Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:5753

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-10-2016
Datum publicatie
26-10-2016
Zaaknummer
16_1228
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoeker wenst schadevergoeding wegens onrechtmatig besluit tot opleggen van alcoholslotprogramma. Immateriële schade afgewezen, materiële schade voor een klein deel toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/1228

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 oktober 2016 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. T. Deckwitz),

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR), verweerder

(gemachtigde: drs. M.M. van Dongen).

Procesverloop

Bij brief van 6 november 2015 heeft verzoeker verweerder schriftelijk verzocht om vergoeding van door hem beweerdelijk geleden schade (€ 5.994,91) ten gevolge van een besluit van verweerder van 23 januari 2014.

Bij brief van 20 januari 2016 heeft verweerder beslist dat € 2.102,08 wordt vergoed en de overige geclaimde schadeposten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Verzoeker heeft op 11 april 2016 een verzoekschrift ex artikel 8:90 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend, ertoe strekkende verweerder te veroordelen tot een schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2016. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij besluit van 23 januari 2014 heeft verweerder het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard en is aan hem een alcoholslotprogramma (hierna: asp) opgelegd. Bij besluit van 28 mei 2014 heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard. Daar heeft verzoeker beroep tegen ingesteld. Bij besluit van 29 april 2015 heeft verweerder het besluit van 28 mei 2014 en het besluit van 23 januari 2014 ingetrokken, vanwege een wijziging in de jurisprudentie (uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:622). Bij uitspraak van 17 juli 2015 heeft de rechtbank verweerder veroordeeld in de door verzoeker gemaakte proceskosten en bepaald dat het griffierecht moest worden vergoed.

2. Verzoeker vraagt, in verband met het feit dat het opleggen van het asp onrechtmatig is geweest, om vergoeding van de volgende schadeposten:

- € 1.546,– voor het opnieuw inbouwen van het alcoholslot;

- € 157,– voor het laten uitlezen van het asp;

- € 342,43 voor het opnieuw inschrijven voor de bij het asp behorende cursus;

- € 1.000,– voor de immateriële schade die verzoeker heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige besluitvorming;

- € 143,– voor de kosten van de eigen bijdrage die verzoeker heeft moeten maken voor juridische bijstand bij het verzoek om schadevergoeding;

- de wettelijke rente over bovengenoemde posten.

Ter zitting heeft verzoeker meegedeeld dat hij de post van € 143,– voor de kosten van de eigen bijdrage laat vallen.

3. Bij de toepassing van artikel 8:88 van de Awb dient de rechtbank, voor beantwoording van de vraag of en in welke omvang de schade die een partij lijdt voor vergoeding in aanmerking komt, zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij het civiele schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek (BW), vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit of het onrechtmatig nalaten een besluit te nemen. Alleen schadeposten die aan het bestuursorgaan – mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en schade – als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend, komen voor vergoeding in aanmerking. De schadevergoeding moet de schuldeiser zoveel mogelijk in de toestand brengen waarin hij zou verkeren als het schadeveroorzakende feit zich niet zou hebben voorgedaan. Het is aan de verzoeker om de gestelde schade op objectieve en controleerbare wijze aannemelijk te maken.

4. Dat de besluiten van 23 januari 2014 en 28 mei 2014 jegens verzoeker onrechtmatig zijn, dat de onrechtmatigheid aan verweerder kan worden toegerekend en dat verzoeker door de onrechtmatige besluitvorming schade heeft geleden, is niet in geschil. De omvang van de schade is wel in geschil. Een deel van de geleden schade heeft verweerder al vergoed. De rechtbank zal de resterende, in het verzoekschrift benoemde schadeposten beoordelen.

