Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:6596

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-11-2016
Datum publicatie
29-11-2016
Zaaknummer
01/865030-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor poging tot doodslag meermalen gepleegd en voor het opzettelijk en wederrechtelijk beschadigen van een goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van voorarrest.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het anders of meer tenlastegelegde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865030-16

Datum uitspraak: 29 november 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

wonende te [adresgegevens] ,

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 juni 2016, 29 augustus 2016 en 15 november 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 mei 2016.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 15 november 2016 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 09 maart 2016 te Oudheusden, gemeente Heusden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, met een vuurwapen een of meer kogel(s) in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 09 maart 2016 te Oudheusden, gemeente Heusden, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, getoond/voorgehouden;

3.

hij op of omstreeks 09 maart 2016 te Drunen, gemeente Heusden, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een auto (een Volkswagen Passat), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het bewijs en de beoordeling daarvan.

Inleiding.

Op verdachte rust de verdenking dat hij op 9 maart 2016 heeft gepoogd om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven (feit 1). Voorts wordt verdachte verweten dat hij [slachtoffer 2] en haar zoon [slachtoffer 3] die avond heeft bedreigd (feit 2). Bijkomend wordt verdachte de vernieling van een auto op naam van [slachtoffer 2] , de moeder van [slachtoffer 3] , ten laste gelegd (feit 3).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft op gronden vervat in het schriftelijk requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 impliciet subsidiair (poging tot doodslag), feit 2 en feit 3.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 1 wegens het ontbreken van het vereiste opzet op levensberoving, ook in voorwaardelijke vorm. Verdachte heeft niet willens en wetens bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de vrouwen of één van hen zou raken, dan wel zou doodschieten.

Ten aanzien feit 2 heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat er geen sprake is van een bedreiging met de dood of zwaar lichamelijk letsel, maar van een vorm van intimidatie die niet is gericht op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Immers, [slachtoffer 2] noch [slachtoffer 3] voelde zich bedreigd door het getoonde vuurwapen, nu het wapen niet op moeder en zoon werd gericht, maar op de auto met de mededeling dat verdachte daaraan nog meer schade kon aanrichten, zoals ook door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] wordt onderschreven. De raadsman verzoekt verdachte vrij te spreken van het onder 2 ten laste gelegde.

Er is door de verdediging geen verweer gevoerd met betrekking tot de vernieling van de auto, zoals ten laste gelegd onder feit 3.

Het oordeel van de rechtbank.

Vrijspraak ten aanzien van feit 1 impliciet primair (poging tot moord)

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat er sprake is geweest van beraad of een voorgenomen besluit om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven, is niet komen vast te staan. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank dan ook van oordeel dat hetgeen aan verdachte onder feit 1 impliciet primair ten laste is gelegd, te weten poging tot moord, niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Vrijspraak ten aanzien van feit 2 (bedreiging)

De rechtbank overweegt dat voor veroordeling ter zake van bedreiging vereist is dat de bedreiging onder zodanige omstandigheden is geschied, dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd, ook gepleegd zou worden. De bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan wel zware mishandeling, dient van zodanige aard te zijn en onder zodanige omstandigheden te zijn geschied, dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. De rechtbank is van oordeel dat de gedraging van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet kan worden aangemerkt als gericht op de dood van of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] .

Verdachte verklaart naar aanleiding van de verkeersruzie met [slachtoffer 3] bij [slachtoffer 2] aan de deur te hebben gestaan, hier een vuurwapen te hebben getoond, het wapen op de auto te hebben gericht en te hebben gezegd: ‘ik kan nog wel wat meer schade aanrichten’, maar het wapen niet te hebben gericht op moeder of zoon.1 [slachtoffer 3] verklaart dat verdachte een zwart pistool in zijn hand vasthield en dat hij daarbij zei dat hij wel voor meer schade kon zorgen. Verdachte heeft het pistool niet naar hen gericht.2 [slachtoffer 2] heeft na het ter hand nemen van het vuurwapen minimaal twee keer gezegd: “doe eens normaal”, waarop verdachte het wapen weer heeft weggestopt.3

