Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:6678

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-11-2016
Datum publicatie
01-12-2016
Zaaknummer
C/01/313964 / KG ZA 16-626
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vordering afgifte auto afgewezen. Eiser is er niet in geslaagd het rechtsvermoeden van artikel 3:109 BW en artikel 3:119, eerste lid, BW voldoende adequaat te weerleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/313964 / KG ZA 16-626

Vonnis in kort geding van 24 november 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.A.A. van der Weijst te Gemonde,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. W.M.H. Weijmans te 's-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 2 november 2016 met 12 producties

  • -

    de bief van mr. Weijmans van 8 november 2016 met een conclusie van antwoord/aantekeningen ten behoeve van kort geding

  • -

    de brief van mr. Weijmans van 9 november 2016 met producties 1 en 2

  • -

    de brief van mr. Weijmans van 9 november 2016 met aanvullende productie 3

  • -

    de mondelinge behandeling op 10 november 2016, waar door beide partijen nog aanvullende producties zijn overgelegd

  • -

    de pleitnota van [eiser] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde] hebben gedurende 13 jaar een affectieve relatie gehad.

2.2.

Tijdens de relatie van partijen heeft [eiser] bij [gedaagde] ingewoond. [eiser] heeft op het adres van [gedaagde] aan de [adres] ingeschreven gestaan tot 31 maart 2014.

2.3.

[eiser] heeft zich in de tweede helft van 2014 bij autobedrijf [naam] georiënteerd terzake de aanschaf van een nieuwe auto voor [gedaagde] . Op 8 augustus 2014 hebben partijen daartoe gezamenlijk autobedrijf [naam] bezocht om een VW Up met kenteken [kenteken] te bezichtigen. Na onderhandeling door [eiser] over de aankoopprijs van de VW Up, zijn partijen naar het huis van [gedaagde] gereden, waar zij een contant geldbedrag uit de kluis van [gedaagde] hebben opgehaald. Vervolgens zijn zij met de BMW Z3 van [eiser] weer naar autobedrijf [naam] gereden, waar [eiser] zijn BMW Z3 heeft ingeruild en een bedrag ad € 6.250,00 contant aan een medewerker van autobedrijf [naam] heeft betaald. Na betaling is het kentekenbewijs van de VW Up met kenteken [kenteken] op naam van [gedaagde] gesteld en zijn partijen, na overhandiging van de sleutels, gezamenlijk met de VW Up naar huis gereden. Tussen partijen bestaat onduidelijkheid over de vraag aan wie de autosleutels zijn overhandigd en wie er heeft gereden.

2.4.

Terzake voormelde transactie heeft [eiser] als prod. 5 een kopie van een factuur, op naam van [gedaagde] in het geding gebracht. Deze factuur had [eiser] ontvangen van de dochter van [gedaagde] omdat [eiser] niet meer over de factuur beschikte. Uit die factuur, op naam van [gedaagde] , blijkt dat een BMW Z3 is ingeruild voor de VW Up en dat een bedrag van € 6.250,00 is bijbetaald. Ter zitting heeft [gedaagde] het origineel van die factuur overgelegd.

2.5.

[eiser] heeft ter zitting eveneens een originele factuur overgelegd terzake de transactie van de VW Up, deze factuur staat op naam van [eiser] . De factuur vermeldt als waarde van de ingeruilde BMW Z 3 een bedrag van € 7.000,00. Voorts blijkt uit de factuur dat een bedrag van € 6.250,00 is bijbetaald.

2.6.

[gedaagde] heeft de auto verzekerd op haar kosten en ook de onderhoudskosten worden door haar voldaan.

2.7.

De relatie tussen [eiser] en [gedaagde] is in november 2015 geëindigd. [gedaagde] is sindsdien de auto blijven gebruiken.

2.8.

Ondanks herhaalde verzoeken daartoe van de zijde van [eiser] bij aangetekende brieven van 30 augustus 2016, 20 september 2016 en 7 oktober 2016, is [gedaagde] tot op heden niet overgegaan tot afgifte van de VW Up.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - na vermindering van eis, [gedaagde] te veroordelen:

primair: om onmiddellijk na betekening van het te wijzen vonnis de auto VW Polo (bedoeld zal zijn de VW Up, vzr) met kenteken [kenteken] aan [eiser] af te geven, met daarbij de beide originele sleutels én de volledige kentekenpapieren, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

subsidiair: [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van

€ 13.250,00, dan wel tot betaling van een geldbedrag dat de voorzieningenrechter in goede jusitite juist acht,

meer subsidiair: tot betaling van een bedrag van € 13.250,00 ten titel van voorschot op schadevergoeding, dan wel een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede jusitite juist acht.

