Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:6375

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-11-2016
Datum publicatie
22-11-2016
Zaaknummer
14_277
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De enige wijziging als gevolg van het bestemmingsplan “Brandevoort II” is dat het nu planologisch mogelijk is om een combinatie van twee hoogspanningslijnen in één mast te hangen. Deze wijziging leidt niet tot een planologisch nadeel, zowel voor wat betreft uitzicht als gezondheid en ook niet tot een planologisch nadeel wat betreft geluidsbelasting omdat de mogelijke toename van geluidsbelasting volgens de StAB nagenoeg niet hoorbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2016-0234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/277

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 november 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond, verweerder

(gemachtigde: mr. M.C. Boelens-Horn).

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om tegemoetkoming in planschade voor het adres [adres] , kadastraal bekend [nummer] (schadelocatie), afgewezen.

Bij besluit van 12 december 2013 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.

Op 21 maart 2014 is de zaak van eiser behandeld door de enkelvoudige kamer. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van de deskundige mr. J.E. van Gilst.

De Stichting advisering Bestuursrechtspraak (StAB) is benoemd als deskundige. De zaak is verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

Op 15 juli 2014 heeft de StAB verslag uitgebracht in de zaak van eiser. Eiser en verweerder hebben hierop gereageerd.

Op 18 november 2014 heeft de StAB op verzoek van de rechtbank een nader verslag uitgebracht. Eiser heeft op 1 december 2014 gereageerd.

Op 10 maart 2015 is de zaak gelijktijdig met de zaak SHE 14/454 behandeld door de meervoudige kamer. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van de deskundige mr. J.E. van Gilst.

Bij besluit van 3 februari 2016 heeft verweerder een nieuw besluit op bezwaar genomen (bestreden besluit 2). Het primaire besluit is hierbij gehandhaafd.

De StAB heeft op 28 juni 2016 een nadere advies uitgebracht. Eiser en verweerder hebben hierop gereageerd. De StAB heeft gereageerd bij brief van 2 augustus 2016.

De zaak is op zitting behandeld op 4 oktober 2016. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van deskundige T.J.A.M. Lauwers van TOG Nederland BV.

Overwegingen

1.6

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is in 1991 eigenaar geworden van het locatie dat is gelegen in de gemeente Geldrop-Mierlo. Hierop staan een langgevelboerderij en bijgebouwen. De boerderij is niet alleen in gebruik als woning maar ook als modevakschool. Eiser houdt circa 30 schapen en 25 konijnen en teelt fruit. Ten noorden van de woning aan de overzijde van de [straatnaam] staat een hoogspanningsmast in een weiland dat nog behoort aan de gemeente Geldrop- Mierlo. Eiser heeft op 6 mei 2012 een aanvraag om tegemoetkoming in planschade ingediend. Hij wijt de planschade aan de vaststelling op 7 november 2006 van het bestemmingsplan “Brandevoort II”.

1.2

Op verzoek van verweerder heeft mr. J.E. van Gilst van Hekkelman Advocaten NV op 1 juli 2013 een advies uitgebracht over dit verzoek. Daarin is – kort gezegd – geconcludeerd dat eiser geen schade ondervindt door waardevermindering van zijn onroerende zaak als gevolg van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan “Brandevoort II”.

1.3

Het bestemmingsplan “Brandevoort II” is op 7 november 2006 vastgesteld en deels op 11 augustus 2007 in werking getreden en deels op 1 april 2010. De peildatum is 11 augustus 2007. Voorafgaand aan dit bestemmingsplan gold in de gemeente Helmond het bestemmingsplan “Buitengebied 1997”. Op de schadelocatie gold op de peildatum het bestemmingsplan “Buitengebied” vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Mierlo. De bestemming van het perceel ten noorden van eisers woning aan de overzijde van de [straatnaam] was geregeld in het bestemmingsplan “Landgoed Gulbergen’. Thans geldt op de schadelocatie het bestemmingsplan “Buitengebied Geldrop-Mierlo”.

1.4

Bij besluit van 8 mei 2012 heeft verweerder de spoorwegovergang [straatnaam] aan het openbaar verkeer onttrokken.

