Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:6438

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-11-2016
Datum publicatie
21-11-2016
Zaaknummer
01/879014-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:1417, Overig
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:2300
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:2184
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Cold case-onderzoek. Statistische bewijsanalyse van DNA-onderzoek. De rechtbank veroordeelt verdachte voor de verkrachting van slachtoffer tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar. De rechtbank legt geen (nieuwe) tbs-maatregel op. Verdachte wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde doodslag. Een andere dader kan niet worden uitgesloten. Proceshouding verdachte en nemo tenetur-beginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2017, afl. 1, p. 46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01/879014-13

Datum uitspraak: 21 november 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1967] ,

thans verblijvende in [kliniek] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 april 2014, 3 juli 2014, 29 september 2014, 2 december 2014, 26 februari 2015, 24 april 2015, 14 juli 2015, 5 oktober 2015, 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, 4 december 2015, 19 april 2016, 13 juni 2016, 12, 13, 14 en 27 oktober 2016 en 7 november 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

1 De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 maart 2014. De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 3 juli 2014 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. Met inachtneming van deze wijziging is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 6 oktober 1995, althans in of omstreeks de periode van 6 oktober 1995 tot en met 22 november 1995 te Eindhoven, althans in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] (geboren op [1980] ) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte (telkens) zijn penis in de vagina en/of anus van die [slachtoffer] gebracht/geduwd/gehouden en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte

- die [slachtoffer] heeft meegenomen en/of vastgehouden dan wel anderszins van de vrijheid heeft beroofd (gehouden) en/of - heeft bedreigd met een mes, althans een scherp voorwerp en/of

- ( met) een mes, in elk geval (met) een scherp voorwerp, in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken en/of gebracht en/of gehouden en/of - een of meer (andere) vormen van geweld en/of (andere) geweldshandelingen op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] en/of tegen die [slachtoffer] heeft toegepast/uitgeoefend, en/of (aldus) voor die [slachtoffer] (telkens) een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

2. hij op of omstreeks 6 oktober 1995, althans in of omstreeks de periode van 6 oktober 1995 tot en met 22 november 1995 te Eindhoven en/of te Lierop, gemeente Someren, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, meermalen, althans eenmaal, (met) een mes, in elk geval (met) een scherp voorwerp, in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] gestoken en/of gebracht en/of gehouden en/of al dan niet met gebruikmaking van een voorwerp, op en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer] geslagen/gestompt, en/of een of meer (andere) vormen van geweld en/of (andere) geweldshandelingen op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] en/of tegen die [slachtoffer] toegepast/uitgeoefend, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Volgens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

2 De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte op de grond dat bij het onderzoek sprake is geweest van schending van artikel 6 van het Europees verdrag inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de daarin neergelegde beginselen van een eerlijk proces (fair trial) en equality of arms. Er is sprake van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek dat niet kan worden hersteld en waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken, zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

De verdediging heeft haar verweer als volgt onderbouwd. Op 11 januari 1996 is door de politie geverbaliseerd dat na telefonisch overleg met de toentertijd verantwoordelijke officier van justitie besloten is om de kleding van het slachtoffer, waaronder haar jas, trui, broek en schoenen te vernietigen. Het bij het slachtoffer aangetroffen en veiliggestelde inlegkruisje is in het ongerede geraakt. Na exhumatie van het stoffelijk overschot van het slachtoffer op 9 september 2011 bleek dat ook haar onderkaak ontbrak. De mogelijkheid om een nader onderzoek te kunnen laten verrichten naar ontlastende biologische sporen is een essentiële voorwaarde om te kunnen spreken van een eerlijk proces, aldus de verdediging. Een deugdelijk en uitgebreider onderzoek aan de kleding, het inlegkruisje en de kaak had mogelijk antwoord kunnen geven op vragen met betrekking tot de doodsoorzaak, de betrokkenheid van andere personen dan de verdachte bij de misdrijven en de vraag of het slachtoffer om het leven is gebracht op de plaats waar haar lichaam is aangetroffen of elders. Nu een dergelijk onderzoek niet meer mogelijk is, kan er geen sprake meer zijn van een gelijkwaardige mogelijkheid voor de verdediging om gegevens naar voren te brengen en het gepresenteerde bewijs van het openbaar ministerie te betwisten. De verdediging is daardoor belemmerd in haar verdedigingsmogelijkheden.

De rechtbank overweegt het volgende.

Met het openbaar ministerie en de verdediging stelt de rechtbank vast dat de kleding van het slachtoffer in 1996 met toestemming van de destijds verantwoordelijke officier van justitie is vernietigd. Verder stelt de rechtbank vast dat het inlegkruisje en de onderkaak niet meer aanwezig bleken te zijn in respectievelijk de jaren ’90 en 2011. Niet duidelijk is op welk moment deze zijn zoekgeraakt. Genoemde bronmaterialen zijn derhalve niet meer beschikbaar voor (nader) onderzoek of tegenonderzoek. Dat de voorwerpen niet meer aanwezig zijn is naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf te betreuren.

De rechtbank merkt op dat de vernietiging respectievelijk het zoekraken van voornoemde voorwerpen hebben plaatsgevonden (lange tijd) voordat er tegen verdachte op 30 oktober 2012 een voorbereidend onderzoek is gestart. Er is dan ook reeds om die reden geen sprake van dat bronmateriaal is vernietigd om verdachte in enig gerechtvaardigd belang te schaden, zodat in dat opzicht niet kan worden gezegd dat sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde dat om die reden het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging, terwijl evenmin aannemelijk is geworden dat een en ander doelbewust is geschied met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte, waardoor aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Voorts vloeit naar het oordeel van de rechtbank uit artikel 6 EVRM niet zonder meer voor verdachte een recht op een tegenonderzoek voort. Wel zal verdachte de gelegenheid moeten hebben om onderzoek dat door deskundigen is verricht, te betwisten.

De rechtbank overweegt dat de verdediging in volle omvang in de gelegenheid is gesteld om het veiliggestelde (biologische) sporenmateriaal aan nadere onderzoeken of tegenonderzoeken te onderwerpen. Hierbij is de verdediging door de rechter-commissaris en de rechtbank vele malen de gelegenheid geboden om in het kader van die onderzoeken opmerkingen te plaatsen, vragen te stellen aan de deskundigen dan wel hun aanwijzingen te geven. In die zin is aan verdachte in voldoende mate de gelegenheid geboden om het door het openbaar ministerie als bewijs gepresenteerde materiaal en deskundigenoordelen (gemotiveerd) te kunnen betwisten en heeft zij haar standpunt op deugdelijke wijze kunnen onderbouwen.

Nu er geen sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek tegen verdachte en evenmin gezegd kan worden dat het recht van verdachte op een eerlijk proces is geschonden, verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging.

Nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die aan de vervolging in de weg zouden staan, kan het openbaar ministerie in de vervolging worden ontvangen. Bovendien zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

3 Bronnen

  1. Een eindproces-verbaal (opgebouwd uit een pro forma-dossier en een einddossier) van de politie-eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, met onderzoeksnummer 2219110010, onderzoeksnaam Bosuil 1, afgesloten op 20 maart 2014, in totaal 834 doorgenummerde bladzijden (hierna in de voetnoten te noemen: eindproces-verbaal).

  2. Een forensisch dossier, van de Forensisch Technische Ondersteuning, van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Divisie Recherche, bestaande uit 3 delen (3 ordners), in totaal 71 bijlagen, zonder paginanummering, onder meer inhoudende:

een proces-verbaal technisch onderzoek, van de politie Brabant Zuid-Oost, afdeling ECE/Technische recherche, van 18 januari 1996, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (bijlage 1);

een rapport pro justitia van het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie, van 12 april 1996, opgemaakt en ondertekend door dr. R. Visser, arts en patholoog (bijlage 2);

een rapport pro justitia betreffende haar-, vezel-, sperma-, bloed-, speeksel-, DNA- en werktuigsporenonderzoek naar aanleiding van het aantreffen van een stoffelijk overschot in Lierop op 22 november 1995, bestaande uit 3 deelrapporten, van het Gerechtelijke Laboratorium van het Ministerie van Justitie, van 22 juli 1996, opgemaakt en ondertekend door ing. S.E. Maljaars, ir. H.J.T. Janssen en ing. Z.J.M.H. Gerardts (bijlage 3);

een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), ‘Haar-, sperma-, bloed- en DNA-onderzoek naar aanleiding van een zedenmisdrijf gepleegd in Valkenswaard op 23 september 2000’, van 2 januari 2001, opgemaakt en ondertekend door drs. A.D. Kloosterman, vast gerechtelijk deskundige;

een NFI-rapport ‘Autosomaal en mitochondriaal DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in een bosperceel tussen Mierlo en Lierop op 22 november 1995’, van 14 juli 2011, opgemaakt en ondertekend door prof. dr. A.D. Kloosterman, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (bijlage 12);

een NFI-rapport ‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in een bosperceel tussen Mierlo en Lierop op 22 november 1995’, van 12 augustus 2011, opgemaakt en ondertekend door drs. ing. T.J.P. de Blaeij, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (bijlage 13);

een NFI-rapport ‘Forensische exhumatie van een stoffelijk overschot op de [begraafplaats] te Eindhoven, d.d. 9 september 2011’, van 12 september 2011, opgemaakt en ondertekend door drs. W.J. Groen, NFI-deskundige forensische archeologie (bijlage 41);

een NFI-rapport ‘Aanvullend en vergelijkend DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in een bosperceel tussen Mierlo en Lierop op 22 november 1995’ van 14 oktober 2011, opgemaakt en ondertekend door drs. ing. T.J.P. de Blaeij voornoemd (bijlage 55);

een NFI-rapport ‘Een Kras-, indruk- en vormsporenonderzoek aan een rib naar aanleiding van het aantreffen van een stoffelijk overschot in Lierop op 6 oktober 1995’, van 13 januari 2012, opgemaakt en ondertekend door ing. I. Keereweer, NFI-deskundige op het gebied van respectievelijk Forensische Geneeskunde en Kras-, Indruk- en Vormsporenonderzoek (bijlage 45);

een NFI-rapport ‘Forensisch Antropologisch consultancy naar aanleiding van de exhumatie van een stoffelijk overschot op 6 oktober 2011, cold case “Bosuil”’, van 26 januari 2012, opgemaakt en ondertekend door drs. R.R.R. Gerretsen, arts en forensisch antropoloog (bijlage 21);

een NFI-rapport ‘Vergelijkend DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in een bosperceel tussen Mierlo en Lierop op 22 november 1995’, van 18 december 2012, opgemaakt en ondertekend door drs. ing. T.J.P. de Blaeij voornoemd (bijlage 61);

een herzien NFI-rapport ‘DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in een bosperceel tussen Mierlo en Lierop op 22 november 1995’ van 1 oktober 2013, opgemaakt en ondertekend door drs. J. Klaver, NFI-deskundige van forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (bijlage 62);

een herzien NFI-rapport ‘Vergelijkend mitochondriaal DNA-onderzoek (mtDNA) naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in een bosperceel tussen Mierlo en Lierop op 22 november 1995’ van 6 november 2013, opgemaakt en ondertekend door ing. J.L.W. Dieltjes, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (bijlage 60);

een NFI-rapport ‘Beantwoording van Aanvullende vragen in verband met sectie S1995-499, [slachtoffer] ’, van 28 november 2013, opgemaakt en ondertekend door drs. P.M.I. van Driessche, arts en patholoog, en drs. R.R.R. Gerretsen voornoemd (bijlage 48);

een forensisch raamproces-verbaal, van 18 maart 2014, opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] .

Een forensisch pathologisch rapport betreffende zwangerschap, van 23 februari 2015, opgemaakt en ondertekend door dr. med. D. Spendlove, in totaal 42 pagina’s.

Een NFI-rapport ‘Beantwoording vragen naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in een bosperceel tussen Mierlo en Lierop op 22 november 1995’, van 21 april 2015, opgemaakt en ondertekend door drs. ing. T.J.P. de Blaeij voornoemd.

Een NFI-rapport ‘Beantwoording van vragen naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in een bosperceel tussen Mierlo en Lierop op 22 november 1995’, van 19 juni 2015, opgemaakt en ondertekend door dr. J.H.A. Nagel, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA.

Een NFI-briefrapport, met als onderwerp ‘Onderliggende stukken interne review NFI Dossier TGO Bosuil’, van 17 augustus 2015, opgemaakt en ondertekend door drs. J.A. de Koeijer, teamleider IDFO.

Een NFI-rapport ‘Aanvullende rapportage naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in een bosperceel tussen Mierlo en Lierop op 22 november 1995’, van 12 juli 2016, opgemaakt en ondertekend door drs. J. Koopman, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA.

Een rapport ‘DNA-onderzoek en criminalistische interpretatie naar aanleiding van het overlijden van [slachtoffer] ’, van Independent Forensic Services (IFS), van 20 september 2015, opgemaakt en ondertekend door R. Eikelenboom en J. van der Meij, beiden forensisch wetenschappelijk onderzoeker, in totaal 92 pagina’s, met daarbij tabellen genummerd 1 tot en met 21a.

Een e-mail van dr. M.W. Perlin, gericht aan Richard Eikelenboom, van 10 november 2015 (13:41 uur).

Een rapport van het Institute of Environmental Science and Research Limited (ESR), van 15 april 2016, opgemaakt en ondertekend door J.S. Buckleton, principal scientist, en R. Wivell, authorising scientist, alsmede de Nederlandse vertaling daarvan;

Een rapport van het Institute of Environmental Science and Research Limited (ESR), van 3 juni 2016, opgemaakt en ondertekend door J.S. Buckleton en R. Wivell voornoemd, alsmede de Nederlandse vertaling daarvan;

Een aanvullend rapport/aanvullende verklaring van J.S. Buckleton voornoemd, van 5 augustus 2016, alsmede de Nederlandse vertaling daarvan.

Een beantwoording van schriftelijke vragen van het openbaar ministerie (d.d. 15 april 2016) en de verdediging (d.d. 17 mei 2016) aan deskundige Buckleton voornoemd, van 3 juni 2016, alsmede de Nederlandse vertaling daarvan (ordner 5 stukken rechter-commissaris).

De Essenties van forensisch DNA-onderzoek. Hoofdstuk 10: Begrippen, NFI, versie 3, september 2007.

“Bewijskracht van onderzoek naar biologische sporen en DNA”, deel 2. Bronniveau, auteurs B. Kokshoorn, B. Aarts, J. Nagel en J. Koopman, gepubliceerd in Expertise en Recht 2014-6.

Een proces-verbaal van technisch onderzoek van het Korps Rijkspolitie, van 4 juni 1987, met nummer 641/87, met als bijlagen een briefrapport van het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie, van 21 mei 1987, met nummer 87.04.15.41, opgemaakt en ondertekend door drs. H. Logtenberg, bioloog.

Een proces-verbaal verhoor van getuige/deskundige B. Kubat, ten overstaan van de rechter-commissaris, van 20 augustus 2014.

Een proces-verbaal verhoor van getuige/deskundige T.J.P. de Blaeij, ten overstaan van de rechter-commissaris, van 9 september 2014.

Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] , van 16 oktober 1995 (mutatienr. PL2207/95-284968).

Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] , van 16 oktober 1995 (mutatienr. PL2212/95-284968).

Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] , van 2 november 1995 (mutatienr. PL2207/95-284968).

Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] , van 7 november 1995 (mutatienr. PL2210/95-284968).

Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 5] , van 2 december 1995 (mutatienr. PL2203/95-056282).

Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 6] , van 21 april 2011 (proces-verbaalnummer AOULS78.G01.20340).

Een proces-verbaal verhoor van [verdachte] , ten overstaan van de rechter-commissaris, van 28 september 2015.

Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 7] , ten overstaan van de rechter-commissaris, van 1 oktober 2015.

Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 8] , ten overstaan van de rechter-commissaris, van 1 oktober 2015.

Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 9] , ten overstaan van de rechter-commissaris, van 1 oktober 2015.

Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 10] , ten overstaan van de rechter-commissaris, van 5 februari 2016.

Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 11] , ten overstaan van de rechter-commissaris, van 5 februari 2016.

De processen-verbaal van de terechtzittingen van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015 en 13 juni 2016.

Een verkort vonnis van de arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch, meervoudige strafkamer voor de behandeling van strafzaken, van 18 januari 2001, met parketnummer dagvaarding 01/035259/00 en parketnummer vordering 01/035273/99.

Een entomologische rapport met betrekking tot sectienummer 1995-499, van 27 mei 2011, opgemaakt en ondertekend door drs. J. Huijbregts, entomoloog.

De rechtbank benadrukt dat genoemde bronnen niet per definitie verwijzen naar bewijsmiddelen. Het betreffen ook (proces)stukken aan de hand waarvan de rechtbank (met name) de vergelijkende DNA-onderzoeken en de statistische berekeningen naar aanleiding van die onderzoeken, alsmede haar bijzondere overwegingen nader zal toelichten. In de voetnoten verwijst de rechtbank steeds naar relevante stukken en verschaft zij nadere toelichtingen, in de gevallen dat zij dat wenselijk of noodzakelijk acht.

4 Inleiding

De rechtbank zal bij wijze van inleiding eerst een korte schets geven van de onderhavige zaak en van de wijze waarop verdachte in beeld is gekomen.

Op 6 oktober 1995, rond 05:10 uur, reed de vijftienjarige [slachtoffer] op haar fiets van het adres van haar oma aan de [adres 1] in Eindhoven naar haar bijbaan bij de [supermarkt] in het winkelcentrum Woensel in Eindhoven, alwaar zij om 06:00 uur zou moeten beginnen met werken.1

[slachtoffer] verscheen die ochtend niet op haar werk. Door personeel van de [supermarkt] werd de route die [slachtoffer] gereden moest hebben nagereden, maar [slachtoffer] werd niet aangetroffen. Door een personeelslid van de [supermarkt] werd om 07:40 uur de politie in Eindhoven op de hoogte gebracht van de vermissing van [slachtoffer] .

Toen [slachtoffer] om 15:30 uur haar zusje niet van school ophaalde, zoals kennelijk was afgesproken, hebben haar ouders om 16:10 uur [slachtoffer] bij de politie in Eindhoven officieel als vermist opgegeven, waarna omstreeks 17:00 uur door personeel van diverse Eindhovense politieafdelingen een gezamenlijke zoekactie werd gestart.

Op 6 oktober 1995, omstreeks 18:00 uur, werd de grijze damesfiets van [slachtoffer] , waarmee zij naar haar werk was vertrokken, aangetroffen in rivier De Dommel nabij het Wasvenpad in Eindhoven.

Naar aanleiding van het aantreffen van de fiets van [slachtoffer] werd op 7 oktober 1995 een recherchebijstandsteam gevormd onder de naam [slachtoffer] ” met als doel onderzoek te doen naar haar verdwijning.

Op 19 oktober 1995, omstreeks 18:15 uur, werd het rugzakje gevonden dat eigendom was van [slachtoffer] . Het rugzakje hing in een braamstruik in een sloot, gelegen naast het fietspad dat grenst aan het Eindhovens Kanaal, tegenwoordig bekend als de Kanaaldijk Zuid, honderdvijftig meter voorbij het viaduct van de Hugo van der Goeslaan in Eindhoven, in de richting van Geldrop.

Op 22 november 1995, omstreeks 12:30 uur, werd het lichaam van [slachtoffer] na een melding van een voorbijganger aangetroffen in een bosperceel, gelegen aan de Mierloseweg in Lierop, gemeente Someren. Het lichaam was bedekt met conifeertakken en verkeerde in verregaande staat van ontbinding. Ze was geheel gekleed in onder andere een spijkerbroek, fleece-trui en jas. De ritssluiting van de jas was niet gesloten en de jas en fleece-trui waren omhoog geschoven.2

Dr. R. Visser, destijds als arts en patholoog verbonden aan het toenmalige Laboratorium van Gerechtelijke Pathologie in Rijswijk, heeft op 23 november 1995 sectie verricht op het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , geboren op [1980] .3 Als conclusie heeft hij in zijn rapport opgenomen dat bij [slachtoffer] sprake was van sterk gevorderde ontbindingsverschijnselen en dat geweld de oorzaak van haar overlijden kan zijn geweest.

De rechtbank zal hierna in paragraaf 7.1 nader ingaan op de vermoedelijke doodsoorzaak van [slachtoffer] .

Tijdens het politieonderzoek in 1995 werden diverse (biologische) sporen op en aan het stoffelijk overschot aangetroffen en veiliggesteld. Het betroffen onder meer een zedenbemonstering (uitstrijkjes vaginaal en anaal), sporen op delen van het kruis van haar slip, sporen op delen van het kruis van haar spijkerbroek, haren op haar jas en haren op haar slip en spijkerbroek. Ook werd op haar jas onder meer een haar aangetroffen (aangeduid als ALA045) die niet paste in het (schaam)haarpalet van [slachtoffer] . Een DNA-onderzoek van deze haar kon destijds, gezien de stand van de wetenschap, echter niet worden uitgevoerd.

Van het materiaal in de uitstrijkjes van onder meer de vagina en anus, het materiaal in het kruis van het slipje en het kruis van de spijkerbroek van [slachtoffer] werden microscooppreparaten vervaardigd. Het Gerechtelijk Laboratorium zag daarin aanwijzingen voor sperma.4

Tijdens het onderzoek “ [slachtoffer] ” in 1995 en 1996 werden diverse scenario’s, onderzoeksrichtingen en tips nagegaan. Er werd een groot aantal personen uit de directe en indirecte omgeving van [slachtoffer] gehoord. Als verdachten zijn op respectievelijk 22 mei 1996 en 7 juni 1996 [stiefbroer] , haar stiefbroer, en [benadeelde partij 1] , haar (wettelijke) vader, aangehouden. [stiefbroer] is geboren als [stiefbroer] en hij heeft in 2000 zijn geslachtnaam weer terug laten veranderen in [achternaam] .

Na onderzoek is niet gebleken van enige betrokkenheid van hen bij de dood van [slachtoffer] . De verdachten werden kort na hun aanhouding in vrijheid gesteld.

Ondanks het omvangrijke politieonderzoek in 1995 en 1996 kon er op dat moment geen helderheid worden gebracht in deze zaak. Het onderzoek leidde niet tot een oplossing en het onderzoeksteam werd uiteindelijk ontbonden.

Tussen januari 2001 en juni 2004 werd onder verantwoordelijkheid van het Landelijk Team Kindermoorden (LTK) de zaak van [slachtoffer] onderzocht. Het onderzoeksteam heeft destijds met name een inventarisatie gemaakt van onderzoeksmateriaal en van de reeds ondernomen onderzoekshandelingen.

Ook in 2001 heeft onderzoek van het celmateriaal van de aangetroffen haar geen DNA-profiel opgeleverd.

Naar aanleiding van de aanbevelingen van het LTK werd in het najaar van 2004 en het voorjaar van 2005 het onderzoek naar het overlijden van [slachtoffer] opnieuw uitgevoerd door een cold case-team van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost. Het onderzoek heeft geen nieuwe inzichten opgeleverd.

Op 8 maart 2011 werd bij de alarmcentrale van de Hertfordshire Police in Londen (Engeland) telefonisch melding gedaan door [stiefbroer] , dat hij zijn zus [slachtoffer] had vermoord.

Als reactie op deze melding werd op 9 maart 2011 een opsporingsonderzoek gestart onder de naam “Bosuil 1” (hierna verder te noemen: Bosuil). Naar aanleiding van de aanhouding van [stiefbroer] werd een gerechtelijk vooronderzoek geopend. [stiefbroer] werd als verdachte aangehouden en overgebracht naar Nederland. Enige betrokkenheid van hem bij het overlijden van zijn zus kon echter niet worden aangetoond en na onderzoek en verhoor werd hij op 5 april 2011 in vrijheid gesteld.

Vanwege bovenstaande ontwikkelingen werd door de Regionale Stuurploeg Brabant Zuid-Oost in juni 2011 besloten het onderzoek naar de dood van [slachtoffer] opnieuw als cold case te onderzoeken. Hierbij bleef de onderzoeksnaam Bosuil gehandhaafd. Inspanningen van dit cold case team, waaronder de exhumatie van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] op 9 september 2011 en nieuw entomologisch onderzoek,5 hebben weliswaar meer duidelijkheid gebracht over onder meer de mogelijke doodsoorzaak en het tijdstip van overlijden, maar zij hebben niet geleid naar (een) dader(s). Het entomologisch onderzoek wees uit dat [slachtoffer] waarschijnlijk tussen 6 oktober 1995 en 19 oktober 1995 is overleden.

Door het onderzoeksteam werd in 2011 contact gelegd met de dienst IPOL team ViCLAS (Violent Crime Linkage Analysis System). Met behulp van het computerprogramma ViCLAS kunnen gedetailleerde kenmerken van zeden- en moordzaken worden vastgesteld. Het doel van ViCLAS is om (on)opgeloste misdrijven te vergelijken en daarmee zaken te linken die door eenzelfde dader gepleegd kunnen zijn. De kenmerken die worden geregistreerd hebben voornamelijk betrekking op het gedrag van de dader en de modus operandi.

Aan het team ViCLAS werd gevraagd om binnen de data van het systeem een lijst van personen samen te stellen die gelet op modus operandi en geografie in aanmerking zouden kunnen komen voor de gepleegde feiten. Alle personen op de lijst konden na onderzoek worden uitgesloten.

In oktober 2012 vond er een overleg plaats tussen onder meer de forensisch officier van justitie - tevens zaaksofficier van justitie in het onderzoek Bosuil - en leden van genoemd cold case team. In dit overleg werd een aantal niet opgeloste zedenzaken besproken. Tevens werd een aantal zedendelinquenten en de door hen gevoerde werkwijze besproken, onder wie [verdachte] .

Tijdens het onderzoek in 1995 was gebleken dat [slachtoffer] , een dag voor haar verdwijning, tegen een tante had gezegd dat een man had geprobeerd bij haar achterop de fiets te springen toen ze onderweg was naar haar bijbaantje bij de [supermarkt] .6

[verdachte] is op 18 januari 2001 veroordeeld voor een door hem gepleegde verkrachting op 23 september 2000 in Valkenswaard. Het bleek dat verdachte in deze zaak bij zijn slachtoffer op de fiets was gesprongen en daarbij had gedreigd het slachtoffer “lek te steken” als zij niet verder zou fietsen. Het handelen van verdachte in die zaak bleek overeenkomsten te vertonen met de wijze waarop [slachtoffer] een dag voor haar verdwijning door een man zou zijn benaderd.

Naar aanleiding van de door verdachte gepleegde verkrachting op 23 september 2000 was van hem al een referentiemonster wangslijm afgenomen en is het daaruit verkregen DNA-profiel opgenomen in de landelijke DNA-databank.

Gelet op de bovenomschreven modus operandi werd door de officier van justitie op 30 oktober 2012 een aanvraag gedaan bij het NFI om het DNA-profiel van verdachte te vergelijken met de eerder in het onderzoek naar de dood van [slachtoffer] verkregen DNA-profielen.

Op grond van de resultaten van dat vergelijkend DNA-onderzoek, opgenomen in het rapport van het NFI van 18 december 2012, werd geconcludeerd dat verdachte – kort gezegd – niet kon worden uitgesloten als één van de donoren van een deel van het aangetroffen sperma/celmateriaal in de bemonsteringen AWA059#04 en AWA059#06 van de anusuitstrijkjes en AUA106#02 van het slipje van [slachtoffer] .7

Op 1 oktober 2013 rapporteerde het NFI dat er sterk statistische bewijs was voor de veronderstelling dat deze bemonsteringen biologisch celmateriaal van verdachte bevatten.8

Verder werd, nadat dit bij een eerder onderzoek van het NFI van 11 december 2012 abusievelijk over het hoofd was gezien, op 6 november 2013 gerapporteerd dat er – kort gezegd – een match was gevonden tussen het mitochondriaal DNA-profiel (mtDNA) van [verdachte] en het mtDNA-profiel van het haarspoor ALA045.9

De rechtbank zal hierna in de paragrafen 7.2 tot en met 7.6 in dit vonnis uitgebreid ingaan op de vergelijkende DNA- en mtDNA-onderzoeken en de in dat kader uitgevoerde statistische berekeningen.

Op 1 oktober 2013 werd [verdachte] op basis van het vorenstaande aangemerkt als verdachte in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. Op 14 januari 2014 werd hij op bevel van de officier van justitie op verdenking van moord dan wel doodslag op en verkrachting van [slachtoffer] buiten heterdaad aangehouden.

5 Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de verkrachting van en de doodslag op [slachtoffer] . Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd, verkort en zakelijk weergegeven.

Op grond van onderzoeken en berekeningen door de deskundigen is vast komen te staan dat er voor de drie sporen (AUA106#02, AWA059#04 en AWA059#06) een zeer hoge likelihood ratio (LR) is gebleken als het gaat om een bijdrage van DNA door verdachte. Het is veel tot extreem veel waarschijnlijker dat verdachte heeft bijgedragen aan deze sporen dan dat een willekeurige derde zou hebben bijgedragen. Het dossier bevat geen aanknopingspunten voor de stelling dat aangetroffen DNA-sporen van het toenmalige vriendje van [slachtoffer] , [getuige 12] , en van een onbekende donor (derde) te beschouwen zijn als dadersporen.

Ook het haarspoor ALA045 is aan te merken als een daderspoor, gelet op de locatie waar de haar is aangetroffen. De haar zat op de jas van [slachtoffer] toen zij werd gevonden, afgedekt met conifeertoppen. Door de deskundigen is geconcludeerd dat het veel waarschijnlijker is dat het haarspoor van verdachte of een in moederlijke lijn met verdachte verwant persoon afkomstig is, dan wanneer het haarspoor niet van verdachte of een in moederlijke lijn met verdachte verwant persoon afkomstig is. De zoekslag binnen de EMPOP-database bevestigt de uniciteit van het aangetroffen mtDNA-spoor. Het is een belangrijk belastend bewijsmiddel, zeker bezien in onderlinge samenhang met de andere (autosomale) DNA-sporen.

Er is verder geen begin van aannemelijkheid voor de door verdachte gepresenteerde alternatieve scenario’s. De betwisting aangaande zijn DNA is onderbouwd weerlegd door de bevindingen van de DNA-deskundigen met bijbehorende statistische bewijswaarden. Het alternatieve scenario dat sprake zou zijn geweest van vrijwillig seksueel contact wordt op geen enkele wijze ondersteund door stukken in het dossier, behoudens de eigen verklaring van verdachte. Daarbij is die verklaring eerst afgelegd na ontvangst en bestudering van het dossier. Om die reden is zijn verhaal reeds gekleurd en doet dit af aan de authenticiteit. Het is een ingestudeerde op het dossier afgestemde en geprepareerde verklaring, waaraan geen geloof gehecht behoeft te worden én die in het nadeel van verdachte uitgelegd mag worden bij de weging van het bewijs. De verklaring van verdachte is vaag en niet concreet en daarmee niet verifieerbaar gebleken. Het openbaar ministerie betwist de geloofwaardigheid en aannemelijkheid van zijn verklaring. Verdachte heeft geen redelijke, ontzenuwende verklaring gegeven voor de uit de bewijsmiddelen voortvloeiende redengevende feiten en omstandigheden.

Het overlijden van het slachtoffer is te verklaren door onder meer inwerking van uitwendig mechanisch perforerend en klievend geweld (steek-/snijletsel), waarna (interne) verbloeding is opgetreden ten gevolge waarvan zij is overleden. Ook het zware letsel aan het hoofd zou een bijdrage hebben kunnen leveren aan het overlijden.

Het slachtoffer is verkracht en het is zeer aannemelijk dat zij zeer korte tijd later is gedood. De haar (ALA045) is aangetroffen op de buitenzijde van haar jas. [slachtoffer] droeg een gladde jas op het moment dat zij werd aangetroffen. Het aantreffen van de haar maakt het zeer waarschijnlijk dat zij niet meer verplaatst is of dat zij niet in staat was zich te bewegen ten gevolge van het toegebrachte letsel, nadat zij was afgedekt met de takken. Onwaarschijnlijk is hiermee dat een ander dan verdachte, als zijnde de donor van de haar, verantwoordelijk is geweest voor het overlijden van [slachtoffer] . De haar is een daderspoor.

Ook in literatuur en jurisprudentie wordt nadrukkelijk een koppeling gemaakt tussen een zedenmisdrijf bij jonge meisjes en moord/doodslag. Diverse rechterlijke colleges hebben bij bewezenverklaring en strafmotivering aangegeven dat het slachtoffer na seksueel misbruikt te zijn, ter voorkoming van ontdekking of het afleggen van een getuigenverklaring, gedood moest worden. De directe verbondenheid tussen deze twee feiten zou slechts doorbroken kunnen worden als er een plausibel ander scenario zou voorliggen. Door of namens verdachte is geen concreet alternatief scenario aangedragen met betrekking tot de ten laste gelegde doodslag. Verdachte heeft enkel in zijn alternatieve DNA-scenario op de mogelijkheid gewezen, dat hij vrijwillig seks met [slachtoffer] zou hebben gehad.

Het openbaar ministerie heeft geconcludeerd dat verdachte verantwoordelijk is voor zowel de verkrachting van en doodslag op [slachtoffer] . Hij heeft op 6 oktober 1995 in Eindhoven geweldshandelingen gepleegd, waaronder handelingen met een mes, ten gevolge waarvan [slachtoffer] om het leven is gekomen.

6 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe heeft zij, verkort en zakelijk weergegeven, onder meer het volgende aangevoerd.

Er bestaan meer verschillen dan overeenkomsten in de modus operandi die door verdachte is gehanteerd bij de eerdere delicten waarvoor hij is veroordeeld en de modus operandi die gebruikt zou zijn door degene die het slachtoffer om het leven heeft gebracht. Gelet op verschillende factoren (bijvoorbeeld eerdere veroordelingen voor zedendelicten, het middelengebruik, het achter op de fiets springen, de intensiteit en duur van de verkrachtingen, het al dan niet ejaculeren en de houding van verdachte ten opzichte van de delicten waarvoor hij is veroordeeld) kan niet worden gesproken van een overeenkomstige modus operandi. Verdachte kan niet in verband worden gebracht met de plaatsen waar de fiets van het slachtoffer is aangetroffen en waar haar stoffelijk overschot is gevonden. Verder is ten onrechte teruggegrepen op informatie uit zaken waarvoor verdachte is vrijgesproken of zelfs nooit veroordeeld. Deze informatie mag niet in belastende zin tegen hem worden gebruikt. Voor zover de rechtbank oordeelt dat er sprake is van een (voor de zaak relevante) DNA-match uit 1987 heeft de verdediging verzocht ter zake een second opinion te doen verrichten.

In deze zaak ontbreekt het aan een eenduidig en onbetwistbaar verband tussen verdachte en de ten laste gelegde misdrijven. Er zijn geen getuigen, de forensische sporen zijn in zeer beperkte mate aanwezig en bovendien wordt aan deze sporen steeds een verschillende betekenis en bewijswaarde toegekend door drie deskundigen.

Niet buiten redelijke twijfel kan worden aangenomen dat verdachte DNA heeft bijgedragen aan de talloze onderzochte sporen. Bij vele bemonsteringen hebben zowel het NFI als IFS gerapporteerd dat er geen overeenkomsten zijn met het DNA-profiel van verdachte of andere betrokkenen en dat er (dus) mogelijk een onbekende persoon/man DNA kan hebben bijgedragen aan de onderzochte extracten. Het betreft niet zelden sporen op verdachte locaties als het kruis van de spijkerbroek en de vagina- en anusstreek. Regelmatig gaat het zelfs om spermasporen. Deze onbekende derde(n) is/zijn daarom ook bepaald niet als dader(s) uit te sluiten. Verder moet de conclusie worden getrokken dat door alle onduidelijkheid geen van de uitgevoerde statistische methodes voor de berekening van de bewijswaarde van de betreffende sporen kan worden gevolgd. Er is onvoldoende duidelijke en betrouwbare statistiek in deze zaak om een houdbaar rechterlijk oordeel op te baseren. De uitkomsten van LRmix (NFI) en TrueAllele (IFS) zijn onverenigbaar met elkaar. De uitkomsten van STRmix (ESR) kunnen evenmin als betrouwbaar en onbetwist worden aangemerkt.

Het mtDNA-profiel van de aangetroffen haar (ALA045) betreft een spoor dat wellicht een belastende aanwijzing ten aanzien van verdachte zou kunnen betreffen, maar gelet op de onbekende zeldzaamheidswaarde van het mtDNA-profiel, het weinig persoonsonderscheidende karakter van mtDNA en de vele (andere) mogelijkheden van wanneer en op welke wijze de haar op de jas van [slachtoffer] terecht zou kunnen zijn gekomen, heeft dit spoor bepaald onvoldoende bewijswaarde om bij te kunnen dragen aan de conclusie dat verdachte de dader zou zijn.

De verdediging acht het statistisch en juridisch gezien onverantwoord om de in deze zaak gegenereerde DNA-resultaten ten laste van verdachte voor het bewijs te bezigen. Uit alles – niet in de laatste plaats de dagenlange verhoren van de DNA-deskundigen ter terechtzitting, de verhoren van deze deskundigen ten overstaan van de rechter-commissaris en de vele door hen uitgebrachte rapporten – blijkt dat de DNA-problematiek in deze zaak bijzonder complex is en dat het tot stand komen van de DNA-onderzoeksresultaten in deze zaak met veel onzekerheid en subjectiviteit gepaard is gegaan. De verdediging heeft hierbij gewezen op het gebruik van de LCN-techniek, de verhoogde kans op allelic drop-in, allelic drop-out, stotterpieken en de gehanteerde modellen bij het berekenen van de statistiek. Dat bovendien de resultaten van het NFI en IFS niet bij elkaar kunnen worden opgeteld of met elkaar kunnen worden gecombineerd, heeft zowel deskundige Buckleton in zijn rapport als deskundige Eikelenboom ter terechtzitting bevestigd. Er is eenvoudigweg niet één goede, stevige, houdbare match met het DNA-profiel van verdachte.

Bovendien is onbekend wanneer de sporen zijn achtergelaten. In de visie van de verdediging is er geen begin van bewijs dat er zich een zedenmisdrijf (verkrachting) heeft voorgedaan. Indien al zou moeten worden aangenomen dat sporen van verdachte zijn aangetroffen, rechtvaardigt dat niet de conclusie dat er sprake is van een verkrachting. Ook niet als bekend is dat verdachte zich eerder aan dat soort feiten schuldig heeft gemaakt. In het forensisch sporenbeeld bestaan contra-indicaties voor een zedenmisdrijf. Het lijkt zelfs meer aannemelijk dat het slachtoffer door een geweldsmisdrijf met een ander motief om het leven is gekomen. Er zijn geen letsels waargenomen die duiden op een verkrachting. Ook de omstandigheid dat het slachtoffer geheel gekleed is aangetroffen, is een contra-indicatie voor de aanname van een verkrachting.

In het geval toch sporen met verdachte in verband gebracht kunnen worden, stelt de verdediging zich op het standpunt dat bepaald niet valt uit te sluiten dat er sprake is geweest van een vrijwillig seksueel contact tussen [slachtoffer] en verdachte. Een dergelijk scenario past bij de personen van verdachte en het slachtoffer, maar ook is aannemelijk, gelet op de levenswijze van verdachte voordat aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling werd opgelegd, dat hij niet meer precies weet waar en met wie hij seksueel contact had. De verdachte beschreef zijn leven totdat hij in de tbs terechtkwam als ruig en wild. De verdachte had een laag zelfbeeld. Drank en verdovende middelen moesten deze gevoelens dempen, maar hij gebruikte ook geweld en vrouwen om aanzien te verwerven. In zo een beneveld leven, tegen zo een achtergrond, is het niet vreemd dat verdachte na twintig jaren niet meer precies weet met wie en wanneer hij welke seksuele handelingen heeft verricht.

Er is tot slot geen bewijs van (oog)getuigen die verdachte in verband brengen met de ten laste gelegde feiten. De getuigen die hebben verklaard dat verdachte tijdens hun gelijktijdige verblijf in een tbs-kliniek heeft gezegd dat hij een meisje heeft vermoord althans dat hij een moord heeft gepleegd, zijn onbetrouwbaar. Hun verklaringen kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt.

7 Het oordeel van de rechtbank

7.1

De doodsoorzaak.

Naar aanleiding van de sectie op het lichaam van [slachtoffer] heeft patholoog dr. R. Visser beschreven dat het lijk sterk gevorderde postmortale veranderingen (ontbinding) vertoonde, met name in de hoofd/hals- en borst organen. Daarnaast is gebleken van tamelijk scherprandige, ovale huidklievingen aan de linkerzijde van het voorhoofd en een dubbele kaakbreuk aan de rechterzijde van de onderkaak. Deze letsels worden beschreven als te zijn veroorzaakt door inwerking van uitwendig mechanische hevig botsend, kantig geweld aan het hoofd. Indien deze letsels voor het intreden van de dood zijn aangebracht zouden deze van betekenis kunnen zijn geweest ten aanzien van het intreden van de dood.10 Een concrete doodsoorzaak kon niet worden vastgesteld.

Op 9 september 2011 heeft een forensische exhumatie plaatsgevonden van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , teneinde een (nadere) gerechtelijke sectie te kunnen doen.11 Nader onderzoek door het NFI aan het lichaam heeft geleid tot de bevinding dat in de tiende rib van het slachtoffer een beschadiging is aangetroffen.12 Met betrekking tot die beschadiging heeft deskundige ing. I. Keereweer geconcludeerd dat het hier een zaagspoor betreft. Het zaagspoor is niet veroorzaakt door een eenmaal voorwaartse en achterwaartse beweging. Inclusief de valse starts (aanzetten van een zaag) wordt het aantal heen en weer gaande bewegingen geschat op minimaal vijf. Niet kon worden uitgesloten dat het zaagspoor is veroorzaakt bij de sectie in 1995.13

De conclusie van de deskundige Keereweer met betrekking tot de beschadiging van de rib is weersproken in het deskundigenrapport van de hand van de deskundigen drs. P.M.I. van Driessche en drs. R.R.R. Gerretsen, eveneens van het NFI. Zij stellen dat het letsel aan de rib met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet is opgelopen door zaaghandelingen ten tijde van de sectie. Ten eerste omdat de beschadiging enkel aanwezig was op de tiende rib en op geen enkele andere rib. Ten tweede omdat de lokalisatie zijwaarts aan het lichaam en voet- tot rugwaarts aan de rib geheel niet past bij de zaaghandelingen zoals uitgevoerd kunnen worden ten tijde van sectie. Ten derde omdat door de verregaande ontbinding van het lichaam, voor het openen van de borstkas geen zaaghandelingen nodig waren.14 Het aspect van het letsel [de rechtbank begrijpt: de uiterlijke kenmerken] kan verder mogelijk verklaard worden door bewegingen van het veroorzakend voorwerp en/of de dader, hetzij van de ribben en/of het slachtoffer ten tijde van het oplopen van het letsel of een combinatie hiervan. Verder kan het aspect mogelijk worden verklaard door de aanwezigheid van een tenminste gedeeltelijk gekarteld of getand snijvlak aan het veroorzakend voorwerp. Deskundigen Van Driessche en Gerretsen concluderen bovendien dat het letsel aan de rib goed verklaard kan worden door inwerking van uitwendig mechanisch perforerend en klievend geweld (steek- en snijletsel).

Ter terechtzitting van 10 november 2015 zijn deskundigen Keereweer en Gerretsen gehoord over onder meer het letsel aan de tiende rib en de vraag waardoor en hoe dit zou kunnen zijn veroorzaakt.

Deskundige Keerweer heeft daarover onder meer het volgende verklaard:

“Ik heb onderzoek gedaan aan de tiende rib naar aanleiding van een aantal vragen die ik had gekregen. Ik heb alleen naar het botmateriaal gekeken. (…) Ik heb het rapport van deskundige Gerretsen niet gezien. Ik heb gekeken of er in de sectieverslagen was vermeld of er bij de sectie delen uitgenomen zijn geweest en of er gezaagd is. Ik heb dit niet kunnen vinden. Ik heb ook niet de beschikking gehad over het sectierapport en het rapport van Van Driessche en Gerretsen.

Ik heb puur naar de beschadiging van de tiende rib gekeken en ik heb geconstateerd dat die klassenkenmerken heeft die overeenkomen met een pathologiezaag. Echter als er in één rib is gezaagd, dan kan ik me voorstellen, afhankelijk van de soort zaag, dat ook andere ribben geraakt zouden worden en dat hebben we niet kunnen constateren. De valse starts zaten aan de binnenkant van de rib. Er zou dus gestoken moeten zijn met een zaagvoorwerp, waarbij achter de tiende rib is gekomen, en afhankelijk van de hoogte van dat voorwerp, zou dan ook een andere rib geraakt kunnen worden. Een van de mogelijkheden is dat er gestoken is met een heel spitse zaag. Ik vind het vreemd dat er met een voorwerp met tandjes gestoken zou zijn, terwijl er valse starts zijn geconstateerd die erop duiden dat er minstens een aantal keren heen en weer is gegaan met het voorwerp.”15

(…)

“Kijkend naar het spoor, kan ik slechts zeggen dat het een zaagvoorwerp geweest moet zijn. Ik kan niet uitsluiten dat het een mes met een zaaggedeelte is geweest.”16

Deskundige Gerretsen heeft ter terechtzitting vastgehouden aan zijn conclusie uit het eerdergenoemde NFI-rapport dat de beschadiging niet veroorzaakt is tijdens een sectie op het lichaam.

Deskundige Gerretsen heeft verklaard:

“De term valse start is verraderlijk in deze. Een valse start is enkel dat het voorwerp niet meteen weer vastgrijpt in het materiaal. Of het hier een valse start betreft veroorzaakt door een lemmet, door een tandje of door een tandje op een lemmet, kan niet worden gezegd. Er kan daarin geen onderscheid worden gemaakt. Ik heb enkel waargenomen dat er iets overheen is gegaan. In overleg met Van Driessche ben ik tot de conclusie gekomen dat niet duidelijk is hoe groot die bewegingen zijn geweest. Het kan heel goed dat het een smalle zaag is geweest waarmee naar boven is gestoken, zoals deskundige Keereweer heeft verklaard. Ik sluit niet uit dat het een kleine zaag is geweest, zoals bijvoorbeeld een zakmes of een Leatherman. Die kunnen ook dergelijke sporen maken.

(…)

Ik zie ook de drie trappen, maar het zouden ook tanden kunnen zijn geweest van een zaag die net is getoond. Als een dergelijke zaag wordt teruggetrokken, dan gaat zo’n tand ook een stukje mee. Een bijkomend probleem was dat het bot in verregaande staat van ontbinding was. Om die reden ben ik heel voorzichtig met de interpretatie van het spoor. Ik denk sterk aan een gekarteld mesje dat dun genoeg was om tussen twee ribben heen te steken, maar een (gewoon) mes kan ik niet uitsluiten.”17

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de door deskundigen Gerretsen en Van Driessche aangevoerde argumenten, in samenhang met het gegeven dat Keereweer vanuit zijn expertise als deskundige op het gebied van forensische geneeskunde en kras-, indruk- en vormsporenonderzoek zich met name heeft gericht op de uiterlijke kenmerken van slechts het spoor aan de rib en niet het geheel heeft beschouwd, ervan uit moet worden gegaan dat de beschadiging aan de rib niet is veroorzaakt ten tijde van de sectie, maar door inwerking van uitwendig mechanisch perforerend en klievend geweld (steek- en snijletsel).18

Met betrekking tot de doodsoorzaak hebben Van Driessche en Gerretsen in hun voornoemde rapport geconcludeerd dat een zekere, sluitend bewezen doodsoorzaak niet kan worden gegeven. De inwerking van uitwendig mechanisch perforerend en klievend geweld aan de linkerborstkashelft, links zijwaarts en achterwaarts aan het lichaam met schade aan de tiende rib en de daaronder gelegen bloedvaten kan volgens hen het overlijden mogelijk verklaren en anders hebben bijgedragen aan het overlijden van [slachtoffer] . Een geweldsinwerking met het letsel aan het hoofd als gevolg, kan mogelijk het overlijden verklaren door eventueel letsel aan de hersenen en/of eventuele bloeduitstortingen onder de hersenvliezen. Eveneens is een overlijden door verstikking, hoewel minder waarschijnlijk geacht, niet uit te sluiten.19

De rechtbank stelt vast dat niet eenduidig de doodsoorzaak van [slachtoffer] kan worden vastgesteld. Wel staat voor de rechtbank vast, gelet op de hiervoor besproken bevindingen van de deskundigen, dat zij door geweld om het leven is gekomen en dat haar lichaam sporen vertoonde van steek- en/of snijletsel in de linker borstkas en dat er ook sprake was van letsel aan het hoofd en de kaak.

7.2

Het verloop van het DNA-onderzoek

7.2.1

Inleiding.

Bij aanvang van het onderzoek ter terechtzitting lag de kern van het door het openbaar ministerie gepresenteerde DNA-bewijs in een rapport van het NFI uit 2013 waarvan de strekking was dat er sterk statistisch bewijs was voor de veronderstelling dat twee bemonsteringen van de anus van het slachtoffer (AWA059#04 en AWA059#06) en één bemonstering van het kruis van de slip van het slachtoffer (AUA106#02) biologisch celmateriaal van verdachte bevatten. Het NFI kwam ten aanzien van de twee bemonsteringen van de anus tot de uitspraak dat de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn als de bemonsteringen DNA van verdachte bevatten dan als de bemonsteringen geen celmateriaal van verdachte bevatten. Bij de bemonstering van de slip kwam het NFI tot de uitspraak extreem veel waarschijnlijker.20

Op verzoek van de verdediging heeft contra-onderzoek plaatsgevonden door R. Eikelenboom, forensisch wetenschappelijk onderzoeker bij het onderzoeksinstituut IFS (Independent Forensic Services). Deze werd benoemd als deskundige. Eikelenboom heeft de DNA-sporen die door het NFI waren veiliggesteld en onderzocht – en dat zijn er veel meer dan de eerder genoemde twee anale sporen en het spoor van het kruis van de slip – opnieuw onderzocht. Eikelenboom heeft zijn onderzoek niet rechtstreeks kunnen verrichten aan de stukken van overtuiging (bijvoorbeeld sigarettenpeuken, haren, stukken textiel en wattenstaafjes), omdat deze niet meer aanwezig bleken te zijn, maar op de DNA-extracten die het NFI jaren eerder van die stukken van overtuiging had vervaardigd.

Naast het onderzoek aan de extracten, heeft Eikelenboom de resultaten van de diverse DNA-onderzoeken van het NFI tegen het licht gehouden en bekeken of het DNA van verdachte in de diverse sporen naar voren komt. Ten aanzien van de drie hiervoor genoemde sporen waarvan het NFI had aangegeven dat er sterk statistisch bewijs is dat verdachte biologisch celmateriaal daaraan had bijgedragen, heeft ook Eikelenboom statistische berekeningen laten maken.

Hierna zullen de diverse onderzoeken die het NFI en Eikelenboom aan de bemonsteringen hebben verricht, worden besproken. Daarna zal worden ingegaan op het berekenen van de bewijswaarde (paragraaf 7.2.3) en tot slot op de waardering daarvan (paragraaf 7.3).

7.2.2

Het onderzoek aan de bemonsteringen.