3.2.

Hij legt daaraan ten grondslag dat hij eigenaar is van de VW Up. [eiser] heeft de auto op 8 augustus 2014 gekocht en betaald en de auto is diezelfde dag aan hem geleverd. Louter vanwege administratieve redenen, omdat [eiser] geen ingezetene is in Nederland, is de auto op naam van [gedaagde] gesteld. Als eigenaar van de auto heeft [eiser] een spoedeisend belang bij zijn vordering tot afgifte. Hij heeft inmiddels zijn huis in België verkocht en wil de auto gebruiken voor de momenten dat hij kortstondig in Nederland verblijft.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

4 De beoordeling

4.1.

De onderhavige zaak kent een internationaal kader nu eiser, [eiser] , in België woonplaats heeft. Op grond van artikel 4, lid 1 van de Verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid, erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken nr. 1215/2012 d.d. 12 december 2012 (Herschikte EEX-Vo) is in casu de Nederlandse rechter bevoegd, nu [gedaagde] woonplaats heeft in Nederland. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn partijen terecht uitgegaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht. Koop en levering van de auto hebben plaatsgevonden in Nederland en ook de door [eiser] gestelde schade doet zich in Nederland voor.

4.2.

Het vereiste spoedeisend belang vloeit voldoende voort uit de aard van de vorderingen, namelijk het een einde willen maken aan de door [eiser] gestelde onrechtmatige situatie waarbij er inbreuk wordt gemaakt op zijn eigendomsrecht op de auto.

4.3.

Uit artikel 3:109 Burgerlijk Wetboek (BW) vloeit voort dat wie een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden en wordt geacht bezitter te zijn. Ingevolge artikel 3:119, eerste lid, BW wordt de bezitter van een goed vermoed rechthebbende te zijn.

4.4.

Nu vaststaat dat [gedaagde] sinds 8 augustus 2014 de VW Up feitelijk in haar bezit heeft, wordt zij op grond van voormelde artikelen vermoed de eigenaar van de VW Up te zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is [eiser] - mede in het licht van hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd - er niet in geslaagd om dit rechtsvermoeden voldoende adequaat te weerleggen.

4.5.

Voor zover [eiser] de door hem gestelde eigendom van de auto heeft willen onderbouwen met de stelling dat hij de auto op 8 augustus 2016 heeft betaald en dat de auto aan hem is geleverd, is hij daar naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in geslaagd. [gedaagde] heeft uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist dat de auto aan [eiser] is geleverd. Zij heeft verklaard dat zij het bedrag dat naast de inruil van de BMW Z3 nog moest worden bijbetaald in contanten aan [eiser] heeft gegeven, die daarmee namens haar heeft betaald. Het is volgens [gedaagde] de uitdrukkelijke bedoeling van partijen geweest dat zij eigenaar zou worden van de auto. De factuur van 8 augustus 2014 is op haar naam gesteld en is ook door haar ondertekend. De auto is op 8 augustus 2014 ook feitelijk aan haar geleverd.

4.6.

De VW Up is een roerende zaak, niet registergoed. De levering vereist voor de overdracht van roerende zaken, niet registergoederen, die in de macht van de vervreemder zijn, geschiedt ingevolge artikel 3:90 BW door aan de verkrijger het bezit der zaak te verschaffen. Uit de verklaringen van [eiser] en [gedaagde] ter zitting met betrekking tot de gang van zaken omtrent de aankoop van de VW Up op 8 augustus 2014, zoals hiervoor beknopt weergegeven onder r.o. 2.3., kan niet onomstotelijk worden afgeleid dat feitelijke bezitsverschaffing van de auto aan [eiser] heeft plaatsgevonden. In de door partijen ter zitting omschreven gang van zaken past immers evenzeer de stelling van [gedaagde] dat feitelijke bezitsverschaffing van de auto op 8 augustus 2014 aan haar heeft plaatsgevonden. Weliswaar heeft [eiser] , (bewust eerst ter zitting), een verklaring overgelegd van een medewerker van autobedrijf [naam] van 12 oktober 2016, waarin deze - onder meer - verklaart dat de auto aan [eiser] is geleverd, maar hieraan kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Niet alleen wordt in die verklaring geen gedetailleerde beschrijving gegeven van de feitelijke gang van zaken (zoals bijvoorbeeld aan wie de sleutels van de VW Up zijn overhandigd), maar bovendien is deze verklaring strijdig met de door [eiser] , eveneens eerst ter zitting in het geding gebrachte, factuur van autobedrijf [naam] , op naam van [eiser] . In deze verklaring van 12 oktober 2016 verklaart de medewerker van autobedrijf [naam] immers dat de waarde van de ingeruilde BMW Z3 € 3.500,00 bedraagt, terwijl uit de ter zitting, eveneens door [eiser] , overgelegde factuur moet worden afgeleid dat de waarde van de BWM Z3 € 7.000,00 bedroeg.