Gelet op de verklaring van [slachtoffer 2] , de verklaring van [slachtoffer 3] , in onderling verband en in samenhang bezien met de verklaring van verdachte bij de politie en ter terechtzitting, acht de rechtbank niet aannemelijk dat er sprake was van redelijke vrees bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] het leven te verliezen, dan wel zwaar lichamelijk letsel te bekomen. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1 impliciet subsidiair (poging tot doodslag) en feit 3 (vernieling)

De rechtbank baseert haar oordeel over de feitelijke gang van zaken op de navolgende bewijsmiddelen.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte kogels in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft afgevuurd. Verdachte heeft door het rolluik heen, in de richting van de gang van de woning in geschoten.4 Verdachte heeft aangeefster [slachtoffer 1] daarbij in haar arm geraakt.5 Verdachte heeft beide vrouwen kort voor het schietincident gesproken terwijl zij in de gang bij de voordeur stonden.6

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of er bij verdachte sprake is geweest van opzet op het van het leven beroven van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat verdachte opzet had op het van het leven beroven van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Dit laat onverlet dat sprake kan zijn geweest van voorwaardelijk opzet bij verdachte. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier de dood, is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling daarvan is niet alleen vereist dat verdachte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard en dus op de koop heeft toegenomen.

Verdachte heeft zich door middel van het gebruik van een vuurwapen willen onttrekken aan het op hem geopende vuur. Verdachte heeft daartoe minstens twee keer bewust via het rolluik de woning in geschoten in de richting van de gang, terwijl hij wist dat er twee personen in de woning (in of nabij de gang) aanwezig waren. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans op de beroving van het leven van de slachtoffers met zich. Door op deze wijze op de woning te schieten in de richting waar zich kort daarvoor nog slachtoffers bevonden, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de slachtoffers zouden komen te overlijden. Verdachte heeft daarmee in voorwaardelijke zin opzet gehad op het van het leven beroven van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De rechtbank acht de onder feit 1 impliciet subsidiair poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

De bewijsmiddelen. 7

De verklaring van verdachte.

Ter terechtzitting.

Op 9 maart 2016 heb ik een verkeersruzie gehad met zoon [slachtoffer 3] . Ik heb twee of drie keer geschopt tegen de voordeur van de auto waarin hij reed en ik heb met mijn vuist op het raam aan de bestuurderszijde geslagen. Ik heb een vuurwapen opgehaald. Ik ging naar de woning van [slachtoffer 2] omdat ik wist dat zoon [slachtoffer 3] daar was. Ik heb het wapen doorgeladen toen ik naar de woning liep in de veronderstelling dat wanneer op mij geschoten werd, ik terug zou kunnen schieten. Bij de deur heb ik aangeklopt of aangebeld. Ik heb 30 seconden tot één minuut gesproken met mevrouw [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] toen er drie schoten van links vielen. Ik ben naar rechts gedoken, heb met mijn linker hand mijn pistool gepakt en meerdere keren geschoten in de richting van het geluid dat van links kwam. Ik heb één pas gezet en twee keer door het rolluik van de woning geschoten toen de deur dicht was. Ik heb vijf tot zeven schoten afgevuurd naar links. Ik heb twee keer gericht door het rolluik geschoten, omdat ik vermoedde dat de schutters via de achterzijde van de woning naar binnen zouden komen. Ik heb bewust in de richting van de gang geschoten om te voorkomen dat de schutters via de voordeur weer naar buiten zouden komen. Ik had op dat moment geen personen in mijn gezichtsveld.8

Bij de politie.

Volgens mij was het door mij geleende en gebruikte wapen een zwart wapen, een 9 mm.9

De verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] .

Ik doe aangifte van poging moord/doodslag, gepleegd op 9 maart 2016 te 22.04 uur aan de [adres 1] te Oudheusden, gemeente Heusden. Ik zag en hoorde dat de man agressief op de voordeur bonkte en continu aan bleef bellen. [slachtoffer 2] heeft vervolgens de voordeur geopend. Ik ben toen ook naar de voordeur gelopen en ben naast [slachtoffer 2] gaan staan. Meteen hierna hoorde ik een harde knal. Ik voelde een windvlaag langs mijn been gaan. Ik zag [slachtoffer 2] de woonkamer in rennen. Ik ben achter [slachtoffer 2] de woonkamer in gerend. Ik ben op mijn knieën op de grond gevallen, gelijk naast de tussendeur van de hal naar de woonkamer. Ik hoorde dat er weer geschoten werd. Ik zag dat er langs mij een gat in de deur werd geschoten. Ik wilde naar de keuken rennen toen ik weer een knal hoorde. Ik zag het gordijn dat voor het voorraam hing wapperen tezamen met rondvliegende glassplinters. Ik dook weg door mijn bovenlichaam verder af te draaien. Op dat moment voelde ik een pijnscheut in mijn rechterbovenarm. Ik wist meteen dat ik door een kogel was geraakt. Ik zag dat er een kogel in mijn bovenarm zat. Ik zag dat deze kogel door een gat in de mouw van mijn jas naar buiten uitstak. Ik zag dat mijn bovenarm bloedde.10

De verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] .

Ik doe aangifte van vernieling, gepleegd binnen de gemeente Heusden op 9 maart 2016 te 18:45 uur. De verdachte heeft het voertuig wat mij geheel in eigendom toebehoort zonder enig recht of toestemming beschadigd. Met mijn voertuig bedoel ik mijn Volkswagen Passat CC, met [kentekennummer] . [slachtoffer 3] vertelde dat hij onderweg bij [adres 2] een verkeersconflict had gehad. De bestuurder van die auto is toen uitgestapt en heeft tegen de deur van mijn auto getrapt aan de bestuurderskant en op de ruit aan de bestuurderskant geslagen. Diezelfde dag nog kwam de bestuurder van die andere auto aan de deur.11

Ik doe aangifte van poging tot doodslag/moord op 9 maart 2016 aan de [adres 1] te Oudheusden, gemeente Heusden. Ik woon op de [adres 1] te Oudheusden. Ik maakte de voordeur open. Ik zag dat dezelfde man weer voor de deur stond. [slachtoffer 1] kwam meteen naar mij toegelopen. Ik stond als het ware achter de deur en [slachtoffer 1] nog in de overgebleven deuropening. [slachtoffer 1] riep met luide stem: ‘wegwezen, liggen!”. Ik ben toen gelijk omgedraaid en ben gebukt weggerend. Meteen toen ik omdraaide, hoorde ik meerdere knallen. Ik zag dat er een goudkleurig stukje ijzer in de arm van [slachtoffer 1] zat.12

De verklaring van getuige [voorletters getuige] . [naam getuige] bij de rechter-commissaris.

Ik zag [verdachte] recht voor de voordeur voor de woning van [slachtoffer 2] op de dam staan. (…) [verdachte] heeft ook een vuurwapen en schiet in de richting waar de drie schoten vandaan kwamen. [verdachte] heeft meerdere malen geschoten.13

De verklaring van getuige [slachtoffer 3] .

Vandaag, op 9 maart 2016, reed ik in de auto van mijn moeder, een grijze Passat CC. Ik reed [adres 2] op. (…) Ik zag dat de man voluit tegen mijn deur begon te schoppen. Hij schopte drie keer. Vervolgens begon de man tegen mijn raam aan te slaan. (…)Ik ben naar mijn moeder op de [adres 1] in Oudheusden gereden.14

Het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .

Wij zagen dat het voertuig een grijze vierwielige personenauto betrof van het merk/type Volkswagen Passat. Het voertuig was voorzien van het Nederlandse [kentekennummer] . Wij zagen een verstoring in het vuil op de onderzijde van het bestuurdersportier. Wij zagen dat het portier op die plaats licht gedeukt was.15

Het relaas van [verbalisant 3]

Ik zag dat er in totaal 8 kogelhulzen op de plaats delict lagen. Ik zag dat er voor de voordeur van de woning [adres 1] een 9mm patroon lag. Ik zag dat er in het gesloten rolluik aan de voorzijde van de woning twee gaten zaten. Ik zag dat er in de voordeur van de woning een gat zat. Ik zag dat er in de hal en direct achter de voordeur aan de rechterzijde in de muur een gat zichtbaar was. Ik zag dat een vrouw een rode plek aan de rechterzijde van haar rechterarm had en dat er een wond zichtbaar was. Ik zag dat er twee gaten in de ruit aan de voorzijde van de woning zichtbaar waren. Ik zag dat in de tussendeur van de hal naar de woonkamer een gat in de deur zichtbaar was. Ik zag dat er een gat in het fotolijstje dat in de hal stond, zichtbaar was.16

Het relaas van verbalisanten [verbalisant 4] , [verbalisant 5] , [verbalisant 6] en [verbalisant 1] .

