Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:5840

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
25-10-2016
Zaaknummer
01/880509-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord. Hij heeft een automatisch vuurwapen op het slachtoffer gericht en hierbij pogingen gedaan om dit wapen door te laden. Doordat verdachte er niet in geslaagd is het wapen af te vuren, heeft het slachtoffer kunnen vluchten.

De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 8 jaar met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 12 jaar geëist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2016, afl. 6, p. 287

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/880509-15
Parketnummer vordering: 05/025625-15

Datum uitspraak: 25 oktober 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

wonende te [adresgegevens] ,

thans gedetineerd te: P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 mei 2016, 28 juli 2016 en 11 oktober 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 5 april 2016.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 11 oktober 2016 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 augustus 2015 te Boekel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, een (automatisch) vuurwapen op die [slachtoffer] heeft gericht (gehouden) en/of de trekker van dat vuurwapen heeft overgehaald en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal dat vuurwapen heeft doorgeladen, althans heeft getracht door te laden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 augustus 2015 te Boekel, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een (automatisch) vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer] gericht (gehouden) en/of de trekker van dat vuurwapen overgehaald en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal dat vuurwapen doorgeladen, althans getracht door te laden;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 05/025625-15 is aangebracht bij vordering van 6 april 2016. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter in het arrondissement Oost-Nederland, locatie Arnhem, d.d. 12 juni 2015. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het aan verdachte primair ten laste gelegde, te weten poging tot moord.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank. 1

De rechtbank baseert haar oordeel op de navolgende bewijsmiddelen.

Op 15 augustus 2015 bevond aangever [slachtoffer] zich bij zijn [bedrijf 2] te Boekel.2

Op het moment dat hij naar huis wilde gaan (ongeveer 14.24 uur) zag hij op een afstand van ongeveer vijf meter buiten de poort een man bij een scooter staan. De man sprak aangever aan met de vraag of hij een kabeltje voor zijn scooter had. Aangever zag dat het zadel van de scooter openstond. Hij zag een witgekleurde smerige doek in de scooter liggen. Aangever zag dat de man naar de doek greep en dat hij een mitrailleur onder de doek vandaan haalde. Vervolgens zag aangever dat de man het wapen direct voor zijn borst hield met de loop in de richting van aangever. De man deed verwoede pogingen om het wapen kennelijk door te laden. Aangever zag dat de man meerdere keren een pin aan de zijkant van de mitrailleur naar achteren probeerde te trekken. De man heeft geen woord meer gezegd. Aangever schrok en dacht dat “hij er aan ging”. Aangever zag kans om te vluchten en het maisveld in te rennen. Toen aangever dacht dat hij de scooter weg hoorde rijden heeft hij om 14.27 uur 112 gebeld. Aangever is teruggelopen naar de weg. Hij zag dat de man en de scooter weg waren. Aangever zag de doek, waaruit de man de mitrailleur had gepakt, op de grond liggen nabij de plaats waar de scooter had gestaan. Hij dacht meteen dat hij de doek moest laten liggen. Hij heeft de doek niet meer aangeraakt.3 Aangever verklaarde dat hij die man die dag al eerder had gezien, na de middag om ongeveer 13.30 uur. De man stond toen op nagenoeg de zelfde plaats en reed toen met de scooter weg in de richting van de Elzen. Aangever had gezien dat de man fel blauwe ogen had. Volgens aangever was dit heel opvallend.4

De rechtbank heeft ter terechtzitting waargenomen dat verdachte een fel blauwe oogkleur heeft en dit ook medegedeeld.5

Aangever heeft, nadat verbalisanten omstreeks 14.30 uur ter plaatse waren, aan hen de doek waarin het vuurwapen had gezeten aangewezen. Verbalisanten hebben de doek hierop middels de DNA-kit veiliggesteld.6 De DNA-kit met nummer 0000009128 is opgestuurd naar de Forensisch Technische ondersteuning. Bij het openen van de DNA-kit werd vastgesteld dat de doek een kussensloop betrof. Deze kussensloop is voorzien van SINAAIJ6077NL.7

Door het NFI zijn de randen van de kussensloop met voornoemd SIN bemonsterd en onderworpen aan DNA-onderzoek. Dit heeft geleid tot een DNA-match op [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1971 (matchkans DNA-profiel kleiner dan 1 op 1 miljard).8

Door het NFI is een schotrestenonderzoek verricht op de kussensloop met SINAAIJ6077NL. Dit onderzoek heeft een vrijwel zekere relatie aangetoond tussen de bemonsterde delen hiervan en een schietproces.9

