Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:6171

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-11-2016
Datum publicatie
08-11-2016
Zaaknummer
01/865032-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wilde zijn beide dochters en zichzelf van het leven beroven door zijn woning in brand te steken. Het huis was hermetisch afgesloten door verdachte en de vuurhaarden bevonden zich op strategische plaatsen in het huis. Toen het huis in brand stond en de dochters probeerden via een raam het huis uit te springen, hield verdachte hen tegen. De oudste dochter heeft verdachte knock-out kunnen slaan, waardoor zij uiteindelijk via een raam op de eerste verdieping naar buiten konden springen. Een politiebeambte en een buurman zijn bij de reddingswerkzaamheden gewond geraakt.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de poging de dochters om het leven te brengen sprake is van voorbedachte rade.

De rechtbank legt een gevangenisstraf van 12 jaren met aftrek voorarrest op voor poging tot moord, meermalen gepleegd, brandstichting en aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zodanig lichamelijk letsel bekomt dat daardoor tijdelijke ziekte en verhindering van de ambts- of beroepsbezigheden is ontstaan, meermalen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/865032-16

Datum uitspraak: 08 november 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1977,

wonende te [adresgegevens] ,

thans gedetineerd te: Vught PPC.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 juli 2016, 2 augustus 2016 en 25 oktober 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 1 juni 2016.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 2 augustus 2016 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 20 maart 2016 te Best ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] [geboortedatum 2] en/of [slachtoffer 2] [geboortedatum 3] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg in/aan de woning waarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] woonde(n) en/of zich op dat moment bevond(en)

- de slang van het gasfornuis eraf/los heeft gehaald en/of het/de gas(kraan) van het gasfornuis heeft open gezet en/of

- een gasfles onderaan de trap in de hal heeft gezet en/of

- benzine op de zolder-, hal- of keukenvloer en/of andere (vloer)delen in de woning heeft gesprenkeld/aangebracht en/of

- de gasfles onder aan de trap heeft opengedraaid, althans open heeft gedaan en/of - (een) toegangsdeur(en) heeft (af)gesloten en/of rolluiken naar beneden heeft gebracht en/op

- brandgel over de trap van de begane grond naar de eerste verdieping heeft gegoten/aangebracht en/of - de benzine en/of de brandgel, (met een aansteker) heeft aangestoken, in elk geval brand heeft gesticht,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. hij op of omstreeks 20 maart 2016 te Best opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk

- de slang van het gasfornuis eraf/los gehaald en/of het/de gas(kraan) van het gasfornuis open gezet en/of

- een gasfles onderaan de trap in de hal gezet en/of

- benzine op de zoldervloer en/of een of meerdere andere vloer(en) gesprenkeld/aangebracht en/of - de gasfles onder aan de trap opengedraaid, althans open gedaan en/of - brandgel over de trap van de begane grond naar de eerste verdieping gegoten/aangebracht en/of - de benzine en/of de brandgel, (met een aansteker) aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen) en/of (de trap en/of het interieur van) die woning,

tengevolge waarvan voornoemde woning geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te weten [slachtoffer 1] [geboortedatum 2] en/of [slachtoffer 2] [geboortedatum 3] en/of de daar aanwezige brandweerlieden en/of een of meer andere hulpverlener(s) en/of een of meer bewoner(s) van de naastgelegen woning(en) en/of

terwijl daar gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de woning en/of de inboedel van die woning en/of (een) naastgelegen woning(en) en/of de inboedel van die naastgelegen woning(en) te duchten was;

3. hij op of omstreeks 20 maart 2016 te Best roekeloos, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig brand in een woning heeft gesticht waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 3] (politieambtenaar) en/of [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel, te weten een longontsteking en/of een ontsteking in de luchtweg(en) (als gevolg waarvan die [slachtoffer 3] een (blijvend) verminderde longinhoud heeft) en/of een gescheurde kniepees (patellapeesruptuur) [slachtoffer 4] heeft/hebben bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Inleiding. 1

