Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:6349

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-11-2016
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
16_3293
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

13b Opiumzaak. Waarschuwing in plaats van sluiting

Op basis van de stukken en de zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat een sluiting van een maand zeer ernstige gevolgen heeft voor de geestesgesteldheid van verzoekster 2. De voorzieningenrechter heeft alle relevante omstandigheden van de zaak op een rij gezet en is van oordeel dat verweerder in dit geval had kunnen volstaan met een waarschuwing. Hierbij neemt hij in aanmerking dat verzoekers bereid zijn om verweerder toestemming te geven om één keer per half jaar binnen te treden voor een onderzoek van de woning. De voorzieningenrechter vernietigt de beslissingen op bezwaar en de primaire besluiten en geeft verzoekers een waarschuwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 16/3293, SHE 16/3294, SHE 16/3295 en SHE 16/3296

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter

van 10 november 2016 in de zaken tussen

[verzoekster 1], te [woonplaats], verzoekster 1,

[verzoekster 2], te [woonplaats], verzoekster 2,

(gemachtigde: mr. B.J. de Jong)

en

De burgemeester van de gemeente Nuenen, verweerder,

(gemachtigden: A.P.M. Hermans en M.J.A. Veendrick).

Als derde-partij heeft aan het geschil deelgenomen Helpt Elkander Woningbouwvereniging, derde-partij, te Nuenen.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 29 april 2016 (de primaire besluiten) heeft verweerder aan verzoeksters in hun hoedanigheid als huurders een last onder bestuursdwang opgelegd tot sluiting van de woning aan de [adres] (de woning) voor een periode van één maand.

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit afzonderlijk bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. In de uitspraak van 28 juli 2016 (SHE 16/1528) heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.

Bij afzonderlijke besluiten van 20 oktober 2016 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van verzoeksters ongegrond verklaard.

Verzoeksters hebben (afzonderlijk) beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek respectievelijk het beroep van verzoekster 1 zijn bekend onder zaaknummers SHE 16/3293 en SHE 16/3294, die van verzoekster 2 zijn bekend onder zaaknummers SHE 16/3295 en SHE 16/3296.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2016. Verzoeksters zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en vergezeld van [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De derde-partij is niet verschenen.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

 verklaart de beroepen gegrond;

 herroept de primaire besluiten;

 geeft verzoeksters de volgende waarschuwing: Indien binnen twee jaren na heden (10 november 2016) een overtreding als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet plaatsvindt, in die zin dat in of bij de woning [adres] respectievelijk het bijbehorende erf een middel als bedoeld in lijst I of lijst II van de Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt of aanwezig is, wordt de woning alsdan voor de duur van minimaal vier maanden gesloten;

 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de bestreden besluiten;

 wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af;

 draagt verweerder op de betaalde griffierechten van € 672,- aan verzoeksters te vergoeden;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeksters tot een bedrag van € 1.984,-.

Overwegingen

1.1

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.

1.2

Verzoeksters 2 en 1 zijn moeder en dochter. Zij zijn bewoners van de woning, die zij huren van de derde-partij. In de bestuurlijke rapportage van de politie van 13 april 2016 is vermeld dat op maandag 11 april 2016 in het kader van een opsporingsonderzoek een doorzoeking heeft plaatsgevonden in de woning. Op genoemde datum is door de politie op de zolderverdieping van de woning een hennepdrogerij aangetroffen. In totaal is op de zolderverdieping van de betreffende woning zes kilo gedroogde hennep aangetroffen. De hennep bevond zich in meerdere gripzakken en sealbags. Verder zijn twee droogrekken met hennepresten, een weegschaal met hennepresten, negen ventilatoren en handschoenen aangetroffen.

1.3

Bij brieven van 15 april 2016 heeft verweerder verzoeksters op de hoogte gesteld van zijn voornemen de woning te sluiten voor de periode van één maand. Bij brieven van 21 april 2016 hebben verzoeksters hun zienswijze op dit voornemen gegeven.

1.4

De derde-partij heeft zowel aan verzoeksters als verweerder aangegeven voornemens te zijn de huurovereenkomst te willen ontbinden als de sluiting doorgaat.