In het rolluik van de woonkamer bevonden zich onder elkaar twee (schot)beschadigingen. De onderste schotbeschadiging bevond zich op een hoogte van 140 cm en de bovenste op een hoogte van 153 cm gemeten vanaf de bestrating van de tuin. De beschadigingen bevonden zich ongeveer 84 cm vanaf de buiten (linker)zijde van het linkergeleideprofiel.

In de voordeur bevonden zich twee beschadigingen. In de onderste helft van de deur bevond zich een beschadiging op een hoogte van ongeveer 35cm gemeten vanaf de verhoging voor de voordeur. Tevens bevond zich in de voordeur een doorschot. De beschadiging bevond zich op een hoogte van ongeveer 76 cm gemeten vanaf de verhoging voor de voordeur.

In de ruit in de voorgevel zagen wij twee schotsbeschadigingen gelijk aan de beschadigingen in het rolluik. Gelet op bovenstaande, paste het in het beeld dat er bij het schietincident vanaf de straatzijde richting de woonkamer van de woning is geschoten.

In de deur van de woonkamer naar de gang bevond zich een beschadiging/gat op een hoogte van 120 cm gemeten vanaf de vloer van de woonkamer. In de scheidingsmuur met de keuken naast/achter de deur bevond zich een beschadiging op een hoogte van 115 cm gemeten vanaf de vloer van de woonkamer.

In de gang bevond zich in een fotolijstje op het planchet een beschadiging. Achter de beschadiging bevond zich op de spiegel een aftekening, veroorzaakt door een kogel/projectiel. De beschadiging bevond zich op hoogte van 96 cm gemeten vanaf de vloer van de gang.

De bovenste schootsbaan bewoog zich gezien vanaf het raam in de richting van de woonkamer schuin naar rechts (richting gang) en neerwaarts met als eindpunt de scheidingsmuur met de keuken.

De onderste schootsbaan bewoog zich gezien vanaf het raam in de richting van de woonkamer schuiner naar rechts (dan de bovenste) en neerwaarts met als eindpunt de spiegel in de gang.

(…)Veiliggestelde sporen/sporendragers.

(…)

SIN: AAHK7024NL

Merk/type: Mantel

Bijzonderheden: uit mouw aangeefster op tafeltje keuken/woonkamer.17

Deskundigenrapport van het TMFI.

AAHK7027NL (huls 9mm tuin 46 onder voorband scooter markering 16): onvolledig DNA-profiel. Het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van [verdachte] , frequentie één op veertigduizend.

AAHK7033NL (huls 9mm, in tuin 46 t.h.v. voordeur markering 9), AAHK7035NL (huls 9mmin tuin 46 t.h.v. scooter markering 7): onvolledig DNA-profiel. Het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van [verdachte] , frequentie kleiner dan één op één miljard.18

Rapport van het NFI.

Voor de tien hulzen (o.a. AAHK70027 NL, -33 NL -35NL), kaliber 9mm Parabellum zijn de bevindingen van het vergelijkend hulsonderzoek minimaal zeer veel waarschijnlijker (bewijskracht 10.000-1.000.000) wanneer hypothese 1 (de hulzen zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen) waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is (de hulzen zijn verschoten met meerdere vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken).

Er zijn aanwijzingen dat de kogels, de kogelmantels en het kogelmanteldeel (o.a. AAHK7024NL) zijn afgevuurd uit één loop. Voor deze kogels, kogelmantels en kogelmanteldeel, die het best passen bij het kaliber 9mm Parabellum, zijn de bevindingen van het vergelijkend kogelonderzoek minimaal zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 3 (de kogels, kogelmantels en het kogelmanteldeel zijn afgevuurd uit één en dezelfde loop) dan wanneer hypothese 4 waar is (de kogels, kogelmantels en het kogelmanteldeel zijn afgevuurd uit meerdere lopen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken).

De hulzen (o.a. AAHK70027, -33NL, -35 NL) zijn vermoedelijk verschoten met een

(semi-)automatisch werkend pistool van het kaliber 9mm Parabellum.

