Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:673

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-02-2016
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
01/875004-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige verdachte heeft twee tankstations beroofd, waarbij de medewerkers zijn bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend wapen. De rechtbank legt jeugddetentie van 194 dagen met aftrek voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en toezicht van de jeugdreclassering op. Tevens wordt een leerstraf van 30 uren en een werkstraf van 120 uren opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/875004-15

Datum uitspraak: 19 februari 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1999] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 februari 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 januari 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 28 juli 2015 te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 645 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] / [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

- (gemaskerd) de shop van [bedrijf 1] / [bedrijf 2] is binnengegaan en/of

- een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1] heeft gericht (gehouden) en/of

- een plastic zak aan die [slachtoffer 1] heeft voorgehouden en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd: "Stop het geld in de tas";

(artikel 317 Wetboek van Strafrecht)

2. hij op of omstreeks 31 augustus 2015 te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 100 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] / [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

- (gemaskerd) de shop van [bedrijf 1] / [bedrijf 2] is binnengegaan en/of

- een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 2] heeft gericht (gehouden) en/of

- een plastic zak aan die [slachtoffer 2] heeft voorgehouden en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd: "Stop het geld in de tas";

(artikel 317 Wetboek van Strafrecht)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewezenverklaring.

Verdachte heeft beide feiten bekend. Op grond van artikel 359, derde lid van het Wetboek van strafvordering kan daarom voor de weergave van de bewijsmiddelen worden volstaan met het opsommen daarvan: 1

Feit 1:

- Aangifte van [slachtoffer 1] , pag. 40 en 41 van het dossier.

- Verklaring van verdachte bij de politie: pag. 147 en 148 van het dossier en bekennende verklaring afgelegd ter zitting.

Feit 2:

- Aangifte van [slachtoffer 2] , pag. 79 en 80 van het dossier.

- Verklaring van verdachte. pag. 148 van het dossier en tevens bekennende verklaring afgelegd ter zitting.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1. op 28 juli 2015 te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 645 euro), toebehorende aan [bedrijf 1] welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte

- de shop van [bedrijf 1] is binnengegaan en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1] heeft gericht en

- een plastic zak aan die [slachtoffer 1] heeft voorgehouden en (daarbij) tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd: "Stop het geld in de tas".

2.

op 31 augustus 2015 te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 100 euro), toebehorende aan [bedrijf 2] , welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte

- de shop van [bedrijf 2] is binnengegaan en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 2] heeft gericht en

- een plastic zak aan die [slachtoffer 2] heeft voorgehouden en (daarbij) tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd: "Stop het geld in de tas".

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft bij formuleren van haar eis gelet op het advies van de Raad van de Kinderbescherming en de Jeugdreclassering zoals verwoord ter zitting. De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen:

  • -

    een jeugddetentie voor de duur van 194 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde toezicht door de Jeugdreclassering;

  • -

    een leerstraf in de vorm van de cursus ‘Tools4U (verlengde variant)’ van 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie;

  • -

    een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis;

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd de drie in beslag genomen bb guns te onttrekken aan het verkeer.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging kan zich vinden in de eis van de officier van justitie.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte was toen hij de beide overvallen heeft gepleegd 16 jaar. Dat betekent dat het jeugdstrafrecht van toepassing is. Bij het jeugdstrafrecht gelden lagere richtlijnen voor de straftoemeting. Verder wordt bij het bepalen van welke straf passend is veel belang gehecht aan wat de straf betekent voor de persoonlijke ontwikkeling van de jeugdige. Er wordt veel meer dan bij volwassenen rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in ruim een maand tweemaal een tankstation beroofd van (een gedeelte van) de inhoud van de kas door de werknemers te bedreigen met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Verdachte was verslaafd aan nicotine. Hij heeft verklaard dat hij snel geld wilde bemachtigen om niet langer afhankelijk te zijn van zijn vrienden voor het kopen van sigaretten. Hij is daarbij volstrekt voorbij gegaan aan wat de overvallen voor de slachtoffers betekenen. Slachtoffers van dit soort feiten, zeker wanneer zij worden bedreigd met een vuurwapen, ondervinden daar vaak nog lange tijd last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Dergelijke berovingen leiden bovendien tot gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving. Verdachte heeft met dit alles geen rekening gehouden.

Er is op 7 december 2015 door GZ-psycholoog drs. R.H. de Bruin een pro justitia rapport over verdachte uitgebracht, de Raad voor de Kinderbescherming heeft laatstelijk op 21 januari 2016 geadviseerd en de Jeugdreclassering heeft laatstelijk op 29 januari 2016 geadviseerd.

De adviezen voor wat betreft de afdoening van deze zaak zijn alle gelijkluidend. De psycholoog heeft geconcludeerd dat er bij verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens. Volgens de psycholoog heeft verdachte inmiddels sterke gevoelens van schuld en schaamte en lijkt hij doordrongen van de impact op de slachtoffers. De detentie heeft een grote indruk op hem gemaakt. Om de kans op recidive te verkleinen en in het belang van een gunstige ontwikkeling van verdachte wordt door de psycholoog naast toezicht door de jeugdreclassering, ondersteuning bij het aanleren van aanvullende vaardigheden noodzakelijk geacht. Verdachte moet leren anders met zijn problemen, stress, emoties en groepsdruk om te gaan. Verder moet er aandacht zijn voor de gezinsinteracties. Door de psycholoog, de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdreclassering wordt een voorwaardelijke jeugddetentie met als bijzondere voorwaarde toezicht door de Jeugdreclassering geadviseerd met daarnaast een taakstraf die zou moeten bestaan uit deels een leerstraf en deels een werkstraf.

De rechtbank neemt de conclusies en adviezen van de psycholoog, de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdreclassering over.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een jeugddetentie voor de duur van 194 dagen.

De rechtbank zal deze jeugddetentie (voor een gedeelte) voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

Daarnaast zal de rechtbank, zoals geadviseerd door de deskundigen, aan verdachte als leerstraf de verlengde vaardigheidstraining ‘Tools4U’ naast een werkstraf opleggen.

Beslag.De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 27, 36b, 36c, 57, 77a, 77g, 77h, 77i, 77l, 77m, 77n,

77v, 77x, 77y, 77z, 77aa, 317.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1: afpersing T.a.v. feit 2: afpersing Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen en maatregel.

BESLISSING:

T.a.v. feit 1, feit 2: Jeugddetentie voor de duur van 194 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringsroezicht, bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de jeugdreclassering, Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, Sobriëtasplein 102, 5701 MJ Helmond;

- zich gedurende de proeftijd op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan voornoemd Bureau Jeugdzorg tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 29 september 2015 reeds geschorst.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Leerstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen jeugddetentie

Deze leerstraf bestaat uit het volgen van de cursus 'Tools4U (verlengde variant)' en dient te zijn verricht binnen 6 maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen jeugddetentie

Deze werkstraf dient te zijn verricht binnen één jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis.

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten: 3 zwarte bb guns (merken: Beretta, Taurus Forjas en HK USP).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. J.H.L.M. Snijders en mr. W.B. Kok, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. de Bruijn-van der Sluijs, griffier,

en is uitgesproken op 19 februari 2016.

mr. W.B. Kok is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, District Helmond, genummerd PL2100-2015216738.