Ter terechtzitting is een deel van de sequentiële videoconfrontatie d.d. 15 maart 201610 getoond. Hierbij heeft de rechtbank waargenomen dat aangever uit elf figuranten, figurant nummer 8, te weten verdachte, aanwijst als zijnde de persoon die hij op de plaats delict heeft gezien.11

Verdachte heeft tijdens een gesprek dat hij in de P.I. Arnhem had met [medewerker P.I.] over de reconstructie gezegd: “en naderhand werd die scooter plat gelegd achter me…ik denk hé waarom leggen ze die plat weet je wel…bij m’n eigen, want ja die heeft helemaal niet plat gelegen…” en: “ze weten eigenlijk toch wel dat ik het gedaan heb, maar ze zeggen het niet”.12

In de periode 7 augustus 2015 tot en met 22 augustus 2015 maakte verdachte gebruik van de telefoon met het nummer [telefoonnummer 1] .13 Deze mobiele telefoon is van zijn vriendin. Uit analyse van historische verkeersgegevens van dit bij verdachte in gebruik zijnde nummer blijkt dat dit toestel op 15 augustus 2015 omstreeks 12.00 uur is uitgezet en pas rond 15.27 weer is geactiveerd. Op beide momenten werd een telefoonmast in Oss aangestraald. Tussen 15.27 uur en 16.03 uur heeft verdachte met dit nummer diverse malen getracht contact op te nemen met de gebruiker van het mobiele nummer [telefoonnummer 2] .14

Verdachte heeft verklaard dat hij op zaterdag 15 augustus 2015 om 09.00 uur de poort van de [bedrijf 3] , waar hij werkt, heeft geopend. Hooguit tussen 12.00-13.00 uur is hij die dag gedurende korte tijd vanaf de sloperij weggeweest. Verdachte heeft verklaard dat het kan zijn dat hij even naar de Emté in Oss is geweest. Dat is vlakbij de [bedrijf 3]15. Uit de gevorderde historische verkeersgegevens van het bij verdachte in gebruik zijnde mobiele nummer [telefoonnummer 1] bleek dat op zaterdag 15 augustus 2015 tussen 09.00 uur en 13.00 uur slechts een (1) impuls was geregistreerd. Dit betrof een uitgaand telefoongesprek van 21 seconden waarbij het toestel van verdachte de mast aan de [adres 1] heeft aangestraald. Het is, blijkens veldsterktemetingen door een Interceptiespecialist, hoogst onwaarschijnlijk dat de mast aan de [adres 1] door het toestel van verdachte ten tijde van het contact met het netwerk is aangestraald vanaf de [bedrijf 3] , gevestigd aan de [adres 2] .16

Overwegingen omtrent het bewijs.

De betrouwbaarheid van de verklaring van aangever.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen zoals die door aangever zijn afgelegd op belangrijke punten onbetrouwbaar zijn nu hij tegenstrijdig verklaart over het richten van het wapen, het doorladen van het wapen, de plaats waarop hij verdachte zag, het eerder gezien hebben van verdachte en het dialect waarmee verdachte sprak.

De rechtbank ziet - anders dan de raadsman - geen opmerkelijke verschillen tussen de verklaringen die aangever ten overstaan van de politie heeft afgelegd en zijn verklaring bij de rechter-commissaris. Naar het oordeel van de rechtbank heeft aangever in de kern genomen consistent verklaard over de pogingen die verdachte deed om het automatisch vuurwapen door te laden. Ook wat betreft de kenmerken van het automatisch vuurwapen, heeft aangever zeer gedetailleerd verklaard.

De omstandigheid dat aangever bij de rechter-commissaris meer uitgebreid heeft verklaard doet naar oordeel van de rechtbank aan de betrouwbaarheid van de door aangever afgelegde verklaringen niet af.

De rechtbank acht de verklaringen van aangever dan ook betrouwbaar en bezigt deze verklaringen tot het bewijs. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de verklaring van aangever bovendien voldoende ondersteund door andere hiervoor vermelde bewijsmiddelen in het dossier.

Chain of evidence.

Naar mening van de raadsman kan het NFI-rapport betreffende DNA-onderzoek niet worden gebezigd als bewijs nu de twee bemonsteringssporen, te weten SINAAIJ6077NL#01 en SINAAIJ6077NL#02 door het NFI door elkaar zijn gehaald.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de conclusie in het rapport ziet op SINAAIJ6077NL#01, terwijl de DNA-match betrekking heeft op SINAAIJ6077NL#02.

Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat de chain of evidence is doorbroken nu de bemonsteringsstukken van SINAAIJ6077NL#01 en SINAAIJ6077NL#02 niet in het dossier opgenomen zijn en er geen nader onderzoek is verricht naar het in de kussensloop aangetroffen roodkleurig papiertje waaraan een stukje zwarte tape vastgeplakt zat. De raadsman acht de mogelijkheid van contaminatie hierdoor niet uitgesloten

De raadsman heeft subsidiair voorwaardelijk verzocht om:

- nader onderzoek te laten verrichten naar het aangetroffen roodkleurig papiertje met zwarte tape;

- na te laten gaan of er digitale foto’s zijn betreffende het openen van de DNA-kit en - indien deze beschikbaar zijn - aan het dossier toe te voegen;

- na te laten gaan of er meer dan twee bemonsteringen hebben plaatsgevonden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de rapportage van het NFI blijkt dat een tweetal bemonsteringen is onderzocht. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de stelling van de raadsman dat de twee bemonsteringen door elkaar zijn gehaald. De bemonsteringen SINAAIJ6077NL#01 en SINAAIJ6077NL#02 dienen op basis van het NFI-rapport in samenhang te worden bezien, en deze hebben beide betrekking op eenzelfde DNA-profiel. De rechtbank ziet niet in hoe het rapport van het NFI andersluidend kan worden geïnterpreteerd.

Voor wat betreft het betoog van de raadsman dat de chain of evidence is doorbroken overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt vast dat op de plaats delict de doek, naar wat later bleek een kussensloop, in een DNA-kit met nummer 0000009128 SINAAIJ6077NL is veiliggesteld en opgestuurd naar de Forensisch Technische Ondersteuning te Eindhoven voor nader onderzoek. Deze DNA-kit werd aldaar geopend. Bij het openen van deze DNA-kit zag de verbalisant dat er behalve de kussensloop ook een stuk roodkleurig papier in zat met wat zwart tape. De kussensloop en het stuk papier heeft de verbalisant herverpakt in een papieren zak die door hem werd verzegeld en voorzien van SINAAIJ6077NL. Vervolgens heeft de officier van justitie de benoeming aangevraagd van een deskundige teneinde DNA-onderzoek te verrichten op het sporenmateriaal SINAAIJ6077NL. De enkele omstandigheid dat de bemonsteringsstukken zich niet in het dossier bevinden en dat er geen onderzoeksresultaten door het NFI gerapporteerd zijn omtrent het aangetroffen roodkleurig papiertje met zwarte tape leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat het door het NFI opgemaakte DNA-rapport onbruikbaar is voor het bewijs. Op grond van de vastgestelde gang van zaken is er geen sprake van onzekerheid omtrent het onderzochte celmateriaal. Zowel de kussensloop als het roodkleurig papiertje zijn op de plaats delict aangetroffen en veiliggesteld. Hoewel beide bemonsteringsstukken in één DNA-kit zijn gestopt, laat dat onverlet dat het door het NFI aangetroffen DNA-profiel een enkelvoudig profiel betreft. De rechtbank verwerpt het verweer.

De rechtbank is van oordeel dat het NFI als deskundige deugdelijk onderzoek heeft verricht en zij constateert dat het NFI heeft gerapporteerd over alle resultaten die zij in dit onderzoek relevant heeft geacht. De rechtbank heeft gelet op het dossier en het onderzoek ter terechtzitting geen reden om aan te nemen dat het onderzoek van het NFI niet zorgvuldig is geweest.

De rechtbank wijst het subsidiair voorwaardelijk verzoek van de raadsman af, nu gelet op het bovenstaande van enige noodzaak tot het verrichten van nader onderzoek niet is gebleken.

