Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:6805

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-12-2016
Datum publicatie
08-12-2016
Zaaknummer
01/879531-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak medeplegen van moord.

Vrijspraak diefstal kentekenplaten.

Benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

Veroordeling opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar voor goederen.

Gevangenisstraf één jaar met aftrek voorarrest.

Opheffing voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879531-15

Datum uitspraak: 08 december 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op 3 april 1966,

thans preventief gedetineerd te: PI Nieuwegein - HvB loc. Nieuwegein.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 maart 2016, 24 mei 2016, 17 augustus 2016 alsmede 9, 10, 14, 16 en 24 november 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte, hierna ook te noemen: [verdachte] , naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 februari 2016.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 24 mei 2016 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 30 december 2014 te Valkenswaard

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen (van korte afstand en/of gericht) een of meer kogel(s) afgevuurd/geschoten op/in het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] , tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2. hij op of omstreeks 15 januari 2015 te Valkenwaard tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een auto van het merk Volkswagen, type Golf,

immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) toen en aldaar opzettelijk een hoeveelheid kookpuntbenzine, in elk geval een ontbrandbare vloeistof, over en/of in (het interieur van) die auto gegoten en/of geplaatst en vervolgens die kookpuntbezine/vloeistof en/of (het interieur van) die auto in aanraking gebracht met (open) vuur, ten gevolge waarvan die auto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor die auto en/of goederen in die auto en/of (een) ander(e) naast/nabij die auto geparkeerd(e) voertuig(en), te duchten was;

3. hij op of omstreeks 17 januari 2015 te Westerhoven, gemeente Bergeijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf een auto heeft weggenomen twee kentekenplaten (met combinatie [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan naam [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren)

onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, te weten door die kentekenplaten van die auto te demonteren/los te maken;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich ter terechtzitting uitdrukkelijk op het standpunt gesteld, dat het openbaar ministerie in deze zaak met de (ongeschreven) kernbeginselen van een eerlijk proces, onvoldoende rekening heeft gehouden.

Meer in het bijzonder stelt de verdediging zich op het standpunt dat is gehandeld in strijd met de onschuldpresumptie (artikel 6 EVRM) en het zorgvuldigheidbeginsel.

Het belang van de geschonden norm, zoals bedoeld in artikel 359a lid 2 Sv, is het recht op een eerlijk proces dat voldoet aan de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Het nadeel voor verdachte is, aldus de verdediging, gelegen in het feit dat de rechtbank een beslissing moet nemen aan de hand van een dossier dat geen weergave is van een onafhankelijk onderzoek en geen representatieve weergave is van deugdelijk onderzoek gebaseerd op waarheidsvinding, zodat niet gesproken kan worden van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Primair verbindt de verdediging aan het voorgaande het rechtsgevolg dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair stelt de verdediging dat een aantal onderzoeksresultaten dient te worden uitgesloten van het bewijs, waarna onvoldoende belastend materiaal overblijft om verdachte te kunnen veroordelen.

Standpunt van de officieren van justitie.

De officieren van justitie hebben hetgeen door de verdediging is gesteld gemotiveerd weersproken en zich op het standpunt gesteld dat voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie geen enkele grond is.

Beoordeling

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie komt als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking, namelijk alleen als met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat het openbaar ministerie stelselmatig en doelbewust de rechtbank en de verdediging heeft voorzien van onjuiste informatie.

Wat er ook zij van de inzet van het WOD-traject; uit hetgeen daarover door de verdediging is gesteld volgt niet dat deze inzet heeft geleid of kan leiden tot een schending van het recht op een eerlijk proces. Ook hetgeen overigens is aangevoerd kan niet leiden tot de kwalificatie “ernstige misslagen”, laat staan dat daarmee doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Van inbreuken waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt is evenmin gebleken.

Hetgeen door de verdediging is aangevoerd terzake artikel 359a Sv behoeft verder geen bespreking reeds omdat het door de verdediging gestelde nadeel niet aannemelijk is geworden.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn ook voorts geen redenen voor schorsing van de vervolging.

