Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:685

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
23-02-2016
Zaaknummer
01/879038-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879038-14

Datum uitspraak: 23 februari 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954,

wonende te [adresgegevens] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 februari 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 januari 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2012 tot en met 30 november 2012 te Boxmeer en/of elders in Nederland, als ambtenaar, (een) gift(en) en/of (een) belofte(n) en/of (een) dienst(en), te weten een geldbedrag van EUR 3000,-, in ieder geval geld, althans enige gift en/of dienst en/of belofte, gedaan en/of verleend en/of aangeboden door [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] heeft aangenomen, terwijl hij, verdachte,

wist, althans redelijkerwijs vermoedde dat deze gift(en) en/of dienst(en) en/of beloft(en) hem werd(en) gedaan teneinde hem te bewegen om, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten (sub 1), en/of

wist, althans redelijkerwijs vermoedde dat deze gift(en) en/of dienst(en) en/of beloft(en) hem werd(en) gedaan ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan of nagelaten (sub 2),

te weten, het (om zakelijke redenen) begunstigen van die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of het geven van een voorkeursbehandeling aan die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of het laten ontstaan en/of onderhouden van een zodanige relatie tussen hem, verdachte, en die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] dat hij, verdachte, tegenover die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] niet meer zo vrij en/of onafhankelijk en/of objectief was/kon zijn bij het nemen van beslissingen in relatie tot die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] als in het geval dat hij, verdachte, die gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) niet had aangenomen

terwijl hij, verdachte, het feit heeft begaan als wethouder (van de gemeente Boxmeer).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. In de tenlastelegging is telkens de naam ‘ [betrokkene 1] ’ vermeld in plaats van ‘ [betrokkene 1] ’. De rechtbank leest telkens het laatste in plaats van het eerste. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Verdachte heeft als wethouder van de gemeente Boxmeer een geldbedrag van € 3.000,-- ontvangen van [betrokkene 1] en/of zijn zoon [betrokkene 2] .

De vraag dient te worden beantwoord of verdachte zich als wethouder van de gemeente Boxmeer schuldig heeft gemaakt aan ‘passieve ambtelijke omkoping tot geoorloofde prestatie’ als bedoeld in artikel 362 lid 1 aanhef en onder 1º en 2º van het Wetboek van Strafrecht (oud).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 362 lid 1 aanhef en onder 1º en 2º van het Wetboek van Strafrecht (oud).

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit.

Verdachte heeft de envelop met geld immers bij de eerste geschikte gelegenheid aan [betrokkene 1] teruggegeven, zodat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 362 Strafrecht (oud). Van “aannemen” in de zin van de wet is dan geen sprake. De andersluidende verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] zijn op dit punt niet betrouwbaar.

De personen die zouden kunnen verklaren over de teruggave van het geld zijn [betrokkene 1] en zijn zoon [betrokkene 2] . Naar de mening van de verdediging laat het onderzoek naar de verblijfplaats van deze personen zwaar te wensen over. Het heeft er alle schijn van dat het openbaar ministerie er geen belang in stelde om hen te vinden. Daardoor zijn de belangen van de verdediging veronachtzaamd en is er sprake van schending van artikel 6 EVRM. De onvindbaarheid van de betrokkenen dient in de gegeven omstandigheden niet voor rekening en risico van verdachte te komen. Het niet kunnen horen van deze getuigen à decharge dient gecompenseerd te worden, in die zin dat de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij het geld heeft teruggegeven volgt.

Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat niet bewezen kan worden dat er sprake is geweest van een nog te leveren tegenprestatie. Ten aanzien van de vraag of sprake is geweest van een tegenprestatie vooraf, refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank, waarbij in ieder geval zal moeten blijken dat er een causaal verband bestaat tussen de onderhandelingen tussen verdachte en [betrokkene 3] en de begunstiging van [betrokkene 1] .