Op basis van de schotbeschadigingen hebben zich, kijkend naar de woning op [adres 1] , ten minste:

- twee kogels van rechts naar links bewogen (schotbeschadigingen 4a en 4b).19

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

op 09 maart 2016 te Oudheusden, gemeente Heusden,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opzettelijk

van het leven te beroven, met een vuurwapen kogels in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

op 09 maart 2016 te Drunen, gemeente Heusden,

opzettelijk en wederrechtelijk een auto (een Volkswagen Passat),

toebehorende aan [slachtoffer 2] , heeft beschadigd.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken

De strafbaarheid van de feiten en de strafbaarheid van verdachte.

Ten aanzien van feit 1: beroep op noodweer/noodweerexces

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte zich niet op een noodweersituatie kan beroepen, nu hij de confrontatie heeft gezocht, zich als aanvaller heeft gepresenteerd en een eventuele aanval heeft uitgelokt door provocatie (culpa in causa). Daarnaast komt verdachte volgens de officier van justitie geen beroep op noodweer toe, nu hij zich niet had te verdedigen tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De schoten, doelbewust op het rolluik van de woning gelost, waren niet gericht op zijn vermeende aanvaller(s) en niet gelost ter verdediging, maar als (tegen)aanval.

Het standpunt van de verdediging.

Door de verdediging is ten aanzien van dit feit een beroep gedaan op noodweer, dan wel noodweerexces. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waarbij de reactie van verdachte proportioneel was in verhouding tot de aanranding en een andere mogelijkheid voor hem op dat moment niet bestond. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte in de val is gelokt, waarna er bij hem een alleszins begrijpelijke paniekreactie is gevolgd. De hevige gemoedsgesteldheid maakt dat hij ongericht is gaan schieten waarbij hij [slachtoffer 1] licht heeft geraakt. De verdediging heeft bepleit dat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen voor onderhavig feit wegens het bestaan van een strafuitsluitingsgrond.

Het oordeel van de rechtbank.

Noodweer

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat er sprake was van een noodweersituatie, dat wil zeggen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waarbij de verdediging noodzakelijk en proportioneel moet zijn.

De rechtbank stelt vast dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding vanuit de woning. Verdachte was derhalve niet genoodzaakt tot het schieten op de woning waar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich op dat moment bevonden. Een beroep op noodweer en daarmee een beroep op noodweerexces kan derhalve in die situatie niet slagen, nu verdachte zich niet behoefde te verdedigen tegen aangeefsters.

Ten aanzien van de situatie waarin verdachte zich bevond ten opzichte van de schutter(s), gaat de rechtbank voor de feitelijke gang van zaken uit van de verklaring van verdachte, zoals afgelegd bij de politie en ter terechtzitting, nu deze op een aantal punten wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [naam getuige] en het rapport schootsbaanreconstructie van het NFI. De rechtbank stelt aan de hand van de verklaring van getuige [naam getuige] vast dat verdachte driemaal vanuit links is beschoten waarna hij meerdere malen heeft teruggeschoten in de richting van waar de schoten vandaan kwamen. Uit de schootsbaanreconstructie blijkt eveneens dat er minimaal twee verschillende vuurwapens zijn gebruikt en dat er op basis van de schotbeschadigingen aanwijzingen kunnen worden gevonden dat er kogels vanuit verschillende richtingen zijn afgevuurd.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de gedraging van verdachte, het schieten met een vuurwapen in de richting van de door de schutter(s) op hem afgevuurde kogels, kan worden aangemerkt als een verdediging gericht tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Verdachte verkeerde naar het oordeel van de rechtbank niet in de positie om zich te onttrekken aan de situatie, nu hij onverwacht vanuit links werd beschoten en geen schutter waarnam. Naar het oordeel van de rechtbank was de verdediging noodzakelijk en was er voor verdachte geen redelijke en reële mogelijkheid om zich aan de (dreigende) aanranding te onttrekken.

De aanval op verdachte bestond op het schieten op hem buiten de woning. Verdachte heeft de grenzen van de noodzakelijke verdediging echter overschreden door in deze situatie zijn lichaam een kwartslag te draaien en gericht twee schoten af te vuren op het rolluik van de woning in de verwachting dat de schutters langs de achterzijde van de woning via de gang zouden omlopen naar de voorzijde van de woning en wederom zouden schieten. Hierbij is [slachtoffer 1] in haar bovenarm geraakt. Het in deze situatie afvuren van kogels in de richting van een woning waarin zich - zoals verdachte wist - personen bevonden, acht de rechtbank disproportioneel.

