Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:5953

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-10-2016
Datum publicatie
28-10-2016
Zaaknummer
01/860037-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een ongeval veroorzaakt terwijl hij als beginnend bestuurder onder invloed van alcohol door een rood licht is gereden met een snelheid die minimaal 50 km per uur boven de toegestane maximumsnelheid lag. Door het ongeval zijn drie personen gewond. De rechtbank merkt dit handelen aan als zeer onvoorzichtig en onoplettend handelen. Verdachte wordt veroordeeld tot 240 uur taakstraf en 18 maanden ontzegging van de rijbevoegdheid waarvan 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/860037-16

Datum uitspraak: 28 oktober 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

wonende te [adresgegevens] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 oktober 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 september 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 augustus 2015 te Veghel als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Eerdsebaan, gekomen nabij en/of ter hoogte van en/of op de kruising van die weg en de wegen, afrit Rijksweg A50 en/of Montgomeryweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden met een snelheid tussen 130 en 144 kilometer per uur, in elk geval met een aanzienlijk hogere snelheid dat de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, en/of geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, en/of (vervolgens) tegen een andere op die kruising rijdende personenauto te rijden, waardoor (een) ander(en) (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ) zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde of vierde lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet, en/of terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

A. hij op of omstreeks 30 augustus 2015 te Veghel, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, zulks terwijl aan hem, verdachte, sedert de datum waarop aan hem verdachte, voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en de eerste afgifte van dat rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0.41 milligram, in elk geval hoger dan 0.2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

B. hij op of omstreeks 30 augustus 2015 te Veghel als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Eerdsebaan, gekomen nabij en/of ter hoogte van en/of op de kruising van die weg en de wegen, afrit Rijksweg A50 en/of Montgomeryweg, heeft gereden met een snelheid tussen 130 en 144 kilometer per uur, in elk geval met een aanzienlijk hogere snelheid dat de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, en/of geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, en/of (vervolgens) tegen een andere op die kruising rijdende personenauto aan is gereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg(en) werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg(en) werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, in die zin dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair onder A. ten laste gelegde omdat, samengevat, niet kan worden bewezen dat verdachte ten tijde van het ongeval verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde of vierde lid van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994), noch dat verdachte na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van de Wvw 1994. De verdediging stelt zich verder op het standpunt dat verdachte weliswaar te hard gereden heeft maar omdat het een erg brede en goed verlichte voorrangsweg betrof, er desondanks geen sprake is geweest van bewuste roekeloosheid of aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid in de zin van artikel 6 van de Wvw 1994.

De bewijsmiddelen. 1

De verklaring van verdachte.

Ik ben op 30 augustus 2015 te Veghel als bestuurder van een personenauto, merk Audi, betrokken geweest bij een verkeersongeval op een kruising, gevormd door de wegen Eerdsebaan- toe/afrit Rijksweg A50 – Montgomeryweg. [slachtoffer 1] zat op dat moment als bijrijder naast mij in mijn auto.2

De verklaringen van benadeelde [slachtoffer 2] .

Op 30 augustus 2015, omstreeks 03.00 uur, reed ik samen met mijn vriend [slachtoffer 3] naar Eerde in een auto van het merk BMW. Wij reden over de snelweg A50, daar namen wij afslag 10 richting Veghel en Eerde. Toen het verkeerslicht onderaan de afslag groen werd, liet ik de auto doorrollen richting de kruising. Op het moment dat ik wilde insturen naar links, voelde ik een harde klap aan de linkerkant van de auto en voelde ik dat mijn auto naar rechts ging.3 Ik ben sinds 5 oktober 2015 weer halve dagen aan het werk. Ik kan nog geen hele dagen werken. Ik werk normaliter 40 uur als secretaresse bij de ING bank in Amsterdam.4

De verklaringen van benadeelde [slachtoffer 3] .