Alibi verdachte

Verdachte stelt dat hij onschuldig is en heeft in dit verband aangevoerd dat hij een alibi heeft, namelijk dat hij die dag de gehele dag op zijn werk - de [bedrijf 3] - aanwezig was. Dit alibi wordt door de rechtbank niet geloofwaardig geacht en zij verwerpt daarom dit verweer. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Allereerst heeft niemand concreet bevestigd dat verdachte op die datum ten tijde van de hem ten laste gelegde gebeurtenis daadwerkelijk op zijn werk aanwezig was. Uit de mastgegevens komt voorts naar voren dat op 15 augustus 2015 tussen 09.00-13.00 uur de bij verdachte in gebruik zijnde mobiele telefoon één impuls van een kortdurend gesprek van 21 seconden aangeeft waarbij een telefoonmast is aangestraald op de locatie [adres 1] , in de directe omgeving van de woning van de verdachte. Verder is gebleken dat de telefoon vanaf 12 uur niet heeft aan gestaan. De rechtbank ziet niet in hoe verdachte van 9 uur ‘s morgens tot 12 uur ‘s middags met de telefoon op zijn werk kan zijn geweest terwijl daarmee in die periode is gebeld vanuit de directe omgeving van zijn woning. De omstandigheid dat verdachte naar eigen zeggen hooguit tussen 12 uur en 13 uur even naar de Emté is geweest om vers brood te halen kan niet de verklaring vormen, reeds nu in die tijd de telefoon niet heeft aan gestaan.

Ondeugdelijke poging.

De raadsman meent dat er sprake zou zijn van een ondeugdelijke poging nu uit geen enkel bewijsmiddel blijkt dat het gebruikte wapen ook daadwerkelijk geschikt was tot afvuren. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het gebruikte wapen in het geheel niet geschikt was tot afvuren, en dat daarom niet kan worden gezegd dat sprake was van een ondeugdelijke poging. De enkele omstandigheid dat het verdachte kennelijk op dat moment niet is gelukt het wapen af te vuren maakt niet zondermeer dat het wapen in het geheel niet geschikt was tot afvuren. De enige verklaring omtrent dit feitelijk niet slagen is gegeven door aangever, die heeft verklaard dat verdachte heel zenuwachtig was bij zijn pogingen. Hieruit valt volgens de rechtbank af te leiden dat het de bedoeling is geweest het wapen af te vuren en dat niet werd verwacht dat dat niet zou lukken. Voorts is uit forensisch onderzoek aan de kussensloop die op de plaats delict is aangetroffen komen vast te staan dat zich schotrestdeeltjes op deze kussensloop bevonden. De rechtbank concludeert hieruit dat de kussensloop op enig moment is gebruikt in relatie tot een werkend vuurwapen. Hoewel hiermee niet kan worden gezegd dat ditzelfde vuurwapen in de kussensloop zat, kan hieruit wel worden afgeleid dat kennelijk is beoogd een vuurwapen te hanteren dat daadwerkelijk tot afvuren geschikt was. Verder blijkt, zoals hierna overwogen, dat de actie was voorbereid. De rechtbank verwerpt dit verweer.

(Voorwaardelijk) opzet

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte op het moment van het doorladen van het wapen (voorwaardelijk) opzet had om aangever dodelijk te treffen. Daarbij gaat het om de vraag of door de gedragingen van verdachte minst genomen een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bij aangever is ontstaan.

Uit de verklaring van aangever blijkt het navolgende.

Verdachte is op aangever afgelopen en heeft hem aangesproken kennelijk met het doel om aangever naar de scooter te lokken. Vervolgens heeft aangever een automatisch vuurwapen onder een doek - welk in de buddyseat van de scooter lag - vandaan gehaald. Verdachte heeft dit wapen meteen op aangever gericht en meermalen getracht het wapen door te laden, terwijl verdachte dit wapen op aangever gericht hield.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft, naar algemeen bekend, het vanaf korte afstand op iemand schieten met een automatisch vuurwapen minst genomen tot gevolg dat daarmee een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel ontstaat. Verder dienen deze gedragingen, met name het herhaald trachten het automatisch vuurwapen door te laden terwijl hij, verdachte, het vanaf korte afstand had gericht op aangever, naar hun uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het mogelijk gevolg, te weten dat die [slachtoffer] dodelijk zou worden getroffen, dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan in casu niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op voornoemd gevolg ook heeft aanvaard. Aldus heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] als gevolg van verdachtes handelen zou komen te overlijden en is het opzet van verdachte in voorwaardelijke zin daarop gericht geweest. De enkele omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte zijn vingers bij de trekker heeft gehad, doet daaraan niet af. De rechtbank is - anders dan de raadsman - van oordeel dat er sprake is van een begin van uitvoering. Er is derhalve sprake van (voorwaardelijk) opzet.

Voorbedachte raad

De rechtbank dient voorts te beoordelen of verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.

De rechtbank overweegt eerst in algemene zin dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar aan contra-indicaties kan een zwaarder gewicht worden toegekend. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift hebben plaatsgevonden, dat sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit is ontstaan.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte zich gedurende een langere periode heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit.

Uit de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat verdachte zich op 15 augustus 2015 met een scooter in Boekel bevond.

Verdachte is door diverse getuigen vanaf 13.00 uur gezien op verschillende plekken nabij de boerderij van verdachte.171819202122 Ook aangever heeft verklaard dat hij de verdachte al eerder die dag had gezien.23 Door meerdere getuigen is verklaard dat hij eerst met zijn scooter aan de ene zijde van de straat stond, en daarna daarmee aan de andere kant.

Uit beschikbare camerabeelden van het bedrijf van aangever blijkt voorts dat een persoon op een roodkleurige scooter om 13.18.22 -13.18.27 uur langs het bedrijf rijdt en om 13.19.09-13.19.14 uur opnieuw -in tegengestelde richting- langs het bedrijf rijdt.24 Ook op camerabeelden van [bedrijf 1] in dezelfde straat is te zien dat een persoon om 01:18:54 (de rechtbank begrijpt 13:18:54) op een roodkleurige scooter langsrijdt en keert en terug rijdt. 25 Verdachte heeft aangever vlak voor 14.27 uur aangesproken met de vraag of deze een kabeltje voor hem had, kennelijk met het doel om aangever dicht bij de scooter te krijgen, waarin het automatisch vuurwapen opgeborgen zat. Vervolgens heeft verdachte het automatisch vuurwapen onder de kussensloop tevoorschijn getrokken en dit vuurwapen direct gericht op aangever, om daarna telkens te proberen door te laden, waarbij hij zenuwachtig oogde volgens aangever, en is een stukje met aangever meegelopen terwijl deze wegvluchtte. De verdachte heeft sinds het hulp vragen geen woord meer gezegd tegen aangever. Verder droeg verdachte geen helm. Verdachte en aangever kenden elkaar – vóór dit gebeuren – niet.26

Dit zijn voor de rechtbank doorslaggevende aanwijzingen dat de verdachte niet alleen met een vooropgezet plan naar de boerderij van aangever is gereden (het doden van de hem verder onbekende aangever), maar dat hij tevens voldoende de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en dat hij zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven. Mede gelet op het tijdsverloop dat is verstreken tussen het moment waarop de verdachte door verschillende getuigen en ook de aangever nabij de boerderij is gesignaleerd en het tijdstip van het (wederom) benaderen van aangever, heeft hij voldoende tijd gehad om zich te beraden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte niet gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling of naar aanleiding van een plots opkomende drift.

Het handelen van de verdachte was bovendien naar uiterlijke verschijningsvormen zozeer gericht op de dood van de aangever dat de rechtbank daaruit afleidt dat hij zich daaromtrent heeft beraden.

Contra-indicaties voor voorbedachte raad zijn gesteld noch gebleken. Het feit dat verdachte aangever niet kent is zelfs een contra-indicatie voor het ontbreken van voorbedachte raad, nu verdachte desondanks kennelijk specifiek op zoek was naar aangever. De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 15 augustus 2015 te Boekel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet na kalm beraad en rustig overleg, een automatisch vuurwapen op die [slachtoffer] heeft gericht en vervolgens meermalen dat vuurwapen heeft getracht door te laden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van primair:

Een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft aangevoerd dat de door de officier van justitie geëiste straf buitenproportioneel is.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord. Hij heeft een automatisch vuurwapen op aangever gericht en hierbij verwoede pogingen gedaan om dit wapen door te laden. Doordat verdachte er niet in geslaagd het wapen af te vuren, heeft het slachtoffer kans gezien om te vluchten. Dat aangever deze aanslag heeft overleefd, is louter aan toeval te danken, en geenszins aan het handelen van de verdachte.

Moord is te beschouwen als één van de ernstigste delicten in het Wetboek van Strafrecht. Door een poging tot moord wordt de rechtsorde ernstig geschokt. Het leidt tot heel veel maatschappelijke onrust en tot een toename van gevoelens van grote angst en onveiligheid onder burgers.

Verdachte heeft ten aanzien van zijn handelen geen openheid van zaken en evenmin een motief gegeven. Door zijn handelen heeft de verdachte blijk gegeven van een volkomen gebrek aan respect voor het leven van een ander.

Op het slachtoffer en zijn gezinsleden heeft deze aanslag tot op de dag van vandaag een enorme impact, zoals ook blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring die aangever ter terechtzitting heeft voorgelezen.

