Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:6788

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
07-12-2016
Zaaknummer
C-01-310766 - HA ZA 16-495
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot zekerheidsstelling. Conservatoir verhaalsbeslag op drie dressuurpaarden (nu in gerechtelijke bewaring) blokkeert de verkoop van die paarden, maar zal hebben te gelden als opgeheven nadat de eigenaar van de paarden een bankgarantie heeft gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/310766 / HA ZA 16-495

Vonnis in incident van 23 november 2016

in de zaak van

[eiseres conventie/verweerster in reconventie] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie in de hoofdzaak,

verweerster in reconventie in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. S.A. Wensing te Coevorden,

tegen

[gedaagde conventie/eiseres in reconventie] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie in de hoofdzaak,

eiseres in reconventie in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. M.A.J. Jansen te Amsterdam-Duivendrecht.

Partijen zullen hierna [eiseres conventie/verweerster in reconventie] en [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende de conclusie van eis in reconventie en de incidentele vordering tot zekerheidsstelling,

  • -

    de brief van de griffier van de rechtbank aan partijen d.d. 21 september 2016 waarin aan [eiseres conventie/verweerster in reconventie] akte niet dienen wordt verleend omdat zij op de daarvoor bepaalde roldatum geen conclusie van antwoord in het incident heeft genomen,

  • -

    het B7-formulier d.d. 3 oktober 2016 ingediend door mr. Wensing waarbij pleidooi wordt verzocht in het incident,

  • -

    het B16-formulier d.d. 3 oktober 2016 ingediend door mr. Jansen waarbij deze bezwaar maakt tegen toewijzing van het verzoek om pleidooi en de rechtbank verzoekt vonnis te wijzen in het incident,

  • -

    de akte wijziging van eis in het incident van [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] d.d. 5 oktober 2016,

  • -

    het B7-formulier d.d. 5 oktober 2016 ingediend door mr. Wensing waarbij nogmaals wordt verzocht om pleidooi in het incident,

  • -

    het B16-formulier d.d. 5 oktober 2016 ingediend door mr. Jansen waarbij deze bezwaar maakt tegen toewijzing van het (tweede) verzoek om pleidooi en de rechtbank verzoekt vonnis te wijzen in het incident,

  • -

    de brief van de griffier van de rechtbank aan partijen d.d. 6 oktober 2016 waarin het verzoek van [eiseres conventie/verweerster in reconventie] om pleidooi in het incident wordt afgewezen en vonnis is bepaald in het incident.

2 De vaststaande feiten

2.1.

[eiseres conventie/verweerster in reconventie] is – voor zover hier van belang – eigenaresse van drie dressuurpaarden:

  • -

    [paard A]

  • -

    [paard B]

  • -

    [paard C] .

2.2.

In 2015 zijn partijen mondeling met elkaar overeengekomen dat het paard [paard A] zou worden gestald bij [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] en dat [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] dit paard zou gaan trainen. Zij hebben verder afgesproken dat [eiseres conventie/verweerster in reconventie] € 150,00 per maand zou betalen aan [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] voor de stalling en verzorging van [paard A] .

2.3.

Vanaf 1 oktober 2015 heeft [eiseres conventie/verweerster in reconventie] behalve [paard A] ook [paard B] en [paard C] bij [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] gestald.

2.4.

In mei 2016 heeft [eiseres conventie/verweerster in reconventie] aan [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] laten weten dat zij de samenwerking met haar wilde beëindigen. In aansluiting daarop is [eiseres conventie/verweerster in reconventie] gestopt met de maandelijkse betalingen aan [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] .

2.5.

Op 11 juni 2016 heeft (de partner van) [eiseres conventie/verweerster in reconventie] vergeefs getracht de drie paarden bij [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] op te halen. Bij brief van 12 juni 2016 heeft [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] zich beroepen op een (gesteld) recht van retentie op de paarden.

2.6.

Bij email van 20 juni 2016 heeft [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] aan [eiseres conventie/verweerster in reconventie] medegedeeld dat de drie paarden alleen nog in pension staan en niet meer worden getraind. [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] brengt met ingang van 1 juni 2016 een bedrag in rekening aan [eiseres conventie/verweerster in reconventie] van € 8,- per paard per dag.

2.7.

