Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:5886

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
26-10-2016
Zaaknummer
01/865090-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt voor poging tot zware mishandeling en het bezit van een vlindermes, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 90 dagen waarvan 28 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Voor het bezit van een vouwmes wordt verdachte schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

Het beroep op noodweer en noodweerexces wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865090-16

Datum uitspraak: 26 oktober 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1997] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 oktober 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 september 2016.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 16 juli 2016 te Ravenstein, althans in het arrondissement Oost-Brabant, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp,

in het bovenlichaam en/of be(e)n(en), althans in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 16 juli 2016 te Ravenstein, althans in het arrondissement Oost-Brabant, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp,

in het bovenlichaam en/of arm(en), althans in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 juli 2016 te Ravenstein, althans in het arrondissement Oost-Brabant, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2] ), heeft gestoken met een mes, althans met een scherp voorwerp, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 16 juli 2016 te Langenboom, in elk geval in het arrondissement Oost-Brabant, een of meer wapens van categorie I, onder 7, te weten een vlindermes, voorhanden heeft gehad

4.

hij op of omstreeks 16 juli 2016 te Ravenstein en/of Langenboom, althans in het arrondissement Oost-Brabant, een wapen van categorie IV heeft gedragen en/of voorhanden gehad, te weten een (vouw)mes (van het merk Magnum), in elk geval een voorwerp, waarvan, gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen, of te dreigen en dat niet onder een van de andere categorieën viel;

Ten gevolge van een kennelijke schrijffout in de tenlastelegging begaan, staat onder feit 3 in de derde regel “onder 7” vermeld in plaats van “onder 1”. De rechtbank herstelt deze schrijffout en leest het laatste in plaats van het eerste. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak.

Ten aanzien van feit 1 impliciet primair (poging tot doodslag)

Op basis van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen kan de rechtbank weliswaar vaststellen dat [slachtoffer 1] een aantal oppervlakkige steekverwondingen is toegebracht aan de linkerzijde van zijn borstkas, aan zijn linkerbovenarm, aan zijn linkeronderbeen, rechts onder zijn tepel, aan (de linkerzijde van) zijn onderrug en aan zijn linkerschouder, maar niet de aard en de ernst van dat letsel. Aangever heeft hierover verklaard dat verdachte hem sloeg in de richting van zijn buikstreek, dat het voelde alsof verdachte rond zijn buik aan zijn kleren trok toen verdachte hem raakte , hij niet vond dat verdachte hard sloeg en dat hij niet veel pijn voelde. Pas toen [slachtoffer 1] in de keuken aankwam, zag hij het bloed en schrok hij daarvan.1 Het met een mes steken in de richting van het bovenlichaam levert onder de onderhavige omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank geen poging tot doodslag op, nu uit het dossier en het letsel niet valt af te leiden dat verdachte met kracht heeft gestoken en het letsel niet als potentieel dodelijk kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank kan om die reden dan ook niet worden vastgesteld of de aanmerkelijke kans aanwezig was dat [slachtoffer 1] ten gevolge van het toegebrachte letsel zou komen te overlijden.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder dit feit impliciet primair ten laste is gelegd, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2 primair/subsidiair (poging zware mishandeling/mishandeling)

De rechtbank kan op basis van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen en uit het onderzoek ter terechtzitting weliswaar vaststellen dat [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen aan zijn bovenarm, er daarbij sprake is van huidzenuwuitval en dat hij dit letsel heeft opgelopen door een steekbeweging van verdachte met een mes, maar naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt het opzet op het steken van [slachtoffer 2] . Verdachte verklaart immers niet bewust op [slachtoffer 2] te hebben ingestoken, maar met een mes in zijn hand [slachtoffer 1] te hebben weggeduwd om weg te komen.2 Verdachte verklaart bij de politie er niets van te weten dat er nog een jongen in zijn arm is gestoken. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [slachtoffer 2] zou raken, nu [slachtoffer 2] tussen verdachte en [slachtoffer 1] is gesprongen om hen uit elkaar te halen. De rechtbank volgt niet de zienswijze van de officier van justitie dat het zeer waarschijnlijk is dat een van de andere aanwezigen zou ingrijpen bij de vechtpartij en hierdoor de kans groot is dat hij een andere persoon zou raken dan [slachtoffer 1] . De rechtbank acht reeds om die reden niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder dit feit primair en subsidiair ten laste is gelegd, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Inleiding.