De rechtbank rekent dit alles verdachte heel zwaar aan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de retourzending rapportverzoek van Reclassering Nederland van 2 maart 2016, waaruit blijkt dat de verdachte geen medewerking heeft willen verlenen aan de totstandkoming van een reclasseringsadvies.

Blijkens een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 13 september 2016 is verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Dit is een lichtere straf dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank is echter van oordeel dat hiermee de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking is gebracht.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij toe te kennen tot een bedrag van € 15.000,- als voorschot op de immateriële schade. De officier van justitie heeft verzocht om de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren aangezien behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 2.500,- als voorschot voor de geleden immateriële schade en de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Beoordeling. De benadeelde partij heeft een bedrag van € 308.235,38 aan materiële schade gevorderd en daarnaast een bedrag van € 7.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Van deze vordering is niet eenvoudig vast te stellen of en in hoeverre deze kosten zijn gemaakt in directe relatie tot het bewezen verklaarde feit en of deze schade rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit is toegebracht. Voorts ontbreekt een machtiging namens diverse rechtspersonen in de stukken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen, terwijl het strafgeding zich thans niet meer leent voor uitstel of aanhouding om een en ander nader uit te diepen. Een belangrijk doel van de strafrechtspleging is immers dat zaken efficiënt en tijdig worden afgedaan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

De benadeelde partij kan deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 05/025625-15.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair poging tot moord Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. primair: Gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. primair: Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer] in de vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Last tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in het arrondissement Oost-Nederland, locatie Arnhem, d.d. 12 juni 2015, gewezen onder parketnummer 05/025625-15, te weten:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.T. van Vliet, voorzitter,

mr. E. Boersma en mr. F.A. te Water Mulder, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,

en is uitgesproken op 25 oktober 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, district ’s-Hertogenbosch, proces-verbaalnummer 2015182484.

2 Verklaring van [slachtoffer] d.d. 15 augustus 2015, proces-verbaal pag. 104.

3 Verklaring van [slachtoffer] d.d. 15 augustus 2015, proces-verbaal pag. 105.

4 Verklaring van [slachtoffer] d.d. 15 augustus 2015, proces-verbaal pag. 106.

5 Eigen waarneming door de rechtbank ter terechtzitting d.d. 11 oktober 2016.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 augustus 2015, proces-verbaal pag. 313.

7 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 4 september 2015 (niet genummerd)

8 NFI rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek d.d. 29 oktober 2015, proces-verbaal pag. 544-546.

9 NFI rapport schotrestenonderzoek d.d. 4 november 2015, proces-verbaal pag. 549-555.

10 Proces-verbaal sequentiële videoconfrontatie d.d. 29 maart 2016, proces-verbaal pag. 653-663.

11 Eigen waarneming door de rechtbank ter terechtzitting d.d. 11 oktober 2016.

12 Proces-verbaal uitluisteren OVC-gesprek 8 april 2016, proces-verbaal pag. 723-724.

13 Proces-verbaal van bevindingen nummer gebruik [telefoonnummer 1] , proces-verbaal pag. 572-573.

14 Proces-verbaal bevindingen telefonie verdachte, proces-verbaal pag. 574-575.

15 Proces-verbaal verhoor verdachte, proces-verbaal pag. 58.

16 Proces-verbaal alibicheck, proces-verbaal pag. 736-737.

17 Verklaring van [getuige 1] d.d. 15 augustus 2015, proces-verbaal pag. 457 en proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 februari 2016, proces-verbaal pag. 459-460.

18 Verklaring van [getuige 2] d.d. 16 augustus 2015, proces-verbaal pag. 463-464.

19 Verklaring van [getuige 3] d.d. 16 augustus 2015, proces-verbaal pag. 467-468.

20 Verklaring van [getuige 4] d.d. 18 augustus 2015, proces-verbaal pag. 481-482 en proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 februari 2016, proces-verbaal pag. 483-484.

21 Verklaring van [getuige 5] d.d. 21 augustus 2015, proces-verbaal pag. 495 en proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 februari 2016, proces-verbaal pag. 497-498.

22 Verklaring van [getuige 6] d.d. 22 augustus 2015, proces-verbaal pag. 502-506.

23 Verklaring van [slachtoffer] d.d. 15 augustus 2015, proces-verbaal pag. 106.

24 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek camerabeelden, proces-verbaal pag. 322-323.

25 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek camerabeelden, proces-verbaal pag. 398-423.

26 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 11 oktober 2016.