7.2.2.1 Aard van de sporen: sperma?

Hiervoor is beschreven dat bij de sectie in 1995 onder meer wattenstaafjes van uitstrijkjes van de vagina en de anus door de patholoog-anatoom zijn veiliggesteld en dat deze samen met het kruis van een slip en een spijkerbroek van het slachtoffer bij het Gerechtelijk Laboratorium aangeboden zijn voor onderzoek. Het Gerechtelijk Laboratorium concludeerde in 1996 dat van het materiaal uit de vagina, de anus en het slipje geen of geen betrouwbaar DNA-profiel kon worden verkregen.21

De technische DNA-ontwikkelingen namen in de jaren daaropvolgend een enorme vlucht en in 2011 heeft het NFI (voorheen het Gerechtelijk Laboratorium) geïnventariseerd welke sporen bij eerdere onderzoeken zijn veiliggesteld en bewaard gebleven. Het NFI rapporteerde in augustus 201122 dat een deel van de wattenstaafjes bij het DNA-onderzoek van 1995/1996 was verbruikt en dat het resterende deel, alsmede ook de nog niet eerder onderzochte bemonsteringen onderzocht zijn op de aanwezigheid van bloed, sperma en speeksel en dat tevens een DNA-onderzoek heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van het onderzoek op de aanwezigheid van bloed, sperma en speeksel in de bemonsteringen die in 1995 zijn veiliggesteld23 betrekt het NFI hetgeen het Gerechtelijk Laboratorium in 1996 daarover rapporteerde:

Van het materiaal in de uitstrijkjes van de vagina en de anus werden microscooppreparaten vervaardigd (…). In de microscooppreparaten van het materiaal in de vagina, het slipje werden geen spermatozoa aangetroffen. In het preparaat van het materiaal uit de anus werd slechts een enkele cel waargenomen die een sterke overeenkomst vertoonde met de zogenaamde kop van een spermatozoön. Bovendien vertoonde het materiaal uit dit uitstrijkje een zwak positieve reactie op de aanwezigheid van het enzym zure fosfatase. Dit is een bestanddeel van spermaplasma en komt in hoge concentratie in menselijk sperma voor.24

Het NFI stelde in 2011 vast dat ten aanzien van bemonsteringen van de vagina AWA059NL#02 en AWA059NL#05 er een positieve aanwijzing is voor de aanwezigheid van spermavloeistof, evenals voor bemonsteringen van het kruis van de slip AUA106#02 en AUA106#03 en het kruis van de spijkerbroek, te weten AUA107#09, AUA107#12 en AUA107#16. Voorts zijn spermacellen waargenomen in de bemonstering van de anus AWA059#04 en van het kruis van de slip AUA106#02 en AUA106#03.25

Vervolgens heeft het NFI een speciale techniek (differentiële lysistechniek genoemd) op de bemonsteringen toegepast. Door deze techniek worden spermacellen gescheiden van de overige typen cellen, zoals bijvoorbeeld epitheelcellen van de vagina, de penis of de anus. Aldus ontstaan twee delen (fracties genoemd): een stringente lysisfractie (aangeduid met SF), waarin zich het DNA van de spermacellen bevindt, en een milde lysisfractie (aangeduid met NF), waarin zich het DNA van de overige cellen bevindt. Uit beide delen wordt het DNA geïsoleerd, met als resultaat een heldere vloeistof die DNA-extract wordt genoemd.

Het NFI heeft van de stringente lysisfracties AWA059#04, AWA059#06 en AUA106#02 voor vergelijkend DNA-onderzoek geschikte DNA-profielen verkregen.

7.2.2.1.1 Tussenconclusie

Dit alles brengt de rechtbank tot de conclusie dat in de vagina van het slachtoffer, het kruis van de slip en het kruis van de spijkerbroek spermavloeistof is aangetroffen en dat in de anus en het kruis van de slip van het slachtoffer sperma is aangetroffen. Dat betekent dat de drie sporen AWA059#04, AWA059#06 en AUA106#02, zijn aan te merken als spermasporen.

7.2.2.2 DNA-onderzoeken van het NFI.

Het NFI heeft uit de stukken van overtuiging het DNA geïsoleerd. De aldus verkregen DNA-extracten (heldere vloeistof) heeft zij geanalyseerd. DNA-analyse is een chemisch proces met als resultaat een DNA-profiel, ook wel piekenprofiel genoemd. Dat is een grafische weergave van het DNA.

Omdat het NFI constateerde dat er weinig DNA was in de diverse sporen heeft het NFI DNA-onderzoek gedaan met de zogenoemde LCN-methode. LCN staat voor ‘Low Copy Number’. Met deze methode is voor het verkrijgen van een DNA-profiel slechts een gering aantal DNA-moleculen (dus een gering aantal cellen) nodig. Het NFI rapporteert vervolgens:26

Hoewel met deze extreem hoog gevoelige methode vaak meer DNA-kenmerken zichtbaar worden is een nadeel dat de resultaten minder goed reproduceerbaar en dus minder betrouwbaar kunnen zijn dan de resultaten die met de standaard DNA-analyse zijn verkregen.

Een van de situaties die tot een mindere betrouwbaarheid van de resultaten kunnen leiden is een effect dat in het vakjargon van de DNA-deskundigen allele drop-out wordt genoemd (letterlijk te vertalen als: het uitvallen van een kenmerk). Doordat slechts van een zeer klein aantal cellen DNA aanwezig is, kan het voorkomen dat niet allebei de kenmerken van een bepaald locus worden vermeerderd (gekopieerd) maar slechts één of soms zelfs geen van beiden. Dit effect wordt door het toeval bepaald en heeft tot gevolg dat soms van een locus slechts één piek of helemaal geen piek zichtbaar is in het DNA-profiel.

Om (onder andere) dit effect te herkennen wordt eenzelfde extract meerdere malen aan (LCN)-DNA-analyse onderworpen. Dan kan worden vastgesteld of een waargenomen piek ook bij een nieuwe analyse – en dus een nieuw vervaardigd piekenprofiel - zichtbaar is. In de woorden van DNA-deskundigen: of een eenmaal waargenomen piek reproduceerbaar is.

NFI-deskundige Koopman heeft ter zitting verklaard dat van de twee sporen van de anus en het spoor van de slip om die reden steeds meerdere DNA-profielen zijn gemaakt.27 Er is dan van het extract steeds een deel genomen en ieder deel is apart geanalyseerd waardoor er van hetzelfde extract meerdere piekenprofielen verkregen zijn. De opvolgend verkregen piekenprofielen worden ‘replica’s’ genoemd.

Het NFI heeft vele bemonsteringen onderzocht, maar van de meeste sporen zijn geen of geen voor vergelijkend DNA-onderzoek geschikte DNA-profielen verkregen. Drie sporen bleken voor vergelijkend DNA-onderzoek geschikt: de eerder genoemde sporen AWA059#04 en AWA059#06 (beide van de anus) en AUA106#02 (van het kruis van de slip).

Het NFI ziet in zijn rapport uit augustus 2011 ten aanzien van deze drie sporen aanwijzingen dat minimaal twee personen, waarvan minimaal één man celmateriaal aan die sporen hebben bijgedragen.

In oktober 201128 heeft het NFI het DNA van [getuige 12] in het DNA-onderzoek betrokken. Hij was in de maanden voor haar overlijden het vriendje van [slachtoffer] . [getuige 12] heeft verklaard29 dat hij in de periode voorafgaand aan de verdwijning van [slachtoffer] verkering met haar had en dat ze regelmatig seksueel contact hebben gehad, bestaande uit geslachtsgemeenschap en dat dat zonder condoom kan zijn geweest. Ook in de week voorafgaand aan de verdwijning van [slachtoffer] hadden ze dergelijk seksueel contact.

Ten aanzien van twee sporen rapporteert het NFI dat [getuige 12] niet kan worden uitgesloten.

In het rapport van 18 december 201230 wordt vervolgens het DNA van de in beeld gekomen verdachte betrokken in het vergelijkend DNA-onderzoek. Het NFI rapporteert dat in deze DNA-mengprofielen ten aanzien van dezelfde sporen verdachte niet kan worden uitgesloten als donor van een deel van het sperma/celmateriaal in de stringente lysisfracties van de bemonsteringen van de anusuitstrijkjes AWA059#04 en AWA059#06 en AUA106#02 van het slipje van het slachtoffer. Het NFI maakt daarbij wel de kanttekening dat in deze DNA-mengprofielen niet alle DNA-kenmerken van het DNA-profiel van verdachte zichtbaar zijn.

In het herzien NFI-rapport van 1 oktober 201331 worden de DNA-profielen van verdachte, [getuige 12] en van [slachtoffer] betrokken bij een vergelijkend DNA-onderzoek. De DNA-profielen van de drie sporen worden beschouwd als complexe, onvolledige DNA-mengprofielen.32 Dat betekent dat:

  1. de sporen celmateriaal van meer dan één persoon bevatten (mengprofiel);

  2. niet alle kenmerken van de onderzochte loci te bepalen zijn (onvolledig);

  3. ze niet eenduidig zijn te herleiden tot afzonderlijke, enkelvoudige DNA-profielen (complex).33

Omdat het gaat om complexe onvolledige DNA-mengprofielen en dus niet alle DNA-kenmerken van alle celdonoren zichtbaar zijn, is een ‘standaard’ statistische berekening niet mogelijk, aldus het NFI. In het rapport wordt door het NFI per spoor een verbale uitspraak gedaan over de bewijswaarde van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek ten aanzien van [verdachte] , zoals hiervoor weergegeven. De uitspraak ‘extreem veel waarschijnlijker’ valt in de hoogste categorie en correspondeert met een likelihood ratio van meer dan een miljoen ( > 1.000.000). De uitspraak zeer veel waarschijnlijker valt in de categorie daaronder, namelijk 10.000-1.000.000.

7.2.2.3 Het onderzoek van deskundige Eikelenboom.

Net als het NFI heeft ook Eikelenboom de DNA-extracten geanalyseerd. Het NFI in 2011,34 Eikelenboom in 2015. Het NFI heeft daarvoor een andere chemische methode gebruikt dan Eikelenboom. Beide methodes onderzoeken elk 15 persoonsonderscheidende plekken op het DNA. Zo’n plek wordt door DNA-wetenschappers een ‘locus’ genoemd (meervoud ‘loci’). De methodes hebben echter niet dezelfde 15 loci in het DNA onderzocht. Het komt erop neer dat tien dezelfde loci zijn onderzocht en daarnaast nog elk vijf verschillende loci per methode.

Het resultaat van de analyse van de onderzochte persoonsonderscheidende loci is het DNA-profiel, ook wel piekenprofiel genoemd. Ieder mens heeft op elk locus twee kenmerken: één dat van de biologische vader is overgeërfd en één dat is overgeërfd van de biologische moeder.

Eikelenboom heeft de piekenprofielen die hij verkreeg na DNA-analyse van de extracten vergeleken met de piekenprofielen die het NFI had verkregen uit de door haar uitgevoerde analyses van extracten en komt tot de conclusie dat die overeenkomen. Hij merkt daarover in zijn rapport35 op:

De DNA-resultaten verkregen door het NFI en IFS komen overeen. Dit betekent niet dat in alle gevallen exact dezelfde resultaten zijn verkregen maar op grond van de uitslagen kan worden gesteld dat er geen aanwijzingen zijn op [de rechtbank leest: voor] verwisseling van extracten.

Volgens Eikelenboom heeft zijn onderzoek aan de extracten echter veel minder informatie opgeleverd dan het onderzoek van het NFI aan de extracten. Anders gezegd, zijn onderzoek heeft piekenprofielen voortgebracht waarin (veel) minder kenmerken van een spoor zichtbaar waren dan in de piekenprofielen van het NFI. De verklaring die hij hiervoor heeft gegeven is dat de extracten ten tijde van zijn onderzoek (in 2015) weer meer waren verouderd dan toen het NFI zijn onderzoek (in 2011) deed, waardoor het DNA mogelijk meer was afgebroken.36 Deskundige Koopman van het NFI heeft bevestigd dat dit de oorzaak kan zijn.37

Eikelenboom heeft de resultaten van zijn DNA-onderzoeken van de extracten, maar ook die van alle NFI-onderzoeken van de extracten, in tabellen gezet. Zo’n tabel bevat een numerieke weergave van een DNA-profiel.38 Verder heeft Eikelenboom de kenmerken van DNA-profielen van personen die in het strafrechtelijk onderzoek relevant zijn (referentieprofielen), ook in tabellen gezet.

7.2.3

Het berekenen van de bewijswaarde: de likelihood ratio.

Het NFI heeft zijn bevindingen dat er – kort gezegd – sprake was van sterk statistisch bewijs dat de drie sporen biologisch celmateriaal van verdachte bevatten gebaseerd op de likelihood ratio-methode. Deze methode berekent de kans op het waarnemen van het verkregen DNA-mengprofiel onder – meestal – twee elkaar uitsluitende hypothesen. Eén hypothese luidt dan dat de bemonstering (van het spoor) celmateriaal van verdachte bevat en de andere hypothese luidt dan dat de bemonstering geen celmateriaal van verdachte bevat. Een speciaal daarvoor ontworpen computerprogramma berekent hoe groot de kans is het verkregen DNA-mengprofiel waar te nemen in het geval de ene hypothese waar is en daarnaast berekent men die kans voor de andere hypothese. De verhouding tussen deze twee kansen krijgt men door ze op elkaar te delen. De uitkomst is de likelihood ratio (aannemelijkheidsquotiënt).

Bij de berekening van de statistische bewijswaarden zijn ten aanzien van de sporen AUA106#02 en AWA059#04 de volgende twee sets van hypothesen door het NFI gehanteerd.

1e set

hypothese 1: De bemonstering bevat DNA van verdachte en van twee onbekende personen (AVA+2NN)

versus

hypothese 2: De bemonstering bevat DNA van drie onbekende personen (3NN).

2e set

hypothese 1: De bemonstering bevat DNA van verdachte, [getuige 12] en van een onbekende persoon (AVA+RAAM+NN)

versus

hypothese 2: De bemonstering bevat DNA van [getuige 12] en van twee onbekende personen (RAAM+2NN).

Bij de berekening van spoor AWA059#06 is alleen gerekend met de eerste set.

7.2.3.1 De berekening van het NFI.

Het NFI heeft dergelijke berekeningen voor alle drie sporen gemaakt met behulp van een door haar zelf ontworpen computerprogramma, genaamd LRMix. Het is op grond van de uitkomsten van dat computerprogramma dat het NFI sterk statistisch bewijs tegen de verdachte rapporteerde in oktober 2013, onder verantwoordelijkheid van deskundige Koopman.39 Het NFI komt ten aanzien van twee bemonsteringen van de anus (AWA059#04 en AWA059#06) tot de uitspraak dat de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn als de bemonstering DNA van de verdachte bevat dan als de bemonstering geen celmateriaal van de verdachte bevat en bij de bemonstering van het kruis van de slip (AUA106#02) tot de uitspraak extreem veel waarschijnlijker.40

7.2.3.2 De berekening van Eikelenboom.

Eikelenboom heeft het statistisch analyseren van de sporen uitbesteed aan het in de Verenigde Staten gevestigde Cybergenetics41 dat voor het analyseren van complexe DNA-mengprofielen een computermodel onder de naam TrueAllele heeft ontworpen.

Eikelenboom heeft alleen de DNA-profielen die het NFI had verkregen aan een statistische analyse met TrueAllele onderworpen, niet de DNA-profielen die hij zelf uit de extracten had verkregen. Reden daarvoor was – zoals hiervoor besproken – dat bij zijn onderzoek minder kenmerken van de sporen zichtbaar waren geworden dan in de DNA-profielen van het NFI.

Eikelenboom heeft aan de door Cybergenetics verkregen statistische resultaten de volgende conclusies verbonden:

AWA059#04SF 42

Op grond van de analyse met behulp van TrueAllele is er geen steun voor de hypohese dat verdachte DNA heeft bijgedragen.

AWA059#06SF

Een match tussen het DNA-profiel dat werd verkregen van de bemonstering met het DNA-profiel van de verdachte is 58.60043 keer waarschijnlijker dan een toevallige match met een willekeurig gekozen Nederlands persoon. Dit betekent dat er steun is voor de hypothese dat verdachte DNA heeft bijgedragen.

AUA106#02SF

Een match tussen het DNA-profiel dat werd verkregen van de bemonstering met het DNA-profiel van de verdachte is 342 keer waarschijnlijker dan een toevallige match met een willekeurig gekozen Nederlands persoon. Dit betekent dat er enige steun is voor de hypothese dat verdachte DNA heeft bijgedragen.

7.2.3.3 Een verklaring voor de verschillende uitkomsten.

De uitkomsten van de statistische analyse met TrueAllele zijn duidelijk afwijkend van de uitkomsten van de statistische analyse die het NFI heeft verricht met zijn computermodel LRMix.44 De likelihood ratio’s die LRMix had berekend waren vele malen hoger dan de likelihood ratio’s die TrueAllele had berekend. Kort gezegd: volgens de berekening met LRMix was het bewijs tegen verdachte sterker dan volgens de berekening met TrueAllele.

De rechtbank heeft op de terechtzitting van 9 en 10 november 2015 onderzocht hoe het mogelijk is dat het gebruik van de computermodellen, LRMix en TrueAllele tot zulke verschillende uitkomsten heeft geleid, terwijl toch in beide gevallen de DNA-profielen van het NFI voor die berekening zijn gebruikt. Ter terechtzitting zijn de deskundigen J. Koopman, DNA-deskundige werkzaam bij het NFI, en de hiervoor genoemde deskundige Eikelenboom, die het contra-onderzoek heeft verricht, gehoord.45

7.2.3.3.1 Kritiek Eikelenboom: subjectieve inschattingen door het NFI.

Deskundige Eikelenboom heeft ter zitting naar voren gebracht dat het computermodel TrueAllele allerlei parameters zelf bepaalt, maar dat er bij LRMix sprake is van subjectieve inschattingen door de deskundige. Dat geldt niet alleen ten aanzien van de inschatting van het aantal donoren, maar vooral ten aanzien van de inschatting van de kans op ‘allele drop-out’.

Deskundige Eikelenboom heeft ter terechtzitting als verklaring geopperd dat het computermodel TrueAllele zelf berekent of en in hoeverre er rekening gehouden mag of moet worden met allele drop-out, terwijl bij de toepassing van het computermodel LRMix het de deskundige is die in de computer moet invoeren met welk percentage allele drop-out het programma rekening moet houden. Volgens hem is hiermee een subjectief element in de berekening geslopen en zijn de resultaten van LRMix om die reden minder betrouwbaar.

Deskundige Koopman heeft bevestigd dat bij gebruik van het programma LRMix de deskundige zelf de hoeveelheid ‘allele drop-out’ moet inschatten en invoeren. Koopman heeft verklaard:

“Wij schatten enkele parameters in. De eerste is het aantal donoren. Zoals al besproken zijn het NFI en IFS het niet oneens over het aantal donoren. De andere parameter is de allelic dropout waarde.” 46

Bij het bezien van de DNA-profielen van de drie sporen is volgens Koopman buiten twijfel dát er sprake is van allele drop-out. Zij is van mening dat een DNA-deskundige heel goed in staat is om verantwoord in te schatten hoe groot het percentage allele drop-out is.

Dát er sprake is van allele drop-out wordt ook niet door Eikelenboom betwist. 47 Verder heeft Eikelenboom erkend dat ook TrueAllele subjectieve aannames doet. Bij de wijze waarop zij [de rechtbank: Cybergenetics] de kans op allelic drop-out inschatten komt wel enige subjectiviteit kijken. 48 Wat de aannames zijn en hoe die meegewogen worden in de berekening kon Eikelenboom niet zeggen: “Ik weet niet wat het programma precies voor aannames doet. Het is een beetje een black box.” 49

Eikelenboom heeft verder verklaard:

“Cybergenetics screent alle losse profielen en vervolgens hebben zij de beste replica, waarin dus de meeste informatie zit, gebruikt en daarop heeft de analyse plaatsgevonden.

(…) Hoe de selectie wordt gemaakt en hoe tot de likelihood ratio gekomen wordt, is mij niet helemaal duidelijk.”50

7.2.3.3.2 Kritiek Koopman: TrueAllele heeft met één replica, het poolprofiel, gerekend.

Deskundige Koopman heeft zich ter zitting positief uitgelaten over het computermodel TrueAllele. Anders dan LRMix (een binair model) ‘ziet’ TrueAllele (een continu-model) niet alleen of er een piek is op een locus, maar ook de hoogte van de piek waardoor TrueAllele in staat is meer informatie uit het DNA-profiel mee te nemen. 51

Koopman heeft verklaard:

“(…) De bewijskracht die TrueAllele kan leveren is dus hoger dan de bewijskracht die ons programma kan leveren maar alleen als de piekhoogte werkelijk iets zegt in het mengprofiel.”52

Een hoge piek betekent dan veel DNA en een lage piek weinig. Volgens Koopman geeft de piekhoogte in de van de drie sporen verkregen profielen echter in dit geval, nu feitelijk maar met slechts één replica is gerekend, niet zoveel informatie, omdat de profielen met de LCN-methode zijn verkregen. Bij deze methode, die wordt ingezet wordt als er zeer weinig DNA is aangetroffen, kan het dan voorkomen dat de ene keer een piek hoog is terwijl in een andere replica van het spoor de piek niet eens wordt waargenomen. De meerwaarde is om die verschillende replica’s samen te voegen, omdat je dan kan meenemen dat in sommige replica’s bepaalde pieken maar één keer zichtbaar zijn en andere pieken in elke replica terugkomen. Juist dat is de informatie die waardevol is in deze analyse en die informatie mis je als je maar één replica bekijkt. Het samenvoegen [de rechtbank begrijpt: zoals in het poolprofiel is gebeurd] heeft weinig invloed op de piekhoogte, omdat het een LCN-techniek betreft.53

Als alle replica’s van een spoor in de berekening zouden worden betrokken, dan zou ze zich geen zorgen maken, want ze weet dat het een goed programma is, aldus Koopman. 54

Samengevat zegt Koopman:55

“Mijn kritiek op TrueAllele is helder: één replica gebruiken in plaats van de hele dataset en daarnaast de piekhoogte meenemen, die wat mij betreft onbetrouwbaar is.”

Op de kritiek van Koopman dat de piekhoogte-informatie bij de LCN-methode niet meer betrouwbaar is, omdat er zoveel vermeerderingsstappen hebben plaatsgevonden, heeft deskundige Eikelenboom ter terechtzitting geantwoord: 56

“De piekhoogte speelt een rol, zeker bij LCN. TrueAllele houdt ook rekening met piekhoogte, maar het houdt rekening met zeven andere parameters. De computer kijkt hoe stabiel het profiel is.”

Op de vraag hoe de computer dat dan weegt, kon de deskundige Eikelenboom geen antwoord geven. Eerder had Eikelenboom gezegd: “Deskundige Koopman heeft gelijk als zij stelt dat het in één profiel moeilijker is te zien of de piekhoogtes stabiel zijn, maar het programma doet meer dan alleen naar piekhoogtes kijken” 57,58

Daar komt bij, volgens Koopman, dat Eikelenboom het poolprofiel heeft gebruikt om met het computerprogramma TrueAllele de statistische bewijskracht te berekenen. Koopman heeft aangegeven hoe het NFI dit poolprofiel destijds had verkregen: na de isolatie van het DNA werden vier monsters uit het extract genomen, elk van deze monsters werden vermeerderd (gekopieerd) waarna deze producten werden samengevoegd. Dit chemisch samengevoegde extract is vervolgens geanalyseerd en daaruit is een profiel verkregen: het poolprofiel. Het poolprofiel is dus een samengevoegd (chemisch) extract van de verschillende individuele replica’s. Het is als het ware een samenvatting van alle replica’s bij elkaar, aldus Koopman.59 Het NFI heeft het poolprofiel niet gebruikt voor de berekening.60 Volgens Koopman echter leidt de berekening van alleen het poolprofiel tot een onbetrouwbaar resultaat. De data die uit poolprofielen blijken zijn niet onafhankelijk van de data van de replica’s (alle kenmerken uit de individuele replica’s komen terug in het poolprofiel) waardoor het computermodel de kans op drop-out ten onrechte als zeer klein inschat en dit de uitkomst van de berekening beïnvloedt, volgens Koopman. 61

Eikelenboom heeft bevestigd dat het computermodel TrueAllele van slechts één replica gebruik heeft gemaakt. Hij heeft alle data van het NFI aangedragen en Cybergenetics heeft het poolprofiel uitgekozen. Eikelenboom acht de berekening echter wel degelijk betrouwbaar, omdat deze gebaseerd was op het profiel dat de meeste informatie bevatte.62 Te zien is dat alle kenmerken die bij elkaar worden geschraapt in alle individuele profielen, dat die ook weer terugkomen in het poolprofiel, aldus Eikelenboom.63

Koopman heeft daar als volgt op gereageerd: “Het gaat niet om het uitkiezen van de beste replica. Het gaat er juist om dat ze alle vier in de berekening worden betrokken”.64

7.2.3.4 De benoeming en de berekening van deskundige Buckleton.

De grote verschillen in de berekende likelihood ratio tussen het computermodel LRMix enerzijds en TrueAllele anderzijds, alsmede de discussies ter terechtzitting over de mogelijke oorza(a)k(en) daarvan, hebben de rechtbank er eind 2015 toe gebracht om een deskundige te (doen) benoemen aan wie zou worden opgedragen de statistische bewijswaarden van de DNA-profielen die het NFI65 had verkregen van de bemonsteringen AUA106#02SF, AWA059#04SF en #06SF te onderzoeken met behulp van een van de weinige andere in de forensische wereld beschikbare computermodellen. Omdat zowel het NFI als Eikelenboom in het deskundigenverhoor hadden aangegeven dat een continu model meer informatie uit DNA-profielen kan halen dan een binair model, bepaalde de rechtbank dat het moest gaan om een deskundige die werkt met het continue model STRmix. Zowel Eikelenboom als Koopman hadden ter terechtzitting hun vertrouwen in dit computermodel uitgesproken. Koopman heeft erover gezegd: “Star-Mix is een piekhoogtemodel dat vergelijkbaar is met TrueAllele, maar kan wel met verschillende replica's rekenen. Star-Mix wordt regulier gebruikt in onderzoeken in Australië en Nieuw-Zeeland”.66

Eikelenboom heeft verklaard dat: “zeker bij dit soort complexe profielen het goed is om verschillende programma’s naast elkaar te laten rekenen en de resultaten te vergelijken.”67

De rechter-commissaris heeft vervolgens J.S. Buckleton, hoofdwetenschapper bij het Institute of Environmental Science and Research (ESR) in Nieuw Zeeland tot deskundige benoemd.68

Deskundige Buckleton heeft met het computermodel STRMix de likelihood ratio’s berekend onder dezelfde hypothesen als de hypothesen die het NFI had opgesteld.69

Op de terechtzitting van 13 juni 2016 zijn de deskundigen Koopman, Eikelenboom en Buckleton gehoord.70 Over de werking van het computerprogramma STRMix heeft Buckleton op die terechtzitting verklaard dat het programma zelf vanuit het profiel berekent of en in hoeverre er rekening gehouden mag of moet worden met allele drop-out.71

Buckleton heeft in totaal drie rapporten uitgebracht. Na zijn eerste rapport van 16 april 2016 heeft Buckleton geconstateerd72 dat bij de berekeningen één kenmerk (allel) van het referentieprofiel van verdachte en één kenmerk van het referentieprofiel van [getuige 12] onjuist in het computerprogramma waren ingevoerd. Dit heeft geleid tot een nieuw rapport van 3 juni 2016. Voor twee van de vijf onderzochte hypothesen zijn de gepresenteerde likelihood ratio’s in dit nieuwe rapport hoger dan in het rapport van 16 april 2016.

