Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:5944

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
06-09-2016
Datum publicatie
26-10-2016
Zaaknummer
C/01/307695 / FA RK 16-2268
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De man, vrouw en de kinderen hebben de Syrische nationaliteit. De man neemt de kinderen mee naar Duitsland zonder toestemming van de vrouw. De rechtbank acht zich bevoegd te beslissen op het verzoek van de vrouw om de kinderen aan haar toe te vertrouwen. De rechtbank sluit aan bij de beslissing van de rechtbank Den Haag van 30 juni 2011, ECLI:RBSGR:2011:BR4913 dat op grond van artikel 16, vierde lid, HKV'96 door vestiging van de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland staande het huwelijk van rechtswege gezamenlijk gezag is ontstaan. De overbrenging van de kinderen naar Duitsland is geschied in strijd met het aan de vrouw toekomende gezagsrecht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 822
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0285
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/307695 / FA RK 16-2268

Uitspraak : 6 september 2016

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. L.J.P. Mentink,

hierna te noemen: de vrouw,

tegen:

[verweerder]

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

hierna te noemen: de man.

De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift (met bijlagen) van de vrouw, ontvangen ter griffie op 3 mei 2016.

De rechtbank heeft vervolgens van de zijde van de vrouw op 9 augustus 2016 een F9-formulier met bijlagen ontvangen.

De zaak is behandeld ter zitting van 23 augustus 2016. Verschenen is de advocaat van de vrouw. Tevens is een vertegenwoordigster van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) verschenen.

Alhoewel behoorlijk opgeroepen in de Staatscourant blijkt de man niet te zijn verschenen.

De beoordeling

Het verzoek

De vrouw verzoekt om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, gedurende de echtscheidingsprocedure te bepalen dat de kinderen:

[minderjarige 1], geboren [geboortedatum];

[minderjarige 2], geboren [geboortedatum];

[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum]

[minderjarige 4], geboren [geboortedatum],

[minderjarige 5], geboren [geboortedatum],

aan haar worden toevertrouwd, met bevel aan de man tot afgifte van de kinderen aan de vrouw binnen 5 dagen na de uitspraak.

Daarnaast verzoekt zij te bepalen dat de man een dwangsom verbeurt van € 200,00 voor iedere dag dat hij in gebreke blijft de kinderen aan de vrouw af te geven.

De feiten

De vrouw is op [datum] te [plaats] (Syrië) gehuwd met de man. Uit dit huwelijk zijn de hiervoor genoemde kinderen geboren. De man, de vrouw en de kinderen hebben de Syrische nationaliteit.

Verzoekster is vanuit Syrië alleen met de kinderen naar Nederland gereisd en heeft zich hier op [datum] gemeld. Op [datum] heeft zij voor haar en de kinderen een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Tot [datum] verbleef de vrouw met de kinderen in Nederland, laatstelijk bij het AZC [plaats].

De man is in [datum] naar Nederland gekomen. Hij heeft de kinderen op 31 december 2015 meegenomen zonder toestemming van de vrouw, naar een voor de vrouw onbekend adres, vermoedelijk in Duitsland. Sindsdien heeft de man de kinderen niet teruggebracht.

De vrouw heeft op [datum] aangifte gedaan van kinderontvoering.

Op [datum] heeft de vrouw een verzoek tot teruggeleiding ingediend bij de Centrale autoriteit, als bedoeld in artikel 3 van Het Haags Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag).

De Centrale autoriteit heeft dat verzoek bij beschikking van 3 mei 2016 niet in behandeling genomen omdat de vrouw niet kon aantonen dat zij het gezag over de kinderen had.

Tegen deze beschikking heeft de vrouw een bezwaarschift ingediend bij de rechtbank Den Haag. Bij beschikking van 15 juli 2016 heeft de rechtbank Den Haag als volgt overwogen:

De Centrale autoriteit is ingevolge artikel 27 van het Verdrag niet gehouden een verzoek in behandeling te nemen indien dit verzoek klaarblijkelijk niet gegrond is. Ter zitting heeft de vrouw een kopie van een document in de Arabische taal overgelegd.. Volgens de beëdigde tolk in de Arabische taal is in dit stuk vermeld de echtscheiding van partijen en de datum van 3 juni 2015. Daarnaast heeft de vrouw een kopie van een Engelse vertaling van een beslissing van de Spiritual Court in Damascus van 27 januari 2016 overgelegd. Bij deze beslissing wordt de man bevolen de kinderen over te dragen aan de vrouw en alimentatie te betalen voor de minderjarigrn. In dit stuk kan een aanwijzing worden gevonden dat de man niet zonder meer gerechtigd is de minderjarigen over te brengen naar Duitsland. De rechtbank is gelet op deze nieuwe informatie van oordeel dat de stelling van de Centrale autoriteit dat het verzoek ‘klaarblijkelijk‘ niet aan de door het Verdrag gestelde voorwaarden is voldaan, niet langer houdbaar is. Dit betekent dat het verzoek niet klaarblijkelijk ongegrond is.