Op zondag 20 maart 2016 om 4.51 uur kregen politiebeambten de opdracht van de meldkamer om zich te begeven naar de woning [adres 1] in verband met een woningbrand. Ter plaatse trof de politie een man liggend op de grond aan. Het bleek te gaan om een buurman van verdachte, [slachtoffer 4] . Hij verklaarde gewond te zijn geraakt bij het opvangen van een kind dat uit het brandende huis was gesprongen. De politie zag vervolgens verdachte uit de woning klimmen. Desgevraagd verklaarde verdachte ter plaatse tegen de politie, dat hij de woning in brand had gezet en dat hij zichzelf en zijn twee in de woning aanwezige kinderen door middel van brandstichting in zijn woning om het leven had willen brengen. Gevraagd naar zijn motief, antwoordde hij de politie dat hij de kinderen wilde “sparen voor wat komen gaat”, dat hij en zijn vriendin uit elkaar gingen en dat ze dat deze zondag aan hun beide kinderen zouden vertellen.2De beide kinderen zijn dochters van destijds 15 jaar en 8 jaar. Hun moeder, [betrokkene 1] , verbleef die nacht bij een vriendin.

[slachtoffer 4] heeft bij het opvangen van de oudste dochter knieletsel opgelopen.

Politieambtenaar [slachtoffer 3] heeft vanwege de rookontwikkeling in de belendende woning de slecht ter been zijnde bejaarde bewoner vanaf de eerste verdieping naar beneden gedragen. Hij heeft daarbij longletsel opgelopen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Verdachte heeft met voorbedachte raad zijn beide dochters van het leven trachten te beroven, zoals blijkt uit de door hem verrichte handelingen vlak voor de brandstichting. Door de brandstichting is er levensgevaar en gemeen gevaar voor goederen ontstaan. Het letsel van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] was een direct gevolg van de brandstichting en is daarom verdachte toe te rekenen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de onder feit 1 ten laste gelegde voorbedachte raad. Er was slechts een zeer korte tijdsspanne tussen het besluit brand te stichten en de uitvoering daarvan. Verdachte heeft gehandeld in een zeer verwarde toestand onder invloed van zijn stoornissen. Hij bevond zich in een hevige gemoedstoestand, veroorzaakt door een fataal samenkomen van persoonlijke omstandigheden.

Het door [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] opgelopen letsel kan niet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsoverwegingen

Feit 1.

Verdachte heeft van meet af aan bekend dat zijn opzet er op was gericht zijn dochters en ook zichzelf van het leven te beroven.3 De verdediging betwist echter dat verdachte daarbij heeft gehandeld met voorbedachte raad.

De Hoge Raad heeft in zijn standaardarrest van 28 februari 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BR2342) het volgende overwogen over het bestanddeel voorbedachte raad.

Voor een bewezenverklaring van dit bestanddeel moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De vaststelling dat verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter er niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdsspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Uitgaande van dit toetsingskader neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.

Verdachte heeft in de bewuste nacht op enig moment de brandstichting voorbereid door een aantal handelingen te verrichten.

Zelf heeft hij tegenover de politie verklaard dat hij een gasfles en een jerrycan uit de schuur heeft gehaald. De gasfles heeft hij onderaan de trap naar de eerste verdieping gezet. Hij weet niet zeker meer of hij de gasfles ook heeft opengezet. Hij heeft de slang van het gasfornuis gehaald en het gas van het fornuis opengedraaid. Hij heeft een volle jerrycan naar de zolder gebracht en op zijn kant gelegd, zodat de benzine eruit kon lopen. Hij heeft brandgel uit de schuur gehaald en over de bovenste trede van de trap verspreid. Dat spul zakt vanzelf naar beneden, aldus verdachte. Boven aan de trap heeft hij met een aansteker “het spul” aangestoken.4 Hij wist dat de woning hermetisch was afgesloten, omdat de voor- en achterdeur op slot waren en de rolluiken ’s avonds al automatisch dicht waren gegaan.5

De verklaring van verdachte over de verrichte handelingen strookt met de bevindingen van de brandweer en van het forensisch sporenonderzoek.