Op de verdachte rust de verdenking dat hij gepoogd heeft om [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een mes te steken (feit 1). Voorts wordt verdachte in dit kader verweten dat hij heeft gepoogd om [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe brengen, dan wel hem te hebben mishandeld (feit 2). Bijkomend wordt verdachte het voorhanden hebben van een vlindermes (feit 3) en het dragen en het voorhanden hebben van een vouwmes ten laste gelegd (feit 4).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft op gronden vervat in het schriftelijke requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 impliciet primair (poging tot doodslag), feit 2 primair (poging tot zware mishandeling), feit 3 en feit 4.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 1 impliciet primair (poging tot doodslag) en feit 2 primair (poging tot zware mishandeling). Er is door de verdediging geen verweer gevoerd met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 1 impliciet subsidiair (poging tot zware mishandeling). De raadsman van verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder feit 2 subsidiair (mishandeling) en feit 3 en 4.

De bewijsmiddelen. 3

De verklaring van verdachte.

Ter terechtzitting.

Ik had de klip van mijn mes over mijn broekzak. Toen ik naar achteren stapte, klapte ik het mes uit. Ik weet dat ik het mes in mijn hand had. Ik heb [slachtoffer 1] één keer bewust gestoken. Ik had het gevoel dat ik hem vaker had geraakt, omdat ik in paniek was.

Ik had het mes bij mij met de gedachte dat als er iets zou gebeuren, ik het mes kon gebruiken om af te schrikken, of om mij mee te verdedigen.

Het vlindermes en het mes dat ik bij de vechtpartij heb gebruikt, zijn beide van mij.4

Bij de rechter-commissaris.

Ik heb op 16 juli 2016 op een feestje in Ravenstein op enig moment ruzie gekregen met [slachtoffer 1] . Ik heb mij verdedigd met een mes dat ik bij mij had. Ik heb dat mes vaker bij mij voor zelfverdediging als er iets gebeurt. Ik weet dat ik [slachtoffer 1] twee keer heb gestoken en dat dit niet hielp.5

Bij de politie.

De afstand tussen [slachtoffer 1] en mij was ongeveer 1,5 meter. Het mes heb ik geopend met een zwaaibeweging. Ik trok mijn mes en terwijl hij aan het slaan was, begon ik te steken. Ik heb gestoken met een klapmes, een Magnum, een Böker.6

Het tijdens de doorzoeking van mijn kamer aangetroffen vlindermes had ik niet bij me die avond. Ik heb [slachtoffer 1] gestoken in zijn linkerzij. Ik stak met een boog.7

De verklaring van aangever [slachtoffer 1] .

Ik doe aangifte van poging tot doodslag, gepleegd door [verdachte] op 16 juli 2016 te Ravenstein. Ik heb niemand toestemming gegeven mij zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Ik zag dat hij mij sloeg richting mijn buikstreek. Hij bleef slaan richting mijn buikstreek. Ik voelde dat hij mij raakte.8

Het relaas van [verbalisant 1] .

Het onder nummer 1036718 in beslag genomen voorwerp is een vlindermes. Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie I onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, gelet op artikel 2, lid 1, onder c en artikel 3, onder d van de Regeling Wapens en Munitie.

Het onder 1036720 in beslag genomen voorwerp is een vouw- of zakmes. Op de linkerzijkant van het lemmet staat het opschrift “MAGNUM by Böker”. Het mes wordt beschouwd als categorie IV, onder 7 wapen ingevolge de Wet Wapens en Munitie als gelet op de aard en omstandigheden waaronder het wordt aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het bestemd is om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen en het niet onder een andere categorie wapens valt.

Het voorhanden hebben en dragen van bovenomschreven vlindermes is strafbaar gesteld in artikel 13, lid 1 in verband met artikel 55, lid 1 van de Wet Wapens en Munitie. Het dragen van het vouwmes (categorie IV) is strafbaar gesteld in artikel 27, lid 1, in verband met artikel 54 van de Wet Wapens en Munitie.9

Omschrijving van het letsel door arts.

Omschrijving van het uitwendig waargenomen letsel:

wond 2x links op borstkas, voorzijde wond bovenarm, 1 dorsaal proximaal, 1 distaal ventraal

wond onderarm ventrale zijde

onderrug 1 wond

linkerschouder laterale zijde 1 wond

rechts onder tepel 1 wond

Ernstig uitwendig bloedverlies. Vermoeden van niet uitwending waarneembaar letsel en vermoeden inwendig bloedverlies. Geen aanwijzingen letsel in de buik/borstkas. Patiënt werd opgenomen en behandeld voor zijn verwondingen.10

Omschrijving van het letsel door arts M.L. Moors.

Medische informatie betreffende [slachtoffer 1] .

Uitwendig waargenomen letsel:

Linker borstkas voorzijde 2 wonden

Linkerbovenarm achterzijde 1 wond en 1 wond aan onderzijde bovenarm

Linkeronderbeen buitenzijde wond

Rechts onder tepel wond.

Ernstig uitwendig bloedverlies, geen shock. Geen vermoeden niet uitwendig waarneembaar letsel, wel vermoeden inwendig bloedverlies.11

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank baseert haar oordeel over de feitelijke gang van zaken op voornoemde bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 1 impliciet subsidiair (poging tot zware mishandeling)

De rechtbank acht, op basis van hetgeen hierboven is vermeld, bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] meermalen met een mes in zijn bovenlichaam heeft gestoken. Verdachte heeft met een zwaaibeweging het mes geopend en op korte afstand in een boog met het mes richting de linkerzij van [slachtoffer 1] gestoken. Daarmee heeft verdachte hem in zijn bovenlichaam geraakt.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of er bij verdachte sprake is geweest van boos opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat verdachte boos opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier zwaar lichamelijk letsel, is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan deze kans, is niet alleen vereist dat verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard en dus op de koop heeft toegenomen.

Verdachte heeft zich door gebruik van een mes aan de vechtpartij met [slachtoffer 1] willen onttrekken. Verdachte heeft op korte afstand met een boog richting de linkerzij van [slachtoffer 1] gestoken en hem daarbij meerdere malen geraakt. Naar algemene ervaringsregels is de kans aanmerkelijk dat iemand zwaar lichamelijk letsel bekomt als gevolg van het op zodanig korte afstand steken met een mes richting het bovenlichaam, dat de borstkas, de buikholte en rugstreek daadwerkelijk wordt geraakt . Zwaar lichamelijk letsel valt te verwachten wanneer de verdachte door onvoorziene bewegingen van het slachtoffer de controle over (eventueel bedoelde) insteeklocaties en perforatiediepte verliest, aangezien zich in de buurt van de steeklocaties vitale onderdelen van het lichaam bevinden, zoals de longen, spijsverteringsorganen en spieren.

Het in deze situatie op een dusdanige manier toebrengen van steekwonden brengt naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer met zich. Door op voornoemde plaatsen op het lichaam van het slachtoffer in te steken, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. Verdachte heeft daarmee in voorwaardelijke zin opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] . De rechtbank acht de onder feit 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3 en 4

Verdachte heeft bekend op 16 juli 2016 een vlindermes voorhanden te hebben gehad. Dit vlindermes is tijdens de doorzoeking van de woning van de oma van verdachte aan het Marktpad 11 te Nederasselt in de slaapkamer van verdachte aangetroffen.

Voorts heeft verdachte bekend op 16 juli 2016 een zogenoemd vouwmes van het merk Magnum Böker op het feest in Ravenstein voorhanden te hebben gehad waarmee hij heeft gestoken. Verdachte heeft verklaard dit mes bij zich te dragen met als doel het mes te gebruiken om af te schrikken, dan wel zichzelf te verdedigen. De rechtbank kwalificeert deze overtreding, gelet op de aard en de omstandigheden waaronder het mes werd aangetroffen, als een gedraging waarbij redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het voorwerp voor geen ander doel bestemd was dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1. op 16 juli 2016 te Ravenstein,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet meermalen, met een mes, in het bovenlichaam

van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 16 juli 2016 in het arrondissement Oost-Brabant, een wapen van categorie I, onder 1, te weten een vlindermes, voorhanden heeft gehad;

4.

hij op 16 juli 2016 te Ravenstein,

een wapen van categorie IV heeft gedragen en voorhanden gehad, te weten een vouwmes van het merk Magnum,

waarvan, gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen, of te dreigen en dat niet onder een van de andere categorieën viel.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid van de feiten en de strafbaarheid van verdachte.

Ten aanzien van feit 1: beroep op noodweer/noodweerexces

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte door [slachtoffer 1] en dat er derhalve geen sprake is geweest van een noodweersituatie. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer niet kan slagen, omdat het door verdachte toegepaste geweld niet proportioneel is ten opzichte van de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 1] . Meer subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er, zo er al sprake zou zijn van een noodweersituatie, geen sprake is geweest van noodweerexces. Niet gebleken is dat een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, ten grondslag heeft gelegen aan de gedraging van verdachte. De officier van justitie acht de mate van overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging zodanig groot, dat er geen ruimte bestaat voor de beoordeling van de situatie van noodweerexces. Derhalve komt verdachte geen geslaagd beroep op noodweerexces toe.

Het standpunt van de verdediging.

Door de verdediging is ten aanzien van dit feit een beroep gedaan op noodweer, dan wel noodweerexces. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte door [slachtoffer 1] . Verdachte heeft getracht zich af te weren en aangever weg te duwen met een mes in de hand om aangever te doen stoppen met zijn constante stroom van aanvallen. Dit is een proportionele reactie onder de gegeven omstandigheden. Verdachte kon niet vluchten, nu hij werd vastgehouden door [slachtoffer 1] en had zodoende geen alternatief. De eventuele overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging is het onmiddellijke gevolg van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door meerdere aanrandingen. De verdediging heeft bepleit dat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen voor onderhavig feit.

Het oordeel van de rechtbank.

Noodweer

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat er sprake moet zijn geweest van een noodweersituatie, dat wil zeggen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waarbij de verdediging noodzakelijk en proportioneel moet zijn.

De rechtbank gaat voor de feitelijke gang van zaken uit van de verklaring van verdachte, zoals afgelegd bij de politie en ter terechtzitting, nu deze op een aantal punten door de verklaringen van aangever [slachtoffer 1] , aangever [slachtoffer 2] en [getuige 1] wordt ondersteund. De rechtbank stelt op basis van deze verklaringen vast dat aangever [slachtoffer 1] op verdachte af liep, hem bij zijn lichaam pakte, hem vasthield, hem duwde en sloeg tegen zijn lichaam en hoofd. Verdachte heeft vervolgens een mes uit zijn broekzak gepakt. Verdachte heeft aangever [slachtoffer 1] , toen deze hem vasthield, meermalen met het mes in zijn bovenlichaam gestoken. Op een gegeven moment is aangever [slachtoffer 2] tussenbeiden gekomen en heeft hij aangever [slachtoffer 1] van verdachte afgetrokken waarbij hij een steekverwonding aan zijn arm heeft opgelopen.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de gedraging van verdachte, het steken met een mes in het bovenlichaam van aangever, kan worden aangemerkt als een verdediging gericht tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Verdachte verkeerde naar het oordeel van de rechtbank niet in de positie om zich te onttrekken aan de situatie nu hij door aangever [slachtoffer 1] werd aangevallen, werd vastgehouden en werd geduwd in de richting van een hoek van de tuin, hetgeen voor verdachte als bedreigend kon worden aangemerkt. Voor de gedragingen van aangever [slachtoffer 1] was geen rechtvaardiging. Naar het oordeel van de rechtbank was de verdediging noodzakelijk en was er voor verdachte geen redelijke en reële mogelijkheid om zich aan de (dreigende) aanranding te onttrekken.

De door verdachte gekozen wijze van verdediging, te weten het meermalen steken met een mes, staat naar het oordeel van de rechtbank echter niet in redelijke verhouding tot de ernst van de (dreigende) aanranding. De aanval op verdachte bestond uit het slaan met de blote handen, dan wel vuisten. Verdachte heeft de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden door in deze situatie gelijk naar een mes te grijpen en aangever meermaals met dat mes in zijn bovenlichaam te steken. Het in deze situatie uithalen met een mes richting de zij van aangever acht de rechtbank disproportioneel.

De rechtbank zal derhalve het beroep op noodweer verwerpen.

Er zijn geen andere feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Noodweerexces

Verdachte heeft de grenzen van een geboden en noodzakelijke verdediging overschreden. Deze overschrijding kan enkel niet aan verdachte worden verweten indien zij het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding werd veroorzaakt.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat ten tijde van het meermalen steken met een mes in het bovenlichaam van aangever onvoldoende is komen vast te staan dat bij verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging. Nu niet aannemelijk is geworden dat de forse mate van overschrijding van de grenzen der verdediging is ingegeven door een hevige gemoedsbeweging, verwerpt de rechtbank het beroep op noodweerexces.