2.1

Verzoeksters geven aan dat onder bedreiging van verzoekster 2 zij de zolder van hun woning ter beschikking hebben gesteld. Deze zolder is daarna als hennepdrogerij gebruikt maar zij hebben hier geen enkele bemoeienis mee gehad. De hennepdrogerij is opgeruimd en daarmee is tegemoet gekomen aan de doelen van verweerders beleid: de bekendheid van het object als drugspand is doorbroken en er wordt verhinderd dat de zolder opnieuw wordt gebruikt ten behoeve van georganiseerde drugshandel. Sluiting van de woning zorgt er niet voor dat deze doelen nog meer worden bereikt.

2.2

Verweerder heeft aangegeven dat hij de woning sluit om deze te onttrekken aan het drugscircuit. Hij is echter, gelet op de hoeveelheid aangetroffen drugs, bevoegd tot sluiting over te gaan. Hierbij is niet van belang of verzoeksters onder druk zijn gezet of wisten van de hennepdrogerij.

2.3

Niet in geschil is dat verweerder, gelet op de aangetroffen hoeveelheid softdrugs, bevoegd is tot sluiting over te gaan. De enkele omstandigheid dat verweerder de sluiting heeft opgeschort in afwachting van achtereenvolgens de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de bezwaarfase, de besluitvorming in de bezwaarfase en de uitspraken op de onderhavige verzoeken, leidt niet tot een ander oordeel. Wel is de voorzieningenrechter van oordeel dat de lange periode tussen de constatering en de datum van voorgenomen sluiting een bijzondere omstandigheid is die bij de uitoefening van de bevoegdheid moet worden meegewogen. De voorzieningenrechter neemt hierbij wel in aanmerking dat verweerder niet kan worden tegengeworpen dat hij sluiting heeft opgeschort om verzoeksters ter wille te zijn. Ook zal het feit dat in deze periode geen middel als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet aanwezig is geweest in de woning van verzoeksters (hetgeen zij ter zitting onweersproken hebben gesteld) moeten worden meegewogen. Tot slot zal ook moeten worden meegewogen dat het uiteindelijk afzien van een sluiting een ongewenste precedentenwerking kan hebben.

3.1

Verzoeksters geven aan dat sluiting van de woning zeer ernstige gevolgen zal hebben voor de geestelijke gesteldheid van verzoekster 2. Zij onderbouwen dit met de volgende stukken:

 Een brief van de klinische psycholoog waaruit blijkt dat verzoekster 2 leidt aan een post traumatisch stress syndroom (PTSS), alsmede een depressieve stoornis, een persoonlijkheidsstoornis, geheugenproblemen, hoofdpijn, labiliteit en andere klachten.

 Een brief van de huisarts waarin wordt aangegeven dat verzoekster 2 zeer kwetsbaar is en dat een sluiting ernstige risico’s met zich meebrengt op geestelijk gebied.

 Tot slot is een brief van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige overgelegd waaruit blijkt dat er ook zorgen zijn voor de geestesgesteldheid van verzoekster 1 en dat de dreiging van de sluiting leidt tot een verslechtering van de klachten. Het lukt volgens de verpleegkundige verzoekster 2 niet goed voor zichzelf op te komen.

 Een ter zitting overgelegde brief van verzoekster 1 die is ondertekend voor akkoord door de huisarts waarin dieper wordt ingegaan op de gevolgen van een sluiting voor verzoekster 2 in het bijzonder.

3.2

Verweerder heeft aangegeven deze omstandigheid te hebben meegewogen bij de belangenafweging (met dien verstande dat verweerder geen kennis heeft kunnen nemen van de na de bestreden besluiten bekend geworden stukken). Zo is de sluiting meermalen uitgesteld. Volgens verweerders hebben verzoekers niet voldoende onderbouwd waarom de mogelijke medische gevolgen van de sluiting deze niet rechtvaardigen. Verweerder maakt een vergelijking met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 maart 2016 ( ECLI:NL:RVS:2016:692) waarin ook sprake was van een persoon met PTSS. Het belang van handhaving weegt zwaarder.

3.3

De voorzieningenrechter hecht niet de waarde aan de uitspraak van de Afdeling die verweerder eraan hecht. In iedere zaak zijn de omstandigheden van het geval namelijk verschillend.