Op 30 augustus 2015, omstreeks 03.00 uur, zat ik als passagier in mijn auto met als bestuurder [slachtoffer 2] . Toen wij de kruising opreden hoorde en voelde ik dat wij geraakt werden door een andere auto.5 Ten gevolgen van het ongeval heb ik het navolgende letsel opgelopen: mijn ribben gekneusd, een pijnlijke nek, een versterking van de slijmbeursontstekingen in mijn beide schouders die ik al had voor het ongeval, pijnlijke knieholtes en pijn op de botten bij mijn heupen. Ik heb nu, op 16 oktober 2015, nog steeds dezelfde klachten als direct na het ongeval, alleen dan in mindere mate. Het fysieke werk wat ik normaal verricht kan ik nu niet uitvoeren. Het is nog onbekend hoe lang ik deze fysieke werkzaamheden niet kan uitvoeren.6

De verklaringen van benadeelde [slachtoffer 1] .

Ik was op 30 augustus 2015 op hetzelfde feestje als [verdachte] . Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij twee bier had gedronken. Ik stapte bij [verdachte] als passagier in de auto. Ik voelde en zag dat [verdachte] flink gas gaf. Ik schat de snelheid op dat moment boven de 100 kilometer per uur. Ik zag toen wij bij de stoplichten aankwamen dat het stoplicht op rood stond. Ik zag dat [verdachte] door het rode verkeerslicht reed. Meteen daarna kwamen wij in aanrijding met de andere auto.7 Ik heb een behoorlijk groot litteken op mijn linker onder arm. Dit litteken zal altijd zichtbaar blijven. In mijn linker onderarm hebben ze een plaatje gezet. In mijn rechterhand hebben ze een schroef gezet. Mijn enkel zit momenteel in het gips en de enkel moet op de normale wijze genezen. Op 3 september 2015 ben ik ontslagen uit het ziekenhuis.8

Medische informatie.

Betreffende: [slachtoffer 1]

Datum: 2 september 2015

Omschrijving van het letsel: Kneuzing borstkas links, enkelkneuzing rechts, breuk onderarm/pols links, breuk schipperbotje rechter pols. Vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel, geen vermoeden van inwendig bloedverlies. Opname en operatie beide polsen.9

Verkeersongevallenanalyse van verbalisant [verbalisant 1] .

Het verkeersongeval had op 30 augustus 2015 plaats gevonden op een kruising, gevormd door de wegen Eerdsebaan- toe/afrit Rijksweg A50 - Montgomeryweg, gelegen buiten de als zodanig aangeduide bebouwde kom van Veghel in de gemeente Veghel. Bij het ongeval waren betrokken een voertuig van het merk Audi en een voertuig van het merk BMW. Voor motorvoertuigen bedroeg de ter plaatse toegestane maximum snelheid 80 km/h. Het verkeer op genoemde kruising werd door middel van een, in werking zijnde, driekleurige verkeerslichtinstallatie geregeld. Op het moment van de aanrijding was de lichtgesteldheid donker. De straatverlichting was in werking. De weersgesteldheid was droog en helder. Op het moment dat de BMW het kruisingsvlak opreed naderde haar van links de Audi. De bestuurder van de Audi had kennelijk nog getracht naar links te sturen om een botsing met de, gezien zijn rijrichting, van rechts naderende BMW te voorkomen, doch botste met de rechter voorzijde tegen de linker voorzijde van de BMW. Het uitzicht van de bestuurder van de Audi werd vermoedelijk vlak voor het ongeval op generlei wijze belemmerd.10

Onderzoek verkeersregelinstallatie van verbalisant [verbalisant 2] .