De rechtbank overweegt voorts dat op grond van artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) dat voorziet in het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven artikel 3 van het IVRK en de verplichtingen die voor de lidstaten uit het EVRM en IVRK voortvloeien, op de Centrale autoriteit een positieve inspanningsverplichting rust om de rechten van de vrouw en de kinderen, waaronder het recht op family life, te beschermen. Dit brengt met zich dat door de Centrale autoriteit niet al te stringente eisen mogen worden gesteld aan de onderbouwing van een verzoek tot bijstand in een teruggeleidingszaak. Dit geldt des te meer in het onderhavige geval waarin de vrouw vluchtelinge is en het voor haar niet eenvoudig is om haar gezagsrelatie ten aanzien van de minderjarigen met de juiste administratieve bescheiden te onderbouwen. ”

De rechtbank Den Haag heeft de Centrale autoriteit gelast het door de vrouw aan haar gerichte verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen in behandeling te nemen.

Bij brief van 29 juli 2016 heeft de Centrale autoriteit aan het Bundesamt für Justiz te Duitsland verzocht op grond van artikel 7 van het Verdrag spoedig alle passende maatregelen te nemen om de onmiddellijke terugkeer van de kinderen veilig te stellen. Hierin heeft de Centrale autoriteit de overweging van de rechtbank Den Haag overgenomen dat, gelet op de beslissing van de Spiritual Court in [plaats] van 27 januari 2016 de moeder (waarschijnlijk) tenminste het verzorgingsrecht (hadana) had en dat de vader waarschijnlijk toestemming van de moeder nodig had om de kinderen te verplaatsen naar Duitsland. Om die reden heeft de vader waarschijnlijk in strijd gehandeld met de rechten van de moeder als bedoeld in artikel 3 en 5 van het Verdrag.

Bij beschikking van [datum] heeft de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend aan de vrouw.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Ingevolge artikel 8 van de EG-Verordening Brussel IIbis (hierna: Brussel IIbis) zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.

Ingevolge artikel 10 Brussell IIbis blijven de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd totdat het kind in een andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft verkregen.

Op grond van artikel 2 sub 11 Brussel IIbis is sprake van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van een kind:

  1. wanneer dit geschiedt in strijd met het gezagsrecht dat ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst is toegekend overeenkomstig het recht van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of niet doen terugkeren, zijn gewone verblijfplaats had;

  2. indien dit gezagsrecht op het tijdstip van overbrenging of niet doen terugkeren, alleen of gezamenlijk, daadwerkelijk werd uitgeoefend, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden. Het gezag wordt geacht gezamenlijk te worden uitgeoefend als een van de personen die, ingevolge een beslissing of van rechtswege, de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, de verblijfplaats van het kind niet kan bepalen zonder de instemming van een andere persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt.

Uit de overgelegde stukken is komen vast te staan dat de man met de minderjarigen omstreeks [datum] is vertrokken, vermoedelijk naar Duitsland en dat hij vooralsnog niet voornemens is gebleken terug te keren. De gewone verblijfplaats van de minderjarigen was op het moment van overbrenging in Nederland.

De vrouw heeft gesteld dat in Syrië de echtscheiding tussen haar en de man is uitgesproken en dat de kinderen aan haar zijn toegewezen, maar zij kan dit niet aantonen omdat de stukken daarvan zijn kwijtgeraakt.

Nu niet is komen vaststaan dat de vrouw en de man gescheiden zijn, gaat de rechtbank er voor onderhavige procedure vanuit dat de vrouw nog steeds met de man gehuwd is.

Ten aanzien van de vraag of de vrouw op het moment van het overbrengen van de kinderen door de man van Nederland naar Duitsland gezag had over de kinderen, overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 16, eerste lid Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKV`96) wordt de vraag of de man dan wel de vrouw dan wel partijen gezamenlijk van rechtswege ouderlijke verantwoordelijkheid hebben verkregen over de minderjarigen beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van de minderjarige.

