Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:5818

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
20-10-2016
Zaaknummer
C/01/300602 / FA RK 15-5913
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBOBR:2016:5819
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervangen toestemming verhuizing en wijziging basisschool

Eenzijdig verzoek stiefouder tot uitoefening van gezamenlijk gezag met ouder, op grond van artikel 1:253t BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253t
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/300602 / FA RK 15-5913

Uitspraak : 3 februari 2016

Beschikking betreffende vervangende toestemming verhuizing en vervangende toestemming wijziging basisschool in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

advocaat mr. F.A. van den Heuvel,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. S.A.R.C.W. Munsters,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de moeder en de vader.

De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

  • -

    het verzoekschrift van de moeder, ontvangen ter griffie op 3 november 2015;

  • -

    het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vader, ontvangen ter griffie op

30 december 2015;

- het aanvullend verzoek van de vader, ter zitting aan de rechtbank en wederpartij overhandigd;

- de correspondentie, waaronder met name:

- een F9 formulier (met producties) van mr. Van den Heuvel van 4 december 2015.

De zaak is behandeld ter zitting van 5 januari 2016. Verschenen zijn de moeder, bijgestaan door mr. Van den Heuvel en de vader, bijgestaan door mr. T. Kreemers.

Namens de raad voor de kinderbescherming is [naam] verschenen.

De feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van

7 augustus 2015 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op

1 september 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van partijen is de navolgende minderjarige geboren:

- [minderjarige X] , te [geboorteplaats] op [geboortedatum] .

De vader en de moeder hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige X] . [minderjarige X] heeft haar hoofdverblijf bij moeder.

Uit een eerdere relatie van moeder is geboren [minderjarige Y] , te [geboorteplaats] op [geboortedatum] . De vader van [minderjarige Y] is overleden. De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige Y] .

Het verzoek, het verweer en het zelfstandig verzoek

Moeder verzoekt op de gronden en op de wijze als in het verzoekschrift omschreven om haar vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing en wijziging van de basisschool van [minderjarige X] tijdens de kerstvakantie 2015 van [Gemeente A] naar [Gemeente B] .

Vader voert verweer tegen de verzoeken en concludeert tot afwijzing. Vader verzoekt zelfstandig, onder wijziging van de beschikking van 7 augustus 2015 en het ouderschapsplan, primair te bepalen dat [minderjarige X] voortaan het hoofdverblijf bij hem heeft en vaststelling van een contactregeling met [minderjarige Y] en een contactregeling tussen moeder en [minderjarige X] . Hij verzoekt tevens te bepalen dat [minderjarige Y] en [minderjarige X] hun huidige basisschool ’t Einder in [Gemeente A] blijven bezoeken.

Subsidiair verzoekt vader een contactregeling vast te stellen tussen hem en [minderjarige Y] en [minderjarige X] en te bepalen dat [minderjarige Y] en [minderjarige X] hun huidige basisschool [naam] in [Gemeente A] blijven bezoeken.

Ter zitting verzoekt vader aanvullend te bepalen dat hij mede zal worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige Y] en te bepalen dat het moeder niet is toegestaan, althans zal worden verboden, om met [minderjarige Y] te verhuizen naar [Gemeente B] en [minderjarige Y] te plaatsen op een andere school.

Standpunt van de moeder

Moeder stelt ter onderbouwing van haar verzoek het volgende.

Moeder woont met de kinderen in de (voormalige) echtelijke woning te [Gemeente A] . Deze woning staat inmiddels te koop en partijen zijn niet in staat de woning over te nemen. Moeder heeft vervangende woonruimte gevonden in [Gemeente B] en zij wenst met beide kinderen in de kerstvakantie te verhuizen naar [Gemeente B] , zodat de kinderen in 2016 kunnen starten op een nieuwe school.

Ter zitting heeft moeder haar verzoek verder toegelicht. Moeder stelt dat de huidige

co-ouderschapsregeling een tijdelijke regeling is en enkel mogelijk zolang de echtelijke woning nog eigendom van partijen is. Zij heeft aan vader te kennen gegeven te willen verhuizen naar [Gemeente B] waar haar partner een koopwoning heeft. Moeder stelt dat vader pas wilde praten over een mogelijke verhuizing van moeder en de kinderen wanneer partijen ook zouden praten over de financiële afwikkeling van het huwelijk. Hierop zijn partijen met een financieel adviseur in gesprek gegaan. Uit dit gesprek bleek dat partijen de woning niet kunnen overnemen en na verkoop een restschuld zullen overhouden. Dat vader nu stelt dat hij de woning wil nemen, neemt moeder niet serieus.

Moeder betwist dat de co-ouderschapsregeling goed verloopt. Zij loopt constant tegen communicatieproblemen op.

