Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:5952

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-10-2016
Datum publicatie
28-10-2016
Zaaknummer
01/880119-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen van opzetheling en een gekwalificeerde diefstal in vereniging. Van een aantal andere gekwalificeerde diefstallen wordt verdachte vrijgesproken. Verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 90 dagen veroordeeld. Daarnaast wordt de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van verdachte voor de duur van 699 dagen, toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/880119-16
V.I. zaaknummer: 99/000550-44

Datum uitspraak: 28 oktober 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

wonende te [adresgegevens] ,

thans gedetineerd te: PI Limburg Zuid - De Geerhorst.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 oktober 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 september 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 04 juni 2016 te Heusden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een vaartuig (genaamd Equilibre) heeft weggenomen een horloge en/of een aantal sierraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbrekening en/of inklimming;

2. hij op of omstreeks 05 mei 2016 te Druten tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (in/uit een woning aan de [adres 1] ) een portefeuille en/of een bankpas en/of 500,00 euro, althans een hoeveelheid (contant) geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 mei 2016 tot en met 6 mei 2016 te Druten en/of 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een bankpas (toebehorende aan [benadeelde partij 2] ) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3. hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 mei 2016 tot en met 6 mei 2016 te Druten en/of 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (een) hoeveelhe(i)d(en) geld, te weten:

- 20,00 euro (gepind bij Rabobank Maas en Waal op 5 mei 2016 omstreeks 13:56 uur te Druten)

- 1.230,00 euro (gepind bij Rabobank Maas en Waal op 5 mei 2016 omstreeks 13:58 uur te Druten)

- 75,00 euro (gepind bij CCV Ray Sports op 6 mei 2016 omstreeks 14:54 uur te 's-Hertogenbosch)

- 359,80 euro (gepind bij Blokker 282 op 6 mei 2016 omstreeks 15:05 uur te 's-Hertogenbosch)

- 75,00 euro (gepind bij Vishandel de Graaf Spakenburg op 6 mei 2016 omstreeks 15:22 uur te 's-Hertogenbosch)

- 7,50 euro (gepind bij Vishandel de Graaf Spakenburg op 6 mei 2016 omstreeks 15:22 uur te 's-Hertogenbosch) - 120,15 euro (gepind bij Albert Heijn op 6 mei 2016 omstreeks 15:38 uur te 's-Hertogenbosch)

in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen geld (telkens) onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door (telkens) zonder medeweten en/of toestemming van die [benadeelde partij 2] gebruik te maken van een aan die [benadeelde partij 2] toebehorende bankpas en/of bijbehorende pincode.

De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

De zaak met v.i. zaaknummer 99/000550-44 is aangebracht bij vordering van 4 augustus 2016. Deze vordering heeft betrekking op de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van 699 dagen van de gevangenisstraf van 5 jaar met aftrek, opgelegd bij arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 december 2013 en van de gevangenisstraf van 9 maanden met aftrek, opgelegd bij arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 17 januari 2013. De veroordeelde is op 1 april 2016 voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak.

Ten aanzien van feit 1.

De rechtbank stelt op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat op camerabeelden is te zien dat er kort voor de inbraak op de boot van aangever [slachtoffer 1] een man en een meisje onder verdachte omstandigheden op een andere boot in dezelfde jachthaven zijn waargenomen. Op stilstaande beelden van voornoemde opname herkennen twee verbalisanten de manspersoon als zijnde verdachte. Verbalisant [verbalisant 1] baseert zijn herkenning op de uiterlijke gezichtskenmerken van de man, gelegen in de huidskleur, vorm van het hoofd, de opbouw van het gelaat, de neus, de haarkleur, de haardracht en de haarinplant, en het postuur. Verbalisant [verbalisant 2] baseert zijn herkenning op de lichaamshouding, het profiel, het aangezicht en de haardracht van de man. Beide verbalisanten hebben hun herkenning gebaseerd op dezelfde afbeeldingen, zoals weergegeven op pagina’s 41 en 43 van het procesdossier. De rechtbank kan echter de door beide verbalisanten aangehaalde details niet waarnemen op basis van deze afbeeldingen. Deze herkenningen kunnen om die reden dan ook niet bijdragen aan het bewijs. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt buiten de herkenningen door de twee verbalisanten enig bewijsmiddel waaruit de directe betrokkenheid van verdachte bij dit feit kan worden afgeleid. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de onder dit feit ten laste gelegde diefstal, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2 primair.