Op 28 juni 2016 heeft [eiseres conventie/verweerster in reconventie] , met verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, onder [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] conservatoir beslag tot afgifte gelegd op de paarden (en de bijbehorende paspoorten) en de paarden in gerechtelijke bewaring doen nemen.

2.8.

Op 1 september 2016 heeft [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] , met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, conservatoir verhaalsbeslag gelegd op de drie paarden, ten laste van [eiseres conventie/verweerster in reconventie] en onder de bewaarder. Het beslagexploot is op 5 september 2016 betekend aan [eiseres conventie/verweerster in reconventie] .

3 Het geschil in de hoofdzaak

3.1.

[eiseres conventie/verweerster in reconventie] vordert in conventie dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart (samengevat):

  • -

    dat [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] geen retentierecht heeft op de paarden en

  • -

    dat [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] aansprakelijk is voor de schade die [eiseres conventie/verweerster in reconventie] heeft geleden, met verwijzing naar de schadestaatprocedure.

3.2.

[eiseres conventie/verweerster in reconventie] legt aan haar vorderingen ten grondslag, samengevat, dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht is gesloten, op grond waarvan [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] jegens haar is gehouden tot het huisvesten, verzorgen en trainen van de drie paarden voor een loon van € 150,00 per maand plus loon in natura, eruit bestaande dat [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] in de gelegenheid is om zonder grote financiële investeringen de dressuursport te beoefenen. [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] is, aldus [eiseres conventie/verweerster in reconventie] , toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar opdracht door de training van de paarden te staken, zich niet in te spannen voor verkoop van de paarden en zich op basis van een ondeugdelijke vordering te beroepen op een retentierecht. Daarnaast is het paard [paard C] onder de hoede van [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] gewond geraakt. [eiseres conventie/verweerster in reconventie] acht [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] aansprakelijk tot vergoeding van de schade die uit dit alles is voortgevloeid.

3.3.

[gedaagde conventie/eiseres in reconventie] verweert zich tegen de vorderingen in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres conventie/verweerster in reconventie] in die vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met kostenveroordeling.

3.4.

In reconventie vordert [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] de veroordeling van [eiseres conventie/verweerster in reconventie] tot betaling aan haar van een bedrag van € 12.400,- wegens stallings-, verzorgings- en trainingskosten voor de drie paarden voor de maand mei 2016 en een vergoeding voor de waardevermeerdering van [paard A] , te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 25 augustus 2016 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [eiseres conventie/verweerster in reconventie] in de kosten van het conservatoire beslag en in de proceskosten.

4 Het geschil in het incident en de beoordeling daarvan

4.1.

[gedaagde conventie/eiseres in reconventie] vordert in het incident – na wijziging van eis in het incident, samengevat – dat de rechtbank [eiseres conventie/verweerster in reconventie] ertoe veroordeelt een bankgarantie te stellen voor een bedrag van € 16.200,00, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag(deel) dat [eiseres conventie/verweerster in reconventie] daarmee in gebreke blijft, tot een maximum van € 16.000,00 en met veroordeling van [eiseres conventie/verweerster in reconventie] in de kosten van het incident. [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] wijst er daarbij op dat, in het geval [eiseres conventie/verweerster in reconventie] aan genoemde veroordeling voldoet, het conservatoire derdenbeslag op de paarden [paard A] , [paard B] en [paard C] onder de bewaarder zal worden opgeheven.

4.2.

[gedaagde conventie/eiseres in reconventie] legt aan haar incidentele vordering ten grondslag dat haar retentierecht op de paarden ouder is dan het conservatoir beslag tot afgifte van [eiseres conventie/verweerster in reconventie] , maar dat [eiseres conventie/verweerster in reconventie] weigert om dat beslag en de in verband daarmee gelaste gerechtelijke bewaring op te heffen. Verder stelt [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] dat naarmate de bewaring langer duurt, de kosten daarvan (ongeveer € 600,- per maand per paard) steeds verder oplopen. Het afdwingen van afgifte op basis van genoemd retentierecht zou tot gevolg hebben dat de paarden in de macht van [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] zouden terugkeren, maar dat is voor haar financieel niet haalbaar, omdat zij dan gedurende de gehele duur van de hoofdzaak verantwoordelijk zou zijn voor de stallings- en trainingskosten van de drie paarden. Het onderbrengen van de paarden bij [eiseres conventie/verweerster in reconventie] tijdens de procedure in de hoofdzaak acht [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] ook niet aan de orde, omdat [eiseres conventie/verweerster in reconventie] het retentierecht van [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] niet erkent en heeft aangeven dat zij de paarden – in weerwil van dat recht – zal verkopen in het geval [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] haar verhaalsbeslag opheft. [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] onderkent dat haar verhaalsbeslag onder de bewaarder aan de weg staat aan de verkoop van de paarden door [eiseres conventie/verweerster in reconventie] , maar geeft aan dat, zodra [eiseres conventie/verweerster in reconventie] de gevorderde bankgarantie heeft verstrekt, dit beslag zal worden opgeheven.

