Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:6260

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-11-2016
Datum publicatie
14-11-2016
Zaaknummer
01/880556-14
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:159, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak in schietpartij-zaak in Rosmalen.

De rechtbank acht de verklaring van de getuige dat hij verdachte heeft herkend onvoldoende betrouwbaar. Het aanwezige technische bewijs vindt onvoldoende steun in ander wettig bewijs zodat vrijspraak volgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2017, afl. 1, p. 42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/880556-14

Datum uitspraak: 14 november 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

wonende te [adresgegevens] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 mei 2015, 25 augustus 2015, 16 november 2015, 15 februari 2016 en 31 oktober 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 april 2015.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 31 oktober 2016 is gewijzigd [bijlage 1] is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 02 december 2014 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een of meer kogels af te vuren op die [slachtoffer] tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Inleiding

Op 2 december 2014 even voor zeven uur ’s avonds heeft er een schietpartij plaatsgevonden op het fietspad, gelegen op de kruising van de Van Oldenbarneveltlaan en de Rooseveltlaan in Rosmalen. Daarbij is [slachtoffer] , een oom van verdachte, dodelijk getroffen. Kort nadat er schoten waren gelost, hebben twee getuigen waargenomen dat een bromfiets met daarop één persoon – komende uit de richting van waar het slachtoffer is beschoten – met verhoogde snelheid is weggereden. Op ongeveer 145 meter van de plaats delict heeft de politie een vuurwapen aangetroffen. Enkele uren na de schietpartij heeft de politie een bromfiets/scooter aangetroffen in een parkje, vlakbij de woning van verdachte. Bij de bromfiets lag een schroevendraaier.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde moord. De resultaten van het sporenonderzoek zijn belastend voor verdachte. In het bijzonder wijst de officier van justitie op de match tussen de DNA-kenmerken van de dactyloscopische fragmenten op de houder van het vuurwapen en het DNA-profiel van verdachte. Ook de match van zijn DNA-profiel met de DNA-kenmerken van de dactyloscopische fragmenten op het dashboard en het rechter handvat van de scooter zijn een belangrijke aanwijzing dat verdachte de dader is. Bovendien zijn op die scooter schotresten aangetroffen die vermoedelijk afkomstig zijn uit het gevonden vuurwapen. Voor de officier van justitie staat vast dat de in het parkje aangetroffen scooter de scooter is die getuigen zagen wegrijden na de schietpartij. De verklaring van getuige [getuige 1] vormt eveneens een belangrijke aanwijzing voor de mogelijke betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde feit. Deze getuige heeft immers kort nadat er schoten waren gelost een persoon op een scooter waargenomen, die uit de richting van de plaats delict aan kwam rijden. [getuige 1] heeft verklaard er 100% zeker van te zijn dat verdachte, die enkele jaren zijn buurjongen is geweest, de bestuurder van de scooter was. Uit meerdere getuigenverklaringen blijkt bovendien dat verdachte in onmin leefde met het slachtoffer, waarbij verdachte zelfs tegen een goede bekende van het slachtoffer gezegd zou hebben dat hij het slachtoffer door zijn hoofd zou schieten als ze aan het geld van verdachte zouden komen. Dat is mogelijk het motief geweest voor het plegen van dit feit.