1.5

Ten behoeve van het bestreden besluit 2 heeft verweerder advies gevraagd aan TOG Nederland BV. De aanleiding voor het nieuwe planschadeadvies was de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4570), waarin is overwogen dat schijn van partijdigheid kan worden gewekt door een deskundige die in het ene geval door een bestuursorgaan wordt ingeschakeld om een onafhankelijk advies uit brengen, terwijl zij gelijktijdig of bijna gelijktijdig in een ander geval door hetzelfde bestuursorgaan wordt ingeschakeld om zijn belangen te behartigen of als zijn gemachtigde op te treden in een gerechtelijke procedure.

1.6

Het door TOG uitgebrachte advies ligt ten grondslag aan het bestreden besluit 2. Verweerder legt – kort gezegd – aan het bestreden besluit ten grondslag dat, hoewel het bestemmingsplan “Brandevoort II” voor eiser tot een nadeliger situatie heeft geleid voor zover dit het plangebied Hazenwinkel betreft, het verzoek wordt afgewezen omdat de getaxeerde waardevermindering van € 7.000,00 minder is dan het wettelijk normaal maatschappelijk risico van € 11.000,00.

2. Ter zitting van 4 oktober 2016 heeft verweerder het bestreden besluit 1 ingetrokken. Eiser heeft niet gesteld schade te hebben geleden ten gevolge van bestreden besluit 1. Gelet hierop heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen bestreden besluit 1. De rechtbank verklaart daarom het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 1 wegens het ontvallen van procesbelang niet-ontvankelijk. Eiser heeft tegen bestreden besluit 1 aangevoerd dat mr. J.E. van Gilst niet als onafhankelijk adviseur beschouwd kan worden. Gelet op de intrekking van het bestreden besluit 1 en deze aangevoerde beroepsgrond, ziet de rechtbank reeds hierom aanleiding verweerder op te dragen het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

3.1

Eiser heeft ten aanzien van het bestreden besluit 2 aangevoerd dat het advies van TOG onzorgvuldig tot stand is gekomen. De bezichtiging en het horen van partijen is geschied door een andere persoon dan degene die het advies van TOG uiteindelijk heeft opgesteld. Daarnaast is eiser van mening dat TOG geen onafhankelijke deskundige is omdat TOG voornamelijk werkt voor overheden.

3.2

Volgens verweerder is TOG een onafhankelijk deskundige.

3.3

Indien een bestuursorgaan zich ter onderbouwing van een besluit op een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade beroept op een advies van een onafhankelijke deskundige, ligt het op de weg van dit bestuursorgaan zich te vergewissen van de onpartijdigheid van de geraadpleegde deskundige. Een aanvrager mag er in beginsel op vertrouwen dat een bestuursorgaan hieraan voldoet.

3.4

De rechtbank ziet in de omstandigheid dat TOG voor meerdere bestuursorganen adviezen omtrent planschade heeft opgesteld, geen reden voor het oordeel dat TOG reeds daarom partijdig zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is TOG een onafhankelijk deskundige. De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesteund door de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2292). Indien in een advies van een door een bestuursorgaan benoemde onafhankelijke en onpartijdige deskundige op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, mag dat bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht (uitspraak van de Afdeling van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2398).

4.1

Eiser stelt in de eerste plaats planschade te ondervinden als gevolg van de afsluiting van de [straatnaam] in noordelijke richting. Deze afsluiting komt volgens eiser door het bestemmingsplan “Brandevoort II”. De afsluiting heeft in de eerste plaats gevolgen voor de exploitatie van de modevakschool. Eiser stelt verder omzetschade te lijden omdat het fruit uit zijn boomgaard aan huis werd verkocht en de [straatnaam] voorheen een drukke doorgaande weg was. Hij vreest verder voor de bereikbaarheid van zijn woning.

4.2

Verweerder heeft onder verwijzing naar het advies van TOG gesteld dat de afsluiting van de Broekstraat niet is veroorzaakt door het bestemmingsplan “Brandevoort II”, maar door een verkeersbesluit. Ook onder het oude planologische regime was het mogelijk een dergelijk verkeersbesluit te nemen.