Tijdens het deskundigenverhoor op de terechtzitting is gebleken dat Buckleton bij elk van de onderzochte sporen één replica minder in zijn computerprogramma STRMix had ingevoerd dan het NFI had gedaan. Dit berustte op een miscommunicatie over de bruikbaarheid van die betreffende replica’s.73 Om een scherpere vergelijking mogelijk te maken tussen de resultaten van het programma LRMix en die van het programma STRMix heeft de rechtbank aan Buckleton opgedragen de berekeningen voor twee sporen (AWA059#04SF en AWA059#06SF) opnieuw te maken met gebruikmaking van de eerder buiten beschouwing gelaten replica. Aldus zou de berekening gaan berusten op dezelfde replica’s als die door het NFI waren gebruikt.

Buckleton heeft vervolgens op 5 augustus 2016 nogmaals gerapporteerd. Uit dat rapport blijkt dat het herhalen van de berekeningen met gebruik van de eerder buiten beschouwing gelaten replica tot andere uitkomsten heeft geleid: de likelihood ratio wordt hoger. Anders gezegd: de waarschijnlijkheid dat het celmateriaal van verdachte in de sporen zit neemt toe.

Ten aanzien van spoor AUA106#02SF presenteert STRMix likelihood ratio’s van 2,28 miljoen en 168 miljoen, ten aanzien van spoor AWA059#04SF is dat 5,4 miljoen en 2,08 miljard en tot slot ten aanzien van AWA059#06SF (waar met één set hypotheses was gerekend) een likelihood ratio van 23.900.

De rechtbank heeft geconstateerd dat Buckleton met de eerder weggelaten replica niet enkel de sporen AWA059#04SF en AWA059#06SF heeft herberekend, maar ook spoor AUA106#02SF. Dit laatste was door de rechtbank niet opgedragen, omdat de niet gebruikte replica voor dat spoor volgens Koopman een mislukte replica betrof en zij zich uitdrukkelijk op het standpunt had gesteld dat deze replica niet in de berekening betrokken moest worden.74 De rechtbank ziet hierin aanleiding om de door Buckleton desondanks berekende hogere bewijswaarde voor spoor AUA106#02SF buiten beschouwing te laten.

Niettegenstaande de verkeerde invoer van allelen en de miscommunicatie over replica’s, hebben Koopman en Eikelenboom ter terechtzitting hun vertrouwen in de deskundigheid van Buckleton uitgesproken. Koopman heeft verklaard:75

“Buckleton heeft fouten gemaakt in zijn eerste rapport. Het zijn ook ernstige en vervelende fouten. Buckleton is echter wel een van de meest vooraanstaande DNA-statistici die met deze modellen werken. Ik heb veel waardering voor zijn rapport, de wijze waarop hij zijn resultaten heeft gepresenteerd en dat hij duidelijk heeft aangegeven waar hij twijfels over heeft.”

Eikelenboom heeft verklaard:76

“De deskundigheid van Buckleton staat zeker niet ter discussie. Met Mark Perlin [rechtbank: de ontwerper van TrueAllele] is hij één van de weinige mensen in de wereld die een welgefundeerde mening over dit soort onderwerpen hebben.”

Ook de rechtbank ziet in de verkeerde invoer van allelen en de miscommunicatie over replica’s geen reden om de resultaten van de berekeningen die Buckleton met het programma STRMix heeft gemaakt in twijfel te trekken. De foutieve invoer van allelen is door Buckleton zelf ontdekt en weer hersteld, hij is daarover volledig transparant geweest en hij heeft daarover uitleg gegeven (dat het een foutieve handmatige invoer betrof77).

7.2.3.5 Vergelijking van de resultaten van de drie computermodellen LRMix, TrueAllele en STRMix.

Na het verhoor van de deskundigen ter terechtzitting van 13 juni 2016, heeft Buckleton – zoals hiervoor vermeld – op 5 augustus 2016 nieuwe puntschattingen gerapporteerd,78 nadat hij nieuwe berekeningen had gemaakt met de eerder buiten beschouwing gelaten replica’s. Ook Koopman heeft een nieuw (NFI-)rapport uitgebracht.79 In het NFI-rapport van 12 juli 2016 zijn nieuwe berekeningen gepresenteerd met het programma MixCal,80 volgens Koopman een verbeterde computerversie van LRMix.81 In plaats van een schaal van getallen werden nu puntschattingen (concrete getallen) gepresenteerd.

De rechtbank stelt vast – uitlatingen van de deskundigen ter terechtzitting82 over de orde van grootte van de likelihood ratio’s indachtig – dat na de laatste berekeningen door Buckleton en Koopman, gepresenteerd in hun aanvullende rapporten, de uitkomsten van hun berekeningen ten aanzien van de statistische bewijswaarden, in dezelfde orde van grootte liggen. Van de resultaten van TrueAllele (Eikelenboom) kan niet gezegd worden dat ze in dezelfde orde van grootte liggen als die van LRMix en/of STRMix.

De vraag rijst wat dit nu betekent voor de uitkomsten van de berekeningen die Eikelenboom heeft gerapporteerd.

De rechtbank heeft de drie deskundigen op die terechtzitting bevraagd over deze uiteenlopende resultaten en de betrouwbaarheid van de gebruikte computermodellen. De deskundigen zoeken de oorzaak van die uiteenlopende resultaten niet in de onbetrouwbaarheid van één van de computermodellen. Eikelenboom heeft verklaard: 83

“De drie programma’s werken op verschillende wijzen. Ik heb vertrouwen in alle drie programma's. Hun berekeningen zijn correct (mits geen invoerfouten). De verschillen zijn verklaarbaar door de opbouw van de verschillende software en door hun gebruik van profielen. Alle profielen bevatten verschillende informatie. Als de programma’s verschillende informatie gebruiken, dan zullen ze ook verschillende getallen geven.”

Volgens Koopman is STRMix van Buckleton, net als TrueAllele waarvan Eikelenboom gebruik maakt, een piekhoogtemodel. Dat model neemt naast de aanwezigheid van pieken ook de piekhoogte mee in de berekening van de statistische bewijswaarde. Echter, bij LCN-DNA-onderzoek (waarbij sprake is van weinig DNA en veel vermeerderingsstappen), is de piekhoogte weinig betrouwbaar, omdat deze nogal grillig is per replica. Het model van Buckleton leest al die verschillende replica’s in. Dat is het voordeel ten opzichte van TrueAllele, dat maar met één replica tegelijk werkt, aldus Koopman.

Eikelenboom heeft ter terechtzitting wederom benadrukt dat hij aan het poolprofiel heeft laten rekenen, omdat dit profiel het meeste informatie bevatte. 84 Hij is het met Koopman eens dat bij LCN-DNA-onderzoek de piekhoogte minder informatief is, maar volgens hem gebruiken de continue modellen (zoals TrueAllele) veel meer informatie dan alleen de piekhoogte. Er wordt naar meer gekeken dan alleen de piekhoogte.

Buckleton heeft bevestigd dat het mogelijk is dat de verschillen tussen TrueAllele en STRmix verklaard zouden kunnen worden doordat TrueAllele maar met één replica werkt en STRmix met meerdere.85 Buckleton heeft verklaard:86

“Koopman benadrukt het belang van replica’s en daarin heeft ze gelijk. Replica’s zijn zeer waardevol bij low template DNA.”

Aan de deskundige Buckleton is gevraagd hoe hij de volgende uitgangspunten van de beide deskundige beoordeelt: Koopman heeft verklaard dat piekhoogte niet zo belangrijk is, maar dat het relevant is om aan verschillende replica’s te rekenen; Eikelenboom heeft verklaard dat het poolprofiel het meest informatief is.

Deskundige Buckleton heeft dienaangaande verklaard:87

“Alles in aanmerking genomen denk ik dat het standpunt van Koopman correcter is aangaande het benadrukken van het belang van replica's.”

Buckleton heeft verder nog verklaard:

“Ik begrijp TrueAllele niet. Ik vertrouw niet op het resultaat van TrueAllele. De voorzitter vraagt mij wat er gebeurd zou kunnen zijn. Ik begrijp TrueAllele niet, dus ik kan deze vraag niet beantwoorden. (…) Ik weet niet waarom TrueAllele zo’n significant lager getal krijgt dan STRmix”. 88

(…)

“Het feit dat TrueAllele wel alleen aan het poolprofiel heeft gerekend, zou het verschil in getallen mogelijk kunnen verklaren”.89

7.2.3.6 De keuze van de rechtbank voor het NFI en Buckleton.

De rechtbank stelt vast dat de deskundigheid van Buckleton en de betrouwbaarheid van zijn gebruikte computermodel STRmix niet ter discussie staan. Buckleton heeft met een computermodel gerekend dat net als TrueAllele van Cybergenetics (door Eikelenboom ingeschakeld) een continu-model is dat zelf vanuit het profiel de drop-out ratio bepaalt. Daarmee is aan één van de kritiekpunten van Eikelenboom op de uitkomsten van de NFI-berekeningen, te weten dat het NFI subjectieve aannames heeft gedaan, tegemoet gekomen.

De rechtbank stelt verder vast dat het computermodel van Buckleton gerekend heeft met meerdere replica’s per spoor. De uitkomsten uit zijn laatste rapport zijn verkregen door bij de berekening van de statistische bewijswaarde dezelfde replica’s te betrekken als waarmee het NFI heeft gerekend. Daarmee is tegemoet gekomen aan het voornaamste bezwaar dat Koopman had tegen de berekeningen van Eikelenboom, te weten dat slechts met één replica is gerekend.

De rechtbank stelt bovendien vast dat Buckleton ter terechtzitting Koopman heeft ondersteund in haar visie dat het van belang is te rekenen met meerdere replica’s en dat het rekenen aan slechts het poolprofiel het verschil in getallen zou kunnen verklaren. De rechtbank kan Koopman volgen in haar stellingname dat één replica te weinig is om de stabiliteit van het profiel in relatie tot de betrouwbaarheid van de piekhoogten te toetsen en verder dat daarvoor zeker niet het poolprofiel moet worden gebruikt omdat het model dan de allele drop-out te laag zal inschatten.

Tot slot stelt de rechtbank vast dat de uitkomsten van berekeningen van Buckleton ten aanzien van de statistische bewijswaarden, de bevindingen van het NFI uit het rapport van 1 oktober 2013 bevestigen. Hetzelfde geldt voor de nieuwe NFI-berekeningen met het programma MixCal: de resultaten liggen in dezelfde orde van grootte. De resultaten van TrueAllele (Eikelenboom) wijzen weliswaar naar verdachte als degene die celmateriaal aan twee sporen heeft bijgedragen,90 maar niet kan worden gezegd dat ze in dezelfde orde van grootte liggen als die van LRMix en/of STRMix.

7.2.3.7 Tussenconclusie

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat – niettegenstaande de betrouwbaarheid van het computermodel TrueAllele op zichzelf beschouwd – de likelihood ratio’s die met dit programma zijn berekend als onvoldoende betrouwbaar moeten worden beschouwd. De rechtbank acht de likelihood ratio’s zoals het NFI en Buckleton die hebben berekend, voldoende betrouwbaar.

7.2.4

Intermezzo.

Hiervoor is verwoord dat de DNA-profielen van de sporen van de anus (AWA059#04SF en #06SF) en de slip (AUA106#02SF) complexe, onvolledige DNA-mengprofielen betreffen: in geen enkel DNA-profiel zijn alle kenmerken van de onderzochte loci te bepalen (onvolledig) en de sporen zijn niet eenduidig te herleiden tot afzonderlijke, enkelvoudige DNA-profielen (complex), in dit geval van verdachte.

De deskundige Eikelenboom heeft er in zijn rapport en ter terechtzitting voortdurend op gewezen dat men voorzichtig moet zijn om aan te nemen dat allele-drop-out de reden is dat die kenmerken van verdachte niet in het spoor terugkomen, zeker als het om DNA-mengprofielen gaat, waaraan tenminste drie personen hebben bijgedragen.91 Eikelenboom heeft daarbij het volgende standpunt ingenomen: om aan te nemen dat het verdachte is die DNA heeft bijgedragen heeft aan het spoor, is het bij complexe moordzaken wenselijk dat én een miljardenstatistiek wordt verkregen [de rechtbank begrijpt: een likelihood ratio hoger dan 1 miljard] én dat uit tenminste één van de sporen een volledige DNA-match met verdachte wordt verkregen [de rechtbank begrijpt: 30 kenmerken op de 15 loci].92

De rechtbank onderkent het risico van het aannemen van allele-drop-out. Ook Koopman onderschrijft dit risico. Dát er sprake is van allele-drop-out is voor de deskundigen en ook voor de rechtbank een gegeven. Tegen die achtergrond dient het volgende.

Omdat de rechtbank aan de hand van de door Eikelenboom vervaardigde tabellen geconstateerd had dat in de DNA-profielen die het NFI had vervaardigd andere kenmerken van het spoor zichtbaar waren geworden dan in de DNA-profielen die Eikelenboom had vervaardigd, heeft zij aan de deskundigen gevraagd of de resultaten van de beide onderzoeken samengevoegd kunnen worden. Koopman heeft geantwoord dat dat kan indien de DNA-profielen van Eikelenboom geschikt zijn voor vergelijkend DNA-onderzoek.93 Eikelenboom heeft geantwoord dat de door hem vervaardigde profielen daar absoluut geschikt voor zijn.94

Meer specifiek heeft de rechtbank aan de deskundigen gevraagd of DNA-kenmerken die verdachte wel bezit, maar die niet zichtbaar zijn in het DNA-profiel dat het NFI van het spoor heeft gemaakt, mogen worden aangevuld dan wel ingelezen indien die ontbrekende kenmerken wel zichtbaar zijn in de DNA-profielen die Eikelenboom van het spoor had vervaardigd. De deskundigen hebben geantwoord dat zo’n samenvoeging mogelijk is.

Vervolgens heeft de rechtbank aan de hand van de door Eikelenboom gemaakte tabellen het volgende geconstateerd:

I. In het DNA-mengprofiel dat het NFI heeft verkregen van AUA106#02SF is op locus VWA kenmerk 18 niet aanwezig. In het DNA-profiel dat IFS heeft verkregen is kenmerk 18 wél aanwezig. Verdachte heeft kenmerk 18 op dit locus. Op 15 loci zijn in het mengprofiel dan 29 kenmerken aanwezig die verdachte ook heeft.95

II. In het DNA-mengprofiel dat het NFI heeft verkregen van AWA059#04SF is op locus D2S1338 kenmerk 26 niet aanwezig. In het DNA-profiel dat IFS heeft verkregen is kenmerk 26 wél aanwezig. Verdachte heeft kenmerk 26 op dit locus. Op 15 loci zijn in het mengprofiel dan 28 kenmerken aanwezig die verdachte ook heeft.96

III. In het DNA-mengprofiel dat het NFI heeft verkregen van AWA059#06SF is op locus D2S1338 kenmerk 26 niet aanwezig. Ook is op locus D8S1179 kenmerk 12 niet aanwezig en op locus TH01 is kenmerk 9 niet aanwezig. Dit zijn kenmerken die verdachte op die loci heeft. In het DNA-profiel dat IFS heeft verkregen zijn op de genoemde loci die kenmerken wél aanwezig. Op 15 loci zijn in het mengprofiel dan alle 30 kenmerken aanwezig die verdachte ook heeft.97

Ten aanzien van de constatering onder III heeft de rechtbank aan de deskundigen gevraagd of dit invloed heeft op hun bevindingen. Koopman heeft geantwoord:98

“Het heeft zeker invloed op de bevindingen. Het bewijs op grond van het NFI-profiel is een zware steen op de weegschaal en de data van IFS voegt er nog wat aan toe. Hoeveel de weegschaal doorslaat moet echter worden berekend.”

Eikelenboom heeft geantwoord:99

“Onder die aanname is het profiel compleet en dan ontstaat een volledige match en dan wordt het bewijs een stuk sterker dan wanneer de profielen los van elkaar gezien worden.”

Ondanks het feit dat het samenvoegen van de onderzoeken die het NFI en Eikelenboom (IFS) hadden verricht, niet tot een andere berekening van de likelihood ratio’s heeft geleid,100 constateert de rechtbank dat aan de wens van de deskundige Eikelenboom – wat daar ook van zij – dat uit tenminste één van de sporen (te weten spoor AWA059#06SF) een volledige DNA-match met verdachte wordt verkregen (30 kenmerken op de 15 loci), voldaan is.

7.2.5

Tussenconclusie.

Voor het antwoord op de vraag of zich in de sporen van de anus (AWA059#04SF en AWA059#06SF) en de slip (AUA106#02SF) celmateriaal van verdachte bevindt, acht de rechtbank de likelihood ratio’s zoals het NFI (Koopman) en Buckleton die met gebruik van de computermodellen LRMix/MixCal en STRMix hebben berekend voldoende betrouwbaar om als uitgangspunt te dienen voor de waardering van het statistisch bewijs. De likelihood ratio’s die zijn berekend met gebruik van het computermodel TrueAllele acht de rechtbank onvoldoende betrouwbaar.

7.3

De waardering van de likelihood ratio’s.

7.3.1

Weergave van de likelihood ratio’s.

Na hiervoor te hebben overwogen en beslist welke likelihood ratio’s van de verschillende computermodellen als betrouwbare uitkomst kunnen gelden voor de waardering van het statistisch bewijs, zal de rechtbank in de hierna volgende tabel deze uitkomsten opsommen.

In de tabel zijn afkortingen gebruikt voor het weergeven van de hypothesen waaronder de likelihood ratio is berekend. Dit zijn de volgende sets hypothesen:

LR

LR

LR

Spoor

Hypothese 1 (Hp)

Hypothese 2 (Hd)

NFI

1 oktober 2013

Interval LRmix

Puntschatting MixCal

Puntschatting STRMix

#02

Slip

AVA+2NN

3NN

Extreem veel waarschijnlijker

(> 1 miljoen)

Tussen 9 miljoen -

26 miljoen

50 miljoen

2,28 miljoen101

#02

Slip

RAAM+

AVA+NN

RAAM+

2NN

Extreem veel waarschijnlijker

Tussen 1 miljard -

6 miljard

180 miljard

168 biljoen102

#04

Anus

AVA+2NN

3NN

Zeer veel waarschijnlijker

(10.000 -

1 miljoen)

Tussen 14.000-150.000

72 duizend

5,4 miljoen

#04

Anus

RAAM+

AVA+NN

RAAM+

2NN

Zeer veel waarschijnlijker

Tussen 120.000 – 1,7 miljoen

1 miljoen

2,08 miljard

#06

Anus

AVA+2NN

3NN

Zeer veel waarschijnlijker

Tussen 130.000 -470.000

1,2 miljoen

23.900

Hp = hypothese prosecutor;

Hd = hypothese defence;

AVA = AVA293 (DNA-profiel van verdachte zoals opgenomen in de landelijke DNA-databank);103

RAAM = RAAM5867NL (DNA-profiel van [getuige 12] ).

NN = naam onbekend

7.3.2

De bewijswaarde van de likelihood ratio’s.

De rechtbank stelt voorop dat de conclusie dat het DNA in de sporen afkomstig is van verdachte alleen dan gerechtvaardigd is indien de gevonden likelihood ratio’s daar in redelijkheid geen twijfel over laten bestaan.

Voor spoor AUA106#02SF, afkomstig van de slip van het slachtoffer, hebben de deskundigen Koopman en Buckleton ieder met een ander computermodel een likelihood ratio berekend die (veel) hoger is dan 1 miljard. Dat betekent dat de resultaten van het DNA-onderzoek (het DNA-profiel van het spoor) meer dan een miljard keer waarschijnlijker zijn wanneer het DNA in het spoor afkomstig is van verdachte, dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurig gekozen onbekend persoon.

Voor spoor AWA059#04SF, afkomstig van de anus van het slachtoffer, heeft deskundige Buckleton met het computermodel STRMix ook een likelihood ratio van (veel) meer dan 1 miljard berekend. Het NFI komt blijkens de tabel tot 1 miljoen.

De likelihood ratio’s die in de puntschattingen worden genoemd door Buckleton (onder meer 168 biljoen; 2,08 miljard) en het NFI (onder meer 180 miljard; 1 miljoen) leiden tot getallen die vergelijkbaar zijn met frequentieberekeningen104 die bij enkelvoudige DNA-profielen met een match worden aangetroffen. Bij deze onderzoeken van enkelvoudige DNA-profielen wordt tegenwoordig door het NFI veelal het getal van 1 miljard genoemd.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van deze berekende likelihood ratio’s er in redelijkheid geen twijfel meer over bestaan dat verdachte niet alleen statistisch bezien, maar ook in werkelijkheid een bijdrage heeft geleverd aan de sporen aangetroffen in de anus en de slip.

De rechtbank beoordeelt de uitkomsten van de statistische rekenmodellen van het NFI (LRMix) en van de deskundige Buckleton (STRMix) als betrouwbaar en bovendien zodanig dat er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat de sporen AUA106#02SF, AWA059#04SF en AWA059#06SF DNA (biologisch celmateriaal) van verdachte bevatten.

7.3.3

Eindconclusie.

De drie sporen AWA059#04, AWA059#06 en AUA106#02 zijn aan te merken als spermasporen. Er zijn geen aanwijzingen voor verwisseling van extracten. Het NFI en deskundigen Eikelenboom en Buckleton hebben bij de berekening van de statistische bewijswaarden ten aanzien van de drie sporen de beschikking gehad over dezelfde DNA-profielen die door het NFI zijn verkregen. NFI en Buckleton hebben met dezelfde profielen gerekend. De uitkomsten van die berekeningen ten aanzien van de statistische bewijswaarden, liggen in dezelfde orde van grootte. De likelihood ratio’s die Eikelenboom heeft laten berekenen zijn onvoldoende betrouwbaar. De likelihood ratio’s zoals het NFI en Buckleton die met gebruik van de computermodellen LRMix/MixCal en STRMix hebben berekend zijn voldoende betrouwbaar om als uitgangspunt te dienen voor de waardering van het statistisch bewijs en bovendien zodanig dat er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat de sporen AUA106#02SF, AWA059#04SF en AWA059#06SF DNA (biologisch celmateriaal) van verdachte bevatten.

In het licht van het voorgaande stelt de rechtbank aldus vast dat de sporen AUA106#02SF, AWA059#04SF en AWA059#06SF DNA (biologisch celmateriaal, te weten sperma) van verdachte bevatten.

7.4

Contaminatie of daderspoor?

7.4.1

DNA-kenmerken van een derde persoon.

In de rapporten van het NFI wordt ervan uitgegaan dat een derde persoon DNA heeft bijgedragen aan de sporen van de slip en de anus.

Het NFI rapporteerde in oktober 2013:105

Op basis van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt geconcludeerd dat in de bemonsteringen AWA059#04 en #06 van de anusuitstrijkjes en AUA106#02 van het slipje DNA aanwezig is van minimaal één onbekende persoon (niet zijnde [verdachte] , [getuige 12] of [slachtoffer] ). Vanwege de complexiteit van de DNA-mengprofielen is het niet mogelijk om aan te geven of dit één en dezelfde persoon kan zijn.

Bij het berekenen van de statistische bewijswaarden van die bemonsteringen is het NFI er vervolgens steeds van uitgegaan dat de bemonsteringen DNA van drie personen bevatten.

Ook Eikelenboom rapporteert over een derde onbekende die aan de bemonsteringen heeft bijgedragen, volgens hem een man:

Een aantal DNA-kenmerken die zijn verkregen uit spermafracties van de bemonsteringen van de anus (AWA059#04 en #06) en de slip (AUA106#02) matchen niet met de [verdachte] , de betrokkene [getuige 12] of het slachtoffer. Dit betekent dat waarschijnlijk een derde onbekende man DNA (sperma) aan deze bemonstering heeft bijgedragen.106

Zowel Koopman als Eikelenboom hebben hun bevindingen dat er DNA van een derde onbekende persoon in de sporen aanwezig is, aan de rechtbank toegelicht door er op te wijzen dat in de DNA-profielen van de sporen op meerdere loci 5 allelen/kenmerken zichtbaar zijn.107 Koopman heeft naar aanleiding daarvan naar voren gebracht dat bij het bepalen van het aantal donoren naar alle allelen wordt gekeken; het totaalbeeld. Zij heeft in dit kader verklaard:

“Er wordt nu enorm gefocust op de vijf allelen die we in één replica hebben gezien. Als we verschillende replica’s maken, dan kunnen we ook het totale aantal allelen zien. Dan zien we op meerdere plaatsen vijf verschillende allelen op een locus. Die zijn niet allemaal in één replica, maar verspreid over meerdere replica's. Er zijn dus wel meer sterke aanwijzingen dat het een driepersoonsmengsel betreft dan alleen dit ene locus.”108

Deskundige Eikelenboom heeft zich daarbij aangesloten en verklaard dat hij en deskundige Koopman geen twijfel over het aantal donoren hebben en dat zij beiden uitgaan van drie donoren:

“In ons onderzoek hebben we andere DNA-kits gebruikt. Als we de delen die overeen komen over elkaar leggen, dan zien we ook op meerdere locaties vijf kenmerken. (…). Nogmaals, over het aantal donoren twijfelen Koopman en ik niet.”109

Ten slotte heeft ook Buckleton aangenomen dat de DNA-profielen van de hiervoor bedoelde bemonsteringen van de anus en de slip erop wijzen dat drie personen DNA hebben bijgedragen.110

De rechtbank stelt vast dat de kenmerken van die derde persoon:

  1. zijn aangetroffen in de spermafractie – en niet de nucleaire fractie – van de diverse bemonsteringen;

  2. niet allemaal passen in het DNA-profiel van het slachtoffer.

