Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:589

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18-02-2016
Datum publicatie
18-02-2016
Zaaknummer
01/879714-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor jeugdprostitutie [art. 248b Sr.] tot een taakstraf van 100 uur en 90 dagen gevangenisstraf waarvan 89 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879714-14

Datum uitspraak: 18 februari 2016

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1974] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 februari 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 januari 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij één op meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 30 september 2012 ontucht heeft gepleegd met een persoon, genaamd [slachtoffer] (geboren op [1995] ), die zich (telkens) beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, bestaande die ontucht daarin, dat verdachte zich (telkens) heeft laten pijpen en/of af laten trekken door die [slachtoffer] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsoverweging.

De leeftijd van de persoon die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling is in artikel 248b van het Wetboek van Strafrecht geobjectiveerd. Dit betekent dat opzet of schuld van de dader ten aanzien van die leeftijd niet behoeft te worden vastgesteld. De objectieve omstandigheid van de leeftijd moet echter wel worden bewezen. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat in het onderhavige dossier een geboorteakte van [slachtoffer] ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat de leeftijd van [slachtoffer] ten tijde van de bewezen verklaarde pleegperiode kan worden bewezen op basis van het zich in het dossier bevindende proces-verbaal van aangifte. Uit onder meer dat proces-verbaal blijkt de geboortedatum van [slachtoffer] , te weten [1995] . Het is een feit van algemene bekendheid dat een ieder die bij de politie aangifte komt doen van een strafbaar feit, zich dient te legitimeren. De rechtbank acht derhalve bewezen dat aangeefster ten tijde van het ten laste gelegde de leeftijd van zestien maar nog niet van achttien jaren had bereikt.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

op twee tijdstippen in de periode van 1 juni 2012 tot en met 30 september 2012 ontucht heeft gepleegd met een persoon, genaamd [slachtoffer] geboren op [1995] , die zich telkens beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, bestaande die ontucht daarin, dat verdachte zich heeft laten pijpen en/of af laten trekken door die [slachtoffer] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor een bedrag van € 500,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdachte.

Verdachte heeft ter zitting laten weten dat hij de vordering van de benadeelde partij voor een bedrag van € 500,- zal betalen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft twee maal tegen betaling seksueel contact met een minderjarige gehad, terwijl hij kon begrijpen dat minderjarigen in het algemeen te weinig ervaring en inzicht hebben om de gevolgen van prostitutie te kunnen overzien en derhalve niet kan worden gesteld dat hun keuze voor prostitutie een vrijwillige keuze is.

Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij/slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie van 4 januari 2016, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. Voorts houdt de rechtbank er in strafmatigende zin rekening mee dat sinds het tijdstip waarop het door hem gepleegde strafbare feit heeft plaatsgehad geruime tijd (meer dan drie jaar) is verstreken.

Bij de bepaling van de aan verdachte op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De verdachte heeft na ontdekking van de strafbare feiten aan de politie openheid van zaken gegeven. Hij heeft er blijk van gegeven dat hij de ernst van het door hem aan het slachtoffer aangedane leed inziet en hij heeft oprecht berouw getoond. De rechtbank ziet in de persoon van verdachte, het gegeven dat hij vast werk heeft en het tijdsverloop evenals de officier van justitie aanleiding, om af te zien van oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank is echter van oordeel dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt en geen recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde. De rechtbank is van oordeel dat naast de gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf, die er toe dient om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, een taakstraf passend en geboden is.

Wanneer bij schending van artikel 248b van het Wetboek van Strafrecht niet een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd, laat de wet een taakstraf echter niet toe. De rechtbank ziet zich hierdoor genoodzaakt om te bepalen dat 1 dag van de eerder genoemde gevangenisstraf onvoorwaardelijk zal worden opgelegd.

Alles afwegend worden na te noemen straffen passend en geboden geacht.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] . De rechtbank acht toewijsbaar een bedrag van € 500,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, aangezien op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat deze immateriële schade door [slachtoffer] rechtstreeks is geleden door het door verdachte gepleegde feit.

De rechtbank zal het gedeelte van de vordering dat voornoemd bedrag van € 500,- te boven gaat afwijzen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2012 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 57 en 248b van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

ontucht plegen met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien maar nog niet van achttien jaren heeft bereikt, meermalen gepleegd. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen en maatregel.

Gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen waarvan 89 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het [slachtoffer] van een bedrag van EUR 500,- (zegge: vijfhonderd euro) aan immateriële schadevergoeding, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van EUR 500,- (zegge: vijfhonderd euro) aan immateriële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Wijst de vordering voor het overige af.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J. Bokhorst, voorzitter,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. V.G.T. van Emstede, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E.C.M. Boerboom, griffier,

en is uitgesproken op 18 februari 2016.