldoende gegevens om het mogelijke beloop en het mogelijke toestandsbeeld ten tijde van het ten laste gelegde ook formeel en classificerend te kunnen onderbouwen. Verder hebben de onderzoekers vragen omtrent de doorwerking van een eventueel aanwezige stoornis in het delict en de mate van toerekening ook niet kunnen beantwoorden.

De rechtbank komt op grond van bovenstaande rapportage tot de conclusie dat er weliswaar aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van een stoornis bij verdachte, maar dat door de weigering van verdachte om mee te werken aan het onderzoek niet kan worden vastgesteld dat ten tijde van de bewezenverklaarde doodslag sprake was van een stoornis bij verdachte. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de beoordeling van causaliteit tussen een eventuele stoornis en het plegen van het strafbare feit. Dit betekent dat de rechtbank uit zal gaan van volledige toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is dan ook strafbaar voor het bewezenverklaarde.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

(voor de ten laste gelegde doodslag:)

Gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar, met aftrek van voorarrest.

Onttrekking aan het verkeer van de onder verdachte in beslag genomen messen.

Teruggave aan verdachte van de in beslag genomen kleding.

(Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht).

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft de rechtbank verzocht om aansluiting te zoeken bij de door haar in haar pleitaantekeningen vermelde jurisprudentie, waaruit blijkt dat voor doodslag een absolute bovengrens geldt van 9 jaar gevangenisstraf. De raadsvrouwe ziet in de onderhavige zaak termen om deze strafmaat te matigen. Strafverminderend is ten eerste de gehele voorgeschiedenis van verdachte en het gezin. Strafverminderend ten tweede is dat verdachte, zodra hij zich realiseerde wat er was gebeurd, meteen naar zijn broer is gegaan en hem heeft gezegd dat hij moest gaan proberen het slachtoffer te redden. Strafverminderend ten derde is het feit dat verdachte open kaart heeft gespeeld en zijn volledige medewerking aan het onderzoek heeft verleend. Hij heeft zich niet verscholen en heeft zijn verantwoordelijkheid genomen door uitgebreid te verklaren. Ten vierde is strafverminderend dat verdachte tot voor kort nog nooit in aanraking was gekomen met justitie. Ten vijfde is strafverminderend dat verdachte zeer schuldbewust is en ongelofelijk veel spijt heeft van zijn daden.

Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft op gruwelijke wijze een einde gemaakt aan het leven van een jonge vrouw. Zij was tot voor kort zijn levenspartner en zij was de moeder van hun kinderen. Verdachte heeft haar het kostbaarste bezit ontnomen, namelijk haar leven. Door de wijze waarop hij haar om het leven heeft gebracht, namelijk door verwurging, moet het slachtoffer vreselijke laatste momenten hebben beleefd. Aan diverse nabestaanden van het slachtoffer, onder wie haar kinderen, is hierdoor onherstelbaar leed aangedaan. De abrupte dood van het slachtoffer, heeft diep ingegrepen in het leven van de nabestaanden - onder wie de nu 17-jarige zoon en 14-jarige dochter - en een enorm verdriet veroorzaakt. De kinderen moeten hun verdere leven met de gedachte voortleven dat hun vader hun moeder heeft gedood. De door de nabestaanden ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaringen getuigen op indringende wijze van het enorme leed van de nabestaanden.

Ook in de samenleving blijven daden als deze niet zonder gevolgen. Niet alleen de directe omgeving van het slachtoffer wordt opgeschrikt en geschokt door een dergelijke gebeurtenis, maar dit soort feiten versterken eveneens de in de samenleving aanwezige gevoelens van angst en onveiligheid.

Het plegen van een levensdelict als doodslag wordt beschouwd als één van de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Het nemen van het leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat daarvoor enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur in aanmerking komt.

Verdachte heeft ter terechtzitting weliswaar enigszins blijk gegeven van inzicht in de strafwaardigheid van zijn handelen, maar verdachte heeft niet willen verklaren over de reden waarom hij haar gedood heeft. Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek van het PBC. De rechtbank heeft hierdoor maar een beperkt beeld gekregen van de persoon van verdachte en van zijn beweegredenen om een dergelijk gruwelijk feit te plegen. Ook heeft de rechtbank geen inzicht gekregen in het al dan niet aanwezige gevaar voor herhaling.

De rechtbank heeft in het nadeel van verdachte rekening gehouden met het feit dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten, waaronder voor mishandeling van zijn echtgenote en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Verdachte liep in twee proeftijden ten tijde van het plegen van het feit. Dit heeft hem er niet van weerhouden dit feit te plegen.

De rechtbank zoekt bij de strafoplegging gewoonlijk aansluiting bij de oriëntatiepunten van het LOVS, dan wel bij straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Nu er geen oriëntatiepunten bestaan voor doodslag, heeft de rechtbank gekeken naar de strafoplegging in Nederland in soortgelijke gevallen. Op basis van het beeld dat daaruit naar voren komt, acht de rechtbank een gevangenisstraf van twaalf jaar, gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, passend en geboden.

De raadsvrouwe heeft, verwijzend naar enkele rechterlijke uitspraken uit de periode 2008 – 2012, gesteld dat verschillende gerechtshoven en rechtbanken als bovengrens een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren voor doodslag hanteren.

De rechtbank is van oordeel dat de door de raadsvrouwe genoemde jurisprudentie niet meer actueel is. Als gevolg van gewijzigd inzicht en veranderde maatschappelijke ontwikkelingen hanteren gerechtshoven en rechtbanken de laatste jaren een aanzienlijk hogere bovengrens dan een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren voor doodslag.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum te noemen in beslag genomen zakmes en kapmes aan het verkeer onttrokken dienen te worden verklaard, omdat blijkens het onderzoek ter terechtzitting deze voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door veroordeelde begane misdrijf zijn aangetroffen, terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en deze voorwerpen toebehoren aan veroordeelde en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen aan de rechthebbende, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de in beslag genomen goederen.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 01/845452-15.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 01/845793-13.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24, 27, 36b, 36c, 287.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

doodslag.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel:

Gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen goederen, te weten van een zakmes (goednummer 961570) en een kapmes (goednummer 961571). Teruggave van de in beslag genomen goederen aan de rechthebbende, te weten van een jas (goednummer 961539), een jas (goednummer 961543), een shirt (goednummer 961549), een broek (goednummer 961551), schoeisel (goednummer 961568), kleding (goednummer 961569), een trui (goednummer 961574) en ondergoed (goednummer 962175).

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 01/845793-13:

Last tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in het arrondissement Oost-Brabant d.d. 27 januari 2014, gewezen onder parketnummer 01/845793-13, te weten: gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 01/845452-15:

Last tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer in het arrondissement Oost-Brabant d.d. 24 december 2015, gewezen onder parketnummer 01/845452-15, te weten: gevangenisstraf voor de duur van 16 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,

mr. R.J. Bokhorst en mr. C.J. Sangers- de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van G.G. Dirks, griffier,

en is uitgesproken op 15 december 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie, Eenheid Oost-Brabant, Districtsrecherche Eindhoven, genummerd 2016043035, ‘Onderzoek [naam onderzoek] ’ (OB2RO016023), aantal doorgenummerde pagina’s: 710.

2 De verklaring van verdachte bij de politie op 13 en 14 april 2016, p. 123-229 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 1 december 2016.

3 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , p. 388-389.

4 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ betreffende [slachtoffer] d.d. 18 mei 2016, p. 662-675.