Het kruispunt was voorzien van een voertuigafhankelijke verkeerslichtenregeling. Er waren geen aanwijzingen dat het verkeersregeltoestel niet naar behoren had gewerkt ten tijde van de aanrijding. Blijkens de tekening van het kruispunt en de nummering op de verkeerslichten op het kruispunt zelf, reed de bestuurder van de Audi over richting 8 en de bestuurder van de BMW over richting 6. De melding van de aanrijding was gedaan te 03.13 uur. Hierbij kan de melding geregistreerd zijn in de gehele minuut van 03.12 uur tot 03.14 uur. Gelet op voorgaand principe heb ik het tijdstip 03.14 uur opgezocht in het faselog. Om 03 uur 12 minuten 43,6 seconden zag ik een rood licht negatie op de koplus van richting 8. Een rood licht negatie wil zeggen: activatie- en de-activatie van de koplus (vlak voor de stopstreep) terwijl het bijbehorende verkeerslicht op dat moment rood licht uitstraalt. Op een dergelijk moment rijdt er een voertuig ‘door rood’. Het tijdstip van het begin rood licht was in die fase 03.12.37.9. Hieruit volgt dat op het moment dat het voertuig op richting 8 de koplus verlaat het rode verkeerslicht al 5,78 seconden licht uitstraalt.

Afstand van de lussen tot lus 081A in meters

Afstand lus tot stopstreep

Tijdsduur in seconden

Snelheid in km/uur

(085B) 112,06

113,99m

2.8

144

(084A) 80,59

85,82m

2.1

138

(082A) 35,23

37,16m

0.9

140

Indien er een (groot) percentage van foutmarge wordt toegepast van 10% zal de bestuurder van de Audi bij het naderen van de verkeerslichten 130 km/uur rijden. De hypothese dat het ongeval is ontstaan doordat de bestuurder van de Audi bij rood licht en de bestuurder van de BMW bij groen licht de stopstreep passeerden en het kruispunt op reden, is bevestigd.11

Het relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] .

Op 30 augustus 2015 te 03:15 uur kregen wij kennis van een verkeersongeval op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Eerdsebaan, Veghel. Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wvw 1994 gestelde voorschriften werd een onderzoek ingesteld. Daaruit bleek, dat de hierna genoemde persoon als bestuurder van een personenauto bij dat ongeval betrokken was. Ik, [verbalisant 4] , had op 30 augustus 2015 te 03:30 uur, het eerste directe contact met deze bestuurder leidend tot de verdenking van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Ik rook dat de adem van de bestuurder naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank riekte. De bestuurder was niet in staat zijn wil kenbaar te maken. Dit bleek mij, [verbalisant 4] , uit: Bestuurder was zodanig gewond dat deze niet goed aanspreekbaar was. In verband met de gezondheidstoestand/mogelijk opgelopen letsel van de verdachte is deze overgebracht naar het ziekenhuis en aldaar opgenomen. De verdachte kon in verband met zijn (medische) toestand niet worden geleid voor een hulpofficier van justitie. Collega’s [verbalisant 5] en [verbalisant 6] hebben de verdachte gevraagd zijn toestemming te verlenen tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. Te 05:55 uur heeft de arts in aanwezigheid van de collega’s welke toestemming hadden gevraagd de verdachte door middel van een venapunctie bloed afgenomen.

Rijbewijsgegevens:

Naam: [verdachte]

Datum afgifte: 23 mei 201312

Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut – Alcohol in het verkeer.

Naam bloedgever: [verdachte] .

SIN TAAB7375NL

In het bloed TAAB7375NL van [verdachte] is een ethanolconcentratie gemeten van 0,41 mg/ml.13

Nadere bewijsoverweging.

De verdediging heeft betoogd dat aan verdachte, zonder redelijke verdenking van overtreding van artikel 8 van de Wvw 1994 en zonder diens toestemming, bloed is afgenomen voor onderzoek, waarbij is nagelaten om verdachte te vragen medewerking te verlenen aan een voorlopig alcoholonderzoek door middel van een ademonderzoek direct na het ongeval. Verder kan naar het oordeel van de verdediging niet worden uitgesloten dat verdachte nog alcohol heeft genuttigd tussen het moment van het ongeval en de afname van zijn bloed voor het bloedonderzoek in het ziekenhuis. Om deze redenen dient de uitkomst van het bloedonderzoek te worden uitgesloten van het bewijs.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 163, eerste tot en met vierde lid van de Wvw 1994 volgt dat bij verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wvw 1994, de opsporingsambtenaar hem kan bevelen zijn medewerking te verlenen aan een ademonderzoek. Indien het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor de verdachte om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is, kan de opsporingsambtenaar gelet op artikel 163, derde lid, van de Wvw 1994 de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een bloedonderzoek.