€ 1.546,– voor het opnieuw inbouwen van het alcoholslot na diefstal

5. Het alcoholslot was ingebouwd in de auto van een vriend van verzoeker omdat hij zelf geen auto had. Toen die auto werd gestolen, heeft verzoeker na telefonisch contact met verweerder een bewijs van aangifte van diefstal aan verweerder toegezonden. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 20 januari 2015 verzoeker tot uiterlijk 21 maart 2015 in de gelegenheid gesteld voor een vervangend voertuig met alcoholslot te zorgen. Naar aanleiding van de gewijzigde Afdelingsjurisprudentie heeft verzoeker op 4 maart 2015 gevraagd om vooralsnog geen alcoholslot te hoeven inbouwen. Verweerder heeft gezegd dat verzoeker het alcoholslot gewoon moest laten inbouwen; dat heeft hij vervolgens ook gedaan. Verzoeker vindt dat de kosten hiervan moeten worden vergoed, omdat verweerder hem in weerwil van de gewijzigde jurisprudentie heeft aangeraden het alcoholslot opnieuw te laten inbouwen.

6. De rechtbank oordeelt over deze schadepost als volgt. Verweerder heeft (voor het eerst) ter zitting gesteld dat de post niet kan worden vergoed, omdat de € 1.546,– die bij verzoeker in rekening is gebracht niet ziet op de kosten voor het opnieuw inbouwen van het alcoholslot, maar op de kosten die zijn gemoeid met het verlies (de diefstal) van het oude slot. Die stelling volgt de rechtbank niet, nu in de als productie 13 bij het beroepschrift overgelegde e-mail van Dräger (het bedrijf dat het alcoholslot levert) aan verzoeker van 13 maart 2015 is vermeld dat de kosten voor het opnieuw inbouwen van het alcoholslot € 1.546,– bedragen.

7. Toch komt de schadepost niet voor vergoeding in aanmerking. Dat heeft te maken met het volgende. Verzoeker heeft de verzekering die hij aanvankelijk voor het alcoholslot had afgesloten, opgezegd, naar zijn zeggen om kosten te besparen. Als gevolg daarvan is het alcoholslot na de diefstal niet door de verzekeringsmaatschappij vergoed. Dat is een omstandigheid die voor verzoekers rekening en risico komt. Van hem mocht worden verwacht dat hij zelfstandig alle schadebeperkende maatregelen neemt die in redelijkheid van hem kunnen worden verwacht; daaronder valt naar het oordeel van de rechtbank het afsluiten van een verzekering die diefstal dekt.

8. Het feit dat verweerder nadat de jurisprudentie was gewijzigd, telefonisch aan verzoeker heeft medegedeeld dat hij het alcoholslot opnieuw moest laten inbouwen, maakt dit niet anders. Verweerder wijst er terecht op dat de Afdeling in de asp-uitspraken van 4, 11 en 18 maart 2015 niet de primaire besluiten heeft herroepen en de ruimte heeft gelaten voor wijziging van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. Op het moment van de mededeling aan verzoeker was dus nog niet duidelijk wat het precieze gevolg zou zijn van de jurisprudentie; er was op dat moment nog geen antwoord op de vraag of het asp al dan niet in een andere vorm zou worden voortgezet. Het kan verweerder dan ook niet worden verweten dat hij verzoeker op dat moment aanraadde om het alcoholslot opnieuw in te laten bouwen.

€ 157,– voor het laten uitlezen van het asp

9. Ter zitting heeft verzoeker een overzicht van zijn banktransacties (verkregen via internetbankieren) overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat driemaal € 78,50 is betaald voor het laten uitlezen van het asp en niet, zoals verweerder heeft aangenomen, slechts eenmaal. Verweerder heeft die stelling niet anders betwist dan door te stellen dat het er geloofwaardig uitziet, maar niet strookt met dat Dräger hem heeft gemeld dat er slechts eenmaal € 78,50 is ontvangen. Met die betwisting worden de onmiskenbaar op de uitdraai van de banktransacties vermelde overschrijvingen niet voldoende gemotiveerd weersproken. De schadepost kom daarom voor toewijzing in aanmerking.

€ 342,43 voor het opnieuw inschrijven voor de bij het asp behorende cursus

10. Verzoeker heeft de eerste cursusdag gemist omdat hij was vergeten dat hij ernaartoe moest. Hij heeft zich daardoor opnieuw moeten inschrijven voor de cursus. Hij stelt dat als het asp niet aan hem was opgelegd, hij niet aan de cursus had hoeven deelnemen. Volgens hem staan de kosten voor het opnieuw inschrijven voor de cursus in voldoende rechtstreeks verband tot het onrechtmatige besluit. Dat het opnieuw inschrijven voor de cursus een gevolg is van het niet verschijnen van verzoeker op de eerste cursusdag, doet daaraan volgens hem niet af.

11. De rechtbank volgt verzoeker daarin niet. De kosten voor verplichte deelname aan de driedaagse motivatiecursus waren verdisconteerd in de uitvoeringskosten. Dat verzoeker nu apart opnieuw heeft moeten betalen voor deelname, is geen rechtstreeks gevolg van de besluitvorming tot opleggen van het asp, maar van onoplettendheid van verzoeker. De schadepost komt niet voor vergoeding in aanmerking.

€ 1.000,– voor immateriële schade

12. Verzoeker stelt dat hij door het onrechtmatige besluit in zijn eer en goede naam is aangetast. Het alcoholslot werkte stigmatiserend. Voor passagiers van verzoeker en voor zijn directe omgeving was door de aanwezigheid van het alcoholslot direct duidelijk dat hij als een gevaar op de weg moest worden gezien. Hij werd door zijn vrienden beschimpt en [bijnaam] genoemd. Verder heeft hij door de hoge kosten die met het alcoholslot gemoeid waren, vaak geld moeten lenen bij vrienden en kennissen. Ook daardoor voelt hij zich in zijn eer en goede naam aangetast. Hij heeft overwogen om bij een psycholoog te rade te gaan met zijn klachten, maar kon dat niet betalen. Wel heeft hij kalmeringstabletten via de apotheek verkregen.

13. De rechtbank is van oordeel dat deze schadepost niet voor vergoeding in aanmerking komt. Verzoeker heeft niet op enigerlei wijze onderbouwd en daardoor niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van de onrechtmatige besluitvorming zo heeft geleden dat hij in zijn eer of goede naam dan wel op andere wijze in zijn persoon is aangetast, terwijl dat wel op zijn weg ligt (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 9 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM7113 en 14 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:758). Ter zitting heeft verzoekers gemachtigde betoogd dat een parallel moet worden getrokken met de vordering benadeelde partij die in het strafproces kan worden ingediend en waarbij volgens hem geen onderbouwing nodig is bij eenvoudig vast te stellen schade waarvan vanzelfsprekend is dat die intreedt nadat iemand slachtoffer is geworden van een delict. Wat daar verder ook van zij, de rechtbank is van oordeel dat ook een eenvoudig vast te stellen schadepost op verifieerbare en objectieve wijze moet worden onderbouwd. Het is in dit geval gebleven bij blote stellingen en dat is onvoldoende.

14. Het verzoek wordt dus toegewezen tot een bedrag van € 157,– (zie rechtsoverweging 9). Ook de wettelijke rente over dat bedrag is toewijsbaar (artikel 6:119 en 6:120 van het BW). Omdat het verzoek wordt toegewezen, zal de rechtbank bepalen dat verweerder het griffierecht en de door verzoeker gemaakte proceskosten aan hem vergoedt. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,– (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,– en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 157,–, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 78,50 vanaf 2 september 2015 en de wettelijke rente over € 78,50 vanaf 15 september 2015, beide tot aan de dag der voldoening;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,– aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 992,–, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. J. Lie, voorzitter, en mr. J. Heijerman en

mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van mr. F.A.M.C. Habraken-Hermans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.