Tegenover de politie heeft de bevelvoerder van de regionale brandweer het volgende verklaard over wat de brandweer bij binnenkomst in de woning had aangetroffen.

Onder de trap stond een gasfles. Op de begane grond, ter hoogte van de meterkast in de hal, lag een jerrycan van 5 liter zonder dop. In de keuken van de woning lag, op ongeveer een meter van de achterdeur, een niet afgesloten jerrycan van 20 liter, half gevuld met vermoedelijk benzine. Op de eettafel in de woonkamer stond een krat met daarin diverse flessen terpentine en wasbenzine. Het viel de brandweer op dat alle mogelijke vlucht- of uitwegen waren gebarricadeerd met vuurhaarden.6 Tijdens het forensisch sporenonderzoek is nog vastgesteld dat zich op de zolderverdieping, bij de trap vanaf de eerste verdieping, een plat op de zijkant liggende, geopende jerrycan bevond.7

In de smartphone van verdachte heeft de politie een notitie aangetroffen die in de bewuste nacht is aangemaakt om 4.30:46 uur. Deze notitie bevat onder meer de volgende tekst:

“Fles Gel trap FB ik [diverse namen] ”. Om 4:38:04 uur en 4:39:27 uur is de notitie aangepast of overschreven met handhaving van bovenstaande passage.8 De notitie was opgeslagen onder de titel ‘Gas ketel klein’.9

In diezelfde nacht heeft verdachte om 4:25:44 uur € 1408,00 overgeboekt van de rekening van [betrokkene 1] naar zijn tegenrekening, zeer waarschijnlijk via zijn smartphone.10

Rond 4.30 uur stuurde hij ook een Facebookbericht aan een vriend11 en aan de sportleraar waarmee [betrokkene 1] al enige maanden een relatie had12, en een e-mailbericht aan zijn tante met als onderwerp “vaarwel”.13 Deze berichten bevatten steeds dezelfde tekst, onder meer over de ontrouw van zijn partner.

Hij plaatste het bericht ook op de Facebookpagina van hemzelf en [betrokkene 1] . De tijdsaanduiding op dat bericht is 4:54 uur.14

Toen de woning in brand stond, probeerden zijn dochters uit de woning te komen. Zelf verklaart verdachte daarover het volgende.

“Ik herinner me dat mijn dochters bij het raam van de ouder slaapkamer stonden. Ik hoorde toen dat ze ‘help’ riepen. Ik heb ze toen vastgepakt. Ik heb elk van mijn kinderen vastgepakt en een arm om ieder van hen geslagen. Ik heb hen vastgepakt en op bed geduwd. Ik had hen zo krachtig vast dat mijn kinderen niets anders konden doen dan wat ik wilde, namelijk hen van het raam weghalen. (…) Ik besloot op dat moment om alle drie onze levens te beëindigen om ons verdere ellende te besparen.”15

In de studioverhoren hebben beide dochters bevestigd dat verdachte hen heeft trachten tegen te houden. De oudste dochter heeft onder meer verklaard:

“Mijn vader was steeds bezig mij weg te houden bij het raam. Ik probeerde door het raam te roepen: help, help, help. Maar hij probeerde me te vermoorden.16 Hij hield me maar in de houdgreep. Hij had me vast op een manier dat ik niet weg kon.”17 De jongste dochter heeft verklaard: “We mochten er niet uit. We wouden het raam openmaken, maar dat mocht van papa niet. Hij hield ons tegen.”18

De rechtbank merkt hierbij nog op dat zij de verklaring van de oudste dochter op dit onderdeel betrouwbaar acht, omdat het steun vindt in de verklaring van verdachte zelf en van de jongste dochter. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsvrouw dat de getuigenverklaring van de oudste dochter in zijn geheel onbetrouwbaar is en daarom integraal van het bewijs moet worden uitgesloten.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat verdachte voldoende tijd had zich te beraden op het besluit zijn dochters van het leven te beroven, zowel bij de voorbereiding van de brandstichting als tijdens de brandstichting. Verdachte heeft de brandstichting doelbewust voorbereid door de vuurhaarden verspreid in de woning te plaatsen, vooral bij vluchtroutes zoals trapgedeeltes van de woning, en zodanig dat de brand snel om zich heen zou grijpen. Een dergelijke planmatige handelwijze strookt niet met het door het verdediging gestelde impulsieve handelen vanuit een hevige gemoedsopwelling.