De bewijsmiddelen. 1

Op 23 oktober 2013 en 31 oktober 2013 heeft [burgemeester] , burgemeester van de gemeente Boxmeer aangifte gedaan tegen verdachte. Aangever heeft onder meer het navolgende verklaard - zakelijk weergegeven -:

Eind 2011 kwam [betrokkene 3] met een Chinese ondernemer, te weten een vrouw, voor de aankoop van het oude Maasziekenhuis te Boxmeer in samenhang met het Catharinaklooster te Sambeek. De Chinese vrouw heb ik een keer ontmoet. Later kwam de heer [betrokkene 1] in beeld.2

[betrokkene 3] voerde, als bestuurder van [bedrijf] , gesprekken met de gemeente Boxmeer over het Catharinaklooster te Sambeek, dat eigendom is van de gemeente Boxmeer. Dit was in opdracht van Chinese investeerders, waaronder een Chinese kunstenaar de heer [betrokkene 1] . De heer [betrokkene 3] wilde met de Chinese kunstenaar in het klooster een kunsthal voor exposities maken en ook een opleidingscentrum voor mensen die werkzaam zijn in het op te richten wellness centrum, dat in het oude Maasziekenhuis zou moeten komen. Het oude Maasziekenhuis is eigendom van de Stichting [naam stichting] . Wij hebben ook gesprekken gehad met [naam stichting] die te maken hadden met het bestemmingsplan op die locatie.

Wij hebben als gemeente in de persoon van wethouder [wethouder] onderhandelingen gevoerd over het bestemmingsplan van voornoemd ziekenhuis en met [betrokkene 3] over de aankoop van het Catharinaklooster in Sambeek.

[wethouder] had ruimtelijke ordening in zijn portefeuille en het veranderen van een bestemmingsplan hoort bij die portefeuille. De heer [betrokkene 3] heeft de gemeente nodig als het gaat om het wijzigen van een bestemming op een bepaalde locatie.3

De eerste onderhandelingen over de verkoop van het Catharinaklooster zijn van einde 2011.

Het duurde te lang voor de heer [betrokkene 3] om te beginnen en hij heeft aan [wethouder] gevraagd eerder gebruik te mogen maken van het Catharinaklooster. Hij wilde daar al beginnen met een expositie van [betrokkene 1] . [betrokkene 3] wilde niet wachten tot de officiële wijzigingen in het bestemmingsplan.

Middels een collegebesluit werd een tijdelijke huurovereenkomst overeengekomen met ingang van 24 oktober 2012 tot uiterlijk 31 december 2012, om alvast in het Catharinaklooster te beginnen. In feite liep het gebruik door na 1 januari 2013. In die tijd woonde die Chinese zoon [betrokkene 2] (de rechtbank leest telkens: [betrokkene 2] ) in het klooster. Op 10 november 2012 was er een expositie van Chinese kunst. Bij de opening was een delegatie Chinezen, ik als burgemeester en wethouder [wethouder] aanwezig. Daarna zijn de onderhandelingen tussen de wethouder en de heer [betrokkene 3] gewoon doorgegaan.4

Op 21 juni 2013 vertelde [betrokkene 3] dat wethouder [wethouder] steekpenningen heeft aangenomen van [betrokkene 2] , de zoon van de kunstenaar [betrokkene 1] . Dat zou in opdracht van de vader van [betrokkene 2] zijn gebeurd. Het geld zou in een overhandigde brochure hebben gezeten.

Ik heb diezelfde dag [wethouder] met de uitspraken van [betrokkene 3] geconfronteerd. [wethouder] vertelde mij toen dat hij inderdaad een geldbedrag van € 3.000,-- heeft ontvangen. De wethouder [wethouder] heeft van de ontvangst van het geldbedrag noch van het teruggeven destijds mededeling gedaan aan mij of het college. Ik bood [wethouder] aan om onderzoek te gaan doen of hij het geld daadwerkelijk terug heeft gegeven.