Bewijsvraag ten aanzien van feit 2.

Vaststaande feiten 1 .

1.

Op 15 januari 2015 omstreeks 22:50 uur is bij de politie de melding binnengekomen dat een zwarte Volkswagen Golf (hierna VW Golf), bouwjaar 2007, op de Wolfbergstraat te Valkenswaard in brand stond. Op de rechter voorstoel2 van de auto lagen twee door brand aangetaste platen met daarop het Nederlandse kenteken [kentekennummer 1] .3

Zowel het voertuig als de kentekenplaten zijn ontvreemd in Utrecht.

Het voertuig is in de periode van 27 oktober 2014 tot en met 11 november 2014 gestolen vanaf de Lepelenburg te Utrecht en de kentekenplaten tussen 11 december 2014, 19:00 uur en 12 december 2014, 11:30 uur vanaf de Vulcanusdreef te Utrecht.4

De uitgebrande VW Golf is aan een brandonderzoek onderworpen. Op de achterbank werd een door brand gesmolten witte plastic fles aangetroffen. In de buurt lag een door brand aangetast etiket met daarop “wasbenzine”.5

Deze van de achterbank van de uitgebrande auto veiliggestelde plastic fles is door het NFI onderzocht. Hieruit blijkt dat in het veiliggestelde spoor vluchtige stoffen aanwezig zijn die van een aardoliedestillaat afkomstig zijn. De aangetoonde combinatie van stoffen wijst op een product van subklasse kookpuntbenzine. Een product dat in deze subklasse valt is onder andere wasbenzine.6

Het voertuig waarin de brand was ontstaan stond op een parkeerterrein aan de Wolfbergstraat te Valkenswaard. Dit is in de directe nabijheid van de Warandestraat en de Stadselaan. Omdat het voertuig in een parkeervak stond was een overslag van de brand naar de omliggende voertuigen mogelijk geweest indien de brandweer niet tijdig had kunnen blussen.7

2.

[verdachte] heeft gedurende 27 jaar in Utrecht gewoond8. [medeverdachte] is in Utrecht geboren en staat ingeschreven op een adres in Utrecht. [verdachte] en [medeverdachte] hebben veelvuldig contact met elkaar en reizen in de maand december 2014 meermalen samen naar Valkenswaard9.

Op 12 december 2014 is bij Sternrent op naam van [medeverdachte] een personenauto van het merk Renault, type Megane, met kenteken [kentekennummer 2] gehuurd. De auto is door [medeverdachte] ingeleverd bij Sternrent op 22 december 2014 te 15:39 uur.10

Van deze auto zijn de triploggegevens bekend.11

3.

Op 16 januari 2015 heeft de getuige [getuige 1] - zakelijk weergegeven – verklaard als volgt:

Half december zag ik een auto staan op de Warandestraat. Ik vond dit een verdachte auto omdat er twee personen in zaten, dit was een Renault Megane. Een van die twee personen is toen naar de VW Golf gelopen, die nu is uitgebrand, de andere is in de Renault blijven zitten. Ik zag toen ook dat de VW Golf wegreed. Ik heb toen het kenteken van de Renault Megane genoteerd op een briefje wat ik gisteren aan de vrouwelijke collega van u heb gegeven. Het kenteken was [kentekennummer 2] .

Op ongeveer 20 december 2014 ben ik in de ochtend weggegaan naar mijn werk, de VW Golf stond toen ook weer bij ons op de parkeerplaats, daar heb ik toen een foto van gemaakt en die zal ik u toesturen.12

Op de door de getuige [getuige 1] gemaakte foto is te zien dat het kenteken van de VW Golf was: [kentekennummer 1]13.

Ongeveer twee weken geleden is de VW Golf weer een dag weggeweest, daarna zag ik hem weer staan. Gisteren kwam ik omstreeks 20:15 uur thuis en zag de Golf nog steeds staan, de kentekenplaten zaten er nog steeds op. Toen ik de brandweer hoorde ben ik gaan kijken en heb de beheerder/voorzitter van de flat gebeld, dit was om 22:55 uur en zei dat er een auto in de brand stond.14

4.

Op zaterdag 13 december 2014 heeft [slachtoffer 1] , eigenaar van het [bedrijf] aan [adres 1] , de politie gebeld met de mededeling dat hij omstreeks 17:30 uur een jongen over het terrein richting [adres 1] zag lopen. Bij het zien van [slachtoffer 1] werd de jongen zenuwachtig en liep een doodlopend stukje in op het terrein. [slachtoffer 1] zag de jongen op [adres 1] instappen in een Renault Megane met kenteken [kentekennummer 2] .15

5.

Aan de hand van verzamelde onderzoeksgegevens zijn verschillende tijdslijnen samengesteld.

De tijdslijn van 13 december 2014 laat zien dat de Renault Megane, met kenteken [kentekennummer 2] , omstreeks 17:08 uur via de latere plaats delict van de autobrand over de Zeelbergseweg voorbij de toegangsweg van [adres 1] (17:10 uur) rijdt en een die dag al eerder gemaakte ronde maakt voorbij de toegangsweg aan de zijde van de Karwei. Via een kleine omweg reed de Renault Megane [kentekennummer 2] vervolgens via de toegangsweg van de Zeelbergseweg, direct voorbij/over de plaats delict over [adres 1] (17:19 uur). Het voertuig bleef om de plaats delict aan [adres 1] cirkelen. Omstreeks 17:29 uur stond de Renault Megane gedurende 24 seconden stil op de parkeerplaats voor machinefabriek “De Valk” gelegen naast de Karwei aan [adres 1] 76 te Valkenswaard.16

6.

Op 2 januari 2015 is bij Diks autoverhuur te Amsterdam op naam van [medeverdachte] een personenauto, merk Citroën, type C4 met [kentekennummer 3] gehuurd.

Deze auto is geretourneerd op 20 januari 2015.17

Van deze auto zijn de triploggegevens bekend.18

7.

Op 14 januari 2015 is de Citroën C4 met [kentekennummer 3] door de politie in Amsterdam gecontroleerd. Bestuurder was [medeverdachte] en bijrijder was [verdachte] .19

8.

Een vriendin van [verdachte] , genaamd [betrokkene 1] , is woonachtig aan [adres 2] .20 [verdachte] verbleef, onder andere in de periode van november 2014 tot en met januari 2015, regelmatig in haar woning.21

9.

De tijdslijn van 15 januari 2015 laat zien dat de Citroën C4 zich om 20:19:00 uur op [adres 2] (in de directe nabijheid van de Abdij van Oosterhoutstraat) bevindt en daar vertrekt, via Oirschot naar de Castilliëlaan te Eindhoven, waar het contact uitgezet wordt om 21:26 uur, weer aan gaat om 21:30 uur, weer uit om 21:37 uur en weer aan om 21:51 uur.

Om 22:41 uur bevindt de Citroën zich op de Stadselaan te Valkenswaard alwaar het contact uitgaat en om 22:50 uur weer aangaat.22

Om 22:51 uur wordt melding gemaakt van een brand op de Wolbergstraat te Valkenswaard.

Om 22:55 uur wordt getuige [getuige 1] gehoord.23

Het [telefoonnummer 1] , in gebruik bij [verdachte] , verplaatst zich op 15 januari 2015 vanaf 20:39:51 uur via Tilburg, Moergestel en Spoordonk naar Eindhoven waar dit nummer om 21:24:46 een mast op de Vaalserbergweg (in de nabijheid van de Castillielaan) aanstraalt.

Om 22:59:56 uur straalt het nummer aan op Knooppunt Leenderheide.

Van 23:09 uur tot 23:11 uur is de Citroën bij het Esso tankstation aan de Kriekampen te Best. Ook het telefoonnummer van [verdachte] straalt daar dan aan.

Om 23:22:54 uur straalt het nummer van [verdachte] een mast aan op de [adres 4] . Het contact van de Citroën gaat om 23:30 uur uit. De auto is dan op [adres 2] .