In navolging van de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank de onder dit feit ten laste gelegde diefstal niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan ten aanzien van feit 2 subsidiair, feit 3.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte van deze feiten moet worden vrijgesproken omdat, samengevat, uit niets blijkt dat verdachte de ten laste gelegde pinbetalingen heeft verricht en/of dat hij wetenschap had of redelijkerwijs had moeten hebben dat deze pinbetalingen zijn gedaan met een gestolen pinpas.

De bewijsmiddelen. 1

De verklaring van aangeefster [benadeelde partij 2] .

Er waren van mijn bankrekening bedragen afgeschreven in ‘s-Hertogenbosch op 6 mei 2016. Ikzelf had die bedragen niet gepind. Ik zag dat mijn portefeuille was verdwenen. In de portefeuille zat mijn bankpas met rekeningnummer NL57RABO0112760171 (met de pincode). De volgende bedragen zijn gepind:

(…)

Blokker 282 ‘s-Hertogenbosch op 6 mei 2016 om 15.05 uur een bedrag van 359,80 Euro.

(…).2

Het relaas van verbalisant [verbalisant 3] .

Met de ontvreemde pinpas NL57RABO0112760171 bleek na de diefstal een aantal keren te zijn gepind, te weten:

6 mei 2016 te 15:22:55 uur en 6 mei 2016 te 15:31:26 uur bij Vishandel De Graaf-Bos.

Deze vishandel bleek gevestigd op het adres Rompertpassage 53 in 5233 AP ’s-Hertogenbosch;

  • -

    6 mei 2016 te 15:38:13 uur bij Albert Heijn, Rompertpassage 45 in 5233 AP ‘s-Hertogenbosch;

  • -

    6 mei 2016 te 15:40:10 uur bij Gall & Gall, Rompertpassage 37 in 5233 AP ‘s-Hertogenbosch.

Het winkelcentrum Rompertpassage is voorzien van bewakingscamera’s. Deze worden aan ons ter beschikking gesteld.3

Het relaas van verbalisant [verbalisant 4] .

Op 5 mei 2016 heeft een insluiping plaats gevonden op de [adres 1] in Druten. Daarbij is een bankpas met pincode weggenomen. Met deze bankpas is op 5 mei 2016 en 6 mei 2016 op meerdere locatie gepind. De verdachten zijn gefilmd op de bewakingsbeelden van de Rompertpassage in ‘s Hertogenbosch. Op de camerabeelden van de Rompertpassage te ’s-Hertogenbosch is het volgende te zien. Er lopen twee mannen samen door het winkelcentrum. De man met het grijze shirt loopt met twee doorzichtige plastic tas in zijn linkerhand. Omstreeks 15.39.38 uur loopt hij de Albert Heijn in. De man in het zwarte shirt blijft buiten staan. De man met het grijze shirt komt de Albert Heijn met een Albert Heijn plastic tas weer uitgelopen. Omstreeks 15.41.38 uur verschijnen ze samen weer in beeld. Daar draagt inmiddels de man in het zwarte shirt de Albert Heijn tas. Ze lopen samen de Gall en Gall binnen. Schermafdrukken gemaakt van de camerabeelden en bij dit proces verbaal van bevindingen gevoegd. De tijdstippen die worden aangegeven op de opname apparatuur wijken ongeveer twee minuten af van de daadwerkelijke tijd. Ik houd de tijd aan van de opname apparatuur.4

Het relaas van verbalisant [verbalisant 1] .

Ik zag dat een dia werd weergegeven met daarin de vraag wie de afgebeelde insluipers herkende. Ik zag dat op de dia vijf afbeeldingen waren weergegeven met daarop twee mannen op diverse manieren weergegeven. Ik zag dat een van de mannen een blanke huidskleur en donker kort haar had. Ik zag dat hij een donker t-shirt, een donkere korte broek en donkere slippers droeg. Ik herkende de man aan zijn houding, postuur en uiterlijke gezichtskenmerken, gelegen in de vorm van het gezicht, indeling van het gelaat, neus, mond, haardracht en haargrens, als de mij ambtshalve bekende [verdachte] . Ik heb in het verleden veelvuldig in persoon contact gehad met [verdachte] , waarvan het laatst geregistreerde contact in persoon was op 4 mei 2015.5

Het relaas van verbalisant [verbalisant 5] .

Naar aanleiding van een op 5 mei in Druten gepleegde insluiping werd op de briefing van basisteam ’s-Hertogenbosch gevraagd om een herkenning te doen van op de dia afgebeelde personen. Op de afbeeldingen waren een tweetal mannen te zien. Ik herkende de linker persoon, gekleed in een donker t-shirt, als de mij hieronder volledig genoemde ambtshalve bekende [verdachte] . Tijdens mijn werkzaamheden als politieagent ben ik meerdere malen in contact gekomen met [verdachte] . Ik heb in het verleden verscheidene malen gesprekken gevoerd met [verdachte] en weet derhalve ook goed hoe hij eruitziet. Ik herken hem dan ook aan zijn postuur en voornamelijk aan diens gelaat in zijn geheel. Over zijn identiteit was mij, alvorens ik de beelden bekeek, door anderen geen informatie verstrekt.6

De verklaring van getuige [getuige] .