3.4

Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat een sluiting zeer ernstige gevolgen heeft voor de geestesgesteldheid van verzoekster 2 en in mindere mate voor verzoekster 1. Zij hebben dit voldoende aangetoond en dit is een omstandigheid die moet worden meegewogen in de belangenafweging. Dit heeft verweerder onvoldoende gedaan (al moet hierbij worden gezegd dat verweerder niet de beschikking had over alle hierboven genoemde stukken).

4.1

Verzoeksters wijzen op een recente zaak in Nuenen waarin verweerder heeft volstaan met een waarschuwing. Weliswaar is een grotere hoeveelheid softdrugs aangetroffen in de woning van verzoeksters maar toch dient verweerder aan te geven waarin in dit geval niet kan worden volstaan met een waarschuwing.

4.2

Verweerder heeft aangegeven dat dit een ander geval was waarbij een kleine hoeveelheid harddrugs werd aangetroffen.

4.3

De voorzieningenrechter is ook van oordeel dat dit een ander geval is. De voorzieningenrechter stelt echter ook vast dat verweerder niet in alle gevallen zijn Damoclesbeleid volgt.

5.1

Gelet op het bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven. In navolging van de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2840) stelt de voorzieningenrechter voorop dat omstandigheden die bij het opstellen van een beleidsregel zijn verdisconteerd, dan wel moeten worden geacht te zijn verdisconteerd, niet reeds daarom buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Verweerder dient daarom alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en dient te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.

5.2

Ter zitting zijn alle omstandigheden op een rij gezet.

 Er is een grote hoeveelheid softdrugs aangetroffen.

 Er heeft geen drugshandel of overlast van drugshandel plaatsgevonden.

 De ex-partner van verzoekster 2 heeft haar bedreigd en gebruik gemaakt van de zolder. Deze ex-partner is uit beeld en na de constatering zijn er geen aanwijzingen bekend dat middelen als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet in de woning aanwezig zijn geweest;

 Inmiddels is het zes maanden na de constatering.

 Het uitstel van de sluiting kan verweerder niet worden tegengeworpen;

 De sluiting heeft ernstige gevolgen voor verzoeksters: de huurovereenkomst dreigt te worden ontbonden. De minnelijke schuldenregeling waar verzoekster 2 aan deelneemt, zal bij het ontstaan van nieuwe schulden als gevolg van de sluiting worden beëindigd en de sluiting heeft zeer ernstige gevolgen voor de geestesgesteldheid van verzoekster 2 en in mindere mate voor verzoekster 1;

 Verzoekster 2 vertoont tekenen van labiliteit en kan onder druk worden gezet.

5.3

Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen maar dat verweerder in dit specifieke geval had kunnen volstaan met een waarschuwing. Verweerder heeft ter zitting aangegeven zich hierin te kunnen vinden. Wel maakt de voorzieningenrechter zich zorgen over de mogelijkheid dat verzoekster 2 wederom onder druk zou kunnen worden gezet. Verzoeksters hebben desgevraagd aangegeven dat zij bereid zijn verweerder toestemming te geven om één keer per half jaar binnen te treden voor een onderzoek van de woning. Verweerder heeft aangegeven dat hij verzoeksters minimaal twee dagen van te voren op de hoogte zal stellen en dat het binnentreden zal gebeuren door een zorgverlener. Hiermee zijn de zorgen van de voorzieningenrechter weggenomen. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat het praktischer is dat de voorzieningenrechter zelf in de zaak voorziet en dat heeft de voorzieningenrechter dan ook gedaan. Nader onderzoek acht de voorzieningenrechter hiervoor niet nodig en hij doet dan ook met toepassing van artikel 8:86 van de Awb uitspraak in de hoofdzaken. Deze uitspraak brengt met zich mee dat de verzoeken om de sluiting op te schorten worden afgewezen omdat de sluiting niet meer aan de orde is.

6. Omdat de voorzieningenrechter de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeksters de door hen (in de hoofdzaken alsmede in de voorlopige voorzieningenzaken) betaalde griffierechten vergoedt.

7. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeksters gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.984,- (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1). De voorzieningenrechter beschouwt de zaak van verzoekster 1 en die van verzoekster 2 als een samenhangende procedure. Van overige kosten is niet gebleken. Evenmin is bekend of verzoeksters procederen op basis van een toevoeging.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.P.H. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.