Toen de brand was uitgebroken en zijn dochters probeerden uit de woning te komen, had verdachte gelegenheid op zijn besluit terug te komen en zijn dochters te helpen de woning tijdig te verlaten. In plaats daarvan bleef hij bij zijn besluit en hield hij hen tegen.

Ook de notitie op de smartphone van verdachte, het overboeken van geld en het verzenden van de Facebookberichten vlak vóór de brandstichting wijzen niet op een handelen vanuit een hevige gemoedsopwelling. Uit de verklaring van verdachte zelf is een dergelijke gemoedstoestand evenmin op te maken.

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van contra-indicaties voor de voorbedachte raad. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat een handelen onder invloed van een persoonlijkheidsstoornis of stressstoornis voorbedachte raad niet uitsluit.

Op grond van voorgaande overwegingen acht de rechtbank de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot moord wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2.

De brandweer, veiligheidsregio Brabant Zuid-Oost, heeft aangifte gedaan van het in gevaar brengen van brandweermensen. In de aangifte is beschreven wat de brandweermensen hebben aangetroffen toen zij de woning betraden.

“In de keuken stond een 20 liter jerrycan van kunststof, waar ongeveer een derde deel uit was. Op de jerrycan zat geen dop meer. Het uitdampen geeft gevaar en het feit dat de jerrycan van kunststof is geeft gevaar. Dit alles werd pas later ontdekt, nadat de eenheid de woning al had betreden. De gasfles onder de trap en de jerrycan in de hal bevonden zich in dezelfde ruimte. De aanwezigheid van deze gasfles en de jerrycan had de eenheid niet kunnen zien op het moment dat ze de woning betraden. Door de felle brand had de gasfles kunnen exploderen terwijl de eenheid zich in dezelfde ruimte bevond. Boven op de eerste verdieping lag een jerrycan. Deze lag op zijn kant en de brandbare vloeistof is zo over de trap gelopen. Dit werd pas de volgende dag ontdekt. Het aanwezig zijn van deze brandbare vloeistoffen in een woning, zonder dat een eenheid hiervan op de hoogte is, kan hele zware gevolgen hebben. Dit kan onze mensen in levensgevaar brengen.”19

Op basis van sporenonderzoek is in het forensisch dossier vastgesteld dat een deel van het dak is weggebrand en dat het vuur al deels was overgeslagen naar het pand op nummer 81. Ook is gevaar voor asbestbesmetting ontstaan als gevolg van de brand. De open trapverbinding fungeerde als een tochtpijp, wat een zuigende werking had op het vuur. In de trapopening heeft zich een hevige brand ontwikkeld die een groot deel van de trappen heeft vernield. Op de begane grond is de brand het hevigst geweest in de hal. Op de eerste verdieping was de brand het hevigst op de overloop. “Indien het vuur zich verder had kunnen verspreiden in met name de dakconstructie zouden ook de belendende panden en de daarin aanwezige (slapende) personen gevaar hebben opgelopen. Ook is schade ontstaan aan de belendende panden in de vorm van roet, rook en waterschade, alsmede brandschade aan de dakconstructie van een van de belendende panden.”20

De woning van verdachte was gehuurd van Stichting Woonbedrijf. Deze heeft in haar aangifte van 31 maart 2016 de schade aan de woning voorlopig geschat op € 50.000,00 tot € 100.000,00.21

Op basis van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3

Ten aanzien van het door politiebeambte [slachtoffer 3] opgelopen letsel stelt de rechtbank het volgende vast.

