Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:569

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-02-2016
Datum publicatie
15-02-2016
Zaaknummer
01/879590-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ten aanzien verdachte is bewezen verklaard dat hij zich aan negen bedrijfsinbraken en één poging daartoe schuldig heeft gemaakt. Voor het bewijs daarvan heeft de rechtbank van schakelbewijs gebruik gemaakt. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 32 maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2016/93
PS-Updates.nl 2016-0298
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879590-14

Datum uitspraak: 15 februari 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1993] ,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 januari 2016, 25 januari 2016 en 1 februari 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 27 oktober 2014. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 8 mei 2015 is aangepast conform het bepaalde bij artikel 314a Sv. is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 21 juli 2014 te Bergeijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een winkel (te weten een filiaal van [bedrijf 1] ) gelegen aan [adres 2] te Bergeijk,

heeft weggenomen een hoeveelheid sigaretten, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn/ hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming;

2. hij op of omstreeks 23 juli 2014 te Budel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een winkel (te weten een filiaal van [bedrijf 1] ) gelegen aan [adres 3] te Budel, heeft weggenomen een hoeveelheid sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2] en/of [bedrijf 1] Budel, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn/ hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming;

3. hij op of omstreeks 24 juli 2014 te Budel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkel (te weten [bedrijf 2] ), gelegen aan [adres 4] te Budel, weg te nemen goederen/geld, in elk geval wat van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), en zich daarbij de toegang tot voornoemde winkel te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen/geld onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn/haar mededader(s), althans alleen, te weten door het ingooien/inslaan van (een) ruit(en) van voornoemde winkel, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4. hij op of omstreeks 29 juli 2014 te Eindhoven, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkel (te weten een filiaal van [bedrijf 3] ), gelegen aan [adres 5] te Eindhoven, weg te nemen goederen/geld, in elk geval wat van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), en zich daarbