Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:579

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
17-02-2016
Zaaknummer
01/860339-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor het medeplegen van een overval op een cafetaria wordt verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden. Daarbij is rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/860339-15

Datum uitspraak: 17 februari 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

wonende te [adresgegevens] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 februari 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van .

hij op of omstreeks 13 december 2012 te Helmond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee en/of een hoeveelheid geld (ongeveer 2858 euro), in elk geval enig goed en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s):

- die [benadeelde 1] twee, althans een of meer op vuurwapens gelijkende voorwerpen heeft/hebben getoond en/of

- die [benadeelde 1] met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op diens hoofd heeft geslagen en/of

- heeft/hebben geroepen "geld" althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- die [benadeelde 1] onder voornoemde dreiging heeft/hebben gedwongen de kluis te openen en/of

- die [benadeelde 1] tegen de grond heeft/hebben geduwd.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bespreking van het feit.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak. In hoofdlijnen is aangevoerd dat de verklaring van [medeverdachte 1] onbetrouwbaar is, dat de getuige [getuige 1] wisselend verklaart, dat wat betreft het DNA-bewijs niet duidelijk is waar het blikje is aangetroffen, terwijl het bovendien een verplaatsbaar object betreft en dat wat betreft de mastgegevens, die op zich niet voldoende zijn, het betreffende telefoonnummer op naam van de moeder van verdachte stond, zodat niet bekend is wie de persoon op de betreffende locatie is geweest.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

I. Bewijsmiddelen 1 .

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de navolgende bewijsmiddelen, zakelijk weergegeven.

Op 13 december 2012 heeft [benadeelde 1] , mede namens [benadeelde 1] , gelegen aan [adres 1] , aangifte gedaan van een gewapende overval op 13 december 2012 te 04.27 uur door twee mannen met een getinte huidskleur. Hij is met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen zijn hoofd geslagen en heeft gehoord dat de mannen geld willen hebben. [benadeelde 1] heeft in de opslagruimte de kluis voor de overvallers geopend en zij hebben vervolgens de kluis leeggehaald en zijn via de nooduitgang weer vertrokken. De overvallers spraken met een dialect, Marokkaans of Turks, in de Nederlandse taal (pagina’s 24 en 25). In het verhoor van 14 december 2012 heeft aangever verklaard dat zij in totaal 2858,- euro aan contanten missen. De zwarte enveloppe portemonnee met briefgeld uit de kassa is ook weggenomen, maar deze is later teruggevonden, daaruit missen zij 5 briefjes van 20,- euro. (pagina 29).

In het pand van aangever zijn camerabeelden veiliggesteld en bekeken. [verbalisant 1] heeft hierover in zijn proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 december 2012 het volgende gerelateerd (pagina 55):

Op 13 december 2012, omstreeks 04.27 vond er een overval plaats bij [benadeelde 1] .

Ik heb de videocamerabeelden bekeken.

Ten aanzien van camera 7 (pagina 56):

Op deze camerabeelden is de feestzaal van [benadeelde 1] te zien. De tijd loopt ongeveer een uur voor. Op 13 december 2012 te 05.04.49 uur: dader 1 en 2 komen samen met [benadeelde 1] in beeld. Linksonder in beeld is te zien dat dader 1 boven [benadeelde 1] staat en hem enkele klappen geeft. Dader 2 loopt op en neer en houd een vuurwapen in zijn rechter hand. Dader 2 wijst met dit vuurwapen in de richting van [benadeelde 1] . Vervolgens is te zien dat dader 1 [benadeelde 1] op laat staan en onder bedreiging van een vuurwapen lopen ze samen over de dansvloer in de richting van de cafetaria. Het vuurwapen wordt door dader 1 tegen de rug van [benadeelde 1] gehouden. Dader 2 komt er vervolgens achteraan gerend. Dader 1 en 2 en [benadeelde 1] verdwijnen uit beeld. Te 05.07.58 uur: dader 1 en 2 rennen over de dansvloer in de richting van de nooduitgang weg.

Ten aanzien van camera 3 (pagina 57):

Op de beelden is een opslagkamer te zien. Onder in beeld is de toegangsdeur. Direct rechts om de hoek staat de kluis. De tijdsaanduiding komt overeen met de daadwerkelijke tijd.

Op 13 december 2012 te 04.06.27 uur: deur wordt geopend en [benadeelde 1] loopt de kamer binnen met achter hem dader 1. [benadeelde 1] opent onder bedreiging van een vuurwapen de kluis. Te 04.06.37 uur: een zwarte tas wordt door dader 2 in de kamer gegooid. Te 04.06.46 uur: kluisdeur wordt door dader 1 geopend. Dader 1 gaat naast [benadeelde 1] zitten en haalt de kluis leeg. Te 04.06.55 uur: dader 2 komt aanlopen, richt zijn vuurwapen op [benadeelde 1] en duwt hem vervolgens tegen de grond. Dader 1 en 2 halen de kluis leeg. [benadeelde 1] ligt naast hen op de grond. Te 04.07.35 uur: dader 1 en 2 lopen met de inhoud van de kluis uit de kamer. [benadeelde 1] staat op en loopt naar de naast gelegen ruimte.

[verbalisant 2] is blijkens zijn proces-verbaal van 13 december 2012 samen met diensthond “Cash” de mogelijke vluchtroute nagelopen, beginnende bij de zijdeur van het pand, die open stond. De diensthond heeft verbalisant vervolgens meegetrokken in de richting van het Janssen en Fritsenplein. Op de hoek van het Janssen en Fritsenplein met de Aquamarijnstraat is een zwarte beurs met daaromheen diverse eurobiljetten, verpakte rollen muntgeld en een doorzichtige plastic bak op de grond aangetroffen. De diensthond heeft verder de mogelijke vluchtroute gevolgd over de Aquamarijnstraat in de richting van de Sjef Remmenlaan en daarna richting het treinstation van Helmond. Halverwege de Sjef Remmenlaan heeft de diensthond nog een briefje van € 10,- aangetroffen, mogelijk afkomstig van de overval (pagina’s 31 en 32).

[verbalisant 3] heeft op 12 juni 2013 bij de politie verklaard dat hij medeverdachte [medeverdachte 2] kent en dat het abonnement met het nummer [telefoonnummer 1] op naam van zijn moeder staat. (pagina’s 269 en 270).

Blijkens een proces-verbaal 126dd Sv ‘gebruik van gegevens voor een ander doel’ d.d. 25 juni 2013, is in het onderzoek ‘Goudtetra’ telecommunicatie afgeluisterd, gevoerd met voornoemd nummer [telefoonnummer 1] . In een afgeluisterd telefoongesprek van 14 december 2012 te 23.35.35 uur wordt de gebruiker van de telefoon met nummer [telefoonnummer 1] gebeld door een [betrokkene 1] vrouw die de gebruiker van genoemd nummer [betrokkene 1] noemt. [betrokkene 1] vrouw zegt dat er is ingebroken en dat ze ook op de kamer van [betrokkene 1] zijn geweest. Op 14 december 2012 te 23.39.44 uur wordt de gebruiker van de telefoon met nummer [telefoonnummer 1] gebeld door een andere [betrokkene 1] vrouw. Ook zij noemt de gebruiker van de telefoon met het nummer [telefoonnummer 1] [betrokkene 1] . Het gesprek gaat over de inbraak in de woning van [betrokkene 1] . [betrokkene 1] zegt dat zojuist [betrokkene 2] heeft gebeld. Uit een onderzoek in het bedrijfsprocessensysteem van de politie Brabant Zuid-Oost bleek dat op 14 december 2012 was ingebroken op [adres 2] . Uit een onderzoek in de GBA bleek dat op dat adres [verdachte] staat ingeschreven (pagina’s 286 tot en met 288).

Uit de verklaring van [verbalisant 3] en de hiervoor genoemde telefoongesprekken en informatie uit het bedrijfsprocessensysteem en het GBA blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat [verbalisant 3] in ieder geval tot en met 14 december 2012 de gebruiker was van de telefoon met het nummer [telefoonnummer 1] .

Uit het proces-verbaal bevindingen verwerking van de verkeersgegevens, opgemaakt door [verbalisant 4] op 26 juni 2013, blijkt het volgende (pagina 321):

De melding dat de overval had plaatsgevonden werd op 13 december 2012 te 04.27 uur gedaan. In deze melding werd aangegeven en tevens is uit onderzoek gebleken, dat de daders richting NS station Mierlohout zijn gevlucht.

Op 13 december 2012 te 02.30.01 uur en te 04.30.01 uur bevond het toestel met daarin de telefoonkaart waaraan het nummer [telefoonnummer 1] is gekoppeld zich onder het bereik van de mast met cel-ID 13785U van T-mobile, locatie hoek Kaldersedijk-Grienderhoeve te Helmond. Binnen het bereik van deze mast ligt ook het adres [adres 1] , zijnde de plaats van de overval. De gebruiker van het toestel met dat telefoonnummer kan zich in de omgeving van de plaats van het delict hebben opgehouden.

Op 13 december 2012 te 04.34.56 uur bevond het toestel met daarin de telefoonkaart waaraan het nummer [telefoonnummer 1] is gekoppeld zich onder het bereik van de mast met cel-ID 13784U van T-mobile, locatie hoek Kaldersedijk-Grienderhoeve te Helmond. Dit is 7 minuten na de melding. De gebruiker van het toestel met dat telefoonnummer heeft zich tussen 04.30.01 en 04.34.56 uur verplaatst.

Blijkens het proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 13 februari 2013 zijn in de directe nabijheid van de plaats delict een aantal sporen aangetroffen en veiliggesteld. Dienaangaande hebben verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] het volgende gerelateerd (pagina’s 33 tot en met 35):

Op 13 december 2012, omstreeks 04.45 uur, werd door ons een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een gewapende overval op [benadeelde 1] . Wij zagen aan de achterzijde links van het horecabedrijf een stalen poort. Wij zagen nabij deze stalen poort, op het trottoir nabij de oprit, een blikje energydrank. Het betrof een gedeeltelijk gevuld blikje. Ik, verbalisant [verbalisant 5] , heb de inhoud van het blikje verwijderd en het leeg blikje veiliggesteld, gewaarmerkt en voorzien van SIN AAFS9967NL. Wij zagen eveneens dat er aan de rechterzijde van de stalen poort een blikje energydrank stond. Ik, verbalisant [verbalisant 5] , heb de inhoud van het blikje verwijderd en het leeg blikje veiliggesteld, gewaarmerkt en voorzien van SIN AAFS9969NL. Wij zagen op aanwijzingen van de politie ter plaatse dat er op de openbare weg (Aquamarijnstraat) aan de overzijde van de parkeerplaats op het trottoir een hoeveelheid geld lag in de vorm van bankbiljetten en muntgeld. Wij zagen dat er tevens een plastic bak en een portemonnee lag. Wij zagen dat er op het trottoir een fluim (speeksel) lag nabij het aangetroffen geld. Gezien de vriestemperatuur (ongeveer -5 graden Celsius) die nacht werd door ons aangenomen dat het om een recentelijk biologisch spoor ging. Dit speeksel was namelijk niet bevroren. Ik, verbalisant [verbalisant 5] , heb het speeksel bemonsterd, veiliggesteld, gewaarmerkt en voorzien van SIN AAFS9964NL.

Door mij, [verbalisant 5] , werden de blikjes aan de drinkrand bemonsterd voor biologische sporen (speeksel). Deze bemonsteringen werden door mij veilig gesteld, gewaarmerkt en voorzien van SIN:

AAFS9968NL Bemonstering blikje SIN AAFS9967NL

AAFS9970NL Bemonstering blikje SIN AAFS9969NL.

Uit het rapport van het NFI d.d. 29 maart 2013 blijkt dat zowel wat betreft de fluim met SIN AAFS9964NL als wat betreft het blikje met SIN AAFS9970NL sprake is van een DNA-match met het DNA-profiel van medeverdachte [medeverdachte 2] , met een matchkans kleiner dan een op een miljard (pagina 334).

Uit het rapport van het NFI d.d. 4 juli 2013 blijkt dat wat betreft het blikje met SIN AAFS9968NL sprake is van een DNA-match met het DNA-profiel van [verbalisant 3] , met een matchkans kleiner dan een op een miljard (pagina’s 406 en 407).

Verder neemt de rechtbank de volgende verklaringen in aanmerking.

De verklaring van [getuige 1] ten overstaan van de politie van 4 oktober 2013, voor zover inhoudende (pagina 391):

[verdachte] heeft mij wel eens ooit verteld over een frietzaak die ze overvallen hadden. [verdachte] vertelde mij dat ze toen in de bosjes lagen te wachten tot er iemand open deed. [verdachte] vertelde dat de deur open ging. [verdachte] vertelde dat er iemand naar buiten kwam en dat ze de frietzaak hadden overvallen. Ik weet alleen dat [verdachte] vertelde dat ze weg waren gerend en dat het kleingeld toen viel. Ik weet dat hij zei dat hij met iemand was. De naam heeft hij mij niet verteld.

In zijn verklaring van 19 september 2013 geeft [getuige 1] nog het volgende aan (pagina 382): Ik weet nog dat [verdachte] mij vertelde dat hij tijdens een overval op een frietzaak geld had laten vallen, dat hij samen was met een ander en dat die ander zei dat hij door moest rennen.

De verklaring van [medeverdachte 1] ten overstaan van de politie van 23 februari 2013, voor zover inhoudende (pagina’s 171 tot en met 173):

De overval op [benadeelde 1] is gepleegd door [medeverdachte 2] en [verdachte] waarvan ik de achternaam niet weet. [verdachte] woont in Helmond.

[medeverdachte 2] had er al vaker met mij over gehad dat hij [benadeelde 1] wilde overvallen of dat hij daar in wilde breken. [medeverdachte 2] heeft ook bij [benadeelde 1] gewerkt in de zaal achter. Hij heeft ook wel eens met mij in de keuken een sigaretje gerookt en de kluis staat daar net om de hoek. Als je in de keuken staat en de deur van die ruimte staat open, dan kun je die kluis zien. [medeverdachte 2] heeft in november/december 2012 bij [benadeelde 1] gewerkt. [medeverdachte 2] heeft mij zelf verteld dat hij de overval op [benadeelde 1] heeft gepleegd. Dat was volgens mij na oud en nieuw bij hem thuis. Hij zei dat ze eerst een paar keer langs de zaak waren gelopen. Toen waren ze bij de nooduitgang en wilden aankloppen, maar daar kwam toen personeel uit. [medeverdachte 2] zei dat ze toen nog vlug weg hadden kunnen glippen. Een tijdje later waren ze weer naar de nooduitgang gegaan en toen had [benadeelde 2] open gedaan. [medeverdachte 2] vertelde mij ook dat [benadeelde 2] eerst dacht dat de overval een grapje was. [medeverdachte 2] vertelde mij dat [benadeelde 2] toen was geslagen met de achterkant van het geweer en dat [benadeelde 2] toen wist dat het menens was. [medeverdachte 2] heeft mij niet verteld wie van hun [benadeelde 2] had geslagen. [medeverdachte 2] vertelde dat ze naar de keuken waren gegaan, dat ze geld buit hadden gemaakt, dat [verdachte] buiten nog geld had laten vallen. [medeverdachte 2] vertelde dat [verdachte] dat geld nog op wilde rapen, maar dat hij tegen [verdachte] had gezegd dat die op moest schieten en toen had [verdachte] dat geld laten liggen.

In het begin van het gesprek, toen ik aan [medeverdachte 2] vroeg wie die andere overvaller was, deed hij daar nog heel geheimzinnig over, maar later in het gesprek vertelde hij mij dat [verdachte] de andere overvaller was.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voornoemde bewijsmiddelen, in samenhang en in onderling verband bezien, het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen. Aangever spreekt van twee mannen die hem hebben overvallen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van het bekijken van de camerabeelden blijkt dat twee mannen met op vuurwapens gelijkende voorwerpen aangever hebben bedreigd, geslagen en geduwd. Voorts hebben zij hem gedwongen de kluis te openen, waarna zij met het geld zijn gevlucht. Op de vluchtroute is een deel van de buit aangetroffen, alsook de gestolen zwarte portemonnee van aangever, afkomstig uit de kassalade. In de directe omgeving van friture [benadeelde 1] zijn twee blikjes energiedrink aangetroffen, waarvan de bemonstering matcht met het DNA-profiel van de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 2] . Voorts is een fluim aangetroffen nabij de plek op de vluchtroute waar de portemonnee en een deel van de buit is aangetroffen. Van deze fluim is vastgesteld dat deze eveneens matcht met het DNA-profiel van verdachte [medeverdachte 2] . Daarbij komt dat de telefoon die in gebruik is bij [verdachte] kort voor, ten tijde van en kort na de overval rond 04.30 uur een zendmast heeft aangestraald die correspondeert met de locatie van de overval. Verder hebben twee personen, onafhankelijk van elkaar, ofwel beide namen (verklaring [medeverdachte 1] ) ofwel een van beide namen (verklaring [getuige 1] ) genoemd als daders van de overval.

Uit de bewijsmiddelen en met name gelet op de bevindingen ten aanzien van de camerabeelden is gebleken dat de twee verdachten zodanig nauw en bewust hebben samengewerkt dat gesproken kan worden van medeplegen.

II. Bijzondere overwegingen

Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 1] .

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verklaring van [medeverdachte 1] zodanig onbetrouwbaar is, dat deze niet kan worden gebruikt voor het bewijs in deze zaak. De raadsman voert in dit verband onder meer aan dat [medeverdachte 1] [verdachte] als dader aanwijst vanwege zijn ‘loopje’, terwijl [medeverdachte 1] juist vast zit vanwege de herkenning van zijn eigen loopje en voorts dat [medeverdachte 1] tegenstrijdig/wisselend verklaart: zo verklaart hij in zijn eerste verklaring dat die jongens hem niets zeggen (pagina 168) en vervolgens zou [medeverdachte 2] hem alles hebben gezegd (pagina 173) en verklaart hij eerst dat [medeverdachte 2] hem niet heeft verteld wie geslagen heeft (pagina 173) en vervolgens dat [medeverdachte 2] hem heeft verteld waarom hij [benadeelde 2] heeft geslagen (pagina 180).

De rechtbank is van oordeel dat het verweer van de raadsman niet slaagt en dat de verklaring van [medeverdachte 1] betrouwbaar kan worden geacht. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij ten tijde van de overval in Roermond is geweest. Deze verklaring van [medeverdachte 1] vindt bevestiging in de verklaring van [getuige 2] , in samenhang gelezen met de verklaring van de vader van [getuige 3] . [getuige 2] heeft immers bij de politie verklaard dat [medeverdachte 1] net voor kerst 2012 met de trein naar Roermond zou komen en dat ze [medeverdachte 1] rond 21.30 uur op het station in Roermond heeft opgehaald. Zij heeft tevens verklaard dat [medeverdachte 1] vervolgens twee á drie dagen bij haar heeft gelogeerd. Voorts heeft ze verklaard dat zij die nacht met [medeverdachte 1] naar de woning van [getuige 3] en [getuige 4] zijn geweest en dat de vader van [getuige 3] de dag daarop een nieuwe simkaart voor de telefoon van [getuige 3] heeft gebracht en aan [getuige 4] heeft afgegeven, omdat zij en [getuige 3] toen even weg waren (pagina’s 404 tot en met 406). Uit de verklaring van de vader van [getuige 3] volgt dat dit moet zijn geweest op 12 en 13 december 2012. De vader van [getuige 3] heeft immers verklaard dat hij op

12 december 2012 een telefoonkaartje voor [getuige 3] had gekocht en dat hij dit kaartje op

13 december 2012 tussen 18.00 uur en 19.00 uur naar de woning van zijn dochter aan de Keulsebaan in Roermond had gebracht en heeft afgegeven aan [getuige 4] , de huisgenoot van [getuige 3] (pagina’s 152A en 152B).

Daarbij komt dat uit afgeluisterde telefoongesprekken van [medeverdachte 1] onder meer blijkt dat [medeverdachte 1] kennelijk verbaasd is dat hij als verdachte wordt aangemerkt voor de overval op [benadeelde 1] en dat [medeverdachte 1] consequent ontkent dat hij deze overval heeft gepleegd (gesprek 23/12/2012, pagina’s 275 en 276; zie ook het facebookgesprek op 10 januari 2013, pagina 192). [medeverdachte 1] erkent in een facebookgesprek op 13 februari 2013 wel dat hij eerder geld uit de broek van [benadeelde 1] heeft gestolen (pagina’s 192 en 193). Ook heeft [medeverdachte 1] in afgeluisterde telefoongesprekken vanuit de P.I. aangegeven dat [verbalisant 3] tegenover hem heeft toegegeven de overval op [benadeelde 1] te hebben begaan (gesprekken 23/05/13 te 9.19 en 9.14 uur, pagina’s 371 en 372). Dat [medeverdachte 1] op dat moment weet heeft van het feit dat hij wordt afgeluisterd acht de rechtbank niet aannemelijk, temeer nu hij over de telefoon bedreigingen uit richting zijn toenmalige vriendin [betrokkene 3] (gesprek 20/08/13 om 13.18 uur, gesprek 18/06/13 te 15.11 uur en gesprek 16/05/13 te 21.03 uur, zie pagina’s 356, 363/364 en 373).

De gestelde tegenstrijdigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank verder niet van dien aard dat de verklaring onbetrouwbaar moet worden geacht.

Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat de verklaring van [medeverdachte 1] steun vindt in de overige bewijsmiddelen.

Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1] .

De rechtbank acht de verklaring van [getuige 1] betrouwbaar nu deze getuige ook zichzelf heeft belast in het onderzoek ‘Goudtetra’. Dat hij eerst heeft verklaard dat [verdachte] na de overval op [benadeelde 1] muntgeld heeft laten vallen (pagina 382) en dat hij later heeft verklaard dat de andere jongen, waarmee [verdachte] de overval heeft gepleegd, het kleingeld heeft laten vallen (pagina 391), maakt dit niet anders. Feit blijft immers dat volgens deze getuige twee personen, waaronder in ieder geval [verdachte] , de overval op [benadeelde 1] hebben gepleegd en dat zij na de overval op de vluchtroute muntgeld hebben laten vallen. Dat strookt met de technische bevindingen in het onderzoek, te weten het aantreffen van de zwarte portemonnee en het muntgeld door [verbalisant 2] en diensthond “Cash” op de mogelijke vluchtroute kort na de overval. Ook de bevindingen omtrent de verkeersgegevens van de telefoon die in gebruik was bij [verbalisant 3] wijzen in die richting.

Ten aanzien van het DNA-bewijs.

De verdediging heeft aangevoerd dat niet duidelijk is waar het blikje is aangetroffen, terwijl het ook om verplaatsbaar DNA-materiaal gaat.

De rechtbank overweegt dat het bewuste DNA-materiaal is aangetroffen in de directe omgeving van de plaats van het delict en nabij de plaats waar de van de overval afkomstige portemonnee en buit zijn aangetroffen, zoals volgt uit voornoemd proces-verbaal sporenonderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de DNA-match met de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 2] ondersteunende bewijswaarde ten opzicht van de overige hiervoor opgenomen bewijsmiddelen.

III. Conclusie

Gelet op al het vorenoverwogene acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 2] de ten laste gelegde overval heeft gepleegd.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 13 december 2012 te Helmond, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee en een hoeveelheid geld (ongeveer 2858 euro), toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 1] , welke diefstal werd vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en zijn mededader:

- die [benadeelde 1] twee op vuurwapens gelijkende voorwerpen hebben getoond en

- die [benadeelde 1] met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op diens hoofd heeft geslagen en

- hebben geroepen "geld" en

- die [benadeelde 1] onder voornoemde dreiging hebben gedwongen de kluis te openen en

- die [benadeelde 1] tegen de grond hebben geduwd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van het voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en heeft zich niet uitgelaten over een eventueel op te leggen straf.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een gewapende roofoverval op [benadeelde 1] .

Een overval, zeker wanneer daarbij geweld wordt gebruikt, is voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring waar zij nog jarenlang last van kunnen hebben. Overvallen leiden bovendien tot gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving. Verdachte heeft met die gevoelens geen rekening gehouden toen hij besloot op een gewelddadige manier snel aan geld te willen komen.

Het gewelddadig karakter van het door verdachte gepleegde strafbare feit laat zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om samen met een ander geweld tegen andere mensen te gebruiken. Verdachte heeft zich bij zijn strafbaar handelen niet bekommerd om de gevolgen.

De rechtbank houdt verder rekening met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De redelijke termijn.

De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM vangt aan op het moment dat vanwege de overheid jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn in deze zaak is aangevangen op 15 mei 2013. Verdachte is op die datum door de politie verhoord over de onderhavige strafzaak en hij heeft -gelet op de inhoud van dit verhoor- hieraan in redelijkheid de verwachting kunnen ontlenen dat hij tegen hem ter zake een strafvervolging zou worden ingesteld door het openbaar ministerie. Het eindproces-verbaal was gereed op 27 juni 2013. Op verzoek van de verdediging in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 1] zijn op 30 juli 2013 diverse getuigen gehoord. Nadien zijn nog stukken uit een ander strafrechtelijk onderzoek toegevoegd (op

17 oktober 2013), evenals stukken in onderhavig onderzoek, laatstelijk een proces-verbaal van 27 augustus 2015, dat evenwel kennelijk een weergave betrof van reeds bij emailbericht van 21 augustus 2013, derhalve ruim twee jaar eerder, gegeven antwoorden. De uitspraak in deze zaak is van 17 februari 2016. In totaal zijn derhalve twee jaar en ruim negen maanden verstreken sinds het moment dat verdachte mocht en kon vermoeden dat hij voor de onderhavige zaak zou worden vervolgd. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een langere termijn dan twee jaar zou moeten worden gehanteerd is in casu niet gebleken, zodat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim negen maanden. De rechtbank zal dit compenseren en zal daarom een korting toepassen van drie maanden op de op te leggen gevangenisstraf.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden zal opleggen in plaats van 39 maanden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De vordering van de benadeelde partij kan hoofdelijk worden toegewezen tot een bedrag van 250 euro, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Het overig gevorderde dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat die gevorderde schade niet nader is onderbouwd.

Het standpunt van de verdediging.

De vordering van de benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat de verdediging vrijspraak heeft bepleit.

Beoordeling. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de gevorderde materiële schade van € 250,00 (eigen risico van de verzekering bij Interpolis).

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren ten aanzien van de overig gevorderde materiële schade (eigen risico van de zorgverzekering), aangezien de bewijstukken thans ontbreken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van (dit deel van) de vordering, mede gelet op de ouderdom van de zaak, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 36f, 63, 310, 312

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

diefstal vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel.

Gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 250,00 subsidiair 5 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] van een bedrag van EUR 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 250,00 materiële schade (post: eigen risico verzekering Interpolis).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van een bedrag van EUR 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro), te weten EUR 250,00 materiële schade (post: eigen risico verzekering Interpolis).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering (post: eigen risico zorgverzekering, EUR 350,00) niet ontvankelijk is.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Senden, voorzitter,

mr. L.G.J.M. van Ekert en mr. J.M.J. Denie, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken op 17 februari 2016.

mr. J.M.J. Denie is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, Gezamenlijke Recherche Peelland, genummerd PL2233 2012182528, ‘Onderzoek Windsteur’, afgesloten d.d. 27 juni 2013, aantal doorgenummerde pagina’s: 428. De rechtbank merkt in dit verband op dat tot p. 408 de nummering doorloopt en vanaf p. 409, zijnde een aan officier van justitie Zwiers gerichte brief d.d. 1 augustus 2013 met als bijlage een proces-verbaal inzake de resultaten van het DNA-onderzoek inzake [verdachte] met een kopie van het NFI-rapport ter zake d.d. 4 juni 2013, de paginanummering terugloopt tot p. 405. De daarop volgende pagina is genummerd p. 428 en betreft een brief van de rechter-commissaris d.d. 26 juni 2013 inzake de te houden verhoren op 30 juli 2013.