4.3

De StAB heeft in haar adviezen geconcludeerd dat de spoorwegovergang, planologisch gezien, zowel onder het oude bestemmingsplan als het bestemmingsplan “Brandevoort II” mogelijk is. De afsluiting van de spoorwegovergang (waardoor de [straatnaam] feitelijk is afgesloten) is mogelijk gemaakt door een verkeersbesluit van de gemeenteraad van Helmond van 8 mei 2012. De StAB voegt daaraan toe dat een weg ook kan worden afgesloten door een gewijzigde bestemming. Volgens de StAB is een redelijke invulling van deze uit te werken bestemming de feitelijke situatie (namelijk als weg). Het is niet op voorhand zeker dat deze gronden een groenbestemming of een andere bestemming krijgen. De StAB is tot slot van mening dat het aannemelijk is dat de [straatnaam] zal worden ontsloten op De Voort waardoor een kortere route voor eiser ontstaat richting Brandevoort. Weliswaar is de [straatnaam] dan geen doorgaande route meer, maar het perceel van eiser is nog steeds goed bereikbaar.

4.4

Onder het oude bestemmingsplan had de [straatnaam] in doorgaande richting de bestemming ‘Verkeersdoeleinden’ en op de plek waar de [straatnaam] de spoorweg kruist, de bestemming ‘Spoorwegdoeleinden’. In het bestemmingsplan “Brandevoort II” heeft de [straatnaam] ter plaatse van de spoorwegovergang de bestemming ‘Spoorzone’ en ‘Woongebied II uit te werken ex artikel 11 WRO’.

4.5

De Afdeling heeft in de uitspraak van 17 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:3387) overwogen dat de mogelijkheden van de uit te werken bestemming bij de planvergelijking niet buiten beschouwing mogen worden gelaten. Met die mogelijkheden dient aldus rekening te worden gehouden dat nagegaan dient te worden wat ten tijde van de inwerkingtreding van het betrokken besluit naar redelijke verwachting de invulling van de uit te werken bestemming van de gronden zou zijn. In dat verband komt onder meer betekenis toe aan de uitwerkingsregels, aan de toelichting bij het bestemmingsplan en aan de mate waarin een en ander, naar aard en omvang, binnen de ruimtelijke kenmerken van de omgeving en het geldende planologische beleid past.

4.6

Omdat de aanvraag van eiser is ingediend voor 25 april 2013 (de datum van inwerkingtreding van de wet van 28 maart 2013 tot wijziging van de Crisis- en herstelwet en diverse andere wetten in verband met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet en het aanbrengen van enkele verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht (Stb. 2013, 144)), verzet de rechtszekerheid zich ertegen dat de uit te werken bestemming voor woondoeleinden van het plangebied niet tot een tegemoetkoming in planschade kan leiden en bij de vergelijking tussen het oude en het nieuwe planologische regime in haar geheel buiten beschouwing dient te worden gelaten. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3485).

4.7

De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 2 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1144) inzake het uitwerkingsplan "Brandevoort II-Liverdonk Oost" overwogen dat het uitwerkingsplan niet in de weg staat aan het behoud van de huidige functie van de [straatnaam] . Het openstellen van een weg voor het openbaar verkeer dan wel het onttrekken van een weg aan het openbaar verkeer wordt verder geregeld in de Wegenwet en niet in een uitwerkingsplan.

4.8

De rechtbank is van oordeel dat in het rapport van TOG te snel wordt aangenomen dat de schade door de afsluiting van de [straatnaam] enkel is te wijten aan het verkeersbesluit. TOG had verder moeten kijken en moeten bezien of door een redelijke invulling van de uit te werken bestemming de [straatnaam] na uitwerking een andere bestemming zou kunnen krijgen. In zoverre schiet het rapport van TOG tekort. De rechtbank is met de StAB van oordeel dat een redelijke invulling van de uit te werken bestemming zal geschieden conform de feitelijke situatie en dat het er ten tijde van de peildatum voor moest worden gehouden dat de [straatnaam] niet later alsnog een andere bestemming zou krijgen. Verder is de rechtbank van oordeel dat de afsluiting van de spoorwegovergang niet is te wijten aan het bestemmingsplan “Brandevoort II” omdat een spoorwegovergang onder dat bestemmingsplan nog steeds planologisch mogelijk is. Tot slot is de rechtbank onder verwijzing naar de adviezen van de StAB van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de schadelocatie niet meer aan een doorgaande route ligt, niet leidt tot een planologisch nadeel. Deze beroepsgrond faalt.

5.1

Eiser verwacht ook een verlies van waardevermindering als gevolg van de mogelijke komst van de twee woonbuurten Liverdonk en Hazenwinkel. Niet alleen verandert de omgeving van zijn woning, hij vreest eveneens voor zijn mogelijkheid om schapen ter plaatse te houden. Hij wijst er op dat wel degelijk tot kortere afstand van de schadelocatie bebouwing kan worden opgericht als gevolg van een wijziging van de geurverordening van Helmond waarbij de toegelaten geurafstand is verkleind. Eiser stelt dat de schade van
€ 7.000,00 volkomen uit de lucht gegrepen is. De werkelijke schade is vele malen groter.

5.2

Verweerder heeft onder verwijzing naar het rapport van TOG gesteld dat als gevolg van het gebied Liverdonk (rekening houdend met een redelijke invulling van de uit te werken bestemming) geen planologische nadeliger situatie onstaat. Als gevolg van de aanduiding met een geurhindercirkel mogen woningen niet binnen een afstand van 170 meter tot de schadelocatie worden opgericht. Tussen het gebied en de schadelocatie lag onder het oude plan reeds een woonbestemming. Weliswaar nemen bouwmogelijkheden toe maar dit leidt volgens TOG niet tot een afname van de situeringswaarde gezien de ligging van het gebied en het feit dat het contact met het buitengebied behouden blijft.
Het gebied Hazenwinkel ligt aan de achterzijde van de schadelocatie en op kortere afstand. Tot op 135 meter afstand kunnen bijgebouwen worden opgericht. Bovendien bestaan er mogelijkheden voor zeer diepe achtertuinen. De lichte afname van uitzicht en privacy leidt volgens TOG tot enig planologisch nadeel. Dit nadeel wordt door TOG vervolgens gewaardeerd op een bedrag van € 7.000,00 en dat is lager dan 2% van de waarde van de woning ten tijde van de peildatum (het normaal maatschappelijk risico forfait).

5.3

Ook de StAB is van mening dat eiser niet in een nadeliger planologische situatie komt te verkeren als gevolg van de uitwerkingsmogelijkheid met betrekking tot het gebied Liverdonk in vergelijking met hetgeen kon worden gerealiseerd onder het oude planologische regime. De StAB neemt hierbij in aanmerking dat het oprichten van tijdelijke ondersteunende kassen met een maximale goothoogte van 3 meter rechtstreeks mogelijk was. Verder acht de StAB van belang dat tussen het gebied Liverdonk en de schadelocatie de [straatnaam] ligt alsmede een bestaande woning (nr. 95).

De StAB is verder van mening dat de komst van het gebied Hazenwinkel leidt tot een planologisch nadeliger situatie. Weliswaar mogen slechts buiten de aangeduide geurcontour woningen en maatschappelijke doeleinden worden gerealiseerd, als gevolg van de uitwerkingsmogelijkheid wijzigt het karakter van het gebied van een landelijke uitstraling naar een woonwijk. De StAB is van mening dat de gezondheidsrisico’s voor de schapen van eiser (als gevolg van de mogelijkheid van een hondenuitlaatzone) niet nadeliger worden omdat ook onder het oude planologische regime contact mogelijk was tussen mensen met honden en de schapen. Hier gelden geen afstandsnormen. De Afdeling heeft in de uitspraak van 2 april 2014 reeds aangegeven dat de schapenhouderij van eiser een inrichting is en dat moet worden voldaan aan de toepasselijke geurnorm. De Afdeling heeft vastgesteld dat aan de geurnorm wordt voldaan. Ten aanzien van de schapenhouderij is daarom volgens de StAB geen sprake van een planologisch nadeel.

In reactie op het advies van TOG concludeert de StAB in het verslag van 28 juni 2016 dat TOG weliswaar niet op alle punten geheel dezelfde motivering heeft als de StAB, maar dat het wel tot dezelfde conclusies komt ten aanzien van de gevolgen van de gewijzigde planologie. Omdat de conclusies overeenstemmen bestaat op voorhand geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de daarop gebaseerde taxatie. Wel wordt vastgesteld dat de taxatie niet inzichtelijk is gemaakt en daardoor evenmin controleerbaar.