Zij heeft de verhuizing grondig voorbereid, te meer nu [minderjarige Y] ADHD heeft en moeilijk met plotselinge wijzigingen kan omgaan. Moeder heeft vader uitgenodigd om samen op gesprek te gaan bij een mogelijke school voor de kinderen. Vader is hier niet op ingegaan.

Standpunt van de vader

Vader stelt dat partijen begin juni 2015 een co-ouderschapsregeling zijn overeengekomen inhoudende dat de kinderen met ingang van 17 juli 2015 de ene week bij moeder en de daaropvolgende week bij vader verblijven. De kinderen verblijven in dit verband permanent in de voormalige echtelijke woning. Vader stelt zich op het standpunt dat co-ouderschap het beste aansluit bij de belangen van de kinderen en bij hetgeen partijen een half jaar geleden nog voor ogen stond.

Vader stelt dat door een verhuizing een co-ouderschapsregeling praktisch niet meer mogelijk zal zijn. Er is geen enkele noodzaak voor moeder om naar [Gemeente B] te verhuizen. Hij erkent dat de echtelijke woning te koop staat maar stelt dat er nog geen serieuze kandidaat-koper is geweest, dus het staat niet vast dat de woning snel zal worden verkocht. Daar komt bij dat er een aanzienlijke schuld zal resteren na verkoop van de woning.

Vader betwist dat moeder nergens anders terecht kan dan in [Gemeente B] . Volgens vader heeft moeder niet aangetoond dat zij niet in [Gemeente A] een huurwoning kan betrekken. Hij stelt dat moeder verzuimt te vermelden dat zij in [Gemeente B] samen met de kinderen wil gaan samenwonen met haar nieuwe partner met wie zij sinds februari 2015 een relatie heeft. Vader stelt in dit kader dat uit niets blijkt dat de partner van moeder niet naar [Gemeente A] zou kunnen verhuizen.

Onder verwijzing naar het vorenstaande verzoekt vader primair het hoofdverblijf van [minderjarige X] bij hem te bepalen en een zorgregeling voor [minderjarige Y] en [minderjarige X] vast te stellen.

Met betrekking tot zijn aanvullende verzoek stelt vader dat hij als sinds [minderjarige Y] twee jaar is in het gezin woont. Hij is als een vader voor [minderjarige Y] , die ook zijn achternaam heeft. Vader acht het in het belang van [minderjarige Y] dat hij mede beslissingen kan nemen over [minderjarige Y] . Vader is betrokken bij [minderjarige Y] , hij heeft contact met school en gaat naar ouderavonden. [minderjarige Y] is gediagnosticeerd met ADHD en vader vraagt zich af of het goed is om hem van school te laten veranderen.

Vader heeft ter zitting verklaard dat hij de intentie heeft om in [Gemeente A] te blijven wonen.

Standpunt van de raad

De vertegenwoordiger van de raad stelt ter zitting dat, in het belang van de kinderen, de ouders met elkaar in gesprek zullen moeten gaan en zullen moeten trachten er samen uit te komen. De raad geeft aan dat een verhuizing van de kinderen nu te vroeg zou zijn.

De beoordeling

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt mee dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van [minderjarige X] de toestemming van vader behoeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden, zal de rechter hierover een beslissing nemen. Op basis van vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht te nemen. Dat kan er in een voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen.

Nadat partijen ter zitting over en weer hun standpunten hebben toegelicht, is gesproken over de mogelijkheid van een verwijzing naar mediation. Partijen hebben ingestemd met verwijzing naar mediation teneinde via bemiddelingsgesprekken weer met elkaar in gesprek te komen en te trachten tot een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te komen die hun beider instemming heeft, nu en in de toekomst.

De rechtbank zal daarom de beslissingen op alle verzoeken van partijen aanhouden in afwachting van de resultaten van de mediation. Indien partijen niet tot overeenstemming komen, wordt moeder in de gelegenheid gesteld schriftelijk haar reactie te geven op het aanvullende verzoek van vader en wordt vader in de gelegenheid gesteld schriftelijk zijn reactie te geven op de pleitnota van moeder. De rechtbank zal daarna in beginsel aan de hand van de stukken beslissen.

De beslissing

De rechtbank

houdt de beslissingen op alle verzoeken van partijen pro forma aan tot 22 juni 2016, in afwachting van de resultaten van de mediation. Uiterlijk twee weken voor die datum dienen de advocaten van partijen de rechtbank schriftelijk te berichten omtrent het verloop van de mediation;

compenseert de tot op heden gemaakte proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. ter Braak, rechter, tevens kinderrechter,

en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 3 februari 2016.

Conc: ivo