Er zijn geen andere feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Ten aanzien van feit 3 en 4

Het onder feit 3 en feit 4 bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Voorts zijn er geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straffen.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert ter zake van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag, de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en het onder 3 ten laste gelegde voorhanden hebben van een vlindermes, een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, meldplicht bij de reclassering, meewerken aan ambulante behandeling, meewerken aan een onderzoek naar de persoonlijkheid van verdachte en zijn psychische kwetsbaarheid, het meewerken aan eventuele interventies en een contactverbod met de slachtoffers.

Ten aanzien van feit 4 vordert de officier van justitie verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf en derhalve artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd, nu er ten aanzien van de feiten 1 en 2 een beroep is gedaan op een strafuitsluitingsgrond. Ten aanzien van de feiten 3 en 4 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het nadeel van verdachte het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door aangever [slachtoffer 1] met een mes in zijn bovenlichaam te steken, het voorhanden hebben van een vlindermes en het dragen en voorhanden hebben van een vouwmes. Verdachte heeft disproportioneel getracht zich te verdedigen tegen de aanval van [slachtoffer 1] en heeft daarbij een onschuldige derde, aangever [slachtoffer 2] , in zijn arm geraakt. Zoals blijkt uit de door [slachtoffer 2] ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring, ondervindt hij nog steeds lichamelijke klachten als gevolg van de steekpartij en heeft hij het gevoel in zijn arm tot op de dag van vandaag nog niet volledig terug. Uit de door aangever [slachtoffer 1] ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring volgt dat hij letterlijk voor het leven is getekend door de littekens van de door verdachte toegebrachte steekverwondingen.

De rechtbank houdt er in het voordeel van verdachte rekening mee dat verdachte niet de agressor was en ook aangever [slachtoffer 1] zich niet onbetuigd heeft gelaten door geweld te gebruiken. Verdachte heeft voorafgaande aan zijn handelen flinke klappen van aangever gehad. De rechtbank houdt voorts rekening met de omstandigheid dat verdachte een first offender betreft en niet eerder ter zake van enig strafbaar feit is veroordeeld.

Ondanks het feit dat verdachte niet de aanstichter van het geweld is geweest en hij heeft gehandeld in reactie op een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, acht de rechtbank het door verdachte gepleegde geweld dermate ernstig en disproportioneel, dat dit bestraft dient te worden met een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 10 oktober 2016 dat Reclassering Nederland over verdachte heeft uitgebracht. Uit het rapport komt naar voren dat er uit de verdiepingsdiagnostiek blijkt dat er mogelijk problemen zijn in de agressiehuishouding en dat er sprake is van achterdocht. De combinatie van achterdocht en eventuele concentratieproblematiek zou kunnen wijzen op een psychotische kwetsbaarheid, waardoor nader onderzoek geïndiceerd wordt geacht. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. Behandeling wordt als belangrijke factor gezien in het beperken van het recidiverisico. De reclassering adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, meldplicht en ambulante behandeling in combinatie met onderzoek naar de persoonlijkheid en eventuele psychotische kwetsbaarheid van verdachte, alsmede een contactverbod met de slachtoffers.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

Naast een gevangenisstraf zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf voor de duur van 150 uren opleggen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt en daarnaast van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Als benadeelde partij heeft [slachtoffer 1] zich in het geding gevoegd ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 271,92 aan materiële schade en een vergoeding van € 5.500,00 aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij integraal toewijsbaar en verzoekt daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de vordering immateriële schadevergoeding flink te matigen, gelet op de mate van eigen schuld van de benadeelde partij.

Beoordeling. De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering. Gelet op het handelen van de benadeelde partij dient in ieder geval ook de vraag te worden beantwoord of, en zo ja in hoeverre, er sprake was van eigen schuld of medeschuld bij de benadeelde partij. De rechtbank is van oordeel dat de beantwoording van deze vraag een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan daarom de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de kosten van partijen als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Als benadeelde partij heeft [slachtoffer 2] zich in het geding gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.544,60 aan materiële schade en een vergoeding van € 3.000,00 aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij integraal toewijsbaar en verzoekt daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de vordering immateriële schadevergoeding flink te matigen, gelet op de mate van eigen schuld van de benadeelde partij.

Beoordeling.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft.