De rechtbank zal derhalve het beroep op noodweer verwerpen.

Er zijn geen andere feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Noodweerexces

Verdachte heeft de grenzen van een geboden en noodzakelijke verdediging overschreden. Deze overschrijding kan enkel niet aan verdachte worden verweten indien zij het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding werd veroorzaakt.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat ten tijde van het schieten op de woning onvoldoende is komen vast te staan dat bij verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging, nu verdachte berekenend preventief en derhalve weloverwogen op het rolluik van de woning heeft geschoten. Nu niet aannemelijk is geworden dat de forse mate van overschrijding van de grenzen der verdediging is ingegeven door een hevige gemoedsbeweging, verwerpt de rechtbank het beroep op noodweerexces.

Er zijn geen andere feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Ten aanzien van feit 3

Het onder feit 3 bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Voorts zijn er geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert ten aanzien van de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag, de onder 2 ten laste gelegde bedreiging en de onder 3 ten laste gelegde vernieling, een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd, nu er ten aanzien van feit 1 een beroep is gedaan op een strafuitsluitingsgrond. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman zich niet uitgelaten over een op te leggen straf.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door met een vuurwapen op een woning te schieten waar de twee vrouwen zich bevonden. Verdachte heeft door het schieten op het rolluik en de deur van de woning zich disproportioneel getracht te verdedigen tegen een vermeende aanval van de schutter(s).

Voorts heeft verdachte zich naar aanleiding van een daaraan voorafgaande verkeersruzie schuldig gemaakt aan vernieling van een auto door tegen het portier aan de bestuurderszijde te slaan en te schoppen.

De rechtbank houdt er er in voordeel van verdachte rekening mee dat verdachte zichzelf weliswaar zelf in deze siuatie heeft gebracht, maar dat hij niet de initiator is geweest van de schietpartij en dat niet uitgesloten kan worden dat ook aangeefsters daar een rol in hebben gespeeld. Verdachte is langs de linkerzijde en vermoedelijk ook langs de achterzijde als eerste beschoten, hetgeen een beangstigende ervaring voor hem zal zijn geweest.

Ondanks het feit dat verdachte niet de aanstichter van het geweld is geweest en hij heeft gehandeld in reactie op een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door de schutter(s) aan de buitenzijde van de woning, acht de rechtbank het door verdachte gepleegde geweld dermate ernstig en disproportioneel, dat dit bestraft dient te worden met een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Verdachte is psychologisch onderzocht door [naam deskundige] . Uit de rapportage van

25 mei 2016 volgt dat verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid en mogelijk lijdende is aan de gevolgen van alcoholmisbruik. Er is geen concreet en direct verband vastgesteld door de stoornis of het gebrek. Geadviseerd wordt het ten laste gelegde aan verdachte toe te rekenen.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 30 mei 2016 dat Reclassering Nederland over verdachte heeft uitgebracht. Uit het rapport komt naar voren dat er er een laaggemiddelde kans bestaat op recidive en dat (gedrags-)interventies naar het oordeel van de reclassering deze kans niet verder kunnen verlagen. De reclassering adviseert een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een voorwaardelijk strafdeel als ‘stok achter de deur’.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt en daarnaast van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] - [slachtoffer 3] .

Als benadeelde partij heeft [slachtoffer 1] - [slachtoffer 3] zich in het geding gevoegd ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van

€ 4.044,-- aan materiële schade en een vergoeding van € 3.000,-- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toewijsbaar en verzoekt daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Ten aanzien van de materiële schadeposten ‘jas’ en ‘gederfde inkomsten’ acht zij de vergoeding van een bedrag van respectievelijk € 100,-- en € 1.500,-- redelijk nu de vordering voor het meerdere onvoldoende is onderbouwd. De officier van justitie acht de immateriële schadepost integraal toewijsbaar.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij

niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de onmiskenbare bijdrage aan het schietincident van vader en zoon [slachtoffer 3] , respectievelijk de echtgenoot en stiefzoon van de benadeelde partij.