Ter toelichting het volgende. Bij het isoleren van het DNA uit de sporen waarvan werd vermoed dat deze sperma bevatten, is het DNA gescheiden in een spermafractie (de spermacellen) en een nucleaire fractie (overige cellen, waartoe ook epitheelcellen van het slachtoffer kunnen behoren). Het komt voor dat die scheiding niet geheel lukt waardoor er toch nog andere cellen dan spermacellen in de spermafractie aanwezig blijven.111 Om die reden lag het voor de hand om te bezien of de aangetroffen kenmerken die niet in het DNA-profiel van verdachte of [getuige 12] zouden passen, wellicht in het DNA-profiel van het slachtoffer passen. Dat bleek echter niet het geval. Een aanzienlijk deel van die kenmerken past niet in het profiel van het slachtoffer.

Hiervoor heeft de rechtbank aan de hand van de statistische analyses van de DNA-profielen geconcludeerd dat verdachte en [getuige 12] sperma (en daarmee DNA) hebben bijgedragen aan de sporen. De constatering dat ook DNA van een derde persoon in de sporen aanwezig is, roept de vraag op of hieraan in bewijsrechtelijke zin gevolgen moeten worden verbonden. Wanneer is dat DNA bijgedragen en wat is het karakter van die bijdrage geweest? Ter beantwoording van die vraag heeft de rechtbank gezocht naar een verklaring voor het aantreffen van DNA-kenmerken van een derde persoon.

7.4.2

Contaminatie als mogelijke verklaring.

Zowel Koopman als Eikelenboom hebben verklaard dat contaminatie een reële verklaring is voor het aantreffen van DNA-kenmerken van een derde persoon. De rechtbank begrijpt dat met contaminatie wordt bedoeld dat de sporen of de bemonsteringen besmet zijn geraakt met bijvoorbeeld het DNA van forensisch onderzoekers.

Over hoe, waar en wanneer die contaminatie dan zou zijn ontstaan, hebben zij opmerkingen gemaakt waaruit de rechtbank de conclusie heeft getrokken dat bij de mogelijkheid van contaminatie ook kanttekeningen kunnen worden geplaatst.

Dit zijn de volgende kanttekeningen:

a. Het is zeer onwaarschijnlijk dat de wattenstaafjes die voor het veiligstellen van sporen zijn gebruikt met spermacellen zouden zijn besmet.112 Er moet daarom worden uitgegaan van contaminatie met andere cellen dan spermacellen.

Hoewel bekend is dat niet-spermacellen kunnen doorlekken in de spermafractie, zullen bij een goed uitgevoerde stringente lysisfractie (scheiding van het DNA in een spermafractie en een nucleaire fractie) in een spermafractie alleen spermacellen te vinden zijn en geen andere cellen.113

De rechtbank heeft kunnen constateren114 – en ook Eikelenboom heeft daarop gewezen – dat niet alleen de eerder genoemde bemonsteringen van de anus (AWA059#04SF en #06SF) en de slip (AUA106#02SF) kenmerken van een derde persoon bevatten, maar ook een bemonstering van het kruis van de spijkerbroek (AUA107#11SF). Dit zijn alle spermafracties. Indien contaminatie de reden is van het aantreffen van kenmerken van een derde persoon, zou dit betekenen dat een aanzienlijk aantal van de extracten in het onderzoek besmet is geraakt.

7.4.3

Sperma van een derde man als mogelijke verklaring.

De rechtbank stelt vast dat voor de deskundigen Koopman en Eikelenboom niet duidelijk is of de derde persoon die DNA-kenmerken heeft bijgedragen een man of een vrouw is. Evenmin is duidelijk of het in de diverse sporen/bemonsteringen steeds kenmerken van één en dezelfde persoon betreffen of juist van verschillende personen.

Voorts kent de rechtbank gewicht toe aan de vaststelling dat ten aanzien van spoor AWA059#06 wordt uitgegaan van een mengprofiel van verdachte en twee onbekenden. Dat wijst er immers op dat er meer dan (louter) enkele kenmerken aan een derde persoon moeten worden toegeschreven, zoals wel het geval is bij de twee andere sporen waarin wordt uitgegaan van de aanwezigheid van DNA-materiaal van verdachte en [getuige 12] . De rechtbank is zich er van bewust dat [getuige 12] niet als donor aan spoor AWA059#06 is uitgesloten, maar het laat minst genomen de mogelijkheid open dat zelfs twéé andere personen naast verdachte (en niet een van hen zijnde [getuige 12] ) DNA-materiaal aan dat spoor hebben bijgedragen. Het kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden uitgesloten dat de (extra) DNA-kenmerken in de drie sporen, gelet op de locatie van de bemonsteringen en nu het de stringente lysisfractie betreft, afkomstig zijn van sperma dat door een derde persoon is bijgedragen bij een seksueel contact met het slachtoffer.

7.4.4

Conclusie.

Er zijn meerdere mogelijke oorzaken voor het aantreffen van DNA-kenmerken van een derde persoon. Contaminatie van de sporen of van de bemonsteringen met DNA van personen die bij het opsporingsonderzoek betrokken waren is een mogelijke oorzaak. Een andere mogelijke oorzaak is dat een derde persoon sperma aan de sporen heeft bijgedragen door seksueel contact met het slachtoffer. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om de ene of de andere oorzaak als meer waarschijnlijk aan te merken.

7.5

Locatie van de sporen.

7.5.1

De sporen AWA059#04 en AWA059#06.

Hiervoor is aangegeven dat het spoor AUA106#02 was verkregen uit de bemonstering op het kruis van de slip en dat de sporen AWA059#04 en AWA059#06 waren verkregen uit de bemonstering van de anus.

Gelet op de vergevorderde staat van ontbinding waarin het lichaam van het slachtoffer werd aangetroffen en onduidelijkheid over de wijze van bemonstering destijds door de patholoog, dringt zich de vraag op, zoals ook verschillende malen ter terechtzitting is besproken, of de sporen AWA059#04 en AWA059#06 wel echt afkomstig zijn uit de anus. Was er destijds zorgvuldig onderscheid gemaakt tussen de bemonstering van de vagina en die van de anus? En zou het zo kunnen zijn dat sporen die aanvankelijk in de vagina waren achtergelaten op een later moment ten gevolge van de ontbinding van het lichaam terechtgekomen waren in de anus?115

Het belang van de precieze afbakening tussen een vaginaal spoor en een anaal spoor is erin gelegen dat deze sporen een verband leggen met de seksuele activiteit: een anaal spoor duidt immers op seksueel binnendringen in de anus.

Patholoog dr. R. Visser116 die op 23 november 1995 de uit- en inwendige schouwing van het stoffelijk overschot heeft verricht, heeft beschreven dat hij geen duidelijke defecten heeft aangetroffen aan de geslachtsorganen. Hij heeft vermeld dat er een uitstrijkje is vervaardigd voor onderzoek op aanwezigheid van sperma. Verder heeft de patholoog aangegeven dat de baarmoeder normaal groot was, het slijmvlies smal en de eierstokken beiderzijds geen bijzondere afwijkingen vertoonden.

De deskundigen Gerretsen en Van Driessche117 verwijzen in hun rapport uit 2013 naar de conclusies van de patholoog Kubat die vaststelt dat zij op het beeldmateriaal van de sectie niets ziet dat afwijkt van de bevindingen van de patholoog Visser. Kubat gaat ervan uit, nu er geen melding van wordt gemaakt in het sectieverslag van Visser, dat er geen beschadigingen in en rondom de anus zijn gevonden. Het zou in 1995 gebruikelijk zijn dat zo’n bevinding wel werd gemeld, volgens Kubat. Zij herhaalt dat bij het verhoor bij de rechter-commissaris118 en voegt er aan toe dat het onderscheid tussen anus en vagina te zien is op de foto. Deskundige Gerretsen119 heeft ter terechtzitting op basis van de foto’s van de sectie verklaard dat bijvoorbeeld de vaginabemonstering niet ingewikkeld lijkt. De weefsels daaromheen waren niet ver vergaan, waardoor het hem geen moeilijke opdracht leek. Hij acht het zeer onaannemelijk dat bij een dergelijke bemonstering structuren worden aangeraakt die niet mogen worden aangeraakt.

De rechtbank is gelet op bovenstaande rapporten en verklaringen van de deskundigen120 – pathologen/artsen – van oordeel dat niet anders geconcludeerd kan worden dan dat ervan moet worden uitgegaan dat de sporen AWA059#04 en AWA059#06 daadwerkelijk uit de anus afkomstig zijn en daarmee zijn aan te merken als anale sporen.

7.5.1.1 Conclusie.

In de anus van het slachtoffer werd sperma van verdachte aangetroffen.

7.5.2

Secondary transfer.

[getuige 12] heeft verklaard dat hij op de dinsdag in de week van de verdwijning van [slachtoffer] gemeenschap met haar heeft gehad en dat dat zonder condoom kan zijn geweest. Ook heeft hij verklaard dat hij geen anale seks met haar had.121 De rechtbank heeft onder ogen gezien dat desondanks in elk geval in een van de sporen uit de anus DNA van [getuige 12] is aangetroffen. De rechtbank heeft aan deskundige Eikelenboom de kwestie voorgelegd of als een persoon met het slachtoffer vaginale seks heeft gehad, diens sperma nadien in de anus terecht kan komen door secondary transfer, doordat een ander later vaginaal en daarna anaal seksueel contact heeft gehad met het slachtoffer. De deskundige heeft daarop geantwoord dat secondary transfer met name ziet op aanraaksporen. Sporen van de ene persoon worden overgedragen op een andere persoon via een derde persoon of een object.

“Dat secondary transfer kan plaatsvinden, daarover bestaat in de literatuur geen twijfel, maar de vraag is hoe waarschijnlijk het is. Het type celmateriaal speelt een grote rol. Bloed kan heel makkelijk worden overdragen. Sperma is weliswaar ook makkelijk over te dragen, zeker als het vloeibaar is, maar als het door een tweede persoon gebeurt, dan verwacht je in de DNA-profielen die tweede persoon terug te vinden. Seksueel contact beschouw ik in die zin ook als een aanraakspoor.”122

De rechtbank acht mede gezien deze uitleg van Eikelenboom geenszins denkbeeldig dat sperma van [getuige 12] is overgebracht, doordat verdachte eerst in de vagina van het slachtoffer is binnengedrongen en daarna in de anus. De rechtbank betrekt daarbij dat ook daadwerkelijk sporen van de tweede persoon – in dit geval verdachte – in de anus zijn aangetroffen en dat is vastgesteld dat er positieve aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van spermavocht in de vagina.123 Voorts past de levensduur van spermasporen in het lichaam binnen de periode waarin [getuige 12] gemeenschap met het slachtoffer heeft gehad.

7.6

Het haarspoor.

Op de jas van [slachtoffer] is één lichaamshaar/schaamhaar aangetroffen die niet paste in haar schaamhaarpalet.124 De haar (ALA045) op het jack dat zij droeg is op 23 november 1995 veiliggesteld en had een lengte van circa 3,5 cm.125 Van de haarwortel en haarschacht van het haarspoor (respectievelijk ALA045#01 en ALA045#02) zijn bij mitochondriaal DNA-onderzoek mtDNA-profielen verkregen. Deze mtDNA-profielen matchen met elkaar.126 Deze haarsporen zijn immers afkomstig van dezelfde haar.127 Hierna zal aan het haarspoor worden gerefereerd als ALA045. Het mtDNA-profiel is vergeleken met dat van verdachte. Uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt door het NFI geconcludeerd dat het mtDNA-profiel van verdachte matcht met het mtDNA-profiel van haarspoor ALA045 en bovendien dat haarspoor ALA045 afkomstig kan zijn van verdachte of van iemand die in de moederlijke lijn aan verdachte verwant is. Ook kan haarspoor ALA045 afkomstig zijn van iemand die op basis van toeval hetzelfde mtDNA-profiel heeft.128

Voor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de match tussen het mtDNA-profiel van de haarspoor ALA045 en verdachte is, zo schrijft het NFI in haar rapport, van belang om te weten hoe zeldzaam dit profiel is. Om daarin inzicht te krijgen is op 30 oktober 2013 het mtDNA-profiel van haarspoor ALA045 vergeleken met mtDNA profielen die zijn opgenomen in de EMPOP databank.129 Deze databank bevatte op dat moment 26.230 mtDNA-profielen. Bij deze vergelijking is gebleken dat het mtDNA-profiel van haarspoor ALA045 niet in deze databank voorkomt.

Het NFI komt vervolgens tot de conclusie dat de onderzoeksresultaten van het mtDNA-onderzoek veel waarschijnlijker zijn als haarspoor ALA045 van verdachte afkomstig is, dan wanneer het haarspoor niet van verdachte afkomstig is.130 In een aanvulling op genoemd rapport wordt deze conclusie als volgt (preciezer) geherformuleerd: “dit betekent dat de onderzoeksresultaten van het mtDNA-onderzoek veel waarschijnlijker zijn als haarspoor ALA045 van verdachte afkomstig is of van een in de moederlijke lijn aan de verdachte verwante persoon, dan wanneer het haarspoor niet van de verdachte afkomstig is, maar van een willekeurige niet in de moederlijke lijn aan de verdachte verwante persoon.”131

Deskundige J.L.W. Dieltjes, opsteller van voormeld rapport, is ter terechtzitting van 9 november 2015 gehoord.132 Hij heeft toen onder meer verklaard dat hij – met betrekking tot de bewijswaarde van het spoor – uit was gekomen op een likelihood ratio van boven de 10.000, wat zou betekenen dat de uitkomst in de schaal ‘zeer veel waarschijnlijker’ lag. Hij plaatste daarbij de kanttekening dat de EMPOP-database nog niet groot is en dat hij rekening moest houden met het geringe persoonsonderscheidende vermogen van mitochondriaal DNA. Dit was, aldus de deskundige, reden om te kiezen voor de schaal ‘veel waarschijnlijker’. Ingeval van een numerieke weergave van de bewijswaarde moest gedacht worden aan een getal boven de 10.000, dus hoog in de schaal ‘veel waarschijnlijker’ en laag in de schaal ‘zeer veel waarschijnlijker’. Deskundige Dieltjes heeft verklaard voorzichtigheidshalve een lagere schaal te hebben aangehouden.

De rechtbank heeft hiervoor in paragraaf 7.3.4 geconcludeerd dat verdachte DNA heeft bijgedragen aan de sporen AWA059#04 en AWA059#06 van de anusuitstrijkjes en AUA106#02 van de slip. In samenhang hiermee komt de rechtbank tot het oordeel dat gelet op uitkomsten van het mtDNA-onderzoek door het NFI naar het haarspoor ALA045 en de daarop gegeven toelichting door deskundige Dieltjes, dit haarspoor en daarmee de haar aangetroffen op de jas van het slachtoffer afkomstig is van verdachte.

De rechtbank merkt overigens op dat van deze haar niet is vastgesteld of dit een schaamhaar of een lichaamshaar betrof.

7.6.1

Conclusie.

De haar die werd aangetroffen op de jas van het slachtoffer is afkomstig van verdachte.

7.7

Verkrachting.

7.7.1

Bewijs voor verkrachting.

Op grond van al het voorgaande kan de rechtbank in het kader van de ten laste gelegde verkrachting de volgende feiten en omstandigheden vaststellen.

  • -

    i) Op 6 oktober 1995 om 05.10 uur vertrok [slachtoffer] op de fiets vanuit de woning van haar oma naar haar bijbaantje.

  • -

    ii) De fiets werd in de avond aangetroffen in de rivier De Dommel nabij de route die [slachtoffer] gewoonlijk fietste als ze naar haar werk ging.

  • -

    iii) Ruim zes weken na de verdwijning van [slachtoffer] werd haar levenloze lichaam aangetroffen in een bosperceel. Zij was door geweld om het leven gekomen en haar lichaam vertoonde sporen van steek- en/of snijletsel in de linker borstkas en letsel aan het hoofd en de kaak. Het lichaam was afgedekt met conifeertakken.

  • -

    iv) In de anus van het slachtoffer en in de slip die zij droeg, is het sperma van verdachte aangetroffen.

  • -

    v) Op de jas van [slachtoffer] werd een haar van verdachte gevonden.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze feiten en omstandigheden op zichzelf genomen redengevend voor het bewijs van verkrachting. Vooral is relevant dat sperma in de anus en in het kruis van de door het slachtoffer gedragen slip onmiskenbaar wijst op seksuele activiteit en in het bijzonder op seksueel binnendringen.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het bewijs ontoereikend is nu er geen aanwijzingen zijn voor een zedenmisdrijf. De verdediging ziet in het forensisch sporenbeeld juist contra-indicaties voor een zedenmisdrijf en verwijst naar de bevindingen van de diverse gerechtelijke deskundigen (pathologen-anatoom) waaruit naar voren komt dat van beschadigingen in de schaamstreek niet is gebleken. Voorts wijst de verdediging erop dat het slachtoffer volledig gekleed in vrijwel ongeschonden kleding werd aangetroffen. Dit zou niet getuigen van het toepassen van geweld.

De rechtbank overweegt dat het ontbreken van geweldssporen aan het onderlichaam geenszins in de weg staat aan een bewezenverklaring van verkrachting. Geweld dat in verband met de verkrachting is toegepast kan evengoed op andere delen van het lichaam zijn uitgeoefend. In dit verband wijst de rechtbank op de gerechtelijke rapporten waaruit blijkt dat op diverse plekken op het lichaam van [slachtoffer] sporen van geweld aanwezig waren. Of die sporen in relatie staan tot de verkrachting kan niet worden vastgesteld - maar ook niet worden uitgesloten - omdat zij na de verkrachting kunnen zijn toegebracht. Bovendien levert ook de dreiging met geweld verkrachting op. Met dreigende woorden en/of een wapen kan de dader zodanig imponeren dat een slachtoffer geen verzet durft te plegen. [slachtoffer] was in fysiek opzicht geen partij voor verdachte waardoor gebruikmaking van geweld mogelijk niet eens nodig is geweest.

Ook het gegeven dat het slachtoffer volledig gekleed was en dat haar kleding niet kapot was staat niet aan het bewijs van verkrachting in de weg. In dit verband acht de rechtbank relevant dat [slachtoffer] na haar verdwijning is gevonden op ruim 12 kilometer hemelsbreed van de plaats waar haar fiets werd gevonden. Dat maakt het geenszins ondenkbaar, dat zij zich na de verkrachting zelf heeft aangekleed.

De onder (i) tot en met (v) genoemde feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank derhalve op zichzelf genomen redengevend voor de bewezenverklaring van verkrachting. Verdachte heeft echter een scenario geschetst waarin hij [slachtoffer] desondanks – dus ondanks de redengevendheid van die feiten en omstandigheden – niet heeft verkracht.

7.7.2

Het alternatieve scenario van verdachte.

Verdachte heeft aangevoerd dat, áls zou komen vast te staan dat zijn sperma in of op het lichaam van het slachtoffer is aangetroffen, dat sperma er door vrijwillig seksueel contact moet zijn terechtgekomen.

Dit scenario heeft verdachte voor het eerst bij de rechter-commissaris op 28 september 2015 toegelicht. Hij heeft toen verklaard dat hij in de periode 1990-1995 veel uitging in Eindhoven en omgeving en dat hij dan veel losse seksuele contacten met vrouwen had. Hij ging op stap op het Stratumseind, de Leenderweg, de Woenselsemarkt en heeft de uitgaansgelegenheden die hij bezocht met naam genoemd. Volgens verdachte leidde hij in die tijd ‘een wild en ruig leven’. De vrouwen met wie hij seksueel contact had waren verschillende types: bruin of zwart haar, slank, dik, klein, groot, ook prostituees, en zijn voorkeur was blond, aldus verdachte. Verder had hij in die tijd op allerlei plekken seksueel contact. Dat kon bijvoorbeeld in zijn auto zijn, in een steegje of bij iemand thuis.

Eén van die contacten zou dan moeten zijn geweest met [slachtoffer] . Het enige wat hij kan bedenken als verklaring voor het aantreffen van zijn DNA is dat hij haar mogelijk in het Eindhovense uitgaansleven is tegengekomen en dat hij dan mogelijk seksueel contact heeft gehad, aldus verdachte bij de rechter-commissaris. Maar concreet zegt verdachte geen enkele herinnering te hebben aan seksueel contact met [slachtoffer] of een jong meisje tijdens een uitgaansavond en evenmin aan de wijze waarop en de plek waar dit seksueel contact dan zou hebben plaatsgevonden.

Ter onderbouwing van dit scenario zijn, naast verwijzing naar een aantal verklaringen in het dossier, op verzoek van de verdediging bij de rechter-commissaris een aantal getuigen gehoord die hebben verklaard over verdachtes uitgaansgedrag en zijn ‘wild en ruig’ leven uit die tijd.

De broers [getuige 7]133 en [getuige 8]134 hebben verklaard dat ze in de jaren ’90 met verdachte op stap gingen. Voor wat betreft de uitgaansgelegenheden die zij met verdachte bezochten, bevestigen zij grotendeels de verklaring van verdachte. Ook hebben zij verklaard dat verdachte altijd degene was die de aandacht van de vrouwen had. [getuige 7] heeft verklaard dat als verdachte geen verkering had, hij dan wel inging op die aanspraak door vrouwen. Meestal bleven verdachte en hij wel bij elkaar als ze op stap gingen, volgens de getuige. [getuige 8] heeft verklaard dat als ze naar het Stratumseind gingen, het al laat was – 02.00 uur – en dat ze dan al behoorlijk beschonken waren.135

Op de terechtzitting van 2 november 2015 heeft verdachte herhaald dat hij in die tijd een ‘wild en ruig leven’ leidde, veel uitging en dat elke stapavond eindigde in seksueel contact met een vrouw, in steegjes, buiten bij een brug of in een auto. Hij ging wel eens alleen stappen, maar meestal met anderen in de diverse uitgaansgelegenheden. Verdachte heeft bovendien als volgt verklaard:136 “Ik flirtte wat en dronk wat en dan ging je naar buiten. Vaak was oogcontact voldoende.” Volgens verdachte bleven hij en zijn stapvrienden niet altijd de hele avond bij elkaar, maar gold wel: ‘samen uit, samen thuis’. Over de leeftijd van het slachtoffer heeft verdachte op de zitting verklaard dat hij op vrouwen valt, niet op kinderen van vijftien jaar en dat hij goed leeftijden kon inschatten. Hij moet haar dan dus ouder ingeschat hebben. Als verklaring geeft verdachte dat het in zo’n café donker was, er hing soms rook en er was sprake van drankgebruik. Er is bij hem ook geen lampje gaan branden toen hij na haar verdwijning een foto van haar zag op televisie. Volgens verdachte zag hij een foto na half november 1995, toen hij in een Huis van Bewaring gedetineerd zat, waarbij er een grote kans bestaat dat hij toen stoned was omdat hij iedere dag blowde.

Over het uitgaansgedrag van het slachtoffer [slachtoffer] zijn diverse verklaringen afgelegd. [benadeelde partij 2]137 heeft verklaard dat ze [slachtoffer] meestal een keer per maand naar het Stratumseind bracht. Het kan wel zijn dat ze meer ging, maar dan vertelde ze dit ons niet, aldus [benadeelde partij 2] .

[getuige 3] ,138 een vriendin van [slachtoffer] , heeft de politie in de periode na [slachtoffer] verdwijning verteld, dat zij regelmatig met [slachtoffer] op stap ging. Dit was hun hobby. Zij gingen dan altijd naar het Stratumseind. [slachtoffer] mocht maar een keer per maand uit, maar ze gingen nagenoeg iedere week. [slachtoffer] bleef dan bij haar slapen. [getuige 3] heeft de uitgaansgelegenheden waar [slachtoffer] dan kwam genoemd. De rechtbank constateert dat sommige daarvan de uitgaansgelegenheden waren waar ook verdachte kwam. Verder heeft [getuige 3] verklaard, dat ze soms op de fiets gingen, maar dat ze ook vaak werden gebracht en gehaald door [benadeelde partij 2] . De laatste keer dat ze met [slachtoffer] uit is geweest, was een week voor haar vermissing. Ze zijn toen met [slachtoffer] vriend, [getuige 12] , en zijn vriend na het uitgaan op de bromfietsen naar de ouderlijke woning van [getuige 3] gegaan.

Volgens vriendin [getuige 4]139 mocht [slachtoffer] maar een keer per maand uitgaan en bedronk ze zich met Feigling. Dat had ze zelf nooit gezien, maar gehoord van haar vriendin [getuige 13] . [getuige 1]140 heeft verklaard dat hij [slachtoffer] heeft leren kennen bij het uitgaan op Stratumseind. Ze waren allebei helemaal zat.