Dat wilde [wethouder] niet omdat hij van mening was dat we daar toch niet meer achter kwamen.5

[betrokkene 3] heeft op 11 december 2013 bij de politie onder meer het navolgende verklaard, - zakelijk weergegeven -:

Ik ben sinds twee jaar voornamelijk bezig met projectontwikkeling tussen China en Europa.6

Ik ben in Boxmeer terecht gekomen.7 Ik kwam met wethouder [wethouder] in gesprek en hij zag nieuwe projecten met Chinezen wel zitten.8

[wethouder] vroeg mij of het Catharinaklooster in Sambeek een locatie zou kunnen worden voor de Chinese investeerders.9

Mijn voorkeur/interesse ging toen al uit naar de locatie Catharinaklooster in Sambeek.10

Ik had contact met de Chinese kunstenaar [betrokkene 1] .11

Het project Catharinaklooster in Sambeek zou een hele geschikte locatie kunnen worden voor de kunstenaar, de heer [betrokkene 1] . Er is een intensieve onderhandeling geweest over het Catharinaklooster tussen mij en [wethouder] . [wethouder] wist dus inmiddels wie de Chinese mensen waren die achter het project zaten. De afspraken met betrekking tot het Catharinaklooster in Sambeek zijn dus gemaakt tussen [wethouder] en mij tussen mij en de investeerders in China.12

De voorwaarde van onze kant voor het Catharinaklooster was onder meer het realiseren van een galerie en de mogelijkheid van het creëren van Chinese elementen.13

In april/maart 2012 heb ik gezegd dat we niet eerder over gaan tot aankoop tot het moment dat het bestemmingsplan definitief gewijzigd was.14

[bedrijvencontactfunctionaris] , werkzaam als bedrijvencontactfunctionaris bij de gemeente Boxmeer, heeft op 30 april 2014 onder meer het navolgende verklaard – zakelijk weergegeven -:

[wethouder] heeft verteld dat hij een prospectus van kunstenaar [betrokkene 1] heeft gekregen. In de prospectus zat een bedrag van € 3.000,--.15

Verdachte heeft ter terechtzitting onder meer het navolgende verklaard – zakelijk weergegeven-:

Ik was wethouder van ruimtelijke ordening en economische zaken van de gemeente Boxmeer. In mijn hoedanigheid van wethouder van de gemeente Boxmeer heb ik onderhandelingen gevoerd met de heer [betrokkene 3] over de aankoop en tijdelijke verhuur van het Catharinaklooster. Ik wist dat [betrokkene 3] optrad als tussenpersoon. Er zou een kunstgalerie van de heer [betrokkene 1] in het klooster komen. Het bestemmingsplan van het Catharinaklooster viel onder mijn portefeuille als wethouder.

Op 8 november 2012 heeft [betrokkene 3] het gemeentehuis bezocht met onder meer [betrokkene 1] senior en [betrokkene 1] junior. Ik heb ze ontvangen in de collegekamer. Daarna heb ik op mijn werkkamer in het gemeentehuis te Boxmeer een envelop met daarin een brochure en een geldbedrag van

€ 3.000,-- gekregen. Deze envelop lag op de hoek van de kast. De zoon van de heer [betrokkene 1] liep die dag naar de hoek van de kast en heeft daar de envelop neergelegd. De heer [betrokkene 3] was daar ook bij. Bij het weglopen zei [betrokkene 3] tegen mij dat er wat op de hoek van de kast lag. Ook de zoon van [betrokkene 1] heeft mij op de envelop gewezen.

Ik heb de envelop geopend. Er zat een brochure in met een geldbedrag van € 3.000,--. Toen ik de envelop opende en het geldbedrag zag, schrok ik mij een hoedje. Er ging van alles door mijn hoofd. Ik dacht: ‘hier ga ik problemen mee krijgen, het gaat niet goed’.

Ik heb tot 21 juni 2013 niets verteld over de ontvangst van het geldbedrag aan mijn vrouw of aan de burgemeester.16

Bij de politie heeft verdachte op 11 februari 2014 om 09.56 uur onder meer het navolgende verklaard –zakelijk weergegeven -:

Ik deelde alles met de burgemeester. We vertelden alles tegen elkaar.17

Het oordeel van de rechtbank.

Het onderzoek naar de verblijfplaats van [betrokkene 1] en zijn zoon [betrokkene 2] , teneinde deze personen als getuige te horen.