De rechtbank sluit voor de beantwoording van deze vraag aan bij de beslissing van de rechtbank Den Haag van 30 juni 2011, gepubliceerd op rechtspraak.nl, onder ECLI:NL:RBSGR:2011:BR4913: “De rechtbank leidt uit het Explanatory Report van Paul Lagarde (onder 98 en 99) bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 af dat het aan de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind wordt overgelaten of deze al dan niet rekening houdt met gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan voordat het kind zijn gewone verblijfplaats in deze Staat kreeg. De rechtbank is van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 16 van het Verdrag met zich meebrengt dat gekeken dient te worden naar het recht van de verblijfplaats van de minderjarige ten tijde van het ontstaan van het gezag.”

Dit zou voor onderhavige zaak betekenen dat Syrisch recht van toepassing is op de vraag of de man, de vrouw dan wel partijen gezamenlijk van rechtswege ouderlijke verantwoordelijkheid hebben gekregen, nu het gezag over de kinderen in Syrië is ontstaan.

Naar het oordeel van de rechtbank kan echter in het midden blijven of naar Syrisch recht sprake is van gezamenlijk gezag van de ouders, nu op grond van artikel 16, vierde lid HKV`96 bij verplaatsing van de gewone verblijfplaats van de minderjarige het van rechtswege ontstaan van ouderlijke verantwoordelijkheid van een persoon die deze verantwoordelijkheid niet reeds heeft, beheerst wordt door het recht van de Staat van de nieuwe gewone verblijfplaats. Nu de rechtbank er vanuit gaat dat nog steeds sprake is van een huwelijk tussen partijen, is door de vestiging van de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland staande het huwelijk van partijen, van rechtswege gezamenlijk gezag ontstaan, welk gezamenlijk gezag nadien niet is gewijzigd. Voor dit oordeel sluit de rechtbank eveneens aan bij de beslissing van de rechtbank Den Haag van 30 juni 2011.

Gelet hierop is de overbrenging van de minderjarigen naar (vermoedelijk) Duitsland geschied in strijd met het aan de vrouw toekomende gezagsrecht, welk gezagsrecht op het tijdstip van overbrenging daadwerkelijk door de vrouw werd uitgeoefend. Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging als bedoel in artikel 2 sub 11 Brussel IIbis.

Krachtens artikel 10 Brussel IIbis blijft de Nederlandse rechter bevoegd te beslissen op de door de vrouw gedane verzoeken totdat de minderjarige een gewone verblijfplaats in een andere lidstaat heeft verkregen en voldaan is aan de voorwaarden vermeld in dit artikel onder sub a of sub b. De rechtbank stelt vast op grond van de artikelen 8 juncto 10 Brussel IIbis bevoegd te zijn te beslissen op het verzoek van de vrouw.

De rechtbank zal op het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen overeenkomstig de bepalingen van het HKV`96, Nederlands recht als haar interne recht toepassen.

Ontvankelijkheid

Zoals hiervoor is overwogen gaat de rechtbank er, gelet op de aard van deze procedure, vanuit dat de vrouw en de man nog steeds gehuwd zijn, aangezien niet is aangetoond dat sprake is van een echtscheiding. De vraag ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek tot echtscheiding komt in de bodemprocedure nog aan de orde. Voor het onderhavige verzoek toevertrouwing van de minderjarigen acht de rechtbank de vrouw ontvankelijk.

De rechtbank zal de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in het verzoek om te bepalen dat de man een dwangsom verbeurt, aangezien dit geen voorziening betreft als vermeld in de (limitatieve) opsomming van artikel 822 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Het verzoek van de vrouw

De rechtbank overweegt dat door de vrouw voldoende is gesteld om haar (niet betwiste) verzoek inzake toevertrouwing van de minderjarigen aan haar te onderbouwen.

Dit verzoek zal dan ook worden toegewezen. Ook het verzoek tot bevel afgifte van de minderjarigen zal worden toegewezen zoals verzocht.

De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren [geboortedatum];

[minderjarige 2], geboren [geboortedatum];

[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum]

[minderjarige 4], geboren [geboortedatum],

[minderjarige 5], geboren [geboortedatum],

voorlopig aan de vrouw worden toevertrouwd, met bevel tot afgifte van de minderjarigen aan de vrouw binnen 5 dagen na deze beschikking;

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in het verzoek te bepalen dat de man een dwangsom verbeurt.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.H. de Heer-Schotman, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 6 september 2016.

Conc: edb