Op 6 mei 2016, tussen 12.00 uur en 15.30 uur kwamen er twee mannen de winkel binnen gelopen. Ik ben werkzaam als verkoper bij de Blokker. Een man in een donker shirt sprak mij aan. Hij vroeg om twee koperen Senseo apparaten die ik moest halen. Ook vroeg hij welke stofzuiger goed was. Ik wees een Miele stofzuiger aan. Deze vond hij te duur en heeft twee Siemens stofzuigers gekocht. De mannen kwamen gehaast op mij over. Ze hebben binnen 5 minuten uitgezocht en betaald. De andere man die erbij was heeft betaald met de pin. U toon mij een foto. Ik herken de linker man op de foto in het donkere shirt als de man die ik te woord heb gestaan bij de Blokker in de Lokerenpassage in ‘s-Hertogenbosch. De man in het grijze shirt herken ik niet.7

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 3.

Gelet op de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank het volgende worden vastgesteld. Op 6 mei 2016 worden in ’s-Hertogenbosch in een kort tijdsbestek meerdere pintransacties gedaan met de pinpas van aangeefster. Eerst in de Blokker in de Lokerenpassage en daarna in verschillende winkels in de Rompertpassage. Verdachte wordt op stilstaande afbeeldingen afkomstig van camerabeelden uit de Rompertpassage op 6 mei 2016 herkend door de verkoper van deze Blokker als zijnde de persoon die op die dag direct betrokken was bij de aankoop van een aantal goederen in deze winkel, welke zijn betaald met de pinpas van aangeefster. Deze verkoper verklaart dat het ging om twee mannen die gehaast overkwamen, waarbij verdachte de goederen uitzocht en de medeverdachte deze vervolgens heeft betaald door middel van een pintransactie. Verdachte wordt ook door meerdere verbalisanten herkend op stilstaande afbeeldingen afkomstig van camerabeelden gemaakt in de Rompertpassage op 6 mei 2016 rondom het tijdstip waarop voornoemde pintransacties zijn gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank konden deze herkenningen op basis van de in het dossier aangetroffen afbeeldingen worden gedaan. Gelet op de verschillende herkenningen door zowel verbalisanten als een verkoper mag van de verdachte worden verlangd dat hij met een ontzenuwende verklaring komt. Verdachte heeft zich echter gedurende de gehele procedure wat betreft dit feit op zijn zwijgrecht beroepen. Ook ter terechtzitting heeft hij op vragen van de rechtbank over zijn (mogelijke) aanwezigheid en zijn rol bij de bewuste transactie geen antwoord willen geven. De rechtbank betrekt het uitblijven van een redelijke verklaring van de verdachte ten aanzien van de belastende feiten en omstandigheden bij het waarderen van het voorhanden bewijs. Zij legt die in het nadeel van de verdachte uit.

Gelet op de verklaringen van de verkoper van de Blokker over de rolverdeling tussen verdachte en de medeverdachte acht de rechtbank de rollen van verdachte en de medeverdachte bij de aankoop in de Blokker feitelijk inwisselbaar en kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte wist dat deze aankopen in de Blokker werden betaald met een gestolen pinpas. Daarmee acht de rechtbank de diefstal van een geldbedrag van € 359,80, het bedrag waarvoor bij de Blokker goederen zijn gekocht, wettig en overtuigend bewezen. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank verder dat bij deze diefstal sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen eveneens wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van alle overige transacties die onder dit feit zijn opgenomen in de tenlastelegging, ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank enig bewijsmiddel waaruit kan worden afgeleid dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze zijn gedaan met een gestolen pinpas. Het enkele feit dat verdachte rondom deze transacties op camerabeelden in de nabijheid van de medeverdachte wordt gezien, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Ten aanzien van de diefstal van de geldbedragen die met deze transacties gemoeid waren, zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Gelet op de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het onder feit 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierna onder “de bewezenverklaring” nader zal worden aangegeven.

Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair.

Nu de rechtbank ten aanzien van feit 3 bewezen heeft verklaard dat verdachte en de medeverdachte op 6 mei 2016 in nauwe en bewuste samenwerking goederen bij de Blokker hebben aangekocht met de pinpas van aangeefster, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte en de medeverdachte op 6 mei 2016 wisten dat zij een gestolen pinpas voorhanden hadden. Nu naar het oordeel van de rechtbank sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen beiden kan het medeplegen van opzetheling wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Gelet op de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierna onder “de bewezenverklaring” nader zal worden aangegeven.

Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

ten aanzien van feit 2 subsidiair

op 6 mei 2016 te ’s-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een ander een goed, te weten een bankpas (toebehorende aan [benadeelde partij 2] ), heeft voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

ten aanzien van feit 3

op 6 mei 2016 te ’s-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld, te weten 359,80 euro (gepind bij Blokker 282 op 6 mei 2016 omstreeks 15:05 uur te 's-Hertogenbosch), toebehorende aan [benadeelde partij 2] , waarbij verdachte en zijn mededader dat weg te nemen geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door zonder medeweten en toestemming van die [benadeelde partij 2] gebruik te maken van een aan die [benadeelde partij 2] toebehorende bankpas en bijbehorende pincode.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van het voorarrest. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van één of meerdere feiten, vraagt de verdediging om de voorlopige invrijheidstelling slechts gedeeltelijk te herroepen gelet op de ter zitting aangehaalde persoonlijke omstandigheden van verdachte. De verdediging heeft verder geen ter zake doend strafmaatverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van opzetheling van een pinpas en het medeplegen van diefstal van een geldbedrag met diezelfde pinpas. Dit soort feiten veroorzaken overlast en schade. Uit verdachtes handelen spreekt minachting voor andermans eigendom.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder veelvuldig voor soortgelijke feiten werd veroordeeld, waarbij verdachte recent nog tweemaal tot een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld. Verdachte is op 1 april 2016 voorwaardelijk in vrijheid gesteld maar dit heeft hem er niet van weerhouden om vrijwel direct daaropvolgend opnieuw strafbare feiten te plegen. Verdachte is kennelijk niet bereid zijn criminele gedrag te veranderen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank tot een bewezenverklaring van minder feiten komt en verder van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur als hierna te melden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] .

De rechtbank acht - als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade - toewijsbaar een materiële schadevergoeding van € 359,80, bestaande uit het bedrag horende bij de pintransactie in de Blokker op 6 mei 2016, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering, aangezien de verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde diefstal van de overige geldbedragen wordt vrijgesproken en het overige deel van de vordering van de benadeelde partij daarop betrekking heeft.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de kosten van partijen als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Motivering van de beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling 99/000550-44.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

In hetgeen ter terechtzitting aan de orde is gekomen en in de persoon van de veroordeelde, ziet de rechtbank geen aanleiding om niet tot volledige herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling over te gaan.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

24c, 27, 36f, 47, 57, 63, 310, 311 en 416 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

T.a.v. feit 1, feit 2 primair: De rechtbank verklaart niet bewezen dat verdachte het onder deze feiten ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

T.a.v. feit 2 subsidiair, feit 3: Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 2 subsidiair:Medeplegen van opzetheling.T.a.v. feit 3:Medeplegen van diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. feit 2 subsidiair, feit 3:Gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 3:Maatregel van schadevergoeding van EUR 359,80 subsidiair 7 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] van een bedrag van EUR 359,80 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro en tachtig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schade. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] van een bedrag van EUR 359,80 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro en tachtig cent), te weten materiële schade. Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

T.a.v. feit 1: Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 1] . Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling met v.i-zaaknummer 99/000550-44.

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toe. Gelast dat de vrijheidsstraf die als gevolg van de toepassing van de regeling voorwaardelijke invrijheidsstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog moet worden ondergaan, te weten voor de duur van 699 dagen.

Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. J.H.L.M. Snijders en mr. M.M.J. Nuijten, leden,

in tegenwoordigheid van mr. S. Kriekaard, griffier,

en is uitgesproken op 28 oktober 2016.

Mr. M.M.J. Nuijten is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Tenzij anders vermeld wordt verwezen naar de paginanummers uit het proces-verbaal van politie-eenheid Brabant-Noord, district ’s-Hertogenbosch, PL2100-2016125276-13, delictenproces-verbaal in de zaak ‘Battenberg’, gesloten op 1 september 2016, aantal doorgenummerde pagina’s 189.

2 Proces-verbaal aangifte inclusief bijlagen, pag. 66-77.

3 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 78.

4 Proces-verbaal van bevindingen inclusief bijlagen, pag. 79-82.

5 Proces-verbaal van bevindingen inclusief fotobijlage, pag. 83-84.

6 Proces-verbaal van bevindingen inclusief fotobijlage, pag. 87-88.

7 Proces-verbaal verhoor getuige inclusief fotobijlage, pag. 94-96.