Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:6581

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-11-2016
Datum publicatie
25-11-2016
Zaaknummer
01/860335-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in zijn hoedanigheid van taxichauffeur het slachtoffer vervoerd. Tijdens de rit heeft het slachtoffer aan de handrem van de taxi getrokken en heeft hij de langzaam rijdende taxi verlaten. Daarbij heeft het slachtoffer letsel opgelopen waaraan hij later is overleden. De rechtbank spreekt verdachte vrij van enige schuld aan het overlijden van het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/860335-14

Datum uitspraak: 25 november 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

[geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,

[woonplaats] , [woonadres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 november 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 oktober 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in de gemeente Sint-Michielsgestel, in elk geval in Nederland op/aan de N617 (Bosschebaan),op of omstreeks 17 mei 2014 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden een ander,(te weten [slachtoffer] ) was gedood, althans aan die [slachtoffer] letsel was toegebracht;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in de gemeente Sint-Michielsgestel, in elk geval in Nederland op/aan de N617 (Bosschebaan), op of omstreeks 17 mei 2014 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat hij op of omstreeks 17 mei 2014 in de gemeente Sint-Michielsgestel, in elk geval in Nederland, als getuige van het ogenblikkelijke levensgevaar waarin [slachtoffer] verkeerde, heeft nagelaten deze hulp te verlenen of te verschaffen die hij, verdachte, die [slachtoffer] , zonder gevaar voor zichzelf of anderen redelijkerwijs te duchten, kon verlenen of verschaffen waarna de dood van de hulpbehoevende op of omstreeks 17 mei 2014 in het St. Elisabethziekenhuis te Tilburg is gevolgd.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich ten aanzien van het primair ten laste gelegde primair op het standpunt dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard en subsidiair dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat verdachte van deze feiten dient te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich ten aanzien van het primair ten laste gelegde primair op het standpunt dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken en subsidiair dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard. Ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte van deze feiten dient te worden vrijgesproken.

Vrijspraak.

De feiten.

Gelet op de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting kunnen naar het oordeel van de rechtbank de volgende feiten worden vastgesteld. In de vroege ochtend van 17 mei 2014 is [slachtoffer] in ’s-Hertogenbosch bij verdachte in de taxi gestapt. Op enig moment is [slachtoffer] tijdens de taxirit, toen deze reed over de Bosschebaan te St. Michielsgestel, uit de taxi geraakt. Kort daarna kwamen getuigen [getuige 1] en [getuige 1] ter plaatse. Zij zagen de taxi langzaam rijden en zagen dat de taxi wegreed in de richting van ’s-Hertogenbosch. Vervolgens hebben zij voornoemde [slachtoffer] daar liggend op de weg aangetroffen met ernstige verwondingen aan het hoofd. Kort na het ongeval heeft verdachte bij de meldkamer en ten overstaan van twee verbalisanten melding gemaakt van het feit dat er een incident had plaatsgevonden met een passagier, waarbij deze uit de taxi was geraakt. Later die dag is [slachtoffer] in het ziekenhuis aan zijn verwondingen overleden. Op het moment van het ongeluk was het donker en was de Bosschebaan niet verlicht.

Verdachte wordt kort gezegd verweten dat hij is door gereden na een verkeersongeval waarbij hij betrokken was, terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat [slachtoffer] daarbij gewond was geraakt.

De rechtbank ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of er sprake is van een verkeersongeval.

Betrokkenheid van verdachte bij een verkeersongeval in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna Wvw 1994).

Gelet op de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de Wvw 1994, moet de term ‘verkeersongeval’ in deze wet worden uitgelegd als een gebeurtenis op een voor het verkeer openstaande weg, die verband houdt met (de risico’s van) het verkeer, waarbij ten minste één rijdend voertuig is betrokken en ten gevolge waarvan schade is ontstaan en/of ten gevolge waarvan één of meerdere weggebruikers zijn overleden en/of gewond geraakt.

Vast staat dat [slachtoffer] als gevolg van het uit de rijdende, door verdachte bestuurde taxi geraken, gewond is geraakt. Naar het oordeel van de rechtbank is de taxi, die op het moment dat [slachtoffer] uit de auto geraakte nog reed, rechtsreeks betrokken bij het verkeersongeval. Daarmee is eveneens gegeven dat verdachte als bestuurder van die taxi betrokkenheid heeft in de zin van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994 bij een verkeersongeval. Dat op grond van de in het dossier opgenomen bewijsmiddelen niet is gebleken dat verdachte een handeling heeft verricht waardoor voornoemde [slachtoffer] uit de rijdende taxiauto is geraakt en gewond is geraakt doet aan de conclusie dat verdachte betrokken was bij een verkeersongeval niet af.

Vermoeden of wetenschap van (dodelijk) letsel bij het slachtoffer.