Beoordeling. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient de vraag te worden beantwoord of, en zo ja, in hoeverre de schade mede een gevolg is geweest van een omstandigheid die aan benadeelde kan worden toegerekend, namelijk of de benadeelde partij zo heeft gehandeld, dat er sprake was van eigen schuld of medeschuld. De rechtbank is van oordeel dat de beantwoording van deze vraag een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan daarom de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de kosten van partijen als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Als benadeelde partij heeft [slachtoffer 2] zich in het geding gevoegd ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.645,70 aan materiële schade en een vergoeding van € 4.000,-- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij integraal toewijsbaar en verzoekt daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij

niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de onmiskenbare bijdrage aan het schietincident van vader en zoon [slachtoffer 3] , respectievelijk de ex-echtgenoot en zoon van de benadeelde partij.

Beoordeling.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient de vraag te worden beantwoord of, en zo ja, in hoeverre de schade mede een gevolg is geweest van een omstandigheid die aan benadeelde kan worden toegerekend, namelijk of de benadeelde partij zo heeft gehandeld, dat er sprake was van eigen schuld of medeschuld. De rechtbank is van oordeel dat de beantwoording van deze vraag een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan daarom de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de kosten van partijen als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 27, 45, 57, 287, 350.

DE UITSPRAAK

T.a.v. feit 1 impliciet primair, feit 2:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder deze feiten ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

T.a.v. feit 1 impliciet subsidiair, feit 3:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 impliciet subsidiair: poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

T.a.v. feit 3: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1 impliciet subsidiair, feit 3: Gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht

T.a.v. feit 1: Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij

M.E. [slachtoffer 3] - [slachtoffer 1] in de vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

T.a.v. feit 1: Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij

[slachtoffer 2] in de vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Boersma, voorzitter,

mr. H.A. van Gameren en H.M. Hettinga, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,

en is uitgesproken op 29 november 2016.

1 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 15 november 2016.

2 Verklaring van getuige [slachtoffer 3] , d.d. 9 maart 2016, p. 277 van na te noemen proces-verbaal.

3 Verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] , d.d. 11 maart 2016, p. 260 van na toe noemen proces-verbaal.

4 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 15 november 2016.

5 Proces-verbaal van sporenonderzoek plaats delict schietincident, d.d. 12 juli 2016, p. 107 van na te noemen proces-verbaal. / Rapport schootsbaanreconstructie van het NFI, d.d. 9 juni 2016, p. 199 van na te noemen proces-verbaal.

6 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 15 november 2016.

7 Tenzij anders vermeld, wordt verwezen naar de paginanummers uit het proces-verbaal van de Districtsrecherche ’s-Hertogenbosch, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, onderzoek OB1R016031- [naam onderzoek] , gesloten op 20 september 2016, aantal doorgenummerde bladzijden: 374.

8 Proces-verbaal ter terechtzitting van 15 november 2016.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 17 maart 2016, p. 348 van voornoemd proces-verbaal.

10 Proces-verbaal van aangifte, d.d. 9 maart 2016, p. 241-242 van voornoemd proces-verbaal.

11 Proces-verbaal van aangifte, d.d. 9 maart 2016, p. 263 van voornoemd proces-verbaal.

12 Proces-verbaal van aangifte, d.d. 11 maart 2016, p. 259, p. 261 van voornoemd proces-verbaal.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige bij de rechter-commissaris, d.d. 22 maart 2016, p. 296 van voornoemd proces-verbaal.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 9 maart 2016, p. 276 van voornoemd proces-verbaal.

15 Proces-verbaal sporenonderzoek, d.d. 15 maart 2016, p. 87 van voornoemd proces-verbaal.

16 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 10 maart 2016, p. 40 van voornoemd proces-verbaal.

17 Proces-verbaal van sporenonderzoek plaats delict schietincident, d.d. 12 juli 2016, p. 100-101, p, 107 van voornoemd proces-verbaal.

18 Deskundigenrapport betreffende DNA-onderzoek van het TMFI, d.d. 9 mei 2016, 2016.04.06.001, opgemaakt door [naam deskundige 1] , p. 164 van voornoemd proces-verbaal.

19 Rapport schootsbaanreconstructie van het NFI, d.d. 9 juni 2016, 2016.04.11.148, opgemaakt door [naam deskundige 2] MSc, p. 198-200 van voornoemd proces-verbaal.