De rechtbank acht het door de verdediging geschetste alternatieve scenario voor de aanwezigheid van verdachtes DNA door vrijwillig seksueel contact, onvoldoende onderbouwd en onaannemelijk. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat uit de verklaringen van verdachte en van de hiervoor genoemde getuigen volgt dat verdachte en het slachtoffer in de periode voorafgaande aan haar verdwijning tijdens het uitgaan in Eindhoven op Stratumseind op momenten mogelijkerwijs hetzelfde café of dezelfde discotheek bezochten. Maar behalve deze mogelijkheid vindt het alternatieve scenario naar het oordeel van de rechtbank geen ondersteuning in andere feiten en omstandigheden.

[slachtoffer] was kort voor haar verdwijning 15 jaar oud, verdachte was 28 jaar. Als zij al op hetzelfde moment – volgens [getuige 8] ging de vriendengroep pas na 02.00 uur ‘s ochtends uit in het Stratumseind en ook verdachte zelf heeft verklaard over late staptijden141 – toevalligerwijs in hetzelfde café aanwezig zijn geweest, dan nog ligt een contact van seksuele aard tussen beiden gelet op het aanzienlijke leeftijdsverschil, niet voor hand. Temeer niet, omdat verdachte ter terechtzitting heeft aangegeven dat hij op volwassen vrouwen valt, niet op kinderen en dat hij een meisje van vijftien als een kind beschouwt.

De rechtbank overweegt dat verdachte in die tijd een naar eigen zeggen wild en ruig leven heeft geleid met vele seksuele contacten en one-nightstands, maar dat uit de verklaringen uit de kring rondom het slachtoffer geenszins eenzelfde beeld van het slachtoffer naar voren komt. Vriendin [getuige 3]142 verklaart dat [slachtoffer] alles tegen haar vertelde over met wie ze seks had. Volgens getuige was [slachtoffer] heel terughoudend met seks en wilde ze niet als ze net verkering had direct met iemand naar bed gaan. Ook tegen vriendin [getuige 4]143 zou [slachtoffer] open zijn geweest over seks en verteld hebben over de drie verkeringen waarbinnen seksueel contact had plaats gevonden. Uit diverse verklaringen blijkt verder ook dat [slachtoffer] verkeringen had zonder dat het tot seksuele gemeenschap kwam.144 De verklaringen roepen in het geheel niet het beeld op van een jongere die op uitgaansavonden met wildvreemde, oudere mannen eenmalige seksuele contacten had, maar veeleer een beeld van een 15-jarig meisje dat seksueel actief was als zij verkering had met een jongen van ongeveer dezelfde leeftijd. In dat beeld past niet dat het slachtoffer tijdens een uitgaansavond over zou gaan tot seksueel contact ergens buiten op straat of in een auto met een oudere en haar onbekende man.

De rechtbank overweegt voorts dat in het door verdachte geschetste scenario besloten ligt dat een dergelijk seksueel contact zou moeten hebben plaatsgevonden vrij kort voor [slachtoffer] verdwijning. Deskundige De Blaeij van het NFI145 heeft verklaard dat uit de literatuur bekend is dat de tijd waarin spermacellen nog kunnen worden aangetroffen in een lichaam varieert tussen een paar uren, een aantal dagen en dat er ook gevallen bekend zijn waarin het meer dan een week is. Deskundige Eikelenboom van IFS146 heeft gesproken over ongeveer een week bij vaginaal aanwezig sperma. Anaal aanwezig sperma is veelal na de laatste ontlasting verdwenen. Hiervoor is vastgesteld dat verdachtes DNA is teruggevonden in de anale sporen (AWA059#04 en AWA059#06). Dat betekent dat vermeend vrijwillig seksueel contact kort voor de verdwijning van [slachtoffer] moet hebben plaats gevonden: daarna zal het slachtoffer geen ontlasting meer hebben gehad.

De vriendenkring en familie van [slachtoffer] zijn nauwgezet bevraagd over hun laatste contacten met [slachtoffer] . Uit diverse verklaringen147 volgt dat in de doordeweekse dagen voorafgaande aan haar vermissing [slachtoffer] naar school is gegaan, vanaf dinsdag iedere dag om ongeveer 05:00 uur is opgestaan om te gaan werken bij de supermarkt en ’s avonds niet is uitgegaan. Over (heimelijk) uitgaan op doordeweekse dagen verklaart niemand.

Over het weekend vóór haar vermissing is bekend, zoals hiervoor beschreven, dat het slachtoffer gelogeerd heeft bij haar vriendin [getuige 3] en dat zij toen is gaan stappen met die vriendin, haar vriend [getuige 12] en zijn vriend, waarna ze gezamenlijk op de bromfietsen van de jongens naar het huis van die [getuige 3] zijn gegaan. Over een contact met een onbekende man in een café of discotheek wordt door niemand gesproken.

Van de stapvrienden van verdachte heeft evenmin iemand verklaard over het door verdachte kortstondig mee naar buiten nemen van een meisje of vrouw om daarmee seksueel contact te hebben. De verdwijning van [slachtoffer] heeft veel publicitaire aandacht gehad: de foto van [slachtoffer] verscheen in kranten en op televisie. Verdachte zélf heeft op het moment dat hij op televisie de foto van de vermiste [slachtoffer] zag, geen link gelegd met vermeend seksueel contact met haar. Als mogelijke verklaring voor dit niet-herkennen, geeft verdachte aan dat hij door het zwakke licht in het café/discotheek het gezicht van [slachtoffer] mogelijk niet heeft kunnen zien. Dat zou betekenen dat verdachte noch bij het contact leggen met het meisje in het café/discotheek, noch bij het daaropvolgend seksuele contact, derhalve op geen enkel moment het gezicht van het meisje heeft gezien. De rechtbank acht deze uitleg, als zou het slachtoffer met een wildvreemde man zonder eerst contact te maken meegaan, ongeloofwaardig.

Ten slotte is het volgende relevant. De verklaring van verdachte dat hij in zijn leven op twee keer na – namelijk éénmaal tijdens een langdurige relatie en éénmaal tijdens de verkrachting in 2000, waarvoor verdachte in 2001 veroordeeld is148 – nimmer anaal seksueel contact heeft gehad met vrouwen, is niet te rijmen met het aantreffen van verdachtes DNA in de anale sporen (AWA059#04 en AWA059#06).

De rechtbank beoordeelt het alternatieve scenario van de verdediging – dat een verklaring moet geven voor het aangetroffen DNA van verdachte – als een achteraf geconstrueerd hypothetisch scenario, dat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is onderbouwd en voorts ook volstrekt onaannemelijk is.

7.7.3

Conclusie.

De hiervoor onder (i) tot en met (v) genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring van verkrachting. Een de verdachte ontlastend scenario dat past binnen die redengevende feiten en omstandigheden is niet aannemelijk geworden.

De volgende omstandigheden hebben bijgedragen aan de overtuiging van de rechtbank dat verdachte [slachtoffer] heeft verkracht.

Verdachte heeft in zijn leven meerdere seksuele delicten gepleegd en daarbij het gebruik van geweld en dreiging met geweld niet geschuwd. De rechtbank acht verdachte verantwoordelijk voor een verkrachting gepleegd in 1987.149 Het door de verdediging verzochte nadere onderzoek naar deze verkrachting (second opinion) acht de rechtbank niet noodzakelijk en overigens in een te laat stadium van het geding gedaan. De rechtbank wijst dat verzoek af. Verder is verdachte veroordeeld voor een verkrachting gepleegd in 2000. Naar het oordeel van de rechtbank komt uit die beide verkrachtingen het beeld naar voren van een dader voor wie kenmerkend is het onverhoeds benaderen van slachtoffers op de fiets op de openbare weg en het vervolgens meenemen van hen naar een plaats waar hij hen verkracht. Uit het vonnis van 2001 volgt dat verdachte het slachtoffer toen meerdere malen met de vlakke en/of tot vuist gebalde hand in het gezicht en/of op het lichaam heeft geslagen en gedreigd heeft haar lek te steken. De fiets van het slachtoffer uit 1987 is volgens het slachtoffer voorafgaand aan de verkrachting door verdachte in de sloot gegooid.

De voornoemde specifieke omstandigheden van de verkrachtingen begaan in 1987 en 2000 vertonen gelijkenis met de toedracht van de verkrachting van [slachtoffer] .

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de verkrachting van [slachtoffer] .

7.8

Doodslag.

7.8.1

Betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 10] en [getuige 11].

Twee getuigen, [getuige 10] en [getuige 11] , hebben verklaard dat verdachte in de periode dat zij tezamen met hem in een tbs-kliniek verbleven, uitlatingen tegenover hen heeft gedaan die zij in verband brengen met de dood van [slachtoffer] .

[getuige 10] heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard:

“ [verdachte] heeft op een gegeven moment uitlatingen gedaan over een zaak die nog niet bekend was. Dat was op een dag dat we eigenlijk in de tuin zouden gaan werken maar even later bleek dat we die dag geen tuinwerk hadden, de tuin was gesloten. (…) [verdachte] en ik zijn toen blijven zitten en zo is dat gesprek ontstaan. (…) We zaten daar en we hadden het ergens over en hij zei dat hij ergere dingen had gedaan dan waarvoor hij zat. (…) Ik maakte een grapje over een fietsendiefstal. Hij zei nee en dat hij een moord had gepleegd. Ik zei dan ook waarvoor je hier zit? Nee zei hij en toen zei ik dat hij dan beter zijn mond kon houden. Het zou dus een grapje van hem kunnen zijn maar gezien de situatie nu dat er DNA van hem is gevonden en er een delict is gepleegd denk ik dat het geen grapje is. Op dat moment nam ik hem niet serieus.”150

[getuige 11] heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard:

“ [verdachte] heeft tegen mij gezegd dat hij een vriendin, een meisje heeft vermoord. (…) Hij zei toen iets van ik heb een meisje, vrouw, vriendin afgemaakt. Dat was niet vanwege lust of wat dan ook, maar omdat zij hem belachelijk maakte, zo zei [verdachte] (…) [verdachte] heeft toen volgens mij tegen mij gezegd dat hij haar wilde wurgen en heeft geprikt met een tak. Hij was niet van plan om haar te vermoorden en had dus niets meegenomen. (…) Ik heb ervan gemaakt dat hetgeen waar hij haar mee geprikt heeft, dat dat een tak was. [verdachte] had het over iets wat daar lag. Ik dacht daarom dat het een tak was. Met geprikt bedoel ik gestoken. (…) Ik weet niet of [verdachte] het meisje langer kende. [verdachte] zei dat het meisje hem belachelijk had gemaakt. Ik zei toen, was dat om je lalla? Daarmee bedoel ik zijn geslachtsdeel. (…) Toen [verdachte] mij het verhaal vertelde nam ik hem niet serieus. (…) Maar nu, toen hij op het nieuws kwam, toen viel alles op zijn plek.”151

Beide getuigen hebben bovendien verklaard dat zij telefonisch met elkaar hebben gesproken over de uitlatingen die verdachte tegenover ieder van hen zou hebben gedaan en dat zij daarbij ook hebben gesproken over een beloning die door de politie was uitgeloofd voor het geven van informatie over de zaak van [slachtoffer] .

De rechtbank ziet in de omstandigheid dat over een beloning is gesproken geen aanleiding om de verklaringen van de getuigen op voorhand reeds als onbetrouwbaar aan te merken. Daarbij heeft mede een rol gespeeld dat de inhoud van de verklaringen van beide getuigen niet zodanig is dat deze op elkaar lijken te zijn afgestemd en voorts dat uit afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken die de getuigen met elkaar hebben gevoerd niet de indruk is ontstaan dat zij de verdachte bewust onterecht hebben willen belasten.

Op grond van de inhoud van de verklaringen echter, komt de rechtbank tot het oordeel dat onvoldoende betrouwbaar is dat verdachte – zo hij de genoemde uitlatingen al heeft gedaan – daarmee de waarheid heeft verteld. Diverse getuigen hebben verklaard dat er in de tbs-kliniek een groot statusverschil bestond tussen zedendelinquenten en niet-zedendelinquenten. Zedendelinquenten hadden een lage status en niet zelden werden zij gepest en beschimpt door niet-zedendelinquenten. Verdachte verbleef als zedendelinquent in de kliniek. Beide getuigen verbleven daar vanwege andere misdrijven dan zedenmisdrijven. Bezien in het licht daarvan acht de rechtbank het onwaarschijnlijk dat verdachte ontboezemingen – zoals door de getuigen genoemd – die hem ernstig nadeel zouden kunnen berokkenen aan deze getuigen zou hebben gedaan.

Getuigen [getuige 10] en [getuige 11] hebben verklaard dat zij zijn uitlatingen destijds niet serieus hebben genomen en [getuige 10] heeft tevens verklaard dat hij ervan uitging dat verdachte deze uitlatingen had gedaan om zich een hogere status te verwerven.

In het geval verdachte last zou hebben gehad van gewetensnood, had het meer voor de hand gelegen als hij daarover zou hebben gesproken met [getuige 14] , met wie hij beste maatjes was. Dat heeft verdachte echter niet gedaan, zo heeft [getuige 14] verklaard.

Ten slotte zijn er details in de inhoud van de verklaring van [getuige 11] , zoals het woord ‘vriendin’ en ‘dat zij hem belachelijk zou hebben gemaakt’ waarvan het de rechtbank onwaarschijnlijk voorkomt dat zij op de doodslag van [slachtoffer] zien, terwijl de [getuige 10] niet méér heeft gehoord dan dat de verdachte iemand vermoord zou hebben. De verklaringen van [getuige 11] en [getuige 10] zijn daarmee onvoldoende concreet om tot enig bewijs in deze strafzaak te kunnen dienen.

De rechtbank merkt overigens op dat andere getuigen door de rechter-commissaris zijn gehoord over de verklaringen afgelegd door de getuigen [getuige 11] en [getuige 10] . Dit heeft niet tot verdere ondersteuning van hun uitlatingen geleid.

Op voornoemde gronden is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de getuigen niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

7.8.2

Feiten en omstandigheden in belastende en ontlastende zin.

De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

  • -

    i) Op 6 oktober 1995 om 05.10 uur vertrok [slachtoffer] op de fiets vanuit de woning van haar oma naar haar bijbaantje. Sinds dit vertrek is van haar geen teken van leven meer vernomen.

  • -

    ii) De fiets werd in de avond aangetroffen in de rivier De Dommel nabij de route die [slachtoffer] gewoonlijk fietste als ze naar haar werk ging.

  • -

    iii) Ruim zes weken na de verdwijning van [slachtoffer] werd haar levenloze lichaam aangetroffen in een bosperceel. Zij was door geweld om het leven gekomen en haar lichaam vertoonde sporen van steek- en/of snijletsel in de linker borstkas en letsel aan het hoofd en de kaak. Het lichaam was afgedekt met conifeertakken.

  • -

    iv) Op de jas van [slachtoffer] werd een haar van verdachte gevonden.

  • -

    v) Het bosperceel waar het lichaam van [slachtoffer] werd gevonden ligt hemelsbreed 12,6 kilometer van de plaats waar haar fiets werd gevonden.

  • -

    vi) Verdachte had op de dag dat [slachtoffer] verdween de beschikking over een personenauto. Op 25 oktober 1995 deed verdachte aangifte van diefstal van die auto in Valkenswaard in de nacht van 24 op 25 oktober 1995. Hij meldde de diefstal bij zijn verzekeraar en leverde drie originele sleutels in. Op 1 december 1995 werd de auto aangetroffen in het water van een rivier in ’s-Hertogenbosch. Er werden geen sporen van braak aangetroffen. In het contactslot van de auto zat een daarop passende sleutel.

  • -

    vii) Verdachte heeft [slachtoffer] verkracht.

Naar het oordeel van de rechtbank wijzen deze feiten en omstandigheden ook voor wat betreft de doodslag in sterke mate in de richting van verdachte. Immers, verdachte had een ernstig misdrijf gepleegd, de verkrachting van een 15-jarig meisje. Dat hij wilde voorkómen dat zij aangifte bij de politie zou doen en verdere getuigenis ervan zou afleggen, is een voor de hand liggend motief voor de doodslag. Bovendien, bij eerdere en latere verkrachtingen heeft verdachte zijn slachtoffers gedreigd hen de keel door te snijden of “lek te steken” als zij niet zouden meewerken. Het aangetroffen steek- en/of snijletsel past in die lijn. De dubieuze omstandigheden waaronder de auto van verdachte is teruggevonden, kunnen in verband worden gebracht met het uitwissen van sporen.

Echter, voor het oordeel of deze feiten en omstandigheden voldoende redengevend zijn voor de bewezenverklaring van doodslag kan de rechtbank er niet de ogen voor sluiten dat het DNA-onderzoek er op wijst dat naast verdachte en [getuige 12] nog een derde persoon DNA heeft bijgedragen aan de spermasporen. Alle door de rechtbank geraadpleegde deskundigen zijn het daarover eens (paragraaf 7.4).

7.8.3

Gevolgen van DNA derde persoon voor de bewijsbeslissing.

Verdachte is pas in beeld gekomen nadat zijn DNA werd vergeleken met het DNA van aangetroffen spermasporen, zeventien jaar na de doodslag. De reden waarom verdachte in beeld kwam, is gelegen in de eerdere veroordeling voor verkrachting. Het is een cold case onderzoek eigen, dat verdachtes doen en laten op de dag van de verdwijning van [slachtoffer] en de periode daarna niet meer voldoende kon worden nagegaan. Ook kon aan de auto die verdachte in die tijd in bezit had gehad geen sporenonderzoek meer worden verricht, omdat die auto na te zijn teruggevonden in het water, was verkocht en naar het buitenland was geëxporteerd. Het enige directe bewijs betreft verdachtes spermaspoor en zijn haar op de jas. Juist aan de belangrijkste pijler van het bewijs, het spermaspoor, kleeft de bijzonderheid dat het niet enkel van verdachte en [getuige 12] afkomstig is, maar mogelijk van nog een derde persoon.

Er is geen aanvullend bewijs tegen verdachte op grond waarvan de rechtbank de DNA-kenmerken van een derde persoon in het spermaspoor kan negeren.

De rechtbank heeft onderzocht hoe de aanwezigheid van DNA van een derde persoon kan worden verklaard (paragraaf 7.3). Op grond van de deskundigenverhoren heeft zij kunnen vaststellen dat het niet het DNA van [slachtoffer] betreft. Voorts acht de rechtbank het zo goed als uitgesloten dat het DNA afkomstig is van een vrijwillig seksueel contact van [slachtoffer] voorafgaande aan haar verdwijning.152 Ten slotte heeft de rechtbank onderzocht of het DNA van een derde persoon is veroorzaakt door bij het forensisch onderzoek ontstane contaminatie van het spoor of de bemonstering. De rechtbank heeft die mogelijkheid als reëel aangemerkt, maar zij heeft niet kunnen vaststellen dat contaminatie de meest waarschijnlijke verklaring is.

De rechtbank zal daarom ook andere mogelijke verklaringen in ogenschouw moeten nemen, in het bijzonder die welke de verdachte als dader van de doodslag uitsluiten. Omdat het bewijs dat verdachte [slachtoffer] heeft gedood boven redelijke twijfel moet zijn verheven, mogen de bewijsmiddelen immers geen reële ruimte laten voor verklaringen of scenario’s waarin de verdachte niet de dader is.

7.8.4

Het scenario van een alternatieve dader.

In dit verband ziet de rechtbank het mogelijke scenario van een tweede persoon die [slachtoffer] ook heeft verkracht. In het geval dat deze tweede dader de doodslag heeft gepleegd zonder daarbij nauw en bewust met verdachte te hebben samengewerkt, is verdachte niet schuldig aan de doodslag van [slachtoffer] .

Bij gebreke van enig ander bewijs dat wijst op verdachte als dader van de doodslag, is dit scenario naar het oordeel van de rechtbank niet zo onwaarschijnlijk, dat de mogelijkheid dat niet verdachte maar een ander persoon de doodslag heeft begaan in redelijkheid kan worden uitgesloten. Het bewijs is daarom ontoereikend om verdachte als dader van de doodslag aan te wijzen.

De rechtbank heeft zich vervolgens afgevraagd of de proceshouding van verdachte tot een ander oordeel kan leiden.

7.8.5

De proceshouding van verdachte.

Nadat verdachte zich aanvankelijk gedurende lange tijd op zijn zwijgrecht had beroepen, heeft hij op eigen verzoek ten overstaan van de rechter-commissaris een – hem ontlastende – verklaring gegeven voor de mogelijke aanwezigheid van zijn sperma in het lichaam en op kleding van het slachtoffer. Deze verklaring heeft de rechtbank als onaannemelijk en ongeloofwaardig van de hand gewezen.

De verdachte heeft geen verklaring gegeven op grond waarvan aannemelijk is dat ondanks de door hem gepleegde verkrachting niet hij maar een ander het slachtoffer heeft gedood. De vraag is of de rechtbank ten nadele van verdachte betekenis aan dit stilzwijgen kan en moet toekennen. Uit jurisprudentie volgt dat aan het zwijgen van verdachte betekenis toekomt als sprake is van bewijs tegen hem dat een ‘prima facie zaak’ oplevert en dat schreeuwt om een verklaring van de zijde van verdachte. Anders gezegd zal de rechtbank moeten beoordelen of het bewijs zodanig sterk is dat de enige verstandige conclusie die uit het stilzwijgen van de verdachte kan worden getrokken, de conclusie is dat de verdachte er simpelweg geen antwoord op hééft. In dat geval kan het uitblijven van een verklaring tot een bewezenverklaring van de doodslag leiden.

De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Juist vanwege de omstandigheid dat er DNA van een derde, onbekende, persoon in diverse spermasporen is aangetroffen, is er sprake van twee mogelijke daders, die ieder in gelijke mate voor het individuele daderschap in aanmerking komen terwijl geen enkel bewijsmiddel voorhanden is dat wijst op een eventuele nauwe en bewuste samenwerking tussen hen op grond waarvan zij beiden als medepleger van de doodslag zouden kunnen worden aangemerkt. Feit is dat het aangetroffen sperma van verdachte onmiskenbaar een daderspoor voor de verkrachting is. Voor de doodslag is het echter geen daderspoor en is het ontoereikend om als ‘prima facie zaak’ te kunnen gelden. Het feit dat tevens een haar van verdachte werd aangetroffen leidt niet tot een ander oordeel. Ook deze haar, aangetroffen op de jas van het slachtoffer, kan niet als een daderspoor voor de doodslag worden aangemerkt, ook niet als zij wordt bezien in samenhang met het aangetroffen sperma.

Verdachte heeft op vragen van het openbaar ministerie en de rechtbank steeds geantwoord dat hij niets met de doodslag heeft te maken. Hij heeft geen feiten en omstandigheden genoemd die deze ontkenning kracht bij zetten, terwijl er toch van mag worden uitgegaan dat hij in dat geval – indien hij werkelijk niet schuldig is aan de doodslag – zou kunnen verklaren hoe hij [slachtoffer] na de verkrachting heeft achtergelaten. Het moge zo zijn dat de door hem gepleegde verkrachting van [slachtoffer] naar ethische normen en maatstaven schreeuwt om uitleg over de wijze waarop hij haar na de verkrachting heeft achtergelaten. Juridisch gezien echter, staat naar het oordeel van de rechtbank het nemo tenetur-beginsel eraan in de weg om aan dit ethisch verwerpelijke stilzwijgen betekenis toe te kennen voor het bewijs van de doodslag. Het nemo tenetur-beginsel is één van de belangrijkste grondbeginselen van het Nederlandse straf(proces)recht. Het houdt in dat niemand verplicht of gedwongen kan worden aan zijn eigen veroordeling mee te werken. Het zwijgrecht is een uitwerking van dit beginsel. Het is een principieel uitgangspunt voor de procespositie van een verdachte in het Nederlandse strafproces.

Indien onder deze omstandigheden het stilzwijgen van verdachte in zijn nadeel zou worden uitgelegd, zou het nemo tenetur-beginsel geschonden zijn en zou in wezen een omkering van de bewijslast worden aanvaard, waarmee de grenzen van strafvordering zouden worden overschreden.

7.8.6

Conclusie.

Hoewel de eerder geschetste feiten en omstandigheden sterk in de richting van verdachte wijzen als degene die [slachtoffer] heeft gedood, zijn zij toch onvoldoende redengevend om wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte de doodslag ook daadwerkelijk heeft gepleegd. De mogelijkheid dat niet verdachte maar een ander het slachtoffer heeft gedood, is naar het oordeel van de rechtbank niet zo onwaarschijnlijk, dat die mogelijkheid in redelijkheid kan worden uitgesloten. Derhalve moet verdachte van de doodslag worden vrijgesproken.

8 De bewezenverklaring

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hiervoor uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is, dat verdachte

(1.)

in de periode van 6 oktober 1995 tot en met 22 november 1995 in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] (geboren op [1980] ) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina en/of anus van die [slachtoffer] gebracht/geduwd/gehouden en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- die [slachtoffer] heeft meegenomen en/of vastgehouden dan wel anderszins van de vrijheid heeft beroofd (gehouden) en/of - heeft bedreigd met een mes, althans een scherp voorwerp en/of

- met een mes, in elk geval met een scherp voorwerp, in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken en/of - een of meer (andere) vormen van geweld en/of (andere) geweldshandelingen op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] en/of tegen die [slachtoffer] heeft toegepast/uitgeoefend, en aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

9 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

10 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

11 De motivering van de beslissing

11.1

De eis van de officier van justitie.

Het openbaar ministerie heeft een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van 14 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Tevens heeft het openbaar ministerie verzocht de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte bij einduitspraak op te heffen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht.

11.2

Het standpunt van de verdediging.

Met verwijzing naar vaste rechtspraak heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat, rekening houdend met het bepaalde in artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, bij bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van ten hoogste veertien jaren kan worden opgelegd.