In zijn aangifte heeft [slachtoffer 3] verklaard dat hij tijdens de brand de woning op nummer 85 heeft betreden en daar op de overloop van de eerste verdieping [slachtoffer 6] aantrof. Deze bejaarde man kon niet op eigen gelegenheid naar beneden komen. Samen met een collega heeft aangever de man naar beneden gedragen. In de naar schatting vijf minuten die hij in de woning was, werd de rook steeds dichter. Enkele dagen na de brand kreeg hij last van zijn luchtwegen. Hij heeft zich ziek moeten melden en kon 3 tot 4 weken niet werken. Volgens aangever werd hij ook ernstig belemmerd in zijn privé bezigheden. Er werd een longontsteking vastgesteld en uit nader medisch onderzoek bleek dat zijn longcapaciteit nog 75% was.22

De behandelende longartsen hebben op 30 mei 2015 de huisarts bericht dat aangever last heeft van piepende ademhaling, hoesten, veel hoofdpijn en duizeligheid en zelfs moeite heeft de hond uit te laten. De longfunctie is restrictief gestoord.23 In het voegingsformulier heeft aangever als benadeelde partij vermeld dat uit een CT-scan van 25 juli 2016 bleek dat de longcapaciteit weer normaal is.24

Ten aanzien van een buurman van verdachte, [slachtoffer 4] , stelt de rechtbank het volgende vast.

[slachtoffer 4] heeft in zijn getuigenverhoor verklaard dat hij de val van de oudste dochter heeft gebroken toen ze uit het raam sprong. Ze kwam op hem terecht en [slachtoffer 4] is toen gevallen. Daarbij heeft hij knieletsel opgelopen, waaraan hij diezelfde dag nog is geopereerd.25 Volgens de behandelend orthopedisch chirurg is bij [slachtoffer 4] een patella ruptuur van de rechter pees van de knieschijf vastgesteld.26 In zijn voegingsformulier als benadeelde partij heeft [slachtoffer 4] verklaard dat hij vier maanden niet heeft kunnen werken. Hij ondervindt nog steeds beperkingen aan zijn knie, vooral tijdens zijn werk als vrachtwagenchauffeur. Hij staat naar verwachting nog tot mei 2017 onder behandeling van een fysiotherapeut.27

De rechtbank concludeert op basis van bovenstaande bewijsmiddelen dat [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] als rechtstreeks gevolg van de brandstichting zodanig lichamelijk letsel hebben opgelopen, dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden was ontstaan. De rechtbank acht dan ook het onder feit 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Gezien deze bewezenverklaring doet de vraag of sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel niet ter zake en gaat de rechtbank dan ook voorbij aan het verweer van de raadsvrouw op dit punt.

De bewezenverklaring.

Op grond van de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1

op 20 maart 2016 te Best ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] [geboortedatum 2] en [slachtoffer 2] [geboortedatum 3] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg in de woning waarin die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] woonden en zich op dat moment bevonden

- de slang van het gasfornuis eraf/los heeft gehaald en de gaskraan van het gasfornuis heeft open gezet en

- een gasfles onderaan de trap in de hal heeft gezet en

- benzine op de zolder en andere (vloer)delen in de woning heeft gesprenkeld/aangebracht en

- brandgel over de trap van de begane grond naar de eerste verdieping heeft aangebracht en - de brandgel met een aansteker heeft aangestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van feit 2

op 20 maart 2016 te Best opzettelijk brand heeft gesticht in een woning, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk

- de slang van het gasfornuis eraf/los gehaald en de gaskraan van het gasfornuis open gezet en

- een gasfles onderaan de trap in de hal gezet en

- benzine op de zoldervloer en andere vloeren gesprenkeld/aangebracht en - brandgel over de trap van de begane grond naar de eerste verdieping aangebracht en - de brandgel, met een aansteker aangestoken;

ten gevolge waarvan voornoemde woning gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te weten [slachtoffer 1] [geboortedatum 2] en/of [slachtoffer 2] [geboortedatum 3] en de daar aanwezige brandweerlieden en andere hulpverleners en bewoners van de naastgelegen woning(en) en