De raadsman heeft – kort gezegd – aangevoerd dat het openbaar ministerie zich onvoldoende heeft ingespannen om [betrokkene 1] en zijn zoon [betrokkene 2] te traceren, teneinde deze als getuige te horen. Dit zou in strijd zijn met artikel 6 van het EVRM. Het niet kunnen horen van deze getuigen à decharge dient gecompenseerd te worden, in die zin dat de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij het geld aan [betrokkene 1] heeft teruggegeven volgt en hij derhalve dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

De rechtbank stelt vast dat uit een proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 februari 2016, opgemaakt door Inspecteur [naam inspecteur] , blijkt welke inspanningen zijn verricht om voornoemde personen te traceren. Zo is gedurende een periode van ruim 6 maanden herhaaldelijk getracht met hen contact te krijgen via de mobiele telefoons van deze personen, zijn alle de politie bekende bronnen geraadpleegd om [betrokkene 2] in Den Haag (waar hij zou studeren) te traceren en is gemaild naar een mailadres van [betrokkene 2] zonder ooit enige reactie te krijgen. Voorts is getracht via [betrokkene 3] contact met hen te krijgen, maar hij heeft laten weten dat ook hij geen contact meer met [betrokkene 1] kon krijgen. Tot slot is er geïnformeerd bij de liaisonofficier van China, hetgeen evenmin tot enig resultaat heeft geleid. Op basis van vorenstaande kan niet gezegd worden dat er onvoldoende inspanningen zijn gedaan aan de zijde van het openbaar ministerie om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te traceren. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman dat sprake is van schending van artikel 6 van het EVRM. Daarbij heeft de rechtbank nog in aanmerking genomen dat verdachte zelf geen enkel initiatief heeft ontplooid om achter de verblijfplaats van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] te komen en dat hij, toen de burgemeester van Boxmeer in juni 2013 (zeven maanden na ontvangst van het geld) hem aanbood onderzoek te doen naar de vraag of verdachte het geld daadwerkelijk had teruggegeven, dit aanbod heeft afgewezen.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt het navolgende.

Verdachte is vanaf eind 2011 in zijn hoedanigheid van wethouder van de gemeente Boxmeer, met in zijn portefeuille ruimtelijke ordening, betrokken bij de aankoop van het oude Maasziekenhuis in samenhang met het Catharinaklooster. Er zijn door verdachte intensieve onderhandelingen gevoerd met [bedrijf] , in de persoon van [betrokkene 3] , over onroerend goed van de gemeente Boxmeer, waaronder het Catharinaklooster en het bestemmingplan voor dit onroerend goed. Verdachte wist dat [betrokkene 3] in verband met het Catharinaklooster onderhandelde voor Chinese investeerders. Het was de bedoeling dat er in het Catharinaklooster een galerie of kunsthal zou komen van [betrokkene 1] . De definitieve wijziging van het bestemmingsplan was een voorwaarde om tot aankoop van het Catharinaklooster over te gaan.

Op 8 november 2012 heeft verdachte in zijn werkkamer van het gemeentehuis te Boxmeer een envelop met daarin een brochure en een geldbedrag van € 3.000,-- aangetroffen. Deze envelop was afkomstig van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] . Verdachte is door [betrokkene 2] en [betrokkene 3] opmerkzaam gemaakt op de aanwezigheid van deze envelop. Verdachte heeft deze envelop opengemaakt en geconstateerd dat er een bedrag van € 3.000,-- in zat, waarna hij de envelop met het geldbedrag in de lade van zijn bureau in zijn werkkamer heeft gelegd.

Heeft verdachte het geldbedrag van € 3.000,-- aan [betrokkene 1] teruggegeven?

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij het geldbedrag op 8 november 2012 heeft ontvangen en op 13 november 2012 aan [betrokkene 1] heeft teruggeven.