Ook het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , eveneens in gebruik bij [verdachte] , straalt om 23:04:55 uur aan op de [adres 3] , om 23:11:09 aan de Kriekampen te Oirschot en om 23:22:54 uur aan de [adres 4] .24

10.

Op vrijdag 5 juni 2015 is, in het kader van een zogenoemde ruisstrategie, op de website van RTV Utrecht een artikel geplaatst met als titel “Sporen moord Valkenswaard leiden naar Utrecht”.

In dit artikel wordt geschreven:

“Politieonderzoek naar een moord in Noord-Brabant leidt naar Utrecht. Op oudjaarsdag werd een 33-jarige man dood gevonden in zijn bedrijf in Valkenswaard. Hij was

het slachtoffer van een misdrijf.

Twee weken later vond de politie in de omgeving een uitgebrande auto met een losse set

kentekenplaten erin. De zwarte Volkwagen Golf was tussen eind oktober en half november gestolen aan het Lepelenburg in Utrecht. De nummerplaten werden in de nacht van 11 op 12 december van een auto aan de Utrechtse Vulcanusdreef gehaald.

De politie werkt met twintig rechercheurs aan de zaak wil graag meer weten over die

diefstallen in Utrecht. Wie iets verdachts heeft gezien wordt verzocht om zich te melden bij de recherche in Oost-Brabant.”

[verdachte] is tijdens zijn detentie (uit andere hoofde) op 12 juni 2015 bezocht door [medeverdachte] . Het gesprek dat [verdachte] en [medeverdachte] samen voerden is heimelijk opgenomen25.

In dit gesprek wordt onder meer het volgende gezegd.

[medeverdachte] Er is nog iets... Die uh... “Ene”. Linken ze nu!.

[verdachte] Oh, ..ja

[medeverdachte] En die “dingen”. Komen van uh.... Linken ze ook aan de stad.

[verdachte] Ja, maar niet aan persoon.!

[medeverdachte] Nee, dat nog niet.

[verdachte] Dat komt ook niet.

[medeverdachte] Nee, maar die link is er al wel. Die, is samen met die. En die komt uit uh... waar wij komen.

[verdachte] En maar die kunnen ze linken aan uh uh... hoe heet dat, aan die deal?

[medeverdachte] Watte?

[verdachte] Die uh, kunnen ze dat linken aan die uh die deal zeg maar?

[medeverdachte] Ja,

[verdachte] dat kan.

[medeverdachte] Jaja.

[verdachte] oké

[medeverdachte] Die hebben ze nu gelinkt. En uh “die”, die komt uit uh, die hebben ze ook gelinkt. Daarin lagen ook nog.

[verdachte] Ja maar die waren uh geen uh.

[medeverdachte] Vandaar.

[verdachte] Ja, ok, maar geen dinges.

[medeverdachte] Dus vandaar dat ze die link nu leggen.

[verdachte] Geen uh dinges sporen?

[medeverdachte] Nee man, dat is toch helemaal weg.

[verdachte] Dus dat.

[medeverdachte] Alleen de stad linken ze.

[verdachte] Alleen dat, ja okay maar dat uh hadden we ook uh.

[medeverdachte] Ja maar ik denk ik meld het.

[verdachte] Ja maar had ik ook verwacht.

[medeverdachte] Ja, maar ik wist niet dat die er nog in waren.

[verdachte] Ja maar goed, hoe heet het, niet aan de buitenkant.

[medeverdachte] Ja precies. Ja, we hadden het weg moeten doen.

[verdachte] Ja, weet je. Hoe heet het dat alle sporen weg zijn.

[medeverdachte] Ja, ja.

[verdachte] Maar goed. Die zijn wel door. Die zullen wel helemaal gesmolten zijn.

[medeverdachte] Het was uh.... volgens mij Utrechts nieuwsblad of zoiets. In de krant.

[verdachte] Dan is gewoon uh.

[medeverdachte] Ja ja, maar ik denk ik meld het wel even.