De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Beslag.De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan, dan wel van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan het verkeer onttrokken dienen te worden verklaard, omdat blijkens het onderzoek ter terechtzitting deze voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane misdrijven zijn aangetroffen, terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en deze voorwerpen toebehoren aan verdachte en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Verdachte heeft reeds ter terechtzitting van 12 oktober 2016 afstand gedaan van deze voorwerpen.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9a, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 36b, 36c, 36d, 45, 57, 62 en 302 van het Wetboek van Strafrecht

en de artikelen 2, 13, 27, 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

T.a.v. feit 1 impliciet primair, feit 2 primair, feit 2 subsidiair: Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder deze feiten ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

T.a.v. feit 1 impliciet subsidiair, feit 3, feit 4:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 impliciet subsidiair: poging tot zware mishandeling T.a.v. feit 3: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het bewezen verklaarde levert op de overtreding:

T.a.v. feit 4: handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie IV. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

T.a.v. feit 1 impliciet subsidiair, feit 3: Gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 28 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering;

- zich dient te melden bij Reclassering Nederland, locatie 's-Hertogenbosch, of een andere locatie indien dit met de toezichthouder zo wordt afgesproken. Veroordeelde moet zich bij de reclassering melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- dient mee te werken aan ambulante behandeling en aan onderzoek naar veroordeelde zijn persoonlijkheid en eventuele psychotische kwetsbaarheid. Veroordeelde dient eveneens mee te werken aan eventuele daaruit voortvloeiende interventies; - geen contact mag (laten) leggen met de slachtoffers, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht,

waarbij de Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

T.a.v. feit 1 impliciet subsidiair, feit 3: Taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis

T.a.v. feit 4: Schuldigverklaring zonder oplegging van straf

T.a.v. feit 1 impliciet primair, feit 1 impliciet subsidiair: Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij

[slachtoffer 1] , in de vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

T.a.v. feit 2 primair, feit 2 subsidiair: Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij

[slachtoffer 2] in de vordering.

Veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen

De rechtbank gelast de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen,

te weten:

1. grijs vlindermes (goednr. 1036718)

1. vouwmes Magnum (goednr. 1036720)

Verdachte heeft reeds ter terechtzitting van 12 oktober 2016 afstand gedaan

van deze voorwerpen.

Teruggave inbeslaggenomen goederen

De rechtbank gelast de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

1. gsm (mobiele telefoon) Apple iPhone 6 (goednr. 1036719)

1. gsm (mobiele telefoon) Samsung GT-19300a, wit (goednr. 1036721)

1. shirt zwart (goednr. 1036723)

1. schoen Nike Air Max, zwart (goednr. 1036725)

1. spijker)broek met riem (goednr. 1036726)

1. shirt blauw (goednr. 1036738)

1. shirt zwart (goednr. 1036739)

2 schoenen Dolce & Gabbana, blauw (goednr. 1036740)

1. spijker)broek, blauw (goednr. 1036741)

aan de perso(o)n(en) die redelijkerwijs als rechthebbende(n) kan/kunnen worden

aangemerkt.

Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 12 oktober 2016 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.A. van Gameren, voorzitter,

mr. H.M. Hettinga en mr. W.B. Kok, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,

en is uitgesproken op 26 oktober 2016.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Verklaring van aangever [slachtoffer 1] , d.d. 16 juli 2016, p. 79 van na te noemen proces-verbaal.

2 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 12 oktober 2016.

3 Tenzij anders vermeld, wordt verwezen naar de paginanummers uit het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, district ’s-Hertogenbosch, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, registratienummer OB1R016079 - BAUNACH, gesloten op 8 augustus 2016, aantal doorgenummerde bladzijden: 259.

4 Proces-verbaal ter terechtzitting van 12 oktober 2016.

5 Proces-verbaal verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris, d.d. 19 juli 2016.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 16 juli 2016, p. 28, p. 30 van voornoemd proces-verbaal.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 17 juli 2016, p. 32-33 van voornoemd proces-verbaal.

8 Proces-verbaal van aangifte, d.d. 16 juli 2016, p. 77, p. 79 van voornoemd proces-verbaal.

9 Proces-verbaal Onderzoek wapen, d.d. 3 augustus 2016, p. 231-233 van voornoemd proces-verbaal.

10 Aanvraagformulier medische informatie, ingevuld d.d. 6 augustus 2016.

11 Aanvraagformulier medische informatie, ingevuld d.d. 18 augustus 2016