Volgens de officier van justitie leiden de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, tot de conclusie dat verdachte het slachtoffer van het leven heeft beroofd. Het gaat om een kille, geplande liquidatie. Daarvoor dient de verdachte veroordeeld te worden tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft bepleit dat verdachte wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs vrijgesproken dient te worden van het ten laste gelegde feit. Verdachte heeft een alibi voor de avond van de moord. Hij was voorafgaand aan de moord immers gaan eten bij zijn moeder en is korte tijd na het delict met een vriend naar Tiel gegaan. Dat wordt ondersteund door meerdere getuigen. De tijdspanne tussen die twee momenten is dusdanig kort, dat het onwaarschijnlijk is dat deze verdachte in dat tijdbestek een professioneel uitgevoerde moord is gaan plegen. Weliswaar heeft een getuige verklaard dat hij verdachte heeft herkend als bestuurder van de bromfiets die – kort nadat er schoten waren gelost – uit de richting van de plaats delict kwam rijden, maar die verklaring dient als onbetrouwbaar terzijde geschoven te worden. Die verklaring is immers twee maanden na de moord afgelegd, terwijl in het geruchtencircuit in Rosmalen reeds lang het gerucht de ronde deed dat verdachte de dader zou zijn. Niet valt uit te sluiten dat deze getuige daardoor is beïnvloed. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging ter zitting bij pleidooi een rapportage, gedateerd 15 juni 2016, van rechtspsycholoog prof. dr. P.J. van Koppen in het geding gebracht. Bij gebrek aan ander hard bewijs staan de resultaten van het forensisch onderzoek van het NFI op zichzelf en hebben deze een geringe bewijswaarde, zodat niet is voldaan aan het vereiste bewijsminimum. Al met al staat niet onomstotelijk vast dat verdachte de dader is geweest van de moord.

Het oordeel van de rechtbank.

De officier van justitie acht het feit bewezen op grond van met name de resultaten van sporenonderzoek en de verklaring van [getuige 1] dat verdachte degene was die vlak na het schietincident uit de richting van de plaats delict op een scooter voorbij kwam rijden. De rechtbank stelt allereerst vast dat laatstgenoemde verklaring de enige getuigenverklaring is die verdachte brengt bij de plaats delict. Verdachte zelf heeft ontkend te hebben geschoten en heeft zich verder meestal, ook ter zitting, op zijn zwijgrecht beroepen. Andere getuigen bij de plaats delict hebben vlak na de schietpartij wel een scooter voorbij zien rijden, maar hebben de bestuurder niet herkend. De herkennende verklaring van [getuige 1] is dan ook een essentieel, zo niet doorslaggevend bewijsmiddel. De rechtbank zal hieronder nader ingaan op de vraag of de waarneming van [getuige 1] voldoende betrouwbaar is om bij te kunnen dragen aan het bewijs.

Betrouwbaarheid van de verklaring van getuige [getuige 1]

had medio januari 2015 tegen de conciërge van zijn oude school de naam van verdachte laten vallen als mogelijke verdachte. Volgens de conciërge had hij gezegd dat verdachte het had gedaan en dat “heel Rosmalen” dat wist. [getuige 1] is vervolgens op 3 en 13 februari 2015 door de politie gehoord. Op 21 augustus 2015 zijn verdachte en zijn moeder nader gehoord bij de rechter-commissaris.

[getuige 1] heeft bij herhaling verklaard dat hij vlak na het schietincident een scooter vanaf de plaats delict zag aan komen rijden en dat hij er 100% zeker van is dat verdachte de bestuurder van die scooter was. Hij kent verdachte, omdat deze zijn buurjongen was toen [getuige 1] bij zijn vader in Rosmalen woonde, gedurende een aantal jaren ( [getuige 1] schat tussen 2005/2006 en 2011/2012). Als buurjongens hadden ze geen contact met elkaar en [getuige 1] vermoedt dat verdachte hem niet van naam kent. Blijkens de verbatim verslagen van de politieverhoren heeft [getuige 1] verklaard verdachte sindsdien af en toe in Rosmalen tegen te zijn gekomen.

De rechtbank stelt vast dat [getuige 1] op onderdelen wisselend of tegenstrijdig heeft verklaard. Het meest in het oog springend zijn de wisselende verklaringen die [getuige 1] heeft afgelegd over het dragen van een helm door de bestuurder van de scooter. In zijn eerste politieverhoor van 3 februari 2016 verklaart hij hierover volgens het verbatim verslag: “Ik kan me niet eens herinneren of hij wel of geen helm droeg. Ik denk nu van niet, want anders had ik hem denk ik niet herkend.” (eind proces-verbaal, p. 494).