5.4

De rechtbank is in navolging van de StAB van oordeel dat de uitwerkingsmogelijkheid voor het gebied Liverdonk niet leidt tot enig planologisch nadeel. Weliswaar leidt de uitwerkingsmogelijkheid in het gebied Hazenwinkel tot planologisch nadeel, eiser heeft de waardering van dit nadeel onvoldoende weerlegd. Eiser heeft wel gesteld dat de schade velen malen hoger is, maar eiser heeft dit niet onderbouwd met een taxatierapport van een eigen deskundige. De stelling dat de door TOG naderhand gegeven specificatie onvergelijkbare objecten bevat, laat onverlet dat eiser zelf ook een taxatierapport had kunnen laten opstellen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat op eiser in beginsel de bewijslast rust, indien hij een op een advies van een onafhankelijke en onpartijdige deskundige gebaseerd oordeel van het bestuursorgaan omtrent de omvang van planschade bestrijdt (zie de uitspraken van de Afdeling van 14 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV8773 en van 23 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1621). De rechtbank neemt hierbij verder in aanmerking dat hierboven reeds is geoordeeld dat TOG als onafhankelijk deskundige moet worden aangemerkt en dat de StAB geen reden ziet voor twijfel aan de juistheid van de taxatie van TOG.

De rechtbank hecht geen waarde aan de wijziging van de geurverordening (als bedoeld in artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij) van de gemeente Helmond. Deze wijziging heeft plaatsgevonden na de planologische peildatum en daarmee kan geen rekening worden gehouden bij een redelijke invulling van de uitwerkingsmogelijkheid. Mogelijkerwijs kunnen door de wijziging van de gemeentelijke geurverordening in het uitwerkingsplan Hazenwinkel op kortere afstand van eisers perceel woningen worden gerealiseerd. Het uitwerkingsplan is inmiddels als een zelfstandige schadeoorzaak benoemd in artikel 6.1, tweede lid onder b, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en eiser kan een verzoek indienen voor een tegemoetkoming in de daaruit voortvloeiende planschade.

6.1

Eiser stelt dat de grootste schade is te wijten aan de combinatie van 2 hoogspanningslijnen die volgens hem mogelijk wordt gemaakt door het bestemmingsplan “Brandevoort II”. Zijn woning ligt binnen de magneetveldzone. De samenvoeging van de 380 kV en de 150 kV-lijn heeft volgens eiser meer gezondheidsrisco’s tot gevolg. Uit de uitspraken van de Afdeling van 17 maart 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BL7724 en 29 februari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV7264) blijkt dat de gemeente in het verleden tot tweemaal toe het voorzorgsbeginsel heeft geschonden en daarom nu voor zogenoemde Duo Ton-lijnen heeft gekozen. Deze samenvoeging heeft gezondheidsrisico’s tot gevolg omdat de voorheen op grotere afstand aanwezige 150 kV-lijn zich nu dichter bij zijn woning bevindt. In de laatste uitspraak van de Afdeling, waarin is geoordeeld dat de omgevingsvergunning voor de bouw van de nieuwe hoogspanningsleiding rechtmatig is, zijn de meest recente handreiking van het RIVM en eisers eigen meting niet meegenomen. De door Petersburg Consultants BV uitgevoerde berekeningen kunnen niet juist zijn, omdat mast 120 (Duo Ton) een andere geometrie heeft dan mast 121 (Combi-Donau) en nergens sprake is van fasesplitsing of verandering van klokgetallen. Eisers uitzicht is verpest door de hoogspanningsmast en hij heeft overlast van het geknetter van de hoogspanningslijnen. Hij kan zijn woning niet meer splitsen als gevolg van de ligging in de magneetveldzone. Eiser wijst ook op nieuwe ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan. Het RIVM heeft een nieuwe handreiking uitgebracht met betrekking tot hoogspanningslijnen (Uitkoopregeling voor woningen onder een hoogspanningslijn van april 2016). De gemeente Helmond heeft nieuwe berekeningen laten uitvoeren en de magneetveldzone blijkt nu toch breder. De gemeente wil de 150 kV-lijn nu toch weer onder de grond.

6.2

Verweerder heeft verwezen naar het rapport van TOG. Zowel onder het oude als het nieuwe plan was er een bouwmogelijkheid voor hoogspanningsmasten met een hoogte van 60 meter met bijbehorende lijnen. Er is geen sprake van een wijziging die heeft geleid tot verlies van uitzicht. TOG merkt hierbij op dat op de gronden direct tegenover de schadelocatie ingevolge het bestemmingsplan “Landgoed Gulbergen” van de gemeente Geldrop-Mierlo al een bestemming ‘hoogspanningsleiding’ lag zonder dat was vastgelegd welke hoogspanningslijn mogelijk was. TOG ziet geen extra gezondheidsrisico’s en voelt zich gesteund door de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1457). Ten tijde van de peildatum was splitsen van de woning van eiser niet toegestaan. Daarom is volgens TOG geen sprake van een planologisch verslechterde situatie.

6.3

Ook de StAB heeft een vergelijking gemaakt en opgemerkt dat onder het oude plan een medebestemming ‘Leidingen’ met een subbestemming ‘Bovengrondse hoogspanningsleiding’ was opgenomen. Deze medebestemming betrof een tracé van circa 111 meter breed. Onder het oude plan lag dit tracé circa 3 meter dichter bij de schadelocatie. Op de plankaart zijn 2 parallel aan elkaar gelegen hoogspanningslijnen aangeduid, aan de noordzijde een 150 kV-lijn met een zone aan weerszijden van 25 meter en aan de zuidzijde een hoogspanningslijn van 380 kV met aan beide zijden een zone van 36 meter. De StAB merkt ten aanzien van de in het bestemmingsplan “Landgoed Gulbergen” opgenomen dubbelbestemming ‘hoogspanningsleiding’ op dat zones van respectievelijk 25 en 36 meter aan weerszijden van de lijn zijn opgenomen. De op de plankaart ingetekende hartlijnen hebben geen juridische status. In dit bestemmingsplan zijn geen beperkingen opgenomen ten aanzien van het kilovoltage. Er kon dus een 380 kV hoogspanningslijn worden opgehangen. Dat is de maximaal planologisch mogelijke invulling omdat in Nederland geen zwaardere hoogspanningslijnen worden opgehangen.
In het nieuwe bestemmingsplan “Brandevoort II” is een dubbelbestemming ‘bovengrondse hoogspanningsleidingen’ opgenomen met een breedte van 78 meter. De hoogte van de masten mag maximaal 60 meter bedragen. Er is op de plankaart een dwarsprofiel opgenomen waarop staat dat het gaat om een combinatielijn van 380 kV en 150 kV maar dit dwarsprofiel is niet verwoord in voorschriften. De StAB is van mening dat in de voorgaande plannen niet is geregeld waar de masten moeten staan. De StAB is verder van mening dat onder het bestemmingsplan “Landgoed Gulburgen” een combinatielijn van 150 kV en 380 kV mogelijk was omdat in dit plan geen beperkingen aan de leiding zijn opgenomen.
De StAB merkt op dat onder het nieuwe plan slechts één lijn is toegestaan hetgeen in beginsel een planologisch voordeel betekent. De StAB is ook van mening dat één combinatielijn met eventuele zwaardere masten een voordeel is ten opzichte van twee aparte lijnen. Van een verlies van uitzicht is volgens de StAB dus geen sprake. De StAB geeft verder aan dat onder het oude plan een 380 kV- lijn mogelijk was op 45 meter afstand van de woning van eiser. De daarboven geprojecteerde 150kV-lijn kan enige invloed hebben gehad op de omvang van de magneetveldzone maar hoeveel dit is, is niet vast te stellen. De StAB ziet daarom geen nadeel wat betreft gezondheidsrisico’s.

De StAB merkt op dat het geluid van de hoogspanningslijnen (het corona-effect) kan optreden maar dat hiervoor geen wettelijke normering bestaat. Er kan een toename optreden (gelet op een uitspraak van de Afdeling van 29 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO9217), maar deze is beperkt tot 1,6 dB en dat kan door het menselijk oor nauwelijks worden herkend.

Ook de StAB merkt op dat splitsing van de woning van eiser op de peildatum niet mogelijk was. Dit is pas gefaciliteerd door een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan “Buitengebied Geldrop-Mierlo” dat na de peildatum is vastgesteld.

De StAB concludeert dat geen sprake is van planologisch nadeel met betrekking tot uitzicht, geluidhinder of gezondheidsrisico’s.

6.4

De rechtbank stelt voorop dat de StAB noch TOG in hun adviezen feitelijke gegevens omtrent de omvang van de magneetveldzone en de hoeveelheid straling op de schadelocatie hebben hoeven te betrekken. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden (zie de uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7254).

6.5

De rechtbank is onder verwijzing naar het advies van de StAB van oordeel dat als gevolg van het bestemmingsplan ‘Brandevoort II’ geen planologische verslechtering is opgetreden die een planologisch nadeel in de vorm van een verlies van uitzicht, een toename van geluidsoverlast of een toename van gezondheidsrisico’s tot gevolg heeft gehad. De enige wijziging als gevolg van het bestemmingsplan “Brandevoort II” is dat het nu planologisch mogelijk is om een combinatie van twee hoogspanningslijnen in één mast te hangen. Deze wijziging leidt niet tot een planologisch nadeel wat betreft uitzicht gelet op de omstandigheid dat het verdwijnen van de mogelijkheid om een aparte 150 kV-lijn aan te leggen een planologisch voordeel oplevert. De wijziging als gevolg van het bestemmingsplan “Brandevoort II” leidt ook niet tot een planologisch nadeel wat betreft geluidsbelasting omdat de mogelijke toename van geluidsbelasting volgens de StAB nagenoeg niet hoorbaar is. Deze wijziging leidt evenmin tot een planologisch nadeel in de vorm van toegenomen gezondheidsrisico’s gelet op de omstandigheid dat het onder het oude planologische regime mogelijk was op nagenoeg exact dezelfde plaats een 380 kV hoogspanningslijn te realiseren en dat dit ook de maximaal mogelijke planologische invulling was. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat ook de 150 kV-lijn die onder het oude planologische regime mogelijk was naast de 380 kV hoogspanningslijn, eveneens een effect zou hebben gehad op de magneetveldzone. In zoverre verschilt deze zaak van de kwestie in de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2255). Deze kwestie betrof planschade door een bestemmingsplan dat een nieuwe hoogspanningslijn mogelijk maakte in tegenstelling tot dit geval waar al een hoogspanningslijn mogelijk was. Daargelaten in hoeverre het recente onderzoek van RIVM al tot de conclusie zou leiden dat sprake is van een onaanvaardbaar gezondheidsrisico op de schadelocatie door de planologische wijziging, behoeft dit onderzoek geen bespreking omdat geen sprake is van een planologische verslechtering. Met betrekking tot de aspecten volksgezondheid en geluidsbelasting hecht de rechtbank belang aan de omstandigheid dat reeds onder het bestemmingsplan “Landgoed Gulbergen” op de tussenliggende gronden een hoogspanningslijn van 380 kV mogelijk was en, bij gebrek aan een aanduiding, ook een combinatielijn.

De rechtbank is verder van oordeel dat eiser ten onrechte stelt dat door het bestemmingsplan “Brandevoort II” het niet meer mogelijk is om zijn woning te splitsen. Deze splitsingsmogelijkheid bestond ook niet op de peildatum.

7.1

Eiser heeft gewezen op de forse waardedaling van zijn woning in kader van de WOZ belasting. In totaal bedraagt deze waardedaling € 145.000,00 .Deze waardedaling wordt volgens eiser vooral veroorzaakt door de hoogspanningslijn.

7.2

Verweerder stelt hierover dat de WOZ-waarde eerst aan de orde kan komen bij het bepalen van de omvang van de eventuele schade, nadat is vastgesteld dat sprake is van een planologische verslechtering. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.

7.3

Een verschil met de in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ) vastgestelde waarde van een onroerende zaak vormt niet zonder meer aanleiding om een taxatie in het kader van de bepaling van de omvang van planschade onjuist te achten. Bij de vaststelling van de WOZ-waarde is doorgaans de feitelijke situatie bepalend en wordt geen rekening gehouden met de maximale mogelijkheden van het planologisch regime vóór en na de peildatum. Dit neemt evenwel niet weg dat van het bestuursorgaan kan worden verlangd dat het zijn besluit van een nadere motivering voorziet in geval een aanzienlijk verschil tussen de WOZ-waarde en de taxatie in het kader van planschade bestaat (zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM7718).

7.4

De rechtbank stelt voorop dat in het geval van eiser sprake is van een planologische verslechtering als gevolg van de uitwerkingsmogelijkheid van het gebied Hazenwinkel, maar dat hierboven is geoordeeld dat geen sprake is van een planologische verslechtering als gevolg van de hoogspanningslijn. Nu eiser zelf de daling van de WOZ-waarde van zijn woning wijt aan de hoogspanningslijn, rustte op verweerder geen verplichting zijn besluit nader te motiveren. Deze beroepsgrond faalt.

8. Gelet op het bovenstaande is het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;

 verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,00 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. J.D. Streefkerk en mr. J.A.W. Huijben, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 november 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.