Met betrekking tot de toedracht van het ongeval heeft verdachte verklaard dat er op enig moment onderweg onenigheid is ontstaan tussen hem en [slachtoffer] over de betaling van de ritprijs. [slachtoffer] wilde op enig moment uitstappen, maar verdachte gaf hem te kennen dat hij voor de rit nog moest betalen. [slachtoffer] gaf verdachte te verstaan dat hij al betaald had, wat door verdachte werd betwist. Verdachte besloot vervolgens om met [slachtoffer] terug te rijden naar ’s-Hertogenbosch, naar het politiebureau. Op de Bosschebaan, inmiddels weer rijdend in de richting van ’s-Hertogenbosch, heeft [slachtoffer] , die rechts naast verdachte op de passagiersplaats zat, krachtig aan de handrem getrokken, waarna hij op enig moment uit de taxi is geraakt. Dat er krachtig aan de handrem is getrokken, wordt ondersteund door de bevindingen uit het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse (hierna: VOA), naar aanleiding van het blokkeerspoor dat op de weg is aangetroffen. Dat er onenigheid was over de ritprijs, wordt ondersteund door het gegeven dat achteraf in de portemonnee van [slachtoffer] onvoldoende geld is aangetroffen om de rit te kunnen betalen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte op dit punt dan ook niet onaannemelijk.

Het proces-verbaal VOA noch het onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) naar de oorzaak van de letsels die bij [slachtoffer] zijn vastgesteld, biedt uitsluitsel over de vraag hoe het fatale letsel aan het hoofd van [slachtoffer] is ontstaan of bij welke snelheid [slachtoffer] uit de auto is geraakt. Wel worden een aantal mogelijkheden uitgesloten.

Forensisch arts D. Botter van het NFI concludeert dat “de letsels aan en in het hoofd zijn veroorzaakt door één of meer zeer krachtige inwerking(en) van uitwendig botsend mechanisch geweld tegen de rechter achterzijde van het hoofd, zoals bijvoorbeeld kunnen optreden bij verkeersongevallen, een val van grote hoogte, krachtig schoppen met geschoeide voet of krachtige slagen met een zwaar voorwerp, etc.”.

Hij stelt vast dat de letsels niet veroorzaakt kunnen zijn door een val uit een stilstaande auto of auto met lage snelheid. Indien sprake is geweest van een val uit een auto met lage snelheid dan is het hoofd mogelijk krachtig in botsing gekomen met een hard voorwerp, zoals bijvoorbeeld een carosseriedeel, wiel, paal, hek of steen, zo luidt één van de conclusies van forensisch arts D. Botter van het NFI. Indien het slachtoffer uit een auto zou zijn gevallen dan is het minder waarschijnlijk dat dit heeft plaatsgevonden bij hoge snelheid, dit gelet op de eenzijdigheid van het letsel, de afwezigheid van uitgebreide huidbeschadigingen en de afwezigheid van letsels in de romp en ledematen. Uit het proces-verbaal VOA blijkt niet dat aan de taxi een beschadiging is vastgesteld die duidt op een krachtige inwerking van mechanisch geweld, zoals bijvoorbeeld een deuk of een afgebroken onderdeel van de auto.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van het ongeval iets heeft gehoord of gezien of iets heeft moeten horen of zien, op grond waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan [slachtoffer] bij dit ongeval letsel was toegebracht.

Ook blijkt uit de bewijsmiddelen in het dossier niet dat verdachte nadat [slachtoffer] de nog rijdende auto had verlaten iets heeft waargenomen of heeft moeten waarnemen op grond waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] bij het ongeval letsel had bekomen. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij vanuit de auto in zijn spiegels had gekeken of hij [slachtoffer] nog ergens zag, maar dat hij niets heeft gezien. Hij ging er vanuit dat [slachtoffer] was weggerend en zich daarmee had onttrokken aan de betaling van de rit. Verdachte heeft toen zijn rittenstaat ingevuld en daarop aangetekend dat er niet betaald was en dat de klant was weggelopen, en is verder gereden. Kort daarop heeft verdachte dit incident telefonisch bij de meldkamer van de politie, alsmede bij twee politieambtenaren die hij op straat aansprak, gemeld waarbij hij aangaf dat hij een klant had gehad die niet wilde betalen, aan de handrem had getrokken en was uitgestapt. Verdachtes gedrag en uitlatingen acht de rechtbank congruent met de verklaringen die verdachte later ten overstaan van de politie, en ook ter terechtzitting heeft afgelegd. De door verdachte geschetste toedracht van het ongeval wordt niet weerlegd door de bewijsmiddelen.

Conclusie.

Gezien de inhoud van het procesdossier en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] , toen hij uit de rijdende taxi van verdachte geraakte, daarbij of daardoor letsel had opgelopen of was gedood, zoals primair en subsidiair ten laste gelegd. Dat betekent dat verdachte zowel van het primair als van het subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat evenmin het meer subsidiair ten laste gelegde feit kan worden bewezen. Voor dat meer subsidiair ten laste gelegde feit, kort gezegd, het nalaten om hulp te verlenen of te verschaffen aan [slachtoffer] die in ogenblikkelijk levensgevaar verkeerde, is vereist dat de verdachte getuige was van dat ogenblikkelijke levensgevaar waarin [slachtoffer] verkeerde. Aangezien het naar het oordeel van de rechtbank niet vaststaat dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] letsel had bekomen, kan daarmee evenmin worden vastgesteld dat verdachte toen getuige is geweest van het ogenblikkelijke levensgevaar waarin [slachtoffer] verkeerde. Gelet daarop dient verdachte ook van het meer subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

DE UITSPRAAK

T.a.v. primair, subsidiair, meer subsidiair:

De rechtbank verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. S.J.W. Hermans en mr. W.F. Koolen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. S. Kriekaard, griffier,

en is uitgesproken op 25 november 2016.