4.3.

[eiseres conventie/verweerster in reconventie] heeft tegen de incidentele vordering geen verweer gevoerd.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat de aangevoerde gronden de vordering tot het bevelen van zekerheid kunnen dragen zodat deze – met inachtneming van hetgeen hierna wordt overwogen – zal worden toegewezen als na te melden.

4.4.1.

In de hoofdzaak in conventie vordert [eiseres conventie/verweerster in reconventie] – kort gezegd – een uitspraak van de rechtbank over de geldigheid van het door [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] gestelde retentierecht en veroordeling van [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] tot vergoeding van de door haar geleden schade. [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] vordert in het incident een bankgarantie van € 16.200,00 ter verzekering van verhaal van haar tegenvordering ten laste van [eiseres conventie/verweerster in reconventie] . De provisionele vordering voldoet daarmee aan de eis dat zij dient samen te hangen met de hoofdzaak.

4.5.

Op grond van artikel 223 Rv is voor het slagen van de gevorderde voorlopige voorziening verder van belang dat er spoedeisend belang bestaat bij de vordering. Dat spoedeisende belang is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan. Zolang [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] het door haar onder de bewaarder gelegde verhaalsbeslag op de drie paarden handhaaft, kan [eiseres conventie/verweerster in reconventie] de paarden niet verkopen en zullen de kosten van de bewaring – voor wiens rekening die uiteindelijk ook mogen komen – steeds verder oplopen. Dit is voor geen van partijen een wenselijke situatie. Het is echter ook niet redelijk om van [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] te verlangen dat zij haar beslag onder de bewaarder opgeeft zonder dat daar een andere verhaalsmogelijkheid tegenover staat.

4.6.

De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

4.7.

De rechtbank zal, nu het vonnis in het incident een provisioneel vonnis betreft waartegen hoger beroep openstaat (artikel 337 lid 1 Rv), de vordering om een uitvoerbaar bij voorraad verklaring toewijzen.

5 De beslissing

De rechtbank:

in het incident

beveelt [eiseres conventie/verweerster in reconventie] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zekerheid te stellen voor een bedrag van EUR € 16.200,-- (zestienduizend tweehonderd euro),

bepaalt dat de zekerheid dient te worden gesteld door een eersteklas Nederlandse handelsbank conform het Rotterdams Garantieformulier, dan wel het NVB-model, en wel binnen 4 weken na deze uitspraak en dat de gestelde zekerheid vervolgens binnen 4 weken daarna moet worden aangenomen of betwist,

bepaalt dat [eiseres conventie/verweerster in reconventie] , voor iedere dag dat zij niet aan deze veroordeling voldoet, een dwangsom verbeurt van € 1.000,-,

verbindt aan de aldus te verbeuren dwangsommen een maximum van € 16.000,-;

verstaat dat het op 1 september 2016 door [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] onder de gerechtelijk bewaarder gelegde conservatoir verhaalsbeslag op de paarden [paard A] , [paard B] en [paard C] (en de bijbehorende paspoorten) heeft te gelden als opgeheven met ingang van de dag volgend op die waarop [eiseres conventie/verweerster in reconventie] voornoemde bankgarantie heeft gesteld en [gedaagde conventie/eiseres in reconventie] deze heeft aangenomen,

houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in de hoofdzaak, in conventie en in reconventie

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 7 december 2016 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden februari 2017 tot en met april 2017, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald.

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.L.P. Crombeen en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2016.