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de woning en de inboedel van die woning en naastgelegen woningen en de inboedel van die naastgelegen woningen te duchten was;

ten aanzien van feit 3

op 20 maart 2016 te Best roekeloos brand in een woning heeft gesticht waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 3] (politieambtenaar) en [slachtoffer 4] zodanig lichamelijk letsel hebben bekomen dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze personen was ontstaan;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

De bewezen verklaarde feiten leveren op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Ter zake van feit 1 en feit 2 ten aanzien van het te duchten levensgevaar is er sprake van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gevorderd voor de duur van 14 jaar, met aftrek van de dagen die reeds in voorlopige hechtenis zijn doorgebracht.

De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 6] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn geheel voor toewijzing vatbaar. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 4] is toewijsbaar met uitzondering van het gevraagde voorschot. De vordering van de Stichting Woonbedrijf dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft een gevangenisstraf bepleit met een groot voorwaardelijk deel, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die de deskundigen in hun rapportages hebben voorgesteld. Niet vergelding, maar preventie staat voorop, ondanks de ernst van de feiten. Verdachte is bereid aan alle gestelde voorwaarden zijn volledige medewerking te verlenen.

De vorderingen van smartengeld inzake de beide dochters van verdachte en van het echtpaar [slachtoffer 6] zijn toewijsbaar, maar matiging van het schadebedrag valt te overwegen. De vordering van [slachtoffer 4] dient met uitzondering van de materiële schade niet-ontvankelijk te worden verklaard, dan wel te worden gematigd. De vordering van [slachtoffer 3] dient te worden afgewezen of niet-ontvankelijk te worden verklaard. De vordering van Stichting Woonbedrijf dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte wilde zijn beide dochters en zichzelf van het leven beroven door zijn woning in brand te steken. Welbewust heeft hij ’s nachts in de woning vuurhaarden klaargezet en vervolgens de brand gesticht. Het huis was hermetisch afgesloten en de vuurhaarden bevonden zich op strategische plaatsen in het huis. Toen het huis eenmaal in brand stond en beide dochters probeerden via een raam uit het huis te springen, hield hij hen tegen. Het is uitsluitend aan het koelbloedig optreden van zijn oudste dochter te danken dat zijn kinderen en ook hijzelf toch nog ternauwernood aan de vuurzee konden ontkomen. Zijn dochter had de tegenwoordigheid van geest haar vader knock out te slaan en een neergelaten rolluik kapot te maken, waarna beide kinderen uiteindelijk via een raam op de eerste verdieping naar buiten konden springen.

Strafrechtelijk gezien gaat het hier om een schokkend, buitengewoon ernstig feit: een poging tot moord op twee jonge kinderen door brandstichting. Ze hebben het overleefd, maar ze zijn getraumatiseerd en ondervinden nu de psychische gevolgen van wat hun vader hen heeft aangedaan, zoals onder meer blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de oudste dochter.

Dat roept de vraag op hoe verdachte tot zo’n afschuwelijke daad kon komen. Van meet af aan heeft hij verklaard veel spijt te hebben van wat hij heeft gedaan en zich zelf ook steeds af te vragen hoe hij dit kon doen. Hij is onderzocht door een psycholoog en een psychiater en uit hun rapportage van 23 juli 2016 komt het volgende beeld naar voren van de persoon van verdachte.

Na zijn uitzending als militair in Bosnië, in 1998, heeft hij een post traumatische stress stoornis (PTSS) opgelopen. De deskundigen hebben vastgesteld dat er op dit moment nog sprake is van restsymptomen van deze PTSS. Daarnaast is bij verdachte een persoonlijkheidsstoornis vastgesteld met borderline, antisociale, theatrale en narcistische kenmerken. Hij kan moeilijk omgaan met problemen en spanningen, voelt zich dan snel miskend en gekrenkt, wat leidt tot depressieve, suïcidale gevoelens en impulsief en agressief gedrag. Hij lijdt daaronder, maar stelt zich ook verongelijkt en aanklagend op.