[verbalisant 1] heeft via het interne camerasysteem meegekeken en geluisterd naar voornoemd OVC-gesprek. Hij verklaart hierover als volgt:

Ik zag en hoorde dat verdachte [medeverdachte] bij zijn opmerking “Er is nog iets…Die uh…”Ene…!”gelijktijdig met zijn handen een beweging maakte alsof hij een autostuur in zijn handen had. Ik zag namelijk dat hij beide handen gebald voor zich hield en op enige afstand van elkaar meermaals op en neer bewoog alsof hij een auto aan het besturen was (een hand omhoog, gelijktijdig de andere hand omlaag26).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 ten laste gelegd is.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel uit GPS-gegevens van de Citroën C4 met [kentekennummer 3] blijkt dat deze ten tijde van de brand vlakbij de plaats delict is, niet vaststaat dat verdachte de VW Golf in brand heeft gestoken. Immers is niet met volledige zekerheid te zeggen dat verdachte ten tijde van het delict de bestuurder van de Citroën was. Ook indien verdachte die avond wél de bestuurder van de Citroën was, dan nog staat allerminst vast dat hij de VW Golf in brand heeft gestoken.

Concluderend stelt de verdediging zich op het standpunt dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor een bewezenverklaring van feit 2, zodat verdachte van dat feit dient te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt vast dat [verdachte] en [medeverdachte] op 12 juni 2015 een gesprek hebben gevoerd, waarbij [medeverdachte] bewegingen met zijn handen maakt die er op duiden dat hij spreekt over een auto. Zij spreken over “dingen die gelinkt worden aan een stad, die komt uit waar wij komen” en die gelinkt kunnen worden aan die deal, [medeverdachte] die niet wist dat ze er nog in waren, [verdachte] die zegt dat ze niet aan de buitenkant waren, alle sporen weg zijn en die wel helemaal gesmolten zullen zijn. De aanleiding van het gesprek is een artikel in Utrechtse media.

De inhoud van dit gesprek past, naar het oordeel van de rechtbank, geheel bij de inhoud van het hiervoor weergegeven artikel waarin de brandstichting van de VW Golf op 15 januari 2015 in verband wordt gebracht met de moord op [slachtoffer 1] op 30 december 2014.

Gelet op vorenstaande, alsmede gelet op de overige feiten en omstandigheden, zoals hiervoor weergegeven in onderling (tijds)verband en samenhang bezien, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de brandstichting zoals onder 2 ten laste is gelegd, waarbij doorslaggevende betekenis wordt toegekend aan de wetenschap van [verdachte] dat de kentekenplaten zich ten tijde van de brand in de auto bevonden, terwijl deze kort voor de brand nog aan de buitenkant van de auto waren bevestigd. Dit moet als zogenaamde daderkennis worden aangemerkt. De rechtbank merkt nog op dat [verdachte] geen aannemelijke en verifieerbare verklaring heeft gegeven voor de inhoud van voornoemd OVC gesprek. Integendeel, hij heeft dienaangaande tegenstrijdige verklaringen afgelegd.

Bewijsvraag ten aanzien van feit 1

Aan verdachten gemaakt verwijt

Aan zowel [verdachte] als [medeverdachte] heeft het openbaar ministerie het medeplegen van de moord op [slachtoffer 1] ten laste gelegd, aan [medeverdachte] subsidiair de medeplichtigheid hieraan. De steller van de tenlastelegging heeft daarbij expliciet tot uitdrukking gebracht dat het openbaar ministerie verdachte [verdachte] er van verdenkt de schutter te zijn geweest, die door verdachte [medeverdachte] is gefaciliteerd.

Nadat ter terechtzitting d.d. 24 mei 2016 door de raadsvrouwe van verdachte [verdachte] de nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 1 was bepleit omdat het de verdediging onvoldoende duidelijk was waartegen zij zich moest verdedigen, heeft de officier van justitie desgevraagd uitdrukkelijk meegedeeld dat het openbaar ministerie er in de tenlastelegging van uitgaat dat [verdachte] de schutter is geweest. In het requisitoir heeft het openbaar ministerie daarbij gepersisteerd.