In het geval dat de rechtbank tot strafoplegging zou overgaan, heeft de verdediging op verschillende gronden matiging van de door het openbaar ministerie gevorderde straf bepleit. Daartoe heeft zij, verkort en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

De redelijke termijn is overschreden. De procedure in eerste aanleg is niet binnen zestien maanden (voor voorlopig gehechte verdachten) noch binnen twee jaren (voor overige zaken) afgerond. De sinds november 2015 opgelopen vertraging naar aanleiding van het onderzoek naar de ‘nieuwe getuigen’ en het door de rechtbank ambtshalve bevolen statistische DNA-onderzoek door een derde deskundige, kan niet aan verdachte worden tegengeworpen in het kader van de redelijke termijn. De zaak had reeds een jaar geleden afgerond kunnen zijn. Op de voet van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dient met deze overschrijding van de redelijke termijn in het voordeel van de verdachte rekening gehouden te worden. Ook dient rekening gehouden te worden met de zeer lange duur van de voorlopige hechtenis van de verdachte, waarbij is benadrukt dat de verdachte gedurende de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis verplicht heeft moeten verblijven in een tbs-kliniek waarbij als één van de bijzondere voorwaarden is gesteld dat hij niet op verlof mocht.

Met verwijzing naar de pro justitia-rapporten van psycholoog Oudejans en psychiater Offermans, van respectievelijk 25 en 24 november 2014, heeft de verdediging zich verder op het standpunt gesteld dat het aannemelijk is dat er destijds bij de verdachte een stoornis aanwezig is geweest en dat alsdan sprake is geweest van enige doorwerking van die stoornis. De verdediging gaat er dan ook van uit dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten (enigszins) verminderd toerekeningsvatbaar was. Ook met deze omstandigheid dient de rechtbank in strafmatigende zin rekening te houden.

Verder is aangevoerd, wederom met verwijzing naar genoemde pro justitia-rapporten, dat bij een eventuele strafoplegging een hernieuwde maatregel van terbeschikkingstelling niet aan de orde kan zijn, omdat daarvoor elke grond ontbreekt. Een advies voor behandeling of begeleiding in een strafrechtelijk kader wordt niet geïndiceerd geacht door de gedragsdeskundigen, mede gelet op het feit dat de persoonlijkheidsstoornis thans milde kanten laat zien, de verslavingsproblematiek intramuraal en extramuraal onder controle lijkt te zijn en er geen sprake is van psychopathologie. Het recidiverisico is door de gedragsdeskundigen als klein tot zeer klein ingeschat.

De omstandigheid dat verdachte zich niet bij de politie heeft gemeld in de tussenliggende jaren mag niet als een strafverzwarende omstandigheid worden betrokken. Het nalaten hiervan kan de verdachte in strafrechtelijke zin niet worden verweten. Het is immers één van de grondbeginselen van het Nederlandse strafrecht, dat niemand verplicht kan worden aan zijn eigen veroordeling mee te werken.

Bovendien heeft de zaak zeer veel media-aandacht gegenereerd, door de verdediging gekenmerkt als een trial by media. Dit heeft niet slechts negatieve consequenties voor de zaak gehad, maar zeker ook voor de persoon van verdachte. De zaak is in de media, op instigatie van het openbaar ministerie, van meet af aan gepresenteerd als een uitgemaakte zaak. Ook het voorgaande dient tot strafvermindering te leiden.

Ten slotte moet bij de strafoplegging worden gekeken naar de straffen die rechterlijke colleges eerder in soortgelijke zaken hebben opgelegd.

11.3

Het oordeel van de rechtbank.

Maatgevend voor de beslissing over de straf die verdachte toekomt, zijn de aard en de ernst van het door hem gepleegde strafbare feit, de omstandigheden waaronder hij dit feit heeft gepleegd, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het wettelijke strafmaximum voor het betreffende feit en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft [slachtoffer] verkracht. Zij was toen pas 15 jaar oud. De rechtbank rekent het de verdachte zeer zwaar aan dat hij door de verkrachting de lichamelijke en geestelijke integriteit van zo een jeugdig meisje, dat niet de weerbaarheid en spankracht van een volwassene heeft, ernstig en wezenlijk beschadigd heeft. Het handelen van verdachte getuigt van een vergaand gebrek aan eerbied en respect voor de eigenheid en het welzijn van [slachtoffer] , die, mocht zij in leven zijn gebleven, door verdachte niet met zo een groot trauma en ernstige beschadiging van haar persoonlijkheid had mogen worden opgezadeld.

Aangenomen moet worden dat [slachtoffer] extreme angst en gevoelens van paniek heeft gevoeld door het handelen van verdachte. Het valt nauwelijks voor te stellen wat [slachtoffer] in de vroege ochtend van 6 oktober 1995 heeft doorgemaakt en hoe zeer zij heeft geleden.

Het is zeer te betreuren dat de naasten van [slachtoffer] na haar verdwijning weken in grote onzekerheid een angst hebben verkeerd over haar lot. En ook dat tot nu toe de naasten geen duidelijkheid hebben kunnen verkrijgen over wat er gebeurd is met [slachtoffer] na de verkrachting door verdachte. De weken van grote zorgen en angst tot het moment van het vinden van het levenloze lichaam van [slachtoffer] en de jarenlange en nog steeds voortdurende periode van onduidelijkheid over de manier waarop zij het leven heeft gelaten, moeten een zware wissel hebben getrokken op het leven en geluk van de naasten. De rechtbank is zich hiervan ten volle bewust. Gelet op de vrijspraak van de doodslag, kunnen deze omstandigheden evenwel niet meewegen in de bepaling van de straf van verdachte.

Op grond van het bovenstaande en mede gezien de mate waarin de rechtsorde (ook nu nog) door het plegen van het bewezen verklaarde strafbare feit is geschokt, acht de rechtbank een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden.

Geen maatregel van terbeschikkingstelling.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of aan verdachte een (nieuwe) tbs-maatregel moet worden opgelegd.

Op 25 november 2014 heeft psycholoog J.M. Oudejans een psychologisch rapport over verdachte opgemaakt en het psychiatrisch rapport van psychiater J.M.J.F. Offermans dateert van 24 november 2014. Met verwijzing naar deze pro justitia-rapporten heeft het openbaar ministerie zich op het standpunt gesteld dat het opleggen van een dergelijke tbs-maatregel niet mogelijk is en daarom heeft zij deze maatregel niet gevorderd. De verdediging heeft zich bij dat standpunt aangesloten.

De rechtbank overweegt aldus. Psycholoog Oudejans heeft gesteld dat het niet goed mogelijk is om vanuit gedragskundig perspectief gefundeerde en geïndividualiseerde uitspraken te doen over de kans op herhaling. Dit omdat het niet mogelijk is om de aard en ernst van de ten tijde van het bewezen verklaarde aanwezige problematiek noch om de eventuele doorwerking daarvan te beoordelen. Indien de huidige diagnostische bevindingen worden gebruikt om uitspraken te doen over de kans op ernstig seksueel gewelddadig gedrag, dan kan op basis van een gestructureerde klinische risico-taxatie het volgende worden gesteld, aldus de psycholoog. Er is bij verdachte sprake van een milde – en sterk verbleekte – persoonlijkheidsproblematiek, die duidelijk maakt dat verdachte in ruime mate heeft geprofiteerd van zijn tbs-behandeling. Er is sprake van meer reflectie, meer (gewetens)remming, meer keuzevrijheid en meer controle. Hij heeft aanzienlijk meer zicht gekregen op zichzelf en zijn kwetsbaarheden, overgevoeligheden en valkuilen, en die kwetsbaarheid is minder geworden omdat hij nu om zichzelf geeft en trots is op wie hij is en wat hij bereikt heeft. Het vermogen van verdachte om anders met zijn boosheid en andere onlustgevoelens om te gaan is versterkt, waardoor hij bij krenkingen en kwetsingen en conflicten (die minder snel zullen optreden) meer opties heeft gekregen om (anders) met zijn agressie om te gaan. In dat verband merkt de psycholoog op dat verdachte niet voldoet aan de criteria voor psychopathie. Ten slotte is overwogen dat verdachte zich acuut bewust is van de risico’s van een terugval in excessief cocaïne- en alcoholgebruik, hetgeen zich heeft vertaald in een zeer langdurige volledige abstinentie van middelen, ondanks beperkt toezicht. De psycholoog heeft geconcludeerd dat, ook indien de tbs onvoorwaardelijk beëindigd zou worden en iedere vorm van begeleiding zou wegvallen, het recidiverisico klein tot zeer klein is.

Psychiater Offermans heeft zich op het standpunt gesteld dat het hoe dan ook wenselijk is dat de tbs-behandeling van verdachte, opgelegd naar aanleiding van een verkrachting in 2000, wordt afgerond. Deze behandeling bevond zich ten tijde van de aanhouding van verdachte in de onderhavige zaak in de eindfase. Volgens de psychiater is er geen indicatie om een nieuwe tbs-maatregel op te leggen. Hierbij speelt onder meer een rol dat het bewezen verklaarde niet recentelijk heeft plaatsgevonden, maar nog voorafgaande aan de tbs-delicten en er in de tbs-behandeling voldoende zorg en aandacht is besteed aan zowel seksueel grensoverschrijdend gedrag en agressief gedrag. Het behandelresultaat mag als goed worden beschouwd. De persoonlijkheidsstoornis van verdachte laat thans milde kanten zien, de verslavingsproblematiek intramuraal en extramuraal lijkt onder controle te zijn en er is bij verdachte geen sprake van psychopathie.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat beide deskundigen geen gronden hebben gevonden om in het kader van de recidivepreventie een advies voor begeleiding of behandeling in een strafrechtelijk kader uit te brengen.

Waar er ten tijde van het opleggen van de (huidige) maatregel van terbeschikkingstelling aan verdachte voor een verkrachting in 2000 een zodanig gevaar voor herhaling van ernstige (gewelds)- delicten aanwezig werd geacht dat destijds het opleggen van de maatregel noodzakelijk werd bevonden, bestaan thans naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanwijzingen dat het recidiverisico bij verdachte voor het wederom plegen van een met dat indexdelict vergelijkbaar feit ten gevolge van de succesvolle tbs-behandeling (tot nu toe) dermate klein is, dat dit het opleggen van een (nieuwe) tbs-maatregel niet kan rechtvaardigen. In het licht hiervan ziet ook de rechtbank daarom geen aanleiding om wederom aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen.

De rechtbank zal hierna ingaan op de strafmatigende verweren van de verdediging .

Trial by media.

De verdediging heeft betoogd dat in de onderhavige zaak sprake is van een trial by media en dat er om die reden geen sprake meer is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM. Volgens de verdediging is de zaak, op instigatie van het openbaar ministerie, van meet af aan gepresenteerd als een uitgemaakte zaak. Om deze reden dient strafvermindering aan de orde te zijn.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Als uitgangspunt neemt de rechtbank dat van trial by media onder meer sprake kan zijn als in strijd met de onschuldpresumptie wordt gehandeld en de verdachte zich niet alleen voor de rechter moet verantwoorden, maar ook via de media terechtstaat en die media een zodanig beeld schetsen dat ‘het publiek’ zich een niet meer uitwisbare mening vormt over verdachte en over de schuldvraag waarna een rechterlijke uitspraak die mening niet meer kan beïnvloeden.

Naar het oordeel van het rechtbank moet vooropgesteld worden dat de hoeveelheid media-aandacht in deze cold case zaak, gelet op de aard, ernst en duur hiervan, een normaal gevolg is geweest van journalistiek onderzoek. Het is de taak van de media om het publiek te informeren. De media hebben in deze een eigen verantwoordelijkheid, die in beginsel niet ter toetsing van de (straf)rechter staat; dat wil zeggen zolang zij zich niet schuldig maken aan een strafbaar feit of zich naar burgerlijk recht onrechtmatig gedragen. Dat media bepaalde feiten (al dan niet onjuist of gekleurd) publiceren, kan niet worden verweten aan het openbaar ministerie, tenzij kan worden aangetoond dat het openbaar ministerie daarin een actieve rol heeft gehad. In de onderhavige zaak is dit geenszins gebleken. Gelet op dit alles kan niet gezegd worden dat het openbaar ministerie een verwijtbare rol heeft gehad in de media-aandacht. Bovendien is allerminst gebleken dat de media een dusdanige beïnvloedende rol in deze zaak hebben gespeeld, dat om die reden sprake is van een inbreuk op het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging op dit punt.

Redelijke termijn.

Ten aanzien van het verweer van de verdediging, dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden, overweegt de rechtbank als volgt.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn heeft in beginsel het volgende te gelden.

Wat betreft de berechting van een zaak dient de zaak ter terechtzitting te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren, nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, behoudens bijzondere omstandigheden.

Als omstandigheden waarvan de redelijkheid van de duur van een zaak afhankelijk is hebben onder meer te gelden de ingewikkeldheid van een zaak, waartoe ook de omvang van het verrichte onderzoek, de invloed van verdachte en zijn raadslieden op het procesverloop, alsmede de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Ervan uitgaande dat bedoelde termijn een aanvang heeft genomen op het moment dat verdachte in verzekering is gesteld, te weten 14 januari 2014, kan worden vastgesteld dat op het moment dat vonnis is gewezen, de vervolging van verdachte meer dan twee jaren in beslag heeft genomen.

De rechtbank acht de duur van de strafprocedure onwenselijk, maar zeker niet onredelijk. De onderhavige zaak heeft een zéér complex karakter, met name vanwege de vele, uitgebreide en ingewikkelde DNA- en statistische onderzoeken, die gedeeltelijk mede op verzoek van de verdediging, zijn uitgevoerd. Ook de tijd die de behandeling van de zaak ter terechtzitting heeft gekost heeft de rechtbank hierbij in aanmerking genomen. De behandeling heeft in totaal 21 zittingsdagen beslagen.

Niet voorzienbaar was dat in november 2015 kort voor aanvang van het (toen voorgenomen) requisitoir twee getuigen zich meldden met mogelijk belastende informatie over verdachte. De hierdoor veroorzaakte vertraging van het proces voor onderzoek naar die getuigenverklaringen kan bezwaarlijk aan het openbaar ministerie worden tegengeworpen. Ook het door de rechtbank ambtshalve bevolen onderzoek door de Nieuw-Zeelandse deskundige Buckleton naar de statistische bewijswaarden van de DNA-mengprofielen, heeft aanzienlijke tijd gekost. De rechtbank heeft dit onderzoek noodzakelijk geacht, omdat het haar niet voldoende duidelijk was waardoor de grote verschillen in de bevindingen van het NFI en IFS met betrekking tot de statistische bewijswaarde konden worden verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is ook dit onderzoek door deze (derde) deskundige mede in het belang van de verdachte verricht.

Rekening houdende met alle omstandigheden is de zaak naar het oordeel van de rechtbank met voldoende voortvarendheid behandeld.

Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank ook dit verweer van de verdediging af.

Stilzwijgen verdachte.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het feit dat verdachte zich in de afgelopen twintig jaar niet bij de politie heeft gemeld, niet strafverhogend mag werken. De verdachte had weliswaar door zijn stilzwijgen te verbreken een einde kunnen maken aan de jarenlange onzekerheid waarin de familie van [slachtoffer] heeft verkeerd, maar van het nalaten daarvan kan de verdachte geen strafrechtelijk relevant verwijt worden gemaakt. Het is immers één van de grondbeginselen van ons strafrecht dat niemand verplicht kan worden aan zijn eigen veroordeling mee te werken.

Verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Met betrekking tot het verweer van de verdediging dat het ten laste gelegde verdachte slechts in verminderde mate kan worden toegerekend, overweegt de rechtbank als volgt.

Volgens de psycholoog Oudejans is verdachte op dit moment lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een milde persoonlijkheidsstoornis (niet anders omschreven) met narcistisch-afhankelijke, borderline en antisociale trekken. Tevens is er sprake van middelenproblematiek die echter zo langdurig in volledige remissie is (ondanks beperkt toezicht), dat niet (meer) wordt voldaan aan de criteria van een ziekelijke stoornis. Er zijn daarbij geen aanwijzingen voor een posttraumatische stressstoornis (PTSS), noch voor een depressieve stoornis. Met betrekking tot de vraag of verdachte ten tijde van het ten laste gelegde in 1995 leed aan een psychische stoornis heeft de psycholoog overwogen dat, gegeven de beschikbare informatie over het functioneren van verdachte in die periode, in samenhang met het beschikbare pro justitia-rapport en de behandelverslagen, aannemelijk is dat er toen bij verdachte sprake was van een persoonlijkheidsstoornis en middelenproblematiek, ook omdat er in die periode nog geen sprake was van enige vorm van behandeling. Hier staat echter tegenover dat het niet mogelijk is om een gedragskundige reconstructie te maken die in staat is om op een verantwoorde wijze de aard en ernst van de toen aanwezige persoonlijkheidsproblematiek en middelenproblematiek te beoordelen. Gelet hierop en mede gezien de ontkenning van verdachte en de onmogelijkheid om zicht te krijgen op de motieven van verdachte en overwegingen rondom het ten laste gelegde, is het voor de psycholoog niet mogelijk gebleken om de eventuele doorwerking van de toen aanwezige problematiek in het ten laste gelegde te beoordelen. De psycholoog heeft zich om die reden onthouden van een conclusie met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Ter terechtzitting van 4 november 2015 heeft de psycholoog verklaard dat hij het aannemelijk acht dat er bij verdachte ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een persoonlijkheidsstoornis. Ook een bepaalde doorwerking van die persoonlijkheidsstoornis in het ten laste gelegde is volgens hem aannemelijk, maar de mate waarin de persoonlijkheidsstoornis heeft doorgewerkt in het ten laste gelegde kan hij niet beoordelen.

Psychiater J.M.J.F. Offermans heeft in zijn psychiatrisch rapport over verdachte gesteld dat er bij verdachte diagnostisch gezien sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van afhankelijkheid van alcohol en cocaïne – onder toezicht van de tbs en de huidige detentiesituatie in volledige en langdurige remissie – en tevens van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en borderline kenmerken. Verdachte beantwoordt niet aan de criteria voor een verstandelijke beperking en evenmin aan die voor psychopathie of van een PTSS. De psychiater heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat door de ontkenning van verdachte geen verband kan worden aangetoond tussen het ten laste gelegde en de stoornissen en er geen uitspraak mogelijk is over de doorwerking van de stoornissen in het ten laste gelegde.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank genoegzaam vast dat verdachte ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde verkrachting lijdende was aan een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens, die in enige mate heeft doorgewerkt in de bewezen verklaarde handelingen. De precieze mate waarin deze stoornis heeft doorgewerkt valt achteraf niet vast te stellen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank in elk geval dat het feit niet volledig aan verdachte kan worden toegerekend. Hiermee zal de rechtbank bij het bepalen van de straf dan ook in het voordeel van verdachte rekening houden.

Aftrek voorlopige hechtenis ex artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Op het moment van zijn aanhouding op 14 januari 2014 was verdachte geplaatst in de extramurale fase van zijn tbs-behandeling. Hij woonde in dat kader zelfstandig binnen het SMO in [gemeente] .

De rechtbank stelt vast dat het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte in totaal 671 dagen heeft geduurd. Het bevel is met ingang van 16 november 2015 geschorst met als bijzondere voorwaarden onder meer dat verdachte gedurende de schorsing in een tbs-kliniek moest verblijven en dat de schorsing zou eindigen als aan hem verlof zou worden toegekend. De schorsing heeft tot en met de einduitspraak vandaag 371 dagen beslagen.

In het geval dat een verdachte wordt veroordeeld tot (onder meer) een tijdelijke gevangenisstraf wordt daarop op grond van artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht in mindering gebracht de tijd die hij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Niet voor aftrek in aanmerking komt echter de tijd dat het bevel tot voorlopige hechtenis geschorst is geweest.

De rechtbank stelt vast dat ook gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis verdachte feitelijk van zijn vrijheid beroofd was, omdat hij in een tbs-kliniek moest verblijven en hem bovendien de mogelijkheid tot verlof in het kader van zijn tbs-behandeling was ontnomen.

Voornoemd wetsartikel, noch de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie verplichten echter om deze tijd in de tbs-kliniek op de uiteindelijke strafoplegging in mindering te brengen. Een algemene aanspraak op verrekening van de tijd die verdachte in de tbs-kliniek heeft verbleven kan verdachte daaraan niet ontlenen.

De rechtbank heeft echter wel termen aanwezig geacht om in strafmatigende zin beperkt rekening te houden met de tijd die verdachte in het kader van zijn geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van zijn vrijheid beroofd is geweest.

De verdediging heeft verzocht om bij een op te leggen gevangenisstraf de schorsing van de voorlopige hechtenis niet op te heffen maar in afwachting van een mogelijk hoger beroep door te laten lopen. De rechtbank ziet daartoe geen termen. Het laat uiteraard onverlet de mogelijkheid om bij het Gerechtshof wederom de schorsing van de voorlopige hechtenis te verzoeken.

Conclusie.

Aangezien de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan gevorderd door het openbaar ministerie, komt zij tot een andere strafoplegging dan geëist.

Alles overwegend zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

De schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

12. De civiele vorderingen van benadeelde partijen [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 1].

12.1

De vorderingen.

Omwille van de leesbaarheid zullen de benadeelde partijen tevens met hun voornaam worden aangeduid.

Bij brief van raadsman mr. R.A. Korver, van 29 oktober 2015, hebben benadeelde partijen [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] civiele vorderingen ingediend, allen gedateerd 21 oktober 2015. Op 10 oktober 2016 heeft de raadsman een drietal herziene civiele vorderingen van deze benadeelde partijen ingediend.

Benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert een bedrag van € 18.080,60, bestaande uit materiële schade (reiskosten strafzaak rechtbank ad. € 377,40 en reiskosten strafzaak gerechtshof ad. € 203,20) en immateriële schade (ad. € 17.500).

Benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert een bedrag van € 20.217,51, bestaande uit materiële schade (reiskosten strafzaak rechtbank ad. € 52,60, reiskosten strafzaak gerechtshof ad. € 203,20, verlofdagen bijwonen strafzaak rechtbank ad. € 1.782,74 en verlofdagen bijwonen strafzaak gerechtshof ad. € 678,97) en immateriële schade (ad. € 17.500).

Benadeelde partij [benadeelde partij 4] vordert een bedrag van € 18.350,60, bestaande uit materiële schade (reiskosten strafzaak rechtbank ad. € 647,40 en reiskosten strafzaak gerechtshof ad. € 203,20) en immateriële schade (ad. € 17.500).

Ter terechtzitting van 2 november 2015 is namens genoemde benadeelde partijen eveneens de wettelijke rente gevorderd vanaf 6 oktober 1995 tot aan de dag der algehele voldoening. Tevens is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Bij brief van raadsman mr. P.J.A. van de Laar, van 30 oktober 2015, heeft benadeelde partij [benadeelde partij 1] een civiele vordering ingediend, gedateerd 29 oktober 2015. [benadeelde partij 1] vordert een bedrag van € 15.720, bestaande uit immateriële schade (ad. € 15.000) en kosten voor rechtsbijstand (ad. € 720).

Door of namens benadeelde partij [benadeelde partij 1] is geen wettelijke rente gevorderd.

12.2

Het standpunt van het openbaar ministerie.

Het openbaar ministerie acht de benadeelde partijen ontvankelijk in hun afzonderlijke vorderingen in die zin dat zij bevoegd zijn om zich als benadeelde partijen in het onderhavige strafgeding te voegen.

De door benadeelde partijen [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] gevorderde materiële schade, voor zover betrekking op reiskosten, waaronder begrepen parkeerkosten, voor het bijwonen van de terechtzittingen in deze strafzaak bij de rechtbank zijn voldoende onderbouwd en voor toewijzing vatbaar. Ook de door benadeelde partij [benadeelde partij 3] gevorderde kosten voor het opnemen van verlofdagen voor het bijwonen van de terechtzittingen bij de rechtbank zijn voor toewijzing vatbaar.

Voor wat betreft de door hen gevorderde reiskosten met betrekking tot de terechtzittingen in deze strafzaak bij het gerechtshof in het kader van een hoger beroep, dienen zij niet-ontvankelijk verklaard te worden. Hetzelfde geldt voor de door benadeelde partij [benadeelde partij 3] gevorderde kosten voor het opnemen van verlofdagen voor het bijwonen van de terechtzittingen bij het gerechtshof. De tekst van artikel 51a juncto artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering verzet zich immers tegen vergoeding van toekomstige schade.

Gezien de lopende parlementaire discussie met betrekking tot de vergoeding van affectieschade in een strafrechtelijke procedure, heeft het openbaar ministerie zich voor wat betreft de door alle benadeelde partijen gevorderde immateriële schadevergoedingen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De door benadeelde partij [benadeelde partij 1] gevorderde kosten voor rechtsbijstand ad. € 720 zijn voor toewijzing vatbaar.

Door het openbaar ministerie is telkens verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het openbaar ministerie heeft zich niet uitgelaten over de toewijzing van de door benadeelde partijen [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] gevorderde wettelijke rente.

12.3

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en primair betoogd dat de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat de vorderingen (geheel of gedeeltelijk) afgewezen moeten worden dan wel dat de benadeelde partijen op andere gronden dan de bepleite vrijspraak in hun vorderingen (geheel of gedeeltelijk) niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] zijn op grond van het Wetboek van Strafvordering niet voegingsgerechtigd, omdat zij niet als wettelijke erfgenamen zijn aan te duiden. Evenmin schrijft de EU-Richtlijn,153 voor zover deze al directe werking in het Nederlandse recht zou hebben, niet voor dat lidstaten stiefouders- of –broers/zussen ook voor voeging in aanmerking moeten laten komen. Om deze reden dienen zij niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen. De benadeelde partijen [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 1] zijn wel voegingsgerechtigd.

Voor zover de rechtbank benadeelde partij [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] wel voegingsgerecht acht, geldt het volgende ook ten aanzien van hun vorderingen.

Met een beroep op artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de verdediging afwijzing van de door de benadeelde partijen gevorderde materiële schade bepleit, voor zover betrekking op reiskosten en kosten van verlofdagen met betrekking tot het bijwonen van de terechtzittingen bij de rechtbank. Het betreffen geen vorderingen die de benadeelde partijen onder algemene titel hebben geërfd. De gevorderde reiskosten en kosten van verlofdagen met betrekking tot de verwachte hoger beroepsprocedure kunnen niet worden toegewezen, omdat de wet geen mogelijkheid biedt voor vergoeding van toekomstige schade.