Hij herhaalt dit in het tweede politieverhoor (p. 561). In het verhoor bij de rechter-commissaris verklaart hij echter: “Hij had een helm op. Die helm was dicht aan de voorkant. Een groot deel van zijn gezicht was in beeld. Daarmee bedoel ik het bovenste deel van zijn neus, zijn ogen en wenkbrauwen. Het vizier was dicht. Het was doorzichtig, je kon er gewoon doorheen kijken.”

Over de afstand waarop hij verdachte zou hebben zien langsrijden verklaarde [getuige 1] in het eerste politieverhoor (p. 497) en bij de rechter-commissaris dat verdachte op 2 meter afstand voorbij reed. In het tweede politieverhoor verklaart hij: “Ik weet niet hoe ver hij was toen ik hem zag. Dat was aan de overkant van de straat. Dus dat kan een meter of vijftien zijn geweest. En verder heb ik hem niet echt kunnen zien eigenlijk” (p. 560).

Over het oogcontact met de bestuurder van de scooter verklaart [getuige 1] in het eerste politieverhoor dat hij hem “recht in zijn ogen aankeek” (p. 477). In het tweede verhoor zegt hij hierover: “Ik weet niet of hij mij ook echt aan heeft gekeken.”

In het eerste verhoor verklaart hij: “Hij reed ons echt van nul tot 10 kilometer voorbij, een hele lange tijd om elkaar aan te kijken.” (p.485). Later in dit verhoor verklaart hij: “Ik heb hem heel kort maar aangekeken.” (p. 498).

[getuige 1] heeft herhaaldelijk verklaard dat hij 100% zeker is van de herkenning van verdachte. Tijdens het eerste politieverhoor vraagt hij of hij even iets mag opzoeken op zijn smartphone. In het verbatim verslag van het verhoor staat hierover de volgende passage (p. 482):

Vraag: Zei je nou dat je hem kent?

Antwoord: Ja.

Vraag: Wat zag je?

Antwoord: Ja gezichtsherkenning, houding van iemand. Mag ik heel snel even iets opzoeken, heel kort?

Vraag: Wat wil je opzoeken?

Antwoord: Ja, even een gezicht voor me halen.

Vraag: Van wie?

Antwoord: Ja, niet van hem, maar iemand die er heel erg op lijkt, dat ik niet met namen in de war zit. Dat is niet zo hoor, maar dat ik het even zeker weet voor mijn eigen gevoel.

In het tweede politieverhoor (p. 569) verklaarde [getuige 1] dat hij op Facebook een groepsfoto wilde opzoeken van de vrienden met wie hij samen was toen de scooter voorbij reed.

Opmerkelijk is ook dat [getuige 1] zijn vrienden en de politie niet op eigen initiatief heeft geïnformeerd over de herkenning van verdachte. Toen de scooter voorbij reed, bevond hij zich met enkele vrienden op een hangplek in de buurt van een tankstation. Hij hoorde knallende geluiden waarover hij tegen zijn vrienden zei: “Het lijken wel geweerschoten.” Toen vlak daarna de scooter voorbij reed zei hij over de bestuurder tegen zijn vrienden: “Het lijkt wel of hij een bankoverval gaat plegen of zo.” (p. 477). Over de herkenning van de bestuurder zei hij echter niets tegen zijn vrienden, ook niet in de weken daarna.

[getuige 1] verklaarde dat hij wel de dag daarna (aanvankelijk verklaart verdachte: diezelfde dag nog) tegen zijn moeder heeft verteld dat hij verdachte voorbij heeft zien rijden. Tegenover de rechter-commissaris heeft zijn moeder verklaard dat haar zoon wel heeft verteld dat het slachtoffer waarschijnlijk was vermoord, maar haar niet heeft verteld wat hij heeft gezien. De dag na het schietincident heeft hij ook via Whatsapp contact gehad met zijn vader. Over dat contact verklaart [getuige 1] het volgende:

“Ik heb mijn vader een dag na mijn verjaardag [= datum delict] gesproken, daarover dus. Hij vroeg of ik in Rosmalen was toen. En toen zei ik ja en ik weet ook waarvoor je app’t. En ik stond heel dichtbij en, of ja honderd meter afstand ongeveer. En daar heb ik niet eens de naam [verdachte] genoemd.” (p. 556).