Gelet op het voorgaande moet de tenlastelegging aldus worden begrepen dat [verdachte] verweten wordt dat hij de schutter is geweest die op 30 december 2014 de voor [slachtoffer 1] fatale schoten heeft gelost. [medeverdachte] is als medepleger, dan wel als medeplichtige hierbij betrokken, aldus de tenlastelegging.

Beoordeling

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt de rechtbank tot het navolgende.

1.

Voor de rechtbank staat buiten twijfel vast dat op 30 december 2014 omstreeks 18.41 uur door een op camerabeelden van het bedrijf [bedrijf] zichtbare persoon viermaal is geschoten op [slachtoffer 1] , die als gevolg daarvan is overleden. Op grond van hetgeen op die camerabeelden is te zien staat het voor de rechtbank voorts vast dat het hier om moord gaat. Een motief voor de moord is tot op heden niet gevonden.

2.

Op de bewuste camerabeelden is de schutter niet te herkennen. Er zijn voorts geen getuigen die de schutter en/of de auto waarin deze zich verplaatste hebben gezien. Ook het kenteken van die auto is niet zichtbaar op de camerabeelden. Wel staat vast dat het om een Volkswagen Golf, type 5 gaat, die werd geproduceerd tussen 2003 en 2008.

3.

[verdachte] heeft steeds ontkend de schutter te zijn geweest en heeft verklaard evenmin op enigerlei andere wijze bij de moord op [slachtoffer 1] betrokken te zijn geweest. Datzelfde geldt voor [medeverdachte] .

4.

De rechtbank gaat wél uit van betrokkenheid van zowel [verdachte] als [medeverdachte] bij de moord op [slachtoffer 1] .

Op grond van de bewegingen van de door [medeverdachte] gehuurde auto’s, de bewegingen van de telefoons van [medeverdachte] en [verdachte] , het veelvuldig contact tussen hen beiden (en ook het op cruciale momenten ontbreken daarvan), hetgeen ten aanzien van feit 2 (de brandstichting) is overwogen en het aantreffen van DNA van [verdachte] op delen van de gebruikte kogelpatronen, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat:

  • -

    [verdachte] en [medeverdachte] zogenaamde “voorverkenningen” hebben uitgevoerd, waarbij zij regelmatig de plaats waar de later uitgebrande VW Golf stond en (de buurt van) het bedrijf van [slachtoffer 1] hebben bezocht;

  • -

    de op 15 januari 2015 door [verdachte] in brand gestoken VW Golf de bij de moord op [slachtoffer 1] door de schutter gebruikte auto is, en

  • -

    [verdachte] op enigerlei wijze in contact is geweest met de bij de moord gebruikte kogelpatronen.

Dit leidt evenwel niet tot het oordeel dat [verdachte] de schutter was die op 30 december 2014 een einde heeft gemaakt aan het leven van [slachtoffer 1] . Hiertoe ontbreekt ieder direct bewijs. Bovendien kan uit de bewijsmiddelen niet de conclusie getrokken worden dat het niet anders kan zijn dan dat [verdachte] de schutter was. De omstandigheden dat:

  • -

    de lengte van [verdachte] zou passen in de door een deskundige bepaalde lengte van de schutter (178,6 cm en 183,7 cm) en dat

  • -

    een telefoon van verdachte [verdachte] een half uur na de moord aanstraalt in Boxtel en dat het niet is uitgesloten dat de schutter met de vluchtauto vanaf de plaats delict in die tijd Boxtel kan bereiken,

maken dat niet anders.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat niet wettig en overtuigend te bewijzen is dat verdachte [verdachte] de schutter is geweest.