De door benadeelde partij [benadeelde partij 1] gevorderde kosten van rechtsbijstand komen niet voor toewijzing in aanmerking. Dergelijke kosten zijn immers niet aan te merken als rechtstreekse schade.

De benadeelde partijen kunnen bovendien geen aanspraak maken op de door hen gevorderde immateriële schade. Door hen is geen vergoeding van shockschade gevorderd, maar vergoeding van affectieschade. Het Nederlandse recht kent vooralsnog geen vergoeding daarvan. Het Wetsvoorstel vergoeding affectieschade is thans in behandeling bij de Tweede Kamer en is vooralsnog geen wet. De verdediging heeft in dit kader erop gewezen dat in 2005 een vergelijkbaar wetsvoorstel (Affectieschade 28.781) is aangenomen door de Tweede Kamer, maar uiteindelijk in 2010 door de Eerste Kamer is verworpen. Het verzoek van de benadeelde partijen om vooruit te lopen op invoering van het wetsvoorstel, waarbij tevens is verwezen naar de EU-Richtlijn, kan daarom niet slagen.

De verdediging heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat de vorderingen van benadeelde partijen [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] , voor zover betrekking hebbend op de gevorderde immateriële schadevergoeding en het in dat kader namens hen gevoerde verweer dat er sprake is geweest van schending van artikel 8 van het EVRM, een onevenredige belasting van het strafgeding vormen en dat ook daarom deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard moeten worden in dat deel van hun vorderingen.

12.4

Het oordeel van de rechtbank.

Op grond van artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat van rechtstreekse schade sprake is indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd.

Artikel 51f, tweede lid, Wetboek van Strafvordering juncto artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voorzien in een regeling voor kosten die nabestaanden kunnen vorderen als benadeelde partij in het strafproces bij het overlijden van iemand als gevolg van het strafbare feit. Artikel 6:108 BW geeft een limitatieve opsomming van hetgeen gevorderd kan worden. Het gaat dan om de kosten van levensonderhoud en lijkbezorging. Ook kosten die verband houden met het verkrijgen van voldoening van deze schade zijn in beginsel voor toewijzing vatbaar.

Vergoeding van andere schade dan voornoemde posten kan in beginsel niet gevorderd worden door nabestaanden in het kader van de strafprocedure.

De rechtbank stelt vast dat de vorderingen van de benadeelde partijen zijn gebaseerd op het overlijden van [slachtoffer] als gevolg van een door verdachte gepleegde doodslag. Dat feit is echter niet bewezen verklaard. Hoewel het voorgaande onverlet laat dat de benadeelde partijen ten gevolge van het overlijden van [slachtoffer] schade hebben geleden, kan niet worden vastgesteld dat het slachtoffer is overleden als gevolg van een door verdachte gepleegd strafbaar feit (doodslag). Reeds hierom zijn de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

Gelet op het voorgaande kan het verweer van de verdediging dat benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] niet voegingsgerechtigd zijn, onbesproken blijven. De overige stellingen en verweren behoeven evenmin verdere beoordeling. De rechtbank komt aan een toetsing van de vorderingen aan het Wetsvoorstel vergoeding affectieschade niet toe.

De rechtbank zal de kosten van de partijen compenseren aldus, dat elke partij haar eigen kosten draagt.

13 Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak.

De rechtbank:

verklaart het onder feit 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het ten laste gelegde onder feit 1 bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor onder feit 1 bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde onder feit 1 oplevert:

verkrachting;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straf:

gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren;

beveelt dat de tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan verdachte opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf;

heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van heden;

verklaart benadeelde partijen [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in hun afzonderlijke vorderingen;

compenseert de kosten van de partijen aldus, dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,

mr. E.C.P.M. Valckx en mr. R.J. Bokhorst, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,

en is uitgesproken op 21 november 2016.

1 Verklaring [getuige 15] d.d. 12 oktober 1995, eindproces-verbaal, pag. 92-93.

2 Proces-verbaal technisch onderzoek, blad 4-6, forensisch dossier, deel 1, bijlage 1 (bron ii.a.).

3 Rapport Gerechtelijk Laboratorium d.d. 12 april 1996, pag. 6, forensisch dossier, deel 1, bijlage 2 (bron ii.b.).

4 Rapport Gerechtelijk Laboratorium d.d. 22 juli 1996, pag. 11, forensisch dossier, deel 1, bijlage 3 (bron ii.c.).

5 Entomologisch rapport met betrekking tot sectienummer 1995-499, van 27 mei 2011 (bron xxxiii.).

6 Relaasproces-verbaal, eindproces-verbaal, pag. 14 en verklaring [getuige 16] d.d. 9 oktober 1995, eindproces-verbaal, pag. 87.

7 NFI-rapport d.d. 18 december 2012, p. 1/3, forensisch dossier, deel 3, bijlage 61 (bron ii.k.).

8 Herzien NFI-rapport d.d. 1 oktober 2013, pag. 3, forensisch dossier, deel 3, bijlage 62 (bron ii.1.).

9 NFI-rapport d.d. 6 november 2013, p. 3/4 en 4/4, forensisch dossier, deel 3, bijlage 60 (bron ii.m.).

10 Rapport d.d. 12 april 1996, Gerechtelijk Laboratorium, pag. 6, forensisch dossier, deel 1, bijlage 2 (bron ii.b.).

11 NFI-rapport d.d. 12 september 2011, pag. 3 en 4, forensisch dossier, deel 2, bijlage 41 (bron ii.g.).

12 NFI-rapport d.d. 26 januari 2012, pag. 11 en 12, forensisch dossier, deel 2, bijlage 21 (bron ii.j.).

13 NFI-rapport d.d. 13 januari 2012, pag. 5 en 10, forensisch dossier, deel 2, bijlage 45 (bron ii.i.).

14 NFI-rapport d.d. 28 november 2013, pag. 32 en 33, forensisch dossier, deel 3, bijlage 48 (bron ii.n.).

15 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 85 en 86.

16 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 87.

17 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 86.

18 De conclusie dat de beschadiging aan de tiende rib is veroorzaakt door steekletsel, en niet ten tijde van de sectie, wordt onderschreven in het rapport van dr. med. D. Spendlove d.d. 23 februari 2015, pag. 16-20, 24, 25 en 39 (bron iii.).

19 NFI-rapport d.d. 28 november 2013, pag. 34, 35 en 36, forensisch dossier, deel 3, bijlage 48 (bron ii.n.).

20 Herzien NFI-rapport d.d. 1 oktober 2013, pag. 3, forensisch dossier, deel 3, bijlage 62 (bron ii.l.).

21 Rapport Gerechtelijk Laboratorium d.d. 22 juli 1996, pag. 11, forensisch dossier, deel 1, bijlage 3 (bron ii.c.).

22 NFI-rapport d.d. 12 augustus 2011, forensisch dossier, deel 2, bijlage 13 (bron ii.f.).

23 NFI-rapport d.d. 12 augustus 2011, pag. 7 en 8, forensisch dossier, deel 2, bijlage 13 (bron ii.f.).

24 Rapport Gerechtelijk Laboratorium d.d. 22 juli 1996, pag. 11, forensisch dossier, deel 1, bijlage 3 (bron ii.c.).

25 NFI-rapport d.d. 12 augustus 2011, pag. 10 en 12, forensisch dossier, deel 2, bijlage 13 (bron ii.f.).

26 NFI-rapport d.d. 12 augustus 2011, pag. 13, laatste alinea en pag. 14, in kader geplaatste tekst, forensisch dossier, deel 2, bijlage 13 (bron ii.f.).

27 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 48.

28 NFI-rapport d.d. 14 oktober 2011, forensisch dossier, deel 3, bijlage 55 (bron ii.h.).

29 Verklaring [getuige 12] d.d. 1 september 2011, eindproces-verbaal, p. 171.

30 NFI-rapport d.d. 18 december 2012, forensisch dossier, deel 3, bijlage 61 (bron ii.k.).

31 Herzien NFI-rapport d.d. 1 oktober 2013, forensisch dossier, deel 3, bijlage 62 (bron ii.l.); dit rapport vervangt het NFI-rapport d.d. 13 september 2013 waarin op pagina’s 2 en 3 bij hypotheses 1D en 3D de [verdachte] is vermeld waar [getuige 12] had moeten staan (forensisch dossier, deel 3, bijlage 63).

32 Herzien NFI-rapport d.d. 1 oktober 2013, pag. 2, forensisch dossier, deel 3, bijlage 62 (bron ii.l.); zie ook IFS-rapport d.d. 20 september 2015, pag. 47 en 66 (bron viii.) (waar kennelijk het woord ‘partiële’ is weggevallen) en pag. 70.

33 De definitie van ‘complex’ is afkomstig uit “De essenties van forensisch DNA-onderzoek”, Hoofdstuk 10, pag. 4, NFI, versie 3, september 2007 (bron xiv.).

34 NFI-rapport d.d. 12 augustus 2011, forensisch dossier, deel 2, bijlage 13 (bron ii.f.); de verantwoordelijk deskundige was toen drs. ing. T.J.P. de Blaeij.

35 IFS-rapport d.d. 20 september 2015, pag. 87 (bron viii.).

36 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 54 en 55.

37 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 55.

38 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 56.

39 Het rapport is ondertekend met de naam J. Klaver, omdat deskundige Koopman toen de achternaam Klaver voerde.

40 Herzien NFI-rapport d.d. 1 oktober 2013, forensisch dossier, deel 3, bijlage 62 (bron ii.l.).

41 De analyse werd uitgevoerd door dr. M. Perlin, ontwerper van dat computerprogramma en tevens Chief Scientific Officer bij Cybergenetics.

42 In het rapport van Eikelenboom is de afkorting SF aan de aanduiding van de bemonstering toegevoegd om uit te drukken dat het de stringente lysisfractie betrof.

43 Hoewel Cybergenetics (TrueAllele) andere bewoordingen gebruikt om de bewijskracht uit te drukken, betreffen de getallen die zij berekent steeds de likelihood ratio.

44 Cybergenetics (TrueAllele) heeft niet dezelfde hypothesen als het NFI (LRMix) onderzocht maar enkel de hypothesen ‘het celmateriaal van verdachte zit in het monster’ versus ‘het celmateriaal van verdachte zit niet in het monster’.

45 Hun verhoor is weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015.

46 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 99.

47 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 72 en 95.

48 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 71.

49 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 72.

50 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 73.

51 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 60.

52 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 60.

53 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 76.

54 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 63.

55 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 99.

56 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 100.

57 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 99.

58 In zijn e-mail van 10 november 2015 schrijft dr. M. Perlin dat TrueAllele piekhoogten en patrooninformatie gebruikt, zodat – anders dan het programma van het NFI – meerdere replica’s niet nodig zijn.

59 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 76.

60 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 74.

61 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 73.

62 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 72-73.

63 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 76.

64 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 73.

65 De rechtbank besloot tot onderzoek van de door het NFI vervaardigde DNA-profielen, omdat die volgens zowel Koopman als Eikelenboom meer informatie bevatten dan de door Eikelenboom vervaardigde DNA-profielen.

66 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 99.

67 Proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2016, pag. 24.

68 Koopman werd in dit nieuwe DNA-onderzoek ook benoemd als deskundige, dit in verband met de overdracht van gegevens, het geven van een toelichting en het beantwoorden van eventuele vragen. Eikelenboom werd op grond van artikel 228, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering in dit nieuwe DNA-onderzoek door de verdediging als deskundige aangewezen en dientengevolge benoemd.

69 Later heeft Buckleton op verzoek van de verdediging nog een extra hypothese onderzocht voor spoor AWA059#06.

70 Buckleton is gehoord via een skypeverbinding met de Verenigde Staten, waar hij op dat moment verbleef.

71 Proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2016, pag. 21. Deskundige Buckleton verklaart: “In antwoord op de vraag van deskundige Eikelenboom welke drop-out ratio is gebruikt in STRmix. De drop-out ratio is berekend in STRmix en deze is verschillend voor elke allele positie. Het is volledig uit het profiel bepaald.”

72 Beantwoording van de schriftelijke vragen openbaar ministerie en verdediging (bron xiii.).

73 Proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2016, pag. 10 en 11.

74 Proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2016, pag. 12 en 14.

75 Proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2016, pag. 23.

76 Proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2016, pag. 24.

77 Aanvullende verklaring deskundige Buckleton d.d. 5 augustus 2016, pag. 1, regel 17/18 (bron xii.).

78 Aanvullende verklaring deskundige Buckleton d.d. 5 augustus 2016 (bron xii.).

79 NFI-rapport d.d. 12 juli 2016, persoonsdossier (bron vii.).

80 Koopman heeft voorafgaand aan de terechtzitting van 13 juni 2016 berekeningen met MixCal gepresenteerd. In het NFI-rapport van 12 juli 2016 heeft zij een parameter aangepast, teneinde een betere vergelijking met de resultaten van STRMix mogelijk te maken (omdat STRMix diezelfde parameter gebruikt). Uit de verdere toelichting blijkt dat Koopman het aanpassen van die parameter – die tot hogere likelihood ratio’s leidt – verantwoord vindt. Zie NFI-rapport d.d. 12 juli 2016, pag. 3 (bron vii.).

81 Proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2016, pag. 25. Tevens is verklaard dat het programma nog niet was gevalideerd en gepubliceerd. Het programma berekent zelf de drop-out-kansen en is in staat puntschattingen (een exact getal) te geven, daar waar het NFI eerder met LRMix een likelihood ratio tussen een minimum en een maximum (getallenrange) had gepresenteerd.

82 Proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2016, pag. 24-27, 29-30, 34-35.

83 Proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2016, pag. 33-39.

84 Proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2016, pag. 32.

85 Proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2016, pag. 32.

86 Proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2016, pag. 33.

87 Proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2016, pag. 34.

88 Proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2016, pag. 31.

89 Proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2016, pag. 32.

90 IFS-rapport d.d. 20 september 2015, pag. 89, punt 9 (bron viii.); de statische analyses van TrueAllele aan de DNA-uitslagen van bemonsteringen van de anus (AWA059#04 en #06) en de slip (AUA106#02) van het NFI komen overeen met resultaten van de statistische analyses van het NFI. De bewijswaarde valt echter lager uit dan bij het NFI.

91 IFS-rapport d.d. 20 september 2015, pag. 69 (bron viii).

92 IFS-rapport d.d. 20 september 2015, pag. 88, onder punt 8 (bron viii.).

93 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 51.

94 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 52 en 57.

95 IFS-rapport d.d. 20 september 2015 (bron viii.), bijlage 2, tabellen 5c en 5d, vergelijking kenmerken [verdachte] .

96 IFS-rapport d.d. 20 september 2015 (bron viii.), bijlage 2, tabellen 14b en 14c, vergelijking kenmerken [verdachte] .

97 IFS-rapport d.d. 20 september 2015 (bron viii.), bijlage 2, tabellen 14f en 14g, vergelijking kenmerken [verdachte] .

98 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 93.

99 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 93.

100 Koopman betwijfelde of het computermodel LRMix betrouwbare statistische berekeningen kon uitvoeren waarbij zou worden uitgegaan van alle kenmerken die in de onderzoeken tezamen uit een spoor waren gehaald. Er zou dan een kunstgreep in het programma moeten plaatsvinden waarvan de invloed op de logaritmen niet duidelijk was. Buckleton heeft aangegeven dat het theoretisch mogelijk lijkt de informatie van de Minifiler en Identifiler-analyses van Eikelenboom in de berekeningen te gebruiken, maar dat STRMix momenteel hiervoor niet geconfigureerd is en hij daarom deze analyses nu niet kan uitvoeren (rapport Buckleton van 3 juni 2016, regel 48 tot en met 50, bron xi.).

101 Dit getal is afkomstig uit het rapport van Buckleton d.d. 3 juni 2016 (bron xi.). Omdat deskundige Koopman had verklaard dat bij spoor AUA106#02SF één replica mislukt was en niet voor gebruik geschikt en omdat in het rapport van Buckleton van 3 juni 2016 die replica ook daadwerkelijk niet in de berekening is betrokken, acht de rechtbank dit getal meer betrouwbaar dan het getal dat Buckleton in zijn rapport van 5 augustus 2016 (bron xii.) heeft genoemd en dat gebaseerd is op vier replica’s waaronder de mislukte.

102 Idem als voorgaande noot.

103 Herzien NFI-rapport d.d. 1 oktober 2013, forensisch dossier, deel 3, bijlage 62 (bron ii.l.).

104 De rechtbank beschouwt een frequentieberekening zoals die bij enkelvoudige DNA-profielen plaatsvindt als een likelihood ratio. Zij vindt hiervoor steun in de literatuur (“Bewijskracht van onderzoek naar biologische sporen en DNA”, deel 2. Bronniveau, auteurs B. Kokshoorn, B. Aarts, J. Nagel en J. Koopman, gepubliceerd in Expertise en Recht 2014-6, pag. 205 en 206 (bron xv.), alsmede alsmede in de verklaring van deskundige Koopman ter terechtzitting van 10 november 2015 (Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 96).

105 NFI-rapport d.d. 1 oktober 2013, pag. 2, forensisch dossier, deel 3, bijlage 62 (bron ii.l.).

106 IFS-rapport d.d. 20 september 2015, pag. 89, onder punt 15 (bron viii.).

107 Proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2016, pag. 18.

108 Proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2016, pag. 18.

109 Proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2016, pag. 18.

110 Proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2016, pag. 17.

111 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 69; verklaring Eikelenboom: “Ook in een stringente lysisfractie kunnen wel eens niet-spermacellen aanwezig zijn, omdat die dan doorlekken” en idem op pag. 78.

112 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 78; verklaring Koopman.

113 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 78; verklaring Eikelenboom.

114 Aan de hand van de numerieke tabellen die Eikelenboom van diverse DNA-profielen had gemaakt.

115 Koopman heeft ter terechtzitting gewezen op de ontbinding van het lichaam, de gehanteerde minder nauwkeurige bemonsteringstechnieken van destijds en het gegeven dat de lichaamsdelen nauw met elkaar in contact staan. Zie proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 69-70.

116 Rapport Gerechtelijk Laboratorium d.d. 12 april 1996, pag. 4, forensisch dossier, deel 1, bijlage 2 (bron ii.b.).

117 NFI-rapport d.d. 28 november 2013, pag. 10 en 11, forensisch dossier, deel 3, bijlage 48 (bron ii.n.), onder verwijzing naar de Definitieve rapportage van de expertmeeting op 16 augustus 2011, gedateerd 22 augustus 2011.

118 Verklaring deskundige R. Kubat ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 20 augustus 2014 (bron xvii.).

119 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 90-91.

120 Deskundige De Blaeij heeft in haar verhoor bij de rechter-commissaris van 9 september 2014 (bron xviii.) aangegeven geen antwoord te kunnen geven op de vraag of de uitstrijkjes gemaakt van de anus, slip en vagina daar ook vandaan komen. Zij heeft aangevoerd niet bij de bemonstering aanwezig te zijn geweest en dat de beantwoording van de vraag meer iets is voor de patholoog-anatoom.

121 Verklaring [getuige 12] d.d. 1 september 2011, eindproces-verbaal, pag. 171.

122 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 113.

123 NFI-rapport d.d. 12 augustus 2011, pag. 10-12, forensisch dossier, deel 2, bijlage 13 (bron ii.f.).

124 Rapport Gerechtelijk Laboratorium d.d. 22 juli 1996, pag. 8, forensisch dossier, deel 1, bijlage 3 (bron ii.c.).

125 NFI-rapport d.d. 21 april 2015, pag. 2, persoonsdossier (bron iv.).

126 NFI-rapport d.d. 14 juli 2011, pag. 3 en 5, forensisch dossier, deel 2, bijlage 12 (bron ii.e.).

127 Van de haarsporen ALA045#01 en ALA045#02 zijn geen autosomale profielen verkregen.

128 NFI-rapport d.d. 6 november 2013, pag. 3, forensisch dossier, deel 3, bijlage 60 (bron ii.m.).

129 De EMPOP-databank wordt gebruikt door een internationale forensische is werkgroep die zich bezig houdt met mtDNA-onderzoek en betreft een databank waarin laboratoria mtDNA-profielen verzamelen.

130 NFI-rapport d.d. 6 november 2013, pag. 4, forensisch dossier, deel 3, bijlage 60 (bron ii.m.).

131 NFI-briefrapport d.d. 17 augustus 2015, pag. 2 (bron vi.).

132 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 65.

133 Verklaring [getuige 7] ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 1 oktober 2015 (bron xxvi.).

134 Verklaring [getuige 8] ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 1 oktober 2015 (bron xxvii).

135 Er zijn daarnaast ook getuigen gehoord van wie de verklaringen op dit punt niet relevant waren voor het uitgaansgedrag in Eindhoven in de relevante periode. Zo heeft [getuige 17] bij de rechter-commissaris verklaard over de periode 1986-1987 en had [getuige 18] (pag. 345) na de geboorte van verdachtes zoon [de rechtbank begrijp: in 1991] geen contact meer met verdachte. [getuige 19] (pag. 352) ging nooit buiten Valkenswaard op stap.

136 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 12.

137 Verklaring [benadeelde partij 2] d.d. 14 juli 2011, eindproces-verbaal, pag. 96-102.

138 Verklaring [getuige 3] d.d. 2 november 1995 (na de beslissing van de rechtbank d.d. 5 oktober 2015 aan de stukken toegevoegd) (bron xxi.).

139 Verklaring [getuige 4] d.d. 7 november 1995 (idem) (bron xxii.)

140 Verklaring [getuige 1] d.d. 5 december 2011 (idem) (bron xix.).

141 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 12.

142 Verklaring [getuige 3] d.d. 2 november 1995 (bron xxi.).)

143 Verklaring [getuige 4] d.d. 7 november 1995 (bron xxii.).

144 Verklaring [getuige 6] , d.d. 21 april 2011 (na de beslissing van de rechtbank d.d. 5 oktober 2015 aan de stukken toegevoegd) (bron xxiv.); verklaring [getuige 1] d.d. 5 december 2011 (bron xix.); verklaring [getuige 5] d.d. 2 december 1995 (na de beslissing van de rechtbank d.d. 5 oktober 2015 aan de stukken toegevoegd) (bron xxiii.).

145 Verklaring deskundige T.J.P. de Blaeij ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 9 september 2014, pag. 2 (bron xviii.).

146 Proces-verbaal van de terechtzitting van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, pag. 109: “Hoe meer bacteriën aanwezig zijn, hoe sneller de DNA-afbraak plaatsvindt. Vaginaal aanwezig sperma vergaat na ongeveer een week en anaal aanwezig sperma veelal na de laatste ontlasting.”

147 Verklaringen van [getuige 15] d.d. 12 oktober 1995, eindproces-verbaal, pag. 92; [getuige 16] d.d. 9 oktober 1995, eindproces-verbaal, pag. 85, [getuige 12] d.d. 1 september 2011, eindproces-verbaal, pag. 165 en [benadeelde partij 2] , 14 juli 2011, eindproces-verbaal, pag. 96.

148 Verkort vonnis arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch, van 18 januari 2001 (bron xxxii.).

149 Verklaring [getuige 20] d.d. 13 januari 2014, eindproces-verbaal, pag. 265-268, in onderling verband en samenhang bezien met een proces-verbaal van het Korps Rijkspolitie, van 4 juni 1987, met nummer 641/87, met als bijlagen een brief van het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie, met nummer 87.04.15.41, van 21 mei 1987, en een NFI-rapport d.d. 2 januari 2011, opgemaakt en ondertekend door ing. P.E. de Vreede, pag. 7/7 (bron xvi.). De verklaring van [getuige 20] houdt in dat zij op [1987] te Riethoven is verkracht door een man die plotseling uit de sloot opsprong toen zij naar huis fietste, die haar tot stoppen dwong, de fiets half in de sloot gooide en haar een dennenbos in sleurde, alwaar hij haar verkrachtte. [getuige 20] omschreef de dader als een man met ‘Feyenoord supporter-achtig lang haar’. Toen verbalisanten haar een foto van verdachte uit 1995 toonden, herkende zij zijn gezicht meteen en deed de uitlating: “Snap je nu mijn Feyenoord-vergelijking?” Ten tijde van het forensisch onderzoek in 1987 werd in het uitstrijkje van de schede van slachtoffer [getuige 20] , in haar slip en in haar inlegkruisje sperma aangetroffen, waaruit in 1999 een DNA-profiel (ABT279) werd bepaald. Naar aanleiding van verdenking van een door verdachte gepleegde verkrachting in 2000, is het DNA-profiel van verdachte vergeleken met de op dat moment in de DNA-profielenregistratie aanwezige profielen. Bij deze vergelijking is een overeenkomstig profiel gevonden, zijnde het DNA-profiel met zegelnummer ABT279, afkomstig van het sporenmateriaal van de slip van [getuige 20] . In deze zaak is geen vervolging ingesteld wegens verjaring daarvan.

150 Verklaring [getuige 10] afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 5 februari 2016 (bron xxix.).

151 Verklaring [getuige 11] afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 5 februari 2016 (bron xxx.).

152 Aan het dossier zijn aanwijzingen te ontlenen dat [slachtoffer] kort voor haar verdwijning een relatie heeft gehad met twee jongens, te weten [getuige 1] en [getuige 6] . Deze jongens zijn als getuigen gehoord. Uit die verklaringen blijkt niet van een seksuele relatie met [slachtoffer] . Bovendien stelt de rechtbank vast dat beide personen niet naar voren komen als donoren van DNA-kenmerken in de meer genoemde sporen AUA106#02SF, AWA059#04 en AWA059#06.

153 EU-Richtlijn 2012/29EU van het Europees Parlement en de Raad, van 25 oktober 2012, tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ.