Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:6094

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-10-2016
Datum publicatie
02-11-2016
Zaaknummer
C/01/286206 / FA RK 14-6096_2
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling. De man is in de gelegenheid gesteld door alle middelen rechtens te bewijzen dat er tussen hem en de minderjarige een nauwe persoonlijke betrekking bestaat. De rechtbank oordeelt dat de man hierin niet is geslaagd. De rechtbank oordeelt tevens de man op grond van artikel 8 EVRM - voor zover dit artikel ziet op bescherming van het gezinsleven van de man - ontvankelijk is zijn verzoek.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a, geldigheid: 2011-07-01
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 8, geldigheid: 1998-11-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0290

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/286206 / FA RK 14-6096_2

Uitspraak : 31 oktober 2016

Beschikking betreffende omgang in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. J.J. Bronsveld,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. H.H.C.Th. Mulders,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de man en de vrouw.

Deze beschikking volgt op de beschikking van deze rechtbank van 26 maart 2015. De inhoud van die beschikking wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Het verdere verloop van de procedure

Bij beschikking van 26 maart 215 is de man in de gelegenheid gesteld om door alle middelen rechtens te bewijzen dat er tussen hem en de minderjarige [X], geboren op [geboortedatum], een nauwe persoonlijke betrekking bestaat. De definitieve beslissing is in verband hiermee door de rechtbank pro forma aangehouden.

De rechtbank heeft op 17 september 2015, 26 februari 2016 en 11 juli 2016 getuigen gehoord, van welk verhoor proces verbaal is opgemaakt.

De rechtbank heeft nadien kennisgenomen van:

  • -

    een F9-formulier bij bijlage (een akte na enquête) d.d. 4 augustus 2016 van mr. Sanli;

  • -

    een F9-formulier bij bijlagen (een akte na getuigenverhoor en aangiften) d.d. 4 oktober 2016 van mr. Mulders.

De verdere beoordeling

Beide partijen hebben gereageerd op de door de getuigen afgelegde verklaringen. Ofschoon de advocaat van de man zulks niet uitdrukkelijk concludeert in de akte na enquête begrijpt de rechtbank uit het door haar gestelde dat de man van oordeel is dat hij is geslaagd in het aan hem opgedragen bewijs.

De vrouw daarentegen heeft gesteld dat de man niet in zijn bewijs is geslaagd.

De rechtbank overweegt als volgt.

De vrouw stelt in haar verweerschrift dat zij twijfelt of de man de biologische vader is van de minderjarige. De rechtbank heeft in de beschikking van 26 maart 2015 daarom overwogen dat niet vaststaat dat de man de biologische vader is van de minderjarige. Uit de door de vrouw bij akte na getuigenverhoren overgelegde productie 4 (proces-verbaal aangifte bedreiging van 19 juni 2015) blijkt evenwel dat de vrouw tegenover de verbalisant heeft verklaard dat “zij zwanger is de geworden van [verzoeker]” (rechtbank: de man). De rechtbank gaat er daarom vooralsnog van uit dat de man de biologische vader is van de minderjarige.

Zoals door de rechtbank overwogen in haar beschikking van 26 maart 2015 heeft een kind ingevolge artikel 1:377a BW onder meer recht op omgang met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) heeft geoordeeld dat ook op grond van artikel 8 lid 1 EVRM en het daarin beschermde recht op eerbiediging van het privéleven een biologische vader om omgang met zijn kind kan verzoeken. De rechtbank verwijst in dit verband naar EHRM 21 december 2010, appl.no. 20578/07, NJ 2011/508 (Anayo/Duitsland) en EHRM 15 september 2011, appl.no. 17080/07 (Schneider/Duitsland). In eerst genoemde uitspraak heeft het EHRM onder meer geoordeeld dat het voornemen tot family life valt onder de reikwijdte van het in artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van het family life. Daarnaast heeft het EHRM in deze zaak geoordeeld dat de relatie tussen de biologische vader en zijn kind onder het recht op eerbiediging van het privéleven van de vader kan vallen. Als een verzoek van een biologische vader tot omgang met zijn kind zonder inhoudelijke toetsing niet-ontvankelijk zou worden verklaard, is dit volgens het EHRM in strijd met het in artikel 8 EVRM genoemde recht op eerbiediging van het privéleven, omdat het contact met en de toegang tot het kind een belangrijk onderdeel vormt van de identiteit van de man.

De rechtbank is van oordeel dat uit de getuigenverklaringen die zijn afgelegd noch uit de door de man in het geding gebrachte foto’s volgt dat er tussen de man en de minderjarige sprake is geweest van een nauwe persoonlijke betrekking. De man heeft weliswaar verklaard dat hij aanwezig is geweest bij de geboorte van de minderjarige en dat hij de minderjarige direct na haar geboorte ieder dag zag en later drie of vier keer per week maar dit is door de vrouw ontkend en vindt geen steun in de door de man overgelegde foto’s. Daaruit volgt dat de man de minderjarige aantoonbaar slechts ongeveer 6 keer voor korte of langere tijd heeft gezien. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat van een nauwe persoonlijke betrekking geen sprake is.

De man doet in zijn verzoekschrift evenwel ook een beroep op het door artikel 8 EVRM beschermde gezinsleven (family life). Onder verwijzing naar de hiervoor aangehaalde uitspraak van het EHRM in de zaak Anayo/Duitsland dient de man in verband met dit beroep op de bescherming van zijn gezinsleven te bewijzen dat uit feiten en omstandigheden die zich hebben afgespeeld voor de geboorte van de minderjarige de conclusie kan worden getrokken dat er sprake was van een zogenaamd voorgenomen gezinsleven. In de literatuur wordt in dit verband aangegeven dat relevante factoren bijvoorbeeld zijn de aard van de relatie tussen de biologische ouders en een aantoonbare interesse in en toewijding van de vader naar het kind toe, zowel voor als na de geboorte.

De rechtbank stelt vast dat partijen elkaar over de aard van hun relatie voor de geboorte van de minderjarige tegenspreken. De vrouw heeft onder meer een proces verbaal van 19 juni 2015 overgelegd waaruit volgt dat zij van mening is dat zij al tijdens de zwangerschap van de minderjarige werd uitgescholden en bedreigd door de man. De man daarentegen heeft verklaard dat de man en de vrouw officieel niet samen woonden maar wel vaak samen waren en dat dat zo was vanaf november 2008 tot het moment dat de man naar het detentiecentrum moest. De rechtbank begrijpt uit hetgeen de man heeft verklaard dat hij voor het eerst in augustus 2010 naar het detentiecentrum is gegaan, dat wil zeggen in de maand na de geboorte van de minderjarige.

De rechtbank is gelet op alle stellingen van partijen van oordeel dat de man in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van een affectieve relatie tussen partijen zowel voor als ook kort na de geboorte van de minderjarige. In dit verband hecht de rechtbank met name waarde aan het feit dat de vrouw na de geboorte van de minderjarige de man tot tweemaal toe de man in het detentiecentrum heeft bezocht alsmede aanwezig was bij zitting van de man bij, naar de rechtbank begrijpt, de vreemdelingenrechter in de rechtbank in Middelburg (thans Zeeland/West-Brabant). Dat de vrouw, zoals door haar gesteld, tot het bezoek in het detentiecentrum was gedwongen door de man is niet vast komen te staan.

Voorts is in deze procedure in voldoende mate komen vast te staan dat de man zeer betrokken is op de minderjarige. Dat volgt reeds uit de pogingen die de man heeft gedaan om in contact met haar te komen waarvan blijkt uit de afgelegde getuigenverklaringen. De vrouw heeft die pogingen als zodanig niet betwist. Dat de wijze waarop de man deze pogingen heeft ondernomen mogelijk niet in het belang van de minderjarige zijn geweest en door de vrouw als enorm bedreigend zijn ervaren en nog steeds als zodanig worden ervaren doet aan voormelde betrokkenheid niet af. Wel kan dit relevant zijn bij de beantwoording van de vraag of omgang in het belang moet worden geacht van de minderjarige.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de man op grond van artikel 8 EVRM voor zover dit artikel ziet op bescherming van het gezinsleven van de man ontvankelijk is in zijn verzoek.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de advocaat van de man weliswaar geen beroep heeft gedaan op het door artikel 8 EVRM beschermde privéleven van de man doch dat artikel 8 EVRM (ook) voor zover het dit recht beschermt ambtshalve moet worden toegepast. Om dit artikel ambtshalve toe te kunnen passen is het wel nodig dat de man feiten en omstandigheden aanvoert die maken dat het contact met en de toegang tot zijn kind een belangrijk onderdeel vormen van zijn identiteit. In de literatuur wordt aangegeven dat in dit verband gedacht kan worden aan de pogingen die de biologische vader heeft ondernomen om contact te leggen en een band op de bouwen met zijn kind en het (weinige) contact dat er is geweest tussen de biologische vader en het kind.

De rechtbank is van oordeel dat uit het door de man gestelde in voldoende mate blijkt dat de man de afgelopen jaren veelvuldig contact heeft gezocht met de minderjarige en dat de vrouw dit contact heeft afgehouden. Ook hier geldt dat de wijze waarop de man dit contact heeft gezocht mogelijk niet in het belang van de minderjarige is geweest en door de vrouw als enorm bedreigend is ervaren en nog steeds als zodanig wordt ervaren maar dat dit aan het feit dat de man veelvuldig pogingen heeft ondernomen niets afdoet.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de man ook op grond van artikel 8 EVRM voor zover dit artikel ziet op bescherming van het privéleven van de man ontvankelijk is in zijn verzoek.

Nu de man ontvankelijk is in zijn verzoek zal een verdere inhoudelijke beoordeling daarvan dienen plaats te vinden in welk verband de vraag beantwoord dient te worden of omgang tussen de man en de minderjarige in haar belang moet worden geoordeeld en, zo ja, op welke wijze de omgang in dat geval dient plaats te vinden. Als omgang niet in het belang van de minderjarige wordt geoordeeld dient te worden vastgesteld wat de contra-indicaties zijn voor omgang en of die kunnen worden weggenomen en, zo ja, binnen welke termijn. Met het oog op de beantwoording van die vragen zal de rechtbank een onderzoek gelasten door de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) en in verband hiermee de beslissing op het verzoek van de man pro forma aanhouden als hierna vermeld.

De beslissing

De rechtbank

verklaart de man ontvankelijk in zijn verzoek;

verzoekt de raad voor kinderbescherming een onderzoek in te stellen naar de vraag of omgang tussen de man en de minderjarige in het belang van de minderjarige moet worden geoordeeld en, zo ja, op welke wijze en met welke frequentie de omgang in dat geval dient plaats te vinden. Als de raad omgang niet in het belang van de minderjarige acht wenst de rechtbank geïnformeerd te worden over de vraag wat de contra-indicaties zijn voor omgang en of die kunnen worden weggenomen en, zo ja, binnen welke termijn;

houdt de beslissing op het verzoek van de man pro forma aan tot 24 februari 2017.

verzoekt de raad voor de kinderbescherming uiterlijk 3 februari 2017 ter zake te

rapporteren en te adviseren;

verzoekt de advocaten van partijen om de rechtbank uiterlijk 17 februari 2017 schriftelijk

hun reactie kenbaar te maken op het uitgebrachte raadsadvies en een standpunt in te nemen

over de verdere voortgang van de zaak;

compenseert de proceskosten tot op heden tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. ter Braak, rechter, tevens kinderrechter,

en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 31 oktober 2016.

Conc: ivo

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.