Aangezien de steller van de tenlastelegging dat wel tot uitgangspunt heeft genomen voor het verwijt aan verdachte [verdachte] , komt de rechtbank tot de slotsom dat hij van het onder feit 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Gelet op hetgeen hiervoor onder het kopje “Aan verdachten gemaakt verwijt” is besproken komt de rechtbank immers niet, zonder de tenlastelegging te denatureren, toe aan de vraag of het handelen van de verdachte [verdachte] en zijn medeverdachte [medeverdachte] anderszins is aan te merken, bijvoorbeeld als medeplegen van moord dan wel medeplechtigheid daaraan, waarbij de moord door een tot op heden onbekend gebleven schutter is gepleegd.

Bewijsvraag ten aanzien van feit 3

Op 17 januari 2015 is door [slachtoffer 2] aangifte gedaan van diefstal van twee (Duitse) kentekenplaten vanaf zijn auto, welke auto op het moment van de diefstal geparkeerd stond op het parkeerterrein van Center Parcs “De Kempervennen” te Westerhoven.

Een op het park werkzame beveiliger heeft verklaard dat hij op 17 januari 2015 omstreeks 15:25 uur een harde knal hoorde. Kijkend in de richting van waar dit geluid vandaan kwam zag de beveiliger een schichtig om zich heen kijkende persoon, die vervolgens als bijrijder in een Citroën C4 met [kentekennummer 3] stapte.

De beveiliger heeft de chauffeur van de auto naar eigen zeggen niet kunnen zien.

De beveiliger heeft vervolgens geconstateerd dat van de personenauto waar de schichtige man bij stond de kentekenplaten af waren gehaald.

De Citroën C4 heeft omstreeks 15:29 uur het terrein van Center Parcs verlaten.

De rechtbank constateert dat op de camerabeelden van Center Parcs geen wegnemingshandeling te zien is. Ook verklaart de beveiliger niet dat hij zag dat de persoon die als bijrijder in de Citroën C4 stapte kentekenplaten, of voorwerpen die daar op leken, bij zich droeg toen hij zich naar de Citroën begaf.

De rechtbank concludeert dat er weliswaar aanwijzingen bestaan dat de inzittenden van de Citroën C4 bij de diefstal betrokken zijn, maar wettig en overtuigend bewijs levert dat niet op. Aangezien de verdenking jegens verdachte gebaseerd was op het uitgangspunt dat hij één van de inzittenden van de Citroën C4 was en er afgezien daarvan niets in de richting van verdachte wijst zal verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen eventueel in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

2. op 15 januari 2015 te Valkenwaard, opzettelijk brand heeft gesticht in een auto van het merk Volkswagen, type Golf, immers heeft verdachte toen en aldaar opzettelijk een hoeveelheid kookpuntbenzine, over en/of in (het interieur van) die auto gegoten en/of geplaatst en vervolgens die kookpuntbezine en/of (het interieur van) die auto in aanraking gebracht met (open) vuur, ten gevolge waarvan die auto gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor die auto en goederen in die auto en (een) ander(e) naast/nabij die auto geparkeerd(e) voertuig(en), te duchten was

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officieren van justitie.

Nu het openbaar ministerie zich op het standpunt heeft gesteld dat alle aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, dient aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaar te worden opgelegd, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Een kopie van de vordering van de officieren van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Indien de rechtbank ondanks de uitgebreide verweren toch tot een veroordeling komt, dan verzoekt de verdediging de rechtbank om de straf te matigen en de strafverzwarende omstandigheden, zoals door de officieren van justitie geschetst, terzijde te schuiven.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting. Hij heeft doelbewust, met behulp van wasbenzine, een (gestolen) personenauto aangestoken, die in een rij tussen andere personenauto’s geparkeerd stond. De auto is helemaal uitgebrand. Verdachte heeft daarbij niet alleen veel schade veroorzaakt, maar ook de naast deze auto geparkeerde andere auto’s in gevaar gebracht. Brandstichting brengt angst- en onrustgevoelens voor mensen in de omgeving van een brand met zich. Verdachte heeft zich van deze gevolgen van zijn daad niets aangetrokken.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf laat de rechtbank meewegen dat de uitgebrande auto als vluchtauto is gebruikt bij de moord op [slachtoffer 1] op 30 december 2014. Hoewel verdachte wordt vrijgesproken van de moord zelf heeft de rechtbank overwogen dat er sterke aanwijzingen zijn dat verdachte wel betrokken was bij het beramen van deze moord. De rechtbank beschouwt de door verdachte gepleegde brandstichting als een poging om sporen die tot de schutter kunnen leiden uit te wissen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Hoewel verdachte de aan hem verweten moord ontkent, heeft hij toegegeven dat hij leeft van de criminaliteit. Zijn strafblad ondersteunt deze stelling van verdachte. Ook de bewezenverklaarde brandstichting laat zien dat verdachte zonder bezwaren overgaat tot het plegen van ernstige strafbare feiten indien dat hem van pas komt.

