Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:6388

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-11-2016
Datum publicatie
21-11-2016
Zaaknummer
SHE 16/3254
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Twee van de door verweerder genoemde bijkomende bezwarende omstandigheden (geluidsoverlast en gokkasten) kunnen geen rol spelen bij de toepassing van het zware sanctiemiddel van de sluiting van het café. De genoemde overlast heeft niets te maken met drugshandel maar betreft geluidsoverlast van het café. Dit is een overtreding van het Activiteitenbesluit milieubeheer en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (het college) kan hiertegen optreden op basis van de Wet milieubeheer. Het geeft geen pas om de verregaande bevoegdheid op basis van artikel 13b van de Opiumwet te gebruiken om de genoemde overlast te beëindigen. Omdat een sluiting van 6 maanden wel gerechtvaardigd is, wordt het bestreden besluit (sluiting gedurende 12 maanden) geschorst vanaf 1 mei 2017.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3460
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/3254

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 november 2016 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. S. Luthuli),

en

de burgemeester van de gemeente Eindhoven, verweerder

(gemachtigden: M.L.M. Lammerschop en mr. R. Radema).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Mima Vastgoed B.V., te Westerhoven.

Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet de sluiting gelast van de bij verzoeker in gebruik zijnde gebouwen aan de [adres 1] te [woonplaats] , perceel [nummering 1] en [nummering 2] , ingaande op 31 oktober 2016. Het gaat om de sluiting van de bedrijfsruimte ( [naam] ) en de bijbehorende loods voor de duur van 12 maanden en de sluiting van de woning voor de duur van 3 maanden.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2016. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De derde-partij is niet verschenen.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit uitsluitend voor zover dit betrekking heeft op de sluiting van het café, met ingang van 1 mei 2017 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar en schorst het bestreden besluit voor de rest niet;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,– aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 992,–, te betalen aan verzoeker.

Overwegingen

feiten

1.1

De voorzieningenrechter is uitgegaan van de volgende feiten.

1.2

Verzoeker huurt de (boven)woning en het café van de derde-partij. Verzoeker heeft aangegeven dat hij de loods niet huurt en heeft dit onderbouwd met stukken. Het is hem om het even of de loods wordt gesloten. De voorzieningenrechter houdt het ervoor dat het verzoek uitsluitend betrekking heeft op de woning en het café en zal daarom de sluiting van de loods niet schorsen.

1.3

Verweerder hanteert beleid bij de uitoefening van zijn bevoegdheid op basis van artikel 13b van de Opiumwet, de ‘beleidsregels artikel 13b Opiumwet Eindhoven 2016’ (de beleidsregels). Ingevolge dit beleid wordt onder drugshandel ook de aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs begrepen. Verder wordt bij de eerste constatering van harddrugshandel in een woning een maatregel van 3 maanden sluiting opgelegd tenzij met een waarschuwing kan worden volstaan. Met een waarschuwing kan worden volstaan indien geen sprake is van een grote hoeveelheid en geen sprake is van bijkomende bezwarende omstandigheden. Bij een eerste constatering van harddrugshandel in een lokaal wordt een maatregel van 12 maanden sluiting opgelegd tenzij met een sluiting van 6 maanden kan worden volstaan. Met een sluiting van 6 maanden kan worden volstaan indien het niet gaat om een grote hoeveelheid en geen sprake is van bijkomende bezwarende omstandigheden.

1.4

Uit de bestuurlijke rapportage van 7 oktober 2016 blijkt dat op 4 oktober 2016 in het café een hoeveelheid van 1,7 gram cocaïne is aangetroffen en dat in de woning een hoeveelheid van 1 gram cocaïne is aangetroffen. Niet in geschil is dat het hier in beide gevallen gaat om een hoeveelheid die te groot is om aan te merken als bestemd voor eigen gebruik, maar dat het niet om een grote handelshoeveelheid gaat. In de loods is een hennepkwekerij met 520 plantjes aangetroffen.

1.5

Verweerder heeft op 2 november 2016 nog een nadere bestuurlijke rapportage overgelegd. De voorzieningenrechter laat deze rapportage vanwege strijd met de goede procesorde buiten beschouwing omdat deze te laat is ingediend. Verzoeker heeft geen tijd gehad om voldoende op deze rapportage te kunnen reageren.

Standpunten van partijen

2. Verweerder heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat sprake is van bezwarende omstandigheden. Er was sprake van daadwerkelijke overlast. Er is bij een bezoeker een boksbeugel aangetroffen en er waren niet toegelaten gokautomaten aanwezig. Ook zou in het café illegaal worden gepokerd. Bij het sluiten van de woning heeft verweerder meegewogen datgene wat in het café en de loods is aangetroffen en dat de woonruimte, de loods en het café allemaal in gebruik zijn bij verzoeker. Verweerder heeft ter zitting ook gewezen op de bestuurlijke rapportage van 7 oktober 2016 waarin is vermeld dat uit onderzoek is gebleken dat verzoeker wetenschap had van drugshandel in zijn café alsmede van de hennepkwekerij. Volgens verweerder heeft verzoeker geen spoedeisend belang.

