Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:6120

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-11-2016
Datum publicatie
04-11-2016
Zaaknummer
01/845423-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Huiselijk geweld door middel van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en door te mishandelen.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 139 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Geen oordeel te geven over toerekeningsvatbaarheid omdat verdachte zich niets van de feiten herinnert. Er is sprake van o.a. verslavingsproblematiek (cocaine en amfetamine).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845423-16

Datum uitspraak: 04 november 2016

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1965] ,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 oktober 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 september 2016.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 07 juli 2016 te Helmond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die voornoemde [slachtoffer] een mes op/tegen haar keel heeft gezet en/of vervolgens met dat mes in zijn hand een beweging heeft gemaakt naar achteren (teneinde dat mes met kracht naar voren te kunnen stoten), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 07 juli 2016 te Helmond [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend die voornoemde [slachtoffer] een mes voorgehouden en/of een mes op/tegen/bij de keel van die [slachtoffer] gehouden/gezet en/of die [slachtoffer] (daarbij) de woorden toegevoegd: ‘Ik maak jou kapot’ en/of ‘Ik snij je kop eraf’, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

2.

hij op of omstreeks 07 juli 2016 te Helmond [slachtoffer] heeft mishandeld door die voornoemde [slachtoffer] te slaan en/of haar keel dicht te knijpen;

3.

hij in of omstreeks de periode van 6 juli 2016 tot en met 9 juli 2016 te Helmond tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4077 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen.

Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak.

Feit 1 primair.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende bewijsmiddelen zijn op grond waarvan de conclusie getrokken kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair ten laste gelegde poging doodslag, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Uit de bewijsmiddelen volgt weliswaar dat verdachte bij aangeefster [slachtoffer] een mes op de keel heeft gezet, maar niet is komen vast te staan dat verdachte daarbij ook met dat mes in de hand een beweging naar achteren heeft gemaakt teneinde dat mes met kracht naar voren te kunnen stoten. Dit voor een bewezenverklaring van poging doodslag wezenlijke onderdeel van onderhavige tenlastelegging vindt noch in de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] , noch in de uitlatingen van zoon [getuige 1] voldoende ondersteuning.

Feit 3. De rechtbank zal verdachte ook vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde opzettelijk voorhanden hebben van ongeveer 4.077 gram amfetamine.

Ook hier is de rechtbank het met de officier van justitie en de verdediging eens dat er op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende bewijsmiddelen zijn op grond waarvan de conclusie getrokken kan worden dat verdachte zich hieraan schuldig heeft gemaakt.

Verdachte is weliswaar de bestuurder geweest van de gehuurde auto waarin

de amfetamine in de kofferbak werd aangetroffen, maar niet is vast komen te staan dat verdachte wist of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in het gedeelte van de kofferbak van die auto waar normaal een reservewiel ligt, een plastic zak met amfetamine lag.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1 subsidiair

op 7 juli 2016 te Helmond [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend die voornoemde [slachtoffer] een mes op de keel gezet en daarbij de woorden toegevoegd: ‘Ik maak jou kapot’ en ‘Ik snij je kop eraf’.

2. op 7 juli 2016 te Helmond [slachtoffer] heeft mishandeld door die voornoemde [slachtoffer] te slaan en haar keel dicht te knijpen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Motivering van de beslissing.

De eis van de officier van justitie.

Vrijspraak voor feit 1 primair en feit 3 wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Bewezenverklaring voor feit 1 subsidiair en feit 2 en verdachte daarvoor veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 131 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in de schorsingsbeschikking van het bevel voorlopige hechtenis van verdachte d.d. 18 augustus 2016.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich onder invloed van cocaïne schuldig gemaakt aan huiselijk geweld tegen zijn (ex)partner. De bewezenverklaarde bedreiging en mishandeling zijn ernstige feiten. Verdachte heeft hiermee aangeefsters gevoel van veiligheid in haar eigen woning op indringende wijze aangetast en een ernstige inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Het gewelddadig karakter van de door verdachte gepleegde strafbare feiten laat zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om fors geweld tegen andere mensen te gebruiken. Daarbij komt nog dat verdachte de feiten gepleegd heeft in tegenwoordigheid van een kind, aangeefsters en verdachtes toentertijd 15-jarige zoon. Verdachte heeft zich bij zijn strafbaar handelen niet bekommerd om de gevolgen voor aangeefster of voor zijn zoon.

Dat neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank bij de strafoplegging rekening gehouden met een (beknopt) reclasseringsadvies van verdachte d.d. 15 augustus 2016 (opgemaakt t.b.v. schorsing van het bevel voorlopige hechtenis) en het Pro Justitia psychologisch onderzoek van verdachte (rapport d.d. 29 augustus 2016).

Uit het psychologisch onderzoek blijkt dat verdachte lijdt aan diverse stoornissen, te weten een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit en aan een verslaving aan diverse middelen, met name cocaïne en amfetamine. Daarnaast kenmerkt zijn persoonlijkheid zich door narcistische en antisociale trekken. Deze stoornissen waren alle aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. De rapporterend onderzoeker kan geen antwoord geven op de vraag of deze stoornissen de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte hebben beïnvloed ten tijde van het tenlastegelegde omdat verdachte ten tijde van het onderzoek van de psycholoog heeft aangegeven zich niets van het tenlastegelegde te herinneren. Om die reden kan de onderzoeker ook de toerekeningsvatbaarheid van verdachte niet beoordelen.

Verder blijkt uit de rapportages dat verdachte weinig ervaring met hulpverlening heeft. Ook niet op het gebied van verslaving. Er is sprake van een agressieproblematiek maar door de weigerachtige houding van verdachte blijft de vraag welke hulpverlening het meest passend voor hem is. Zowel de reclassering als de rapporterend psycholoog maken zich ernstig zorgen over de toekomstige ontwikkeling van verdachte. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. De rapporterend psycholoog kon geen aanbeveling over een zinvolle interventie in de zin van een bepaalde behandeling of begeleiding uitbrengen. De reclassering zag geen mogelijkheid tot een zinvolle begeleiding vanuit de reclassering.

Bij de beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving een gevangenisstraf van na te melden duur noodzakelijk is om verdachte het verkeerde van zijn handelen te laten inzien en hem duidelijk te maken dat de samenleving dit gedrag niet tolereert.

De rechtbank zal een voorwaardelijk strafdeel opleggen teneinde verdachte te bewegen zich niet meer schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten. De rechtbank zal geen reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde opleggen, zoals de officier van justitie heeft gevorderd, omdat uit het Pro Justitia rapport naar aanleiding van het psychologisch onderzoek blijkt dat noch de reclassering, noch de rapporterend psycholoog mogelijkheden zien voor een zinvolle behandeling of begeleiding.

De toepaste wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en 3 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

feit 1 subsidiair: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht feit 2: mishandeling . Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 139 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Beslissing over de voorlopige hechtenis.

Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 18 augustus 2016 al geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.F. Koolen, voorzitter,

mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. J.H.L.M. Snijders, leden,

in tegenwoordigheid van M.P.M. van Goethem, griffier,

en is uitgesproken op 4 november 2016.