De deskundigen hebben geconcludeerd dat de strafbare feiten mede voortvloeien uit deze persoonlijkheidsstoornis in samenhang met de restsymptomen van PTSS. Zij adviseren daarom verdachte deze feiten verminderd toe te rekenen. Zij schatten de kans op herhaling in als matig. Het herhalingsgevaar doet zich vooral voor als verdachte weer onder druk komt te staan, zich in de steek gelaten en gekrenkt voelt. Daarom is behandeling van de persoonlijkheidsstoornis geboden, te beginnen met een klinische opname, gevolgd door een ambulante behandeling.

De rechtbank onderschrijft de conclusies van de deskundigen en neemt die over.

Voor een passende straf bij deze ernstige feiten neemt de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar als uitgangspunt. In dit geval weegt de rechtbank mee dat het gaat om een poging tot moord op de twee nog jonge kinderen van verdachte. Bovendien is er ook reëel levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ontstaan voor brandweerlieden, hulpverleners en omwonenden. Dat verdachte daar, naar eigen zeggen, niet bij stil heeft gestaan, rekent de rechtbank hem zwaar aan.

De verminderde toerekenbaarheid van verdachte werkt straf matigend. De rechtbank weegt ook mee dat verdachte zelf inziet dat hij geholpen moet worden en gemotiveerd is mee te werken aan behandeling.

Het opleggen van deze behandeling als bijzondere voorwaarde bij een deels voorwaardelijke gevangenisstraf is naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde. Een deels voorwaardelijke gevangenisstraf kan immers alleen worden opgelegd bij een gevangenisstraf van maximaal 4 jaar. Een dergelijke gevangenisstraf doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van de feiten. De noodzakelijke behandeling van verdachte zal dan ook moeten plaatsvinden in het kader van bijvoorbeeld de detentiefasering of de voorwaardelijke invrijheidstelling na twee derde van de gevangenisstraf.

Al met al acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar passend.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] .

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] .

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] .

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] .

De rechtbank acht - als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade - toewijsbaar een immateriële schadevergoeding van € 3.750,- en een materiële schadevergoeding van € 814,73, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, aangezien in zoverre geen sprake is van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8]

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de gehele vordering, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

24c, 27, 36f, 45, 55, 57, 157, 289 en 308 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:Poging tot moord, meermalen gepleegd.T.a.v. feit 2:Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd, (in eendaadse samenloop met feit 1) en

Opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd, en

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd. T.a.v. feit 3: Aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zodanig lichamelijk letsel bekomt, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden ontstaat, meermalen gepleegd. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:Gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1:Maatregel van schadevergoeding van EUR 10.134,57 subsidiair 85 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van EUR 10.134,57 (zegge: tienduizend honderdvierendertig euro en zevenenvijftig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 10.000,- immateriële schadevergoeding en EUR 134,57 materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , van een bedrag van EUR 10.134,57 (zegge: tienduizend honderdvierendertig euro en zevenenvijftig cent), te weten EUR 10.000,- immateriële schadevergoeding en EUR 134,57 materiële schadevergoeding. Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. feit 1:Maatregel van schadevergoeding van EUR 10134,57 subsidiair 85 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van EUR 10.134,57 (zegge: tienduizend honderdvierendertig euro en zevenenvijftig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 10.000,- immateriële schadevergoeding en EUR 134,57 materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , van een bedrag van EUR 10.134,57 (zegge: tienduizend honderdvierendertig euro en zevenenvijftig cent), te weten EUR 10.000,- immateriële schadevergoeding en EUR 134,57 materiële schadevergoeding. Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. feit 2:Maatregel van schadevergoeding van EUR 525,00 subsidiair 10 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] van een bedrag van EUR 525,- (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] van een bedrag van EUR 525,- (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), te weten immateriële schadevergoeding. Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. feit 2:Maatregel van schadevergoeding van EUR 525,00 subsidiair 10 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7] van een bedrag van EUR 525,- (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat immateriële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 7] , van een bedrag van EUR 525,- (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), te weten immateriële schadevergoeding. Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij,

komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. feit 2: Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 8] in de vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