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verbalisant [verbalisant 4] ter plaatse van het ongeval kwam en constateerde dat de adem van verdachte, zijnde de bestuurder van een bij het ongeval betrokken voertuig, naar alcohol rook. Dit is naar het oordeel van de rechtbank voldoende voor een redelijke verdenking van overtreding van artikel 8 van de Wvw 1994. De rechtbank stelt verder vast dat deze verbalisant eveneens heeft geconstateerd dat verdachte zodanig gewond was dat hij niet goed aanspreekbaar was, naar het ziekenhuis moest worden vervoerd en niet voorgeleid kon worden. In het ziekenhuis heeft verdachte vervolgens toestemming gegeven voor een bloedonderzoek, waarna bloed is afgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is er gelet op deze omstandigheden geen sprake van dat er door de verbalisanten is gehandeld in strijd met artikel 163 van de Wvw 1994.

Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario vindt naar het oordeel van de rechtbank geen enkele steun in de bewijsmiddelen en wordt door de rechtbank als zijnde volstrekt onaannemelijk terzijde geschoven.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om het resultaat van het bloedonderzoek uit te sluiten van het bewijs. Het verweer wordt verworpen.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is, of verdachte zich zodanig heeft gedragen dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wvw 1994. Daarvan kan pas worden gesproken als de verdachte zich zodanig in het verkeer heeft gedragen, dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat. Van schuld in de zin van artikel 6 van de Wvw 1994 is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

Bij deze beoordeling komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt met zich dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van de even bedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan.

Op grond van de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen staat voor de rechtbank vast dat verdachte op een overzichtelijke kruising een ten tijde van het passeren van de (pal vóór de stopstreep gesitueerde) koplus al 5,78 seconden lang uitstralend rood verkeerslicht heeft genegeerd waarbij hij reed met een snelheid van tussen de 130 en 144 kilometer per uur, waar 80 kilometer per uur was toegestaan, met als gevolg waarvan hij niet (tijdig) heeft afgeremd en met zijn personenauto tegen de auto van slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] is gereden. Deze slachtoffers zaten in een auto die de kruising op reed toen het voor hen geldende verkeerslicht op groen stond.

De rechtbank is van oordeel dat onder deze concrete, hiervoor uiteengezette omstandigheden sprake is van dusdanig ernstige verkeersfouten dat gesproken kan worden van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. De rechtbank acht voor dat oordeel met name de zeer forse overschrijding van de ter plaatse geldende maximumsnelheid, als ook het gegeven dat het stoplicht op het moment dat verdachte met zijn voertuig de koplus passeerde al bijna zes seconden rood licht uitstraalde, redengevend. Daarmee is er sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wvw 1994. Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen.

De rechtbank acht gelet op de uitkomst van het bloedonderzoek en hetgeen in dat kader hiervoor is overwogen eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten tijde van het ongeval verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wvw 1994.

De rechtbank merkt het lichamelijk letsel dat slachtoffer [slachtoffer 1] ten gevolge van het ongeval heeft opgelopen aan als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 6 van de Wvw 1994. De rechtbank merkt het lichamelijk letsel dat slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ten gevolge van het ongeval hebben opgelopen aan als zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan in de zin van artikel 6 van de Wvw 1994.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder “de bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

ten aanzien van primair

op 30 augustus 2015 te Veghel als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Eerdsebaan, gekomen nabij en ter hoogte van en op de kruising van die weg en de wegen, afrit Rijksweg A50 en Montgomeryweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden met een snelheid tussen 130 en 144 kilometer per uur, terwijl de maximumsnelheid 80 kilometer per uur is, en geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, en (vervolgens) tegen een andere op die kruising rijdende personenauto te rijden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994, en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

en

op 30 augustus 2015 te Veghel als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Eerdsebaan, gekomen nabij en ter hoogte van en op de kruising van die weg en de wegen, afrit Rijksweg A50 en Montgomeryweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden met een snelheid tussen 130 en 144 kilometer per uur, terwijl de maximumsnelheid 80 kilometer per uur is, en geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, en vervolgens tegen een andere op die kruising rijdende personenauto te rijden, waardoor anderen (genaamd [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994, en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een werkstraf van 240 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 maanden. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring, verzoekt de verdediging om een eventuele ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen geheel voorwaardelijk op te leggen omdat verdachte voor zijn werk afhankelijk is van zijn rijbewijs. De verdediging verzoekt de rechtbank verder om rekening te houden met de financiële gevolgen van het ongeval voor verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft door zijn schuld als bestuurder van zijn personenauto een aanrijding veroorzaakt met een andere personenauto. De bijrijder van verdachte heeft daarbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen en de inzittenden van het andere voertuig zijn als gevolg van het bij dit ongeval opgelopen letsel geruime tijd verhinderd geweest in de uitoefening van hun normale bezigheden. Verdachte verkeerde tijdens het ongeval onder invloed van een voor hem als beginnend bestuurder verboden hoeveelheid alcohol en reed fors harder dan ter plaatse was toegestaan. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

In strafmatigende zin houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte geen recidive heeft op het gebied van de Wegenverkeerswet 1994. Verder houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte als gevolg van het ongeval ook zelf behoorlijk letsel heeft opgelopen en financiële schade heeft geleden. Tot slot houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte zijn medewerking heeft verleend aan een mediationtraject met slachtoffer [slachtoffer 2] .

De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. De rechtbank acht oplegging van een taakstraf van hierna te noemen duur passend en geboden. Naast deze taakstraf zal de rechtbank een grotendeels voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen aan verdachte opleggen, enerzijds om de ernst van het door verdachte gepleegde feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds om invloed uit te oefenen op het (verkeers)gedrag van de verdachte in de toekomst. Gelet op de ernst van de verkeersovertredingen acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, zoals door de verdediging verzocht, niet passend en geboden.

Conclusie

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een taakstraf van 240 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 18 maanden waarvan 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren een passende straf is voor verdachte.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 22c en 22d Wetboek van Strafrecht;

6, 8, 175, 176 en 179 Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

T.a.v. primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en de schuldige verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 derde lid van de Wegenverkeerswet 1994 en het feit mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

Taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronderbegrepen) voor de duur van 18 maanden waarvan 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.L.M. Snijders, voorzitter,

mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. M.M.J. Nuijten, leden,

in tegenwoordigheid van mr. S. Kriekaard, griffier,

en is uitgesproken op 28 oktober 2016.

Mr. M.M.J. Nuijten is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Tenzij anders vermeld wordt verwezen naar de paginanummers uit het proces-verbaal van de regiopolitie Oost-Brabant, district ‘s-Hertogenbosch, PL2100-2015193444, gesloten op 16 januari 2016, aantal doorgenummerde pagina’s: 148.

2 Afgelegd ter terechtzitting d.d. 14 oktober 2016.

3 Proces-verbaal verhoor benadeelde d.d. 2 september 2015, pag. 27-28.

4 Proces-verbaal verhoor benadeelde d.d. 16 oktober 2015, pag. 29-30.

5 Proces-verbaal verhoor benadeelde d.d. 2 september 2015, pag. 33-34.

6 Proces-verbaal verhoor benadeelde d.d. 16 oktober 2015, pag. 35-36.

7 Proces-verbaal verhoor benadeelde d.d. 21 oktober 2015, pag. 40-42.

8 Proces-verbaal verhoor benadeelde d.d. 8 september 2015, pag. 38-39.

9 Pag. 43.

10 Verkeersongevallenanalyse opgemaakt op 19 november 2015, pag. 49-71.

11 Proces-verbaal van onderzoek verkeersregelinstallatie opgemaakt op 19 november 2015, pag. 90-110.

12 Proces-verbaal rijden onder invloed, pag. 86-88.

13 NFI-rapport, zaaknummer 2015.09.02.031, inclusief bijlagen, pag. 78-83.