De rechtbank gaat aan de verklaring van verdachte dat hij het geldbedrag heeft teruggegeven aan de heer [betrokkene 1] voorbij. Voor de juistheid van die verklaring is in het dossier geen enkele ondersteuning te vinden. Integendeel, indien verdachte het geld zou hebben teruggegeven valt niet in te zien waarom hij tot 21 juni 2013 niets over de ontvangst, maar ook niets over de beweerdelijke teruggave heeft verteld aan de burgemeester, terwijl hij naar eigen zeggen bij de ontvangst van het geld, zich een hoedje schrok en dacht: ‘Hier ga ik problemen mee krijgen, het gaat niet goed,18 en normaal gesproken alles met de burgemeester deelde. Evenmin valt in te zien waarom verdachte in dat geval, toen de burgemeester bij het aan het licht komen van de ontvangst van het geldbedrag aanbood nader onderzoek te laten verrichten naar de teruggave ervan, hieraan niet wilde meewerken. Voor beide omstandigheden heeft verdachte ter terechtzitting geen enkele aannemelijke verklaring kunnen geven.


De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de gift van
€ 3.000,-- heeft aangenomen.

Heeft verdachte geweten of moest hij redelijkerwijs vermoeden dat deze gift is gedaan om – kort gezegd – als wethouder in zijn bediening iets te doen of na te laten (art. 362 lid 1 onder 1º Sr) of ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten (art. 362 lid 1 onder 2º Sr.)?

De rechtbank stelt vast dat verdachte een relatief groot geldbedrag in zijn functie van wethouder krijgt van een partij die betrokken is bij het verwerven van onroerend goed van de gemeente. Het geld wordt op een geheimzinnige/verhullende wijze aan verdachte gegeven en hij wist op het moment dat hij het geldbedrag zag, dat het niet goed was, gelet op zijn verklaring dat hij zich bij de ontvangst van het bedrag een hoedje schrok en dacht: ‘Hier ga ik problemen mee krijgen. Het gaat niet goed.’

Onder deze omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte minstgenomen redelijkerwijs vermoedde dat de gift van € 3.000,-- hem werd gedaan in zijn bediening als wethouder en in directe relatie stond met -kort samengevat- de onderhandelingen over het Catharinaklooster. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is voor een bewezenverklaring niet een concrete tegenprestatie vereist maar is ook het doen van een gift aan een ambtenaar teneinde aldus een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen, afdoende. De rechtbank is van oordeel dat hier in onderhavige kwestie sprake van is geweest. Aan de verklaring van verdachte dat hij de gift (wellicht) heeft ontvangen als een gift uit vriendschap gaat de rechtbank als ongeloofwaardig voorbij, gelet op de omvang van het bedrag en de omstandigheid dat de contacten tussen verdachte enerzijds en [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] anderzijds zakelijk van aard waren, zoals verdachte zelf heeft verklaard.

De rechtbank acht het ten laste gelegde dan ook bewezen, zoals hierna is vermeld.

Het verweer van de raadsman van verdachte dat de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] op onderdelen onbetrouwbaar zijn behoeft geen bespreking. Dit verweer richt zich met name op het tijdstip/moment van overdragen van de envelop met geld, welke personen daarbij aanwezig zijn geweest, het nadien aanspreken van verdachte door [betrokkene 3] en de reactie van verdachte daarop. De rechtbank zal de verklaring van [betrokkene 3] met betrekking tot deze onderwerpen niet gebruiken voor het bewijs en de verklaring van [betrokkene 4] in het geheel niet.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

op 8 november 2012 te Boxmeer, als ambtenaar een gift, te weten een geldbedrag van EUR 3000,-, aangeboden door [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] heeft aangenomen, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs vermoedde, dat deze gift hem werd gedaan teneinde hem te bewegen om, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten (lid 1)

te weten, het om zakelijke redenen begunstigen van die [betrokkene 1] en/of het geven van een voorkeursbehandeling aan die [betrokkene 1] en/of het laten ontstaan en/of onderhouden van een zodanige relatie tussen hem, verdachte, en die [betrokkene 1] dat hij, verdachte, tegenover die [betrokkene 1] niet meer zo vrij en/of onafhankelijk en/of objectief was/kon zijn bij het nemen van beslissingen in relatie tot die [betrokkene 1] als in het geval dat hij, verdachte, die gift niet had aangenomen,

terwijl hij, verdachte, het feit heeft begaan als wethouder van de gemeente Boxmeer.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