Dat is des te opmerkelijker, omdat [getuige 1] met zijn vader enkele jaren naast verdachte had gewoond en zijn vader verdachte dus goed moet hebben gekend. Pas ongeveer één of twee weken voor het verhoor van 13 februari 2016 vertelde hij het alsnog aan zijn vader. [getuige 1] verklaart daarover: “En even later pas, toen het rondging met [verdachte] , was, zei hij ook van, heb je dat al gehoord, dat het misschien [verdachte] wel eens zou kunnen zijn? Ik zeg van nou, ik heb hem dus zelf ook gezien die avond.” (p. 556).

Bovenstaande tegenstrijdigheden in zijn verklaringen en het aanvankelijke zwijgen van [getuige 1] over de herkenning van verdachte tegen familie en vrienden doen de rechtbank twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze herkenning. Met name de tegenstrijdigheden in zijn verklaringen over het al dan niet dragen van een helm door de bestuurder van de scooter zijn opmerkelijk. Overigens verklaart een vriend van getuige met wie hij op die bewuste avond ook bij het tankstation was, getuige [getuige 2] , dat de bestuurder inderdaad een helm droeg. Dan zou het dus gaan om een bestuurder van een scooter die met een helm op (met een gesloten, doorzichtig vizier) [getuige 1] voorbij rijdt op een tijdstip dat de duisternis al is ingevallen. Het behoeft geen betoog dat het onder die omstandigheden extra moeilijk is om met voldoende zekerheid een persoon te herkennen. Al met al concludeert de rechtbank dat de verklaring van [getuige 1] dat hij verdachte heeft herkend onvoldoende betrouwbaar is om aan het bewijs bij te dragen.

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht het onderzoek te heropenen als de rechtbank haar conclusies over de betrouwbaarheid van de herkennende waarneming van [getuige 1] mede baseert op het rapport van prof. Van Koppen. De officier van justitie wil in dat geval de deskundige nader horen. De rechtbank gaat voorbij aan dit voorwaardelijk verzoek, omdat zij weliswaar kennis heeft genomen van het rapport, maar haar oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige heeft gebaseerd op een eigen afweging. Dat is ook in de lijn van een eerdere beslissing van de rechtbank, tijdens de pro forma zitting van 16 november 2015. De verdediging verzocht toen Van Koppen te benoemen als deskundige om de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1] te beoordelen. De rechtbank heeft toen dit verzoek afgewezen, omdat zij van oordeel was dat een onderzoek van Van Koppen niet kan bijdragen aan de vorming van het rechterlijk oordeel over de betrouwbaarheid van de bewuste verklaring. De rechtbank ziet geen aanleiding daar thans anders over te denken.

De resultaten van het sporenonderzoek.

De tweede pijler waarop de officier van justitie zijn bewijsconstructie baseert zijn de matchende DNA-profielen op het vuurwapen en de scooter en de schotresten op de scooter.

Samengevat heeft het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) hierover het volgende gerapporteerd.

Op de buitenzijde van de patroonhouder van het vuurwapen zijn vezelsporen veilig gesteld. Uit de bemonstering daarvan heeft het NFI een DNA-mengprofiel verkregen, waarin de DNA-kenmerken zichtbaar van tenminste drie personen, waaronder minimaal één man. Bij de vergelijking van de combinatie van afgeleide DNA-kenmerken met de profielen in de databank is er een match met verdachte. Niet alle kenmerken van alle celdonoren zijn zichtbaar in het mengprofiel. Daarom is een standaard statistische berekening van de bewijswaarde volgens het NFI niet mogelijk. Uitgaande van de aanname dat het gaat om celmateriaal van drie niet verwante personen is het meer dan één miljoen keer waarschijnlijker dat de bemonstering celmateriaal bevat van verdachte en twee willekeurige personen dan dat het celmateriaal van drie willekeurige personen bevat. In antwoord op schriftelijke vragen van de verdediging heeft de rapporteur op 9 december 2015 geantwoord dat van geen van de donoren in het mengprofiel een DNA-profiel kon worden afgeleid. Bij dit soort complexe DNA-mengprofielen kan men niet met zekerheid het aantal donoren vaststellen. Wat de bevindingen zouden zijn als er sprake is van meer dan drie celdonoren of van bloedverwante celdonoren is niet nader onderzocht, aldus de rapporteur van het NFI.