T.a.v. feit 3:Maatregel van schadevergoeding van EUR 4.564,73 subsidiair 55 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] van een bedrag van EUR 4.564,73 (zegge: vierduizend vijfhonderdvierenzestig euro en drieënzeventig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 55 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 3.750,- immateriële schadevergoeding en EUR 814,73 materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van 20 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] van een bedrag van EUR 4.564,73 (zegge: vierduizend vijfhonderdvierenzestig euro en drieënzeventig cent), te weten EUR 3.750,- immateriële schadevergoeding en EUR 814,73 materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. feit 3:Maatregel van schadevergoeding van EUR 1.817,00 subsidiair 28 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] van een bedrag van EUR 1.817,- (zegge: achttienhonderdzeventien euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 28 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 1.250,- immateriële schadevergoeding en EUR 567,- materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] , van een bedrag van EUR 1.817,- (zegge: achttienhonderdzeventien euro), te weten EUR 1.250,- immateriële schadevergoeding en EUR 567,- materiële schadevergoeding. Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.J.H. Van Dellen, voorzitter,

mr. E.W. van den Heuvel en mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging, leden,

in tegenwoordigheid van mr. S. Kriekaard, griffier,

en is uitgesproken op 8 november 2016.

Mr. E.W. van den Heuvel is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer in de volgende voetnoten wordt verwezen naar een paginanummer wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een pagina in het eind proces-verbaal no. 2016062489, 375 blz., gesloten op 23 juni 2016.

2 Proces-verbaal van bevindingen, 20 maart 2016, p. 39.

3 Ibidem en proces-verbaal van verhoor, 20 maart 2016, p. 314.

4 Proces-verbaal van verhoor, 20 maart 2016, p. 314 en proces-verbaal van verhoor, 21 maart 2016, p. 322.

5 Proces-verbaal van verhoor, 21 maart 2016, p. 322.

6 Proces-verbaal van bevindingen, 20 maart 2016, p. 41.

7 Forensisch dossier, bijlage 9.1, proces-verbaal sporenonderzoek, 1 mei 2016, p. 6.

8 Proces-verbaal tijdlijn digitaal, 23 mei 2016, p. 302.

9 Proces-verbaal van bevindingen, 21 juni 2016, p. 307.

10 Proces-verbaal overboeking, 24 mei 2016, p. 291.

11 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] , 27 maart 2016, p. 117.

12 Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] , 26 april 2014, p. 140.

13 Proces-verbaal van verhoor [getuige 3] , 11 april 2016, p. 121

14 Proces-verbaal van bevindingen, 20 maart 2016, p. 43.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte, 21 maart 2016, p. 322.

16 Proces-verbaal van studioverhoor [slachtoffer 1] , 24 maart 2016, p. 184 en p. 186, en proces-verbaal van verhoor

17 Ibidem, p. 234.

18 Proces-verbaal van studioverhoor [slachtoffer 2] , 24 maart 2016, p. 149.

19 Proces-verbaal van aangifte, 23 maart 2016, p. 93.

20 Forensische dossier, bijlage 9.1, proces-verbaal sporenonderzoek, 1 mei 2016, p. 9 en 10.

21 Proces-verbaal van aangifte, 31 maart 2016, p. 91.

22 Proces-verbaal van aangifte, 26 mei 2015, p. 96.

23 Brief van [arts 1] , longarts, en [arts 2] , arts longgeneeskunde, 30 mei 2016 (aanvullend processtuk).

24 Bijlage 4 bij het voegingsformulier benadeelde partij [slachtoffer 3] , 17 oktober 2016.

25 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 4] , 20 maart 2016, p. 99.

26 Aanvraagformulier medische informatie, 5 april 2016, p. 104.

27 Bijlage bij het voegingsformulier benadeelde partij [slachtoffer 4] , 20 oktober 2016.