- een werkstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Bij een bewezenverklaring en veroordeling dient er rekening mee te worden gehouden dat verdachte al zwaar gestraft is. Hij is afgetreden als wethouder en zijn politieke carrière is voorbij. Voorts heeft hij lange tijd in onzekerheid gezeten over de afdoening van deze zaak. Ook het niet zorgvuldig en adequaat opsporen van de heren [betrokkene 1] dient als strafverzachtende omstandigheid aangemerkt te worden.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

In het nadeel van verdachte

De verdachte heeft als wethouder van de gemeente Boxmeer een gift aangenomen van een persoon, die betrokken was bij onroerend goed waarover verdachte in zijn hoedanigheid van wethouder in onderhandeling was. Deze gift bestond uit een geldbedrag van € 3.000,--. De verdachte heeft door het aannemen van deze gift het in hem gestelde vertrouwen beschaamd en zijn positie misbruikt voor persoonlijk voordeel. Ook is het vertrouwen dat de burger in het overheidsapparaat moet kunnen stellen geschaad en is de waardigheid van het college van burgemeester en wethouders aangetast. Daarnaast moet het openbaar bestuur kunnen vertrouwen op de loyaliteit, betrouwbaarheid en onkreukbaarheid van een wethouder.

In het voordeel van verdachte

Deze zaak heeft grote gevolgen voor verdachte persoonlijk gehad. Verdachte heeft zijn functie als wethouder noodgedwongen moeten neerleggen en heeft aanzienlijke reputatieschade geleden.

Uit een verdachte betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Daarnaast is tussen het plegen van het feit en de uiteindelijke berechting geruime tijd verstreken.

Conclusie

Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf van 120 uren passend en geboden.

In het kader van de strafmaat is door de verdediging aangevoerd dat het niet zorgvuldig en adequaat opsporen van [betrokkene 1] c.s. als strafverzachtende omstandigheid dient te worden aangemerkt. De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat zij van oordeel is dat de politie en/of het openbaar ministerie voldoende inspanningen hebben verricht om hen te traceren en dat er geen sprake is van schending van artikel 6 van het EVRM. Een en ander is dan ook niet van invloed op de strafmaat.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 22c, 22d, 362(oud).

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Als ambtenaar een gift aannemen, redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn bediening iets te doen of na te laten, terwijl dit feit wordt begaan in zijn hoedanigheid van wethouder.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

-Taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.G. Vos, voorzitter,

mr. I.L.A. Boer en mr. A.J.M. van Gink, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 23 februari 2016.

Mr. Boer is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, district Maas en Leygraaf, D3, districtelijke opsporing , genummerd registratienummer PL2100-2013113200, afgesloten op 16 september 2014.

2 Verklaring [burgemeester] pag. 17

3 Verklaring [burgemeester] , pag. 17-18

4 Verklaring [burgemeester] pag. 18

5 Verklaring [burgemeester] pag. 21

6 Verklaring [betrokkene 3] , pag. 61, 7e alinea, regel 4 en 5

7 Verklaring [betrokkene 3] , pag. 62, 2e alinea, regel 1

8 Verklaring [betrokkene 3] , pag. 62, 4e alinea

9 Verklaring [betrokkene 3] , pag. 62, 5e alinea, regel 15-17

10 Verklaring [betrokkene 3] , pag. 63, regel 2-3

11 Verklaring [betrokkene 3] , pag. 63, regel 29-30

12 Verklaring [betrokkene 3] , pag. 64, regel 35-48

13 Verklaring [betrokkene 3] , pag. 65, regel 4-8

14 Verklaring [betrokkene 3] , pag. 65, regel 12-14

15 Verklaring [bedrijvencontactfunctionaris] , pag. 98

16 Verklaring verdachte ter terechtzitting

17 Verklaring verdachte pag. 120

18 Verklaring verdachte ter terechtzitting