Gelet op het voorgaande is een andere straf dan een gevangenisstraf niet passend. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van één jaar passend en geboden.

Daarmee legt de rechtbank een veel lagere straf op dan door de officieren van justitie is geëist. De officieren van justitie baseerde deze eis evenwel voornamelijk op de door het openbaar ministerie bewezen geachte moord, waarvan verdachte door de rechtbank zal worden vrijgesproken.

Gelet op de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en de duur van de op te leggen straf, zal de rechtbank de voorlopige hechtenis van verdachte opheffen.

De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] .

Het standpunt van de officieren van justitie.

De vorderingen van de benadeelde partijen dienen integraal te worden toegewezen, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.

Het standpunt van de verdediging.

Nu vrijspraak van feit 1 is bepleit, verzoekt de verdediging de rechtbank om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen.

Beoordeling. De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vorderingen van de benadeelde partijen betrekking hebben.

De rechtbank zal de benadeelde partijen veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 157.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Ten aanzien van feit 1 en feit 3: Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Ten aanzien van feit 2:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 7] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk in de vorderingen.

Veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten van de verdachte tot op heden

begroot op nihil.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,

mr. Y.N.M. Rijlaarsdam en mr. A.J.M. van Gink, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,

en is uitgesproken op 8 december 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie TGO 22TG014006 “Draaischijf”, bestaande uit 8 ordners; afgesloten d.d. 15 april 2016, aantal doorgenummerde bladzijden: 2895.

2 Proces-verbaal Forensisch Onderzoek TGO Draaischijf, blz. 277

3 Proces-verbaal van bevindingen blz. 2436

4 Aangiften blz. 2460 ( [aangever 1] ) en 2463 ( [aangever 2] )

5 Proces-verbaal Forensisch Onderzoek TGO Draaischijf, blz. 277

6 Proces-verbaal Forensisch Onderzoek TGO Draaischijf, blz. 279 en Rapportage NFI d.d. 5 februari 2015, blz. 305 en 308

7 Proces-verbaal Forensisch Onderzoek TGO Draaischijf, blz. 278

8 Verklaring verdachte d.d. 24 november 2015, blz. 256

9 Verklaring verdachte ter zitting van 9 november 2016

10 Huurovereenkomst, afgifte bon en retour-bon blz. 655-658

11 Proces-verbaal van bevindingen blz. 1353

12 Proces-verbaal getuige [getuige 1] blz. 1339

13 Blz. 1342 (foto VW Golf met kenteken [kentekennummer 1] )

14 Proces-verbaal getuige [getuige 1] blz. 1340

15 Mutatie rapport blz. 1279

16 Proces-verbaal onderzoek 13 december 2014, blz. 1456 e.v.

17 Huurcontract en nota, blz. 664-665

18 Proces-verbaal van bevindingen blz. 667

19 Mutatie rapport blz. 1415

20 Proces-verbaal blz. 27

21 Verklaring verdachte ter zitting van 9 november 2016

22 Proces-verbaal onderzoek 15 januari 2015, blz. 1881 e.v.

23 Proces-verbaal van bevindingen blz. 1892-1896

24 Proces-verbaal van bevindingen blz. 1892-1898

25 Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren opgenomen vertrouwelijk communicatie blz. 2311-2312

26 Proces-verbaal van bevindingen blz. 2332