3. Verzoeker geeft aan dat hij niet wist van de aanwezigheid van cocaïne in zijn café of de hennepkwekerij in de loods. Hij is niet de huurder van de zich op het perceel bevindende loods en deze is ook niet vanuit het café of de woning toegankelijk. De in de woning van verzoeker aangetroffen gram cocaïne is van een zeer geringe overschrijding die als gebruikershoeveelheid kan worden aangemerkt. De bolletjes cocaïne zijn door een bezoeker van het café weggegooid op het moment dat de politie een inval in het café deed. Dit kan verzoeker niet worden toegerekend. De boksbeugel is ook bij een bezoeker aangetroffen. Door de sluiting van het café komt verzoeker in financiële nood. Hij kan niet op hele korte termijn een andere woning huren en kan de huur van zijn woning zonder inkomsten uit het café niet doorbetalen. Hij vindt dat had kunnen worden volstaan met een waarschuwing respectievelijk een kortere sluiting. Er is geen sprake van cumulatie van overtredingen, te weten de aangetroffen hard- en softdrugs. De aangetroffen hennepkwekerij kan hem niet worden toegerekend en de aangetroffen hoeveelheid harddrugs kan niet worden gekwalificeerd als een grote hoeveelheid. Verzoeker betwist ook dat sprake is geweest van daadwerkelijke overlast.

Oordeel

4. Anders dan verweerder stelt, heeft verzoeker voldoende spoedeisend belang bij zijn verzoek. Dit volgt reeds uit de enkele omstandigheid dat hij gedurende de sluitingsperiode geen gebruik kan maken van zijn woning en het café niet kan exploiteren. Dat onduidelijk is wat de hieruit voortvloeiende financiële gevolgen zijn, leidt niet tot een ander oordeel.

5. Verweerder heeft de aanwezigheid van de hennepkwekerij in de loods niet bij zijn besluit kunnen betrekken. Het staat onvoldoende vast dat verzoeker de loods huurde. Dat neemt niet weg dat, gelet op de aangetroffen hoeveelheid drugs in het café en de woning, verweerder artikel 13b van de Opiumwet mag toepassen. Dat verzoeker stelt dat hij niet wist dat harddrugs in het café aanwezig waren, leidt niet tot een ander oordeel. De aanwezigheid van de drugs is genoeg. Hierbij is niet van belang of verzoeker een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Verzoeker had er beter aan gedaan om op te letten welk publiek zijn café binnenkomt.

6. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder als bijkomende bezwarende omstandigheid bij het sluiten van de woning de aanwezigheid van de harddrugs in het café heeft mogen betrekken. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat het café en de bovenwoning door verzoeker worden geëxploiteerd respectievelijk gehuurd.

7.1

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet heeft volstaan met een sluiting van 6 maanden van het café. Het gaat niet om een grote hoeveelheid en een sluiting van 6 maanden ligt in dat geval volgens de beleidsregel voor de hand. Het is aan verweerder om aan te tonen dat sprake is van bijkomende bezwarende omstandigheden.

7.2

Met de verwijzing naar de bestuurlijke rapportage heeft verweerder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verzoeker wist van drugshandel in zijn café. In de bestuurlijke rapportage staat slechts dat dit uit onderzoek is gebleken. Verzoeker heeft de wetenschap uitdrukkelijk betwist.

7.3

Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat twee van de door verweerder genoemde bijkomende bezwarende omstandigheden geen rol kunnen spelen bij de toepassing van het zware sanctiemiddel van de sluiting van het café. De genoemde overlast heeft niets te maken met drugshandel maar betreft geluidsoverlast van het café. Dit is een overtreding van het Activiteitenbesluit milieubeheer en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (het college) kan hiertegen optreden op basis van de Wet milieubeheer. Ook de overige genoemde overlast van bezoekers van het café is niet gerelateerd aan drugshandel en het college respectievelijk verweerder kunnen hiertegen optreden op basis van de algemene plaatselijke verordening. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat binnen de gemeente Eindhoven hiervoor een apart beleidskader geldt (het Horecastappenplan 2016). In het bestreden besluit is zelfs opgemerkt dat toepassing van dit beleidskader leidt tot een minder zware sanctie. Het geeft dan geen pas om de verregaande bevoegdheid op basis van artikel 13b van de Opiumwet te gebruiken om de genoemde overlast te beëindigen. Evenmin valt in te zien dat deze omstandigheden een rol kunnen spelen bij toepassing van de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet. Deze bevoegdheid en de beleidsregel zijn bedoeld om te kunnen optreden tegen drugshandel en de bijbehorende neveneffecten, en de in het beleid bedoelde overlast van het café is een gevolg van de drugshandel of de aanwezigheid van drugs in het café. Het gemeentelijke Opiumbeleid is niet bedoeld om geluidsoverlast te beëindigen. Hetzelfde geldt voor de aanwezigheid van de niet toegelaten gokkasten en het illegale pokerspel in het café. Deze hebben niets te maken met de aangetroffen drugs in het café en kunnen geen rol spelen.
Dan resteert de aangetroffen boksbeugel. Dit is wel een omstandigheid die wordt genoemd in de beleidsregel en kan dus worden gerelateerd aan de aanwezigheid van drugs in het café. De voorzieningenrechter hecht aan deze enkele omstandigheid niet een zodanige waarde dat hierdoor een sluiting voor de duur van 12 maanden is gerechtvaardigd. Dat verweerder een ruime bevoegdheid heeft en dat de bestuursrechter uitoefening van deze bevoegdheid terughoudend pleegt te toetsen, laat onverlet dat verweerder zijn besluit wel goed moet motiveren en dat is hier niet gebeurd.

8. Verzoeker heeft tot slot aangevoerd dat hij in zware financiële problemen komt door de sluiting. Verzoeker heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd. De sluiting is het directe gevolg van aanwending van de in artikel 13b van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid en vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot sluiting van het pand heeft kunnen besluiten.

9. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,– (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,– en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.