Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:6842

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-12-2016
Datum publicatie
28-12-2016
Zaaknummer
16_2119
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:2764, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nadeelcompensatie, verjaring

Afwijzing verzoek om nadeelcompensatie vanwege verjaring. Termijn als bedoeld in de beleidsregel begint op dag na onherroepelijk worden schadeveroorzakende besluit en loopt vijf jaar na aanvang daarvan af. Onderhandelingen over verplaatsing kunnen termijn niet stuiten of verlengen. Uit verzoek moet ondubbelzinnig blijken als gevolg van welk besluit de schade wordt geleden. Geen sprake van bijzondere omstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/4058
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/2119

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 december 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , tezamen eiseres

(gemachtigde: mr. M.M.C.H. Crooijmans),

en

De minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder

(gemachtigde: mr. R.J.A. Soupart).

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om nadeelcompensatie als gevolg van het Tracébesluit Omlegging Zuid-Willemsvaart – Maas – Den Dungen afgewezen wegens verjaring.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Eiseres heeft verzocht om een rechtstreeks beroep tegen dit besluit door toepassing van artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft met dit verzoek ingestemd en het bezwaarschrift doorgezonden naar de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2016. Namens eiseres zijn verschenen de heer [persoon 1] en [persoon 2] , bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Op 3 juli 2008 is het Tracébesluit “Omlegging Zuid-Willemsvaart Maas-Den-Dungen” vastgesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit besluit op 24 maart 2010 vernietigd en de rechtsgevolgen in stand gelaten.

Het Tracébesluit heeft betrekking op het tracé voor de omlegging van de hoofdvaarweg Zuid-Willemsvaart ten oosten van 's-Hertogenbosch over het traject Den Dungen tot de Maas bij Empel. De omlegging, het Máximakanaal, is inmiddels gerealiseerd en op 14 december 2014 in gebruik genomen.

1.2

Het perceel aan de [adres] te [vestigingsplaats] , waar het verzoek van eiseres betrekking op heeft, grenst vrijwel direct aan het Máximakanaal. Op het perceel was destijds de detailhandelsvestiging [bedrijf] van eiseres gevestigd. De gronden maakten geen onderdeel uit van het plangebied van het Tracébesluit. De gronden zijn niet verworven door verweerder ten behoeve van de uitvoering van het besluit.

1.3

Van 2007 tot begin 2012 zijn door eiseres en haar rechtsvoorgangers onderhandelingen gevoerd met de gemeente 's-Hertogenbosch over verplaatsing van de detailhandelsvestiging naar een andere locatie. Deze onderhandelingen vonden plaats in het kader van de gemeentelijke planvorming voor de aanleg van een ecologische verbindingszone, in aansluiting op de omlegging van de Zuid-Willemsvaart, op de gronden van eiseres aan de [adres] . In februari 2012 werd duidelijk dat de detailhandelsvestiging niet verplaatst zou worden ten behoeve van de planvorming maar kon blijven op de bestaande locatie. De onderhandelingen met de gemeente 's-Hertogenbosch zijn na februari 2012 voortgezet met het oog op behoud en de inpassing van de detailhandelsvestiging aan de [adres] .

1.4

Eiseres heeft op 13 mei 2015, aangevuld op 15 juni 2015, een schriftelijk verzoek om nadeelcompensatie ingediend bij de gemeente 's-Hertogenbosch voor de vergoeding van de schade in de vorm van inkomensderving als gevolg van de feitelijke werkzaamheden en de verminderde zichtbaarheid van de locatie vanwege (de uitvoering van) het Tracébesluit. De gemeente 's-Hertogenbosch heeft het verzoek op 22 juni 2015 doorgezonden aan verweerder.

1.5

Verweerder hanteert bij de afwikkeling van verzoeken zoals dat van eiseres de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 (de Beleidsregel). Artikel 12, tweede lid van de Beleidsregel bepaalt dat de minister een verzoek kan afwijzen indien vijf jaren zijn verlopen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de omstandigheid dat deze schade is veroorzaakt door een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Beleidsregel bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt.
Op grond van artikel 12, derde lid van de Beleidsregel begint een nieuwe termijn als bedoeld in artikel 12, tweede lid van de Beleidsregel te lopen als verzoeker, vóórdat de termijn is verstreken na verloop waarvan de minister het verzoek kan afwijzen, een schriftelijke mededeling aan de minister heeft gedaan waarin verzoeker ondubbelzinnig heeft verklaard dat hij zich het recht voorbehoudt om een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 2 in te dienen.

Op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Beleidsregel dient een verzoek schriftelijk te worden ingediend en voorzien te zijn van, onder andere, een dagtekening en een aanduiding van het schadeveroorzakende besluit.

2.1

Volgens eiseres vangt de verjaringstermijn later aan dan door verweerder gesteld. Eiseres stelt hierbij dat zij pas bekend is geworden met de schade op 1 februari 2012. Op deze datum werd voor eiseres in de onderhandelingen met de gemeente ’s-Hertogenbosch duidelijk dat de detailhandelsvestiging van eiseres niet langer verplaatst, maar ter plaatse ingepast zou worden en dat zij zou worden geconfronteerd met schade als gevolg van de uitvoering van het Tracébesluit.

2.2

Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de termijn als bedoeld in artikel 12, tweede lid van de Beleidsregel aanvangt op de dag volgende op die waarop de rechtgevolgen van het schadeveroorzakende besluit onherroepelijk zijn geworden. Eiseres was op dat moment zowel met de door haar gestelde schade, als met de schadeoorzaak bekend.

2.3

Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 november 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU3717) volgt dat de termijn als bedoeld in de Beleidsregel aanvangt op de dag nadat de rechtmatigheid van het schadeveroorzakende besluit vaststaat. De rechtmatigheid staat vast op het moment dat het schadeveroorzakende besluit onherroepelijk wordt. De genoemde uitspraak ziet weliswaar op de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 maar die verschilt op dit onderdeel inhoudelijk niet van de Beleidsregel.

2.4

Met de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2010 is het Tracébesluit onherroepelijk geworden. De rechtbank is van oordeel dat de termijn als bedoeld in artikel 12, lid 2 van de Beleidsregel begint op 25 maart 2010. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat de schade pas aan haar bekend is geworden op het moment dat in de onderhandelingen niet langer sprake was van verplaatsing van de detailhandelsvestiging. De onderhandelingen met de gemeente ’s-Hertogenbosch waren gericht op het beperken van de schade als gevolg van wijzigingen in de ruimtelijke regelingen op en rondom haar perceel. Eiseres was daarvoor ook bekend, of kon zij in ieder geval redelijkerwijs bekend zijn, met de voor haar mogelijk schadelijke gevolgen van het Tracébesluit. Dat eiseres dacht de in het verzoek gestelde schade niet te lijden door de verplaatsing of dat deze schade door de gemeente vergoed zou worden, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 8 van de uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3182). Wat door eiseres hierover verder is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Het betoog van eiseres faalt.

3.1

Eiseres voert verder aan dat de verjaringstermijn langer duurt dan vijf jaar, als gevolg van de onderhandelingen met de gemeente ‘s-Hertogenbosch.

3.2

De termijn uit artikel 12, tweede lid van de Beleidsregel loopt af vijf jaar na aanvang. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het de rechtbank niet gebleken dat een schriftelijk verzoek als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Beleidsregel aan verweerder is gedaan. Eiseres heeft geen stuitingshandelingen in de zin van de Beleidsregel verricht. De rechtbank acht de onderhandelingen met de gemeente 's-Hertogenbosch niet relevant; die onderhandelingen zijn gevoerd met de gemeente 's-Hertogenbosch en niet met verweerder. Bovendien kunnen de onderhandelingen over verplaatsing van de detailhandelsvestiging van eiseres op zichzelf de verjaring van schade door de uitvoering van het Tracébesluit niet stuiten of verlengen. Ook in dit verband verwijst de rechtbank naar de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2015 rechtsoverweging 7.1. De termijn verliep dus op 24 maart 2015.

4.1

Eiseres voert aan dat zij op 20 maart 2015, tijdens een overleg met de gemeente 's-Hertogenbosch, een onderbouwing heeft aangeleverd van de schade die zij heeft geleden. Volgens eiseres heeft de gemeente die onderbouwing als een verzoek om schadevergoeding aangemerkt. Dat zou volgens haar blijken uit een e-mail van 8 april 2015. De gemeente 's‑Hertogenbosch had de onderbouwing van 20 maart 2015 aan verweerder moeten doorzenden en deze datum had als datum van indiening van het verzoek moeten worden gehanteerd. Het verzoek is dan ook, volgens eiseres, tijdig gedaan.

4.2

Verweerder heeft op de zitting meegedeeld uit te gaan van de datum van indiening van het verzoek van 13 mei 2015. Dat is de dagtekening van het schriftelijk verzoek om nadeelcompensatie zoals de gemeente 's-Hertogenbosch dit aan verweerder heeft doorgezonden. De in het bestreden besluit genoemde datum van 13 juni 2015 is, zo heeft verweerder op de zitting toegelicht, een kennelijke verschrijving.

4.3

In artikel 2:3 van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan geschriften tot behandeling waarvan kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd is, onverwijld door moet zenden naar dat orgaan.

4.4

Op de zitting heeft eiseres gesteld dat de onderbouwing van 20 maart 2015, die bij de e‑mail van 8 april 2015 zou zijn gevoegd, hetzelfde stuk is dat als bijlage bij het verzoek van eiseres van 13 mei 2015 is gevoegd. De bijlage bestaat uit een tabel die een overzicht geeft van de gerealiseerde en gemiste omzetten in bepaalde tijdsperiodes en een staafdiagram met de jaaromzet van het filiaal Rosmalen ten opzichte van de gezamenlijke jaaromzet van de overige filialen voor de periode 2009 tot en met 2014. Verdere toelichting op de tabel en staafdiagram ontbreekt. De bijlage is niet gedateerd.

4.5

De rechtbank constateert dat de bijlage bij het door eiseres overgelegde e-mailbericht ontbreekt, zodat niet vastgesteld kan worden dat het om dezelfde bijlage gaat.

Daarbij komt dat de rechtbank van oordeel is dat de onderbouwing in de bijlage niet aangemerkt kan worden als een schriftelijk verzoek om vergoeding van de schade als bedoeld in de Beleidsregel. Hiervoor moet uit de tekst van het verzoek ondubbelzinnig blijken dat sprake is van schade als gevolg van het Tracébesluit waarvoor de minister verantwoordelijk is (zo ook de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2245). Bij de tabel en de staafdiagram in de bijlage ontbreekt een toelichting waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de daarin vermelde gemiste omzetten volgens eiseres het gevolg zijn van het Tracébesluit en dat wordt verzocht die omzetderving te vergoeden. Dat dit, zoals eiseres beweert, mondeling is meegedeeld door eiseres in een overleg met de gemeente 's-Hertogenbosch kan hierin geen verandering brengen. Nu de onderbouwing niet aangemerkt kan worden als een verzoek om nadeelcompensatie, was de gemeente 's-Hertogenbosch niet gehouden de onderbouwing uit de bijlage op grond van artikel 2:3 van de Awb onverwijld door te zenden aan verweerder. Verweerder is terecht uitgegaan van een indieningsdatum van het verzoek van 13 mei 2015. Het betoog van eiseres faalt.

4.6

Op de zitting heeft eiseres verwezen naar een brief van 28 maart 2014 waarin door de adviseur van eiseres aan de gemeente 's-Hertogenbosch gevraagd zou zijn om vergoeding van de aanloop- en stagnatieschade als gevolg van het Tracébesluit. De brief is pas op de zitting voor het eerst genoemd en maakt geen onderdeel uit van (de nadere aanvulling van) het beroepschrift. Gelet op artikel 8:58 van de Awb kunnen ook na afloop van de beroepstermijn nadere stukken ter onderbouwing van een eerdere beroepsgrond worden ingediend. Het indienen van zulke stukken kan echter in strijd zijn met de goede procesorde als ze zodanig verwijtbaar laat worden ingediend, dat de andere partij wordt belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd. Nu eiseres de brief pas voor het eerst op de zitting heeft genoemd, was het voor verweerder niet mogelijk daarover een nader standpunt te bepalen of te informeren bij de gemeente ‘s-Hertogenbosch. Dat geldt temeer omdat de brief was gericht aan de gemeente 's-Hertogenbosch en verweerder er eerder geen weet van heeft gehad of had kunnen hebben. Daarbij komt dat verweerder eiseres, voordat hij zijn besluit nam, in de gelegenheid heeft gesteld een toelichting te geven over haar standpunt met betrekking tot de verjaring. Bij het geven van die toelichting heeft eiseres de brief van 28 maart 2014 niet genoemd of overgelegd.

Op grond van het bovenstaande ziet de rechtbank aanleiding de brief buiten beschouwing te laten vanwege strijd met de goede procesorde.

5.1

Eiseres voert aan dat verweerder, gelet op de inhoud, aard, omvang en het verloop van de gevoerde onderhandelingen over de verplaatsing en later de inpassing van de detailhandelsvestiging, in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft besloten om vast te houden aan de termijn in artikel 12, tweede lid van de Beleidsregel.

5.2

Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld in redelijkheid geen reden te zien waarom eiseres niet van de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek gebruik kon maken binnen de termijn. Het enkele feit dat het eiseres en de gemeente ’s-Hertogenbosch tot 2015 voor ogen stond tot een totaaloplossing te komen, leidt voor verweerder niet tot een andere conclusie.

5.3

Bij de toepassing van artikel 12, tweede lid van de Beleidsregel komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die door de rechter terughoudend getoetst dient te worden. De rechtbank moet dus beoordelen of de minister, na afweging van alle betrokken belangen, zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de termijn voor het indienen van het verzoek was verstreken. Eiseres heeft onderhandeld met de gemeente 's‑Hertogenbosch over de verplaatsing en – later – inpassing van de detailhandelsvestiging, en niet met verweerder. Het is niet aannemelijk gemaakt dat in die onderhandelingen op enigerlei wijze door of namens verweerder het vertrouwen is gewekt dat uitstel van het indienen van een verzoek om nadeelcompensatie aan de orde was. Eiseres heeft niet kunnen aantonen dat er bijzondere omstandigheden waren op grond waarvan verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt had kunnen stellen dat de termijn voor het indienen van een verzoek was versteken. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3182) en wat eiseres verder heeft aangevoerd, maakt dit niet anders. Het betoog faalt.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, voorzitter, en mr. D.J. Hutten en mr. M.J.H.M Verhoeven, leden, in aanwezigheid van mr. R.H. van Marle, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.