4.7.

Uit deze verklaring, maar ook uit de overige door [eiser] eerst ter zitting overgelegde stukken, zoals de factuur van 8 augustus 2014 op naam van [eiser] , valt dan ook, anders dan [eiser] veronderstelt, niet met enige mate van zekerheid af te leiden dat de auto in eigendom aan [eiser] toebehoort. Integendeel, met deze op het laatste moment overgelegde stukken is alleen maar meer verwarring ontstaan ten aanzien van de aanspraak van [eiser] op de auto. Zo heeft de advocaat van [eiser] , bewust en in het belang van de waarheidsvinding, eerst ter zitting de originele factuur overgelegd die op naam is gesteld van [eiser] , om aan te tonen dat de factuur op naam van [gedaagde] niet juist kón zijn (vergl. punt 4 van de pleitnota van [eiser] ). Zoals hiervoor reeds overwogen komen de gegevens op deze factuur echter niet overeen met de door [eiser] als prod. 6 in het geding gebrachte verklaring van een medewerker van autobedrijf [naam] . Uit de factuur op naam van [eiser] volgt immers dat de waarde van de ingeruilde BMW Z3 € 7.000,00 bedroeg, terwijl de medewerker van autobedrijf [naam] in zijn verklaring van 12 oktober 2016 stelt dat de waarde van de BMW Z3 € 3.500,00 was. Voorts wekt bevreemding dat de advocaat van [eiser] , eerst nadat ook [gedaagde] ter zitting het origineel van de reeds in het geding gebrachte factuur op naam van [gedaagde] had overgelegd, zich genoodzaakt zag een (aanvullende) verklaring te geven voor het feit dat er kennelijk sprake was van twee originele facturen. Dit alles draagt niet bij aan de geloofwaardigheid van de stellingen van [eiser] en is volstrekt onvoldoende overtuigend om in dit kort geding aan te nemen dat [eiser] eigenaar van de auto is. Ook de stelling van [eiser] dat het kenteken enkel op naam van [gedaagde] is gesteld, omdat het niet mogelijk bleek de auto op zijn naam te stellen kan, wat daar verder ook van zij, niet leiden tot het oordeel dat hij eigenaar van de auto is. De tenaamstelling op het kentekenbewijs van een auto levert immers op zich geen sluitend bewijs van eigendom van de auto op. Aan deze stelling van [eiser] gaat de voorzieningenrechter dan ook voorbij.

4.8.

Gezien het voorgaande neemt de voorzieningenrechter op basis van artikel 3:119 lid 1 BW aan dat [gedaagde] , als bezitter van de auto, heeft te gelden als de eigenaar daarvan. Voor vaststelling van de aanspraken van [eiser] op de auto dient een nader onderzoek naar de feiten plaats te vinden, waarbij mogelijk getuigen moeten worden gehoord. Daarvoor leent een kort geding zich niet. Partijen worden daarvoor naar de bodemrechter verwezen. Dat sprake is van een zodanig spoedeisend belang op grond waarvan van [eiser] niet kan worden verwacht dat hij deze bodemprocedure afwacht, is niet gebleken. Het belang van [eiser] is volgens zijn zeggen daarin gelegen dat hij, op die momenten dat hij in Nederland verblijft, over de auto kan beschikken. [eiser] kan voor die situaties echter een andere auto aanschaffen of huren. In de gegeven omstandigheden dient bij een afweging van belangen, het belang van [gedaagde] , die over de auto beschikt en de verzekering betaalt, om vervoer te hebben voor haar dagelijkse bezigheden, zwaarder te wegen dan het belang van [eiser] bij afgifte van de auto.

4.9.

De subsidiaire vordering tot betaling van een bedrag van € 13.250,00 zal eveneens worden afgewezen, nu voor die vordering geen grondslag is gegeven. Het enkele feit dat [eiser] een bedrag heeft betaald voor de auto (wat daar verder ook van zij) betekent niet dat [eiser] terzake een vordering heeft op [gedaagde] . Voor zover [eiser] meer subsidiair een voorschot op een eventueel in een bodemprocedure door hem te vorderen (vervangende) schadevergoeding vordert tot een bedrag van € 13.250,00, bestaat daarvoor, nu de vordering tot afgifte van de auto wordt afgewezen en in aanmerking nemende de gronden die voor deze afwijzing redengevend zijn, evenmin grond.

4.10.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2016.