Op het dashboard van de scooter is een DNA-hoofdprofiel aangetroffen dat matcht met verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurige persoon matcht met het DNA-profiel op de scooter is kleiner dan één op één miljard. Ook op het rechter handvat van de scooter is een DNA-profiel van verdachte aangetroffen. De matchkans van dit profiel is niet berekend, omdat er al een match was vastgesteld met het DNA-profiel op het dashboard van de scooter.

Ten aanzien van de bemonsterde schotresten op de scooter heeft het NFI geen relatie vastgesteld tussen de stubs waarmee delen van de scooter zijn bemonsterd en een schietproces. Het onderzoek heeft een vrijwel zekere relatie aangetoond tussen een schietproces en de stubs van de mouwen van de jas die tijdens een doorzoeking in de woning van verdachte is aangetroffen. Schotresten op zowel de scooter als de jas bleken geschikt voor nader vergelijkend onderzoek. Bij een vergelijkend schotrestenonderzoek worden de kenmerken van verzamelingen deeltjes die zijn aangetroffen op stukken van overtuiging met elkaar vergeleken. In dit geval bleek vergelijkend onderzoek van de schotresten op den scooter mogelijk dankzij de aanwezigheid van aanzienlijke hoeveelheden Sb-deeltjes in de verzameling categorie B deeltjes. Ook de schotresten op de jas bevatten Sb deeltjes. Op basis van dit vergelijkend schotrestenonderzoek concludeert het NFI in zijn rapport van 20 augustus 2015 ten aanzien van de scooter, dat het waarschijnlijker is dat de deeltjes die zijn aangetroffen op de bemonsteringen van de scooter dezelfde herkomst hebben als de deeltjes die zijn aangetroffen op de bemonsteringen van het vuurwapen en de hulzen, aangetroffen op en nabij de plaats delict. Ten aanzien van de jas concludeert het NFI dat de deeltjes op de bemonsteringen van de jas zeer veel waarschijnlijker een andere bron van herkomst hebben dan de deeltjes die zijn aangetroffen op de bemonsteringen van het vuurwapen en de hulzen.

De rechtbank overweegt het volgende over de bewijswaarde van bovenstaande resultaten van het sporenonderzoek.

Op basis van het matchende DNA-profiel op het dashboard en het handvat van de scooter staat voor de rechtbank vast dat verdachte deze scooter op enig moment heeft gebruikt. De matches zeggen echter nog niets over het tijdstip waarop hij de scooter heeft gebruikt. Op basis van de matches kan niet worden geconcludeerd dat dit de scooter is geweest die vlak na het schietincident is gesignaleerd op de plaats delict en dat verdachte toen de bestuurder van deze scooter was. De scooter is ook niet, zoals het vuurwapen, aangetroffen in de directe nabijheid van de plaats delict. Het vergelijkend schotrestenonderzoek legt wel een verband tussen de scooter en de geloste schoten. Daar staat dan weer tegenover dat de schotresten op de jas van verdachte juist niet wijzen op een verband met het schietincident.

Ten aanzien van de match van het DNA-mengprofiel op de patroonhouder merkt de rechtbank op dat niet alle kenmerken van de celdonoren zichtbaar zijn in het mengprofiel en dat van geen van de celdonoren een DNA-profiel kon worden afgeleid. De match met het DNA-profiel van verdachte is geconstateerd op basis van de aanname dat het gaat om celmateriaal van drie niet verwante personen. Ten slotte stelt de rechtbank vast dat het bij bovengenoemde onderzoeksresultaten gaat om verplaatsbare voorwerpen; een scooter en een vuurwapen. Bij DNA-profielen op verplaatsbare voorwerpen is extra behoedzaamheid geboden bij het op basis van matchende profielen trekken van conclusies over het daderschap.

Al met al concludeert de rechtbank dat de matchende DNA-profielen op de scooter en het vuurwapen en de schotresten op de scooter belastend zijn voor verdachte. Tegen verdachte pleit ook dat hij, met een beroep op zijn zwijgrecht, geen redengevende verklaring heeft willen geven voor de aangetroffen DNA-profielen en schotresten. De matchende DNA-profielen en de schotresten op de scooter kunnen echter, ook in onderlinge samenhang bezien, slechts als steunbewijs dienen, gezien de hierboven genoemde overwegingen bij de bewijswaarde van de onderzoeksresultaten.

Slotconclusie.

Naar het oordeel van de rechtbank vindt bovenstaand technisch bewijs onvoldoende steun in ander wettig bewijs. Hierboven heeft de rechtbank al de verklaring van getuige [getuige 1] dat hij verdachte vlak na het schietincident heeft herkend, onvoldoende betrouwbaar geacht om tot het bewijs te kunnen bijdragen. Overig wettig bewijs ontbreekt, ondanks zeer uitgebreid sporen- en getuigenonderzoek. Voor de rechtbank is dan ook niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan, dat verdachte de fatale schoten heeft gelost. Daarom zal de rechtbank verdachte vrijspreken.

De rechtbank realiseert zich dat deze vrijspraak zeer onbevredigend is voor de nabestaanden van het slachtoffer. Diens overlijden heeft hen veel leed bezorgd, zoals ook blijkt uit de slachtofferverklaring van de moeder van het slachtoffer. Nabestaanden willen weten wie de schoten heeft gelost en met welk motief. Iemand die op zo brute wijze een ander doodschiet, mag een verdiende straf niet ontlopen. Een veroordeling van een verdachte moet in ons strafrecht echter wel zijn gebaseerd op voldoende wettig en overtuigend bewijs. Bij redelijke twijfel over diens schuld, moet verdachte worden vrijgesproken.

Beslag. De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn die tot het begaan van een misdrijf zijn vervaardigd of bestemd en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

De rechtbank zal voorts de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

De officier van justitie heeft ten aanzien van een viertal voorwerpen de rechtbank verzocht deze toe te voegen aan het dossier, omdat in deze zaak een hoger beroep van verdachte of het openbaar ministerie is te verwachten. De rechtbank volgt de officier van justitie hierin niet. De rechtbank dient te beslissen op basis van de overgelegde beslaglijst en kan daarbij niet vooruitlopen op een eventueel nog in te stellen hoger beroep. Wordt er inderdaad hoger beroep ingesteld, dan blijft het beslag op de voorwerpen waarop de officier van justitie doelt, uiteraard gehandhaafd.

DE UITSPRAAK

De rechtbank verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen.

De rechtbank gelast de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

  • -

    een alarmpistool (goednummer 252372);

  • -

    een vuurwapen met houder (goednummer 251712);

  • -

    een koffertje ten behoeve van een vuurwapen (goednummer 251713);

  • -

    een pistool (Tokarev TT33) (goednummer 709848);

  • -

    een houder van een pistool (goednummer 709854).

Teruggave inbeslaggenomen goederen.

De rechtbank gelast de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, te weten:

  • -

    een Ipad (goednummer 251893);

  • -

    een bromfiets voorzien van het kenteken [kentekennummer] (IBN code AAGG9350NL);

  • -

    een gereedschap (schroevendraaier) (IBN code AAGG9344NL).

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 31 oktober 2016 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.J.H. Van Dellen, voorzitter,

mr. E.W. van den Heuvel en mr. H.M. Hettinga, leden,

in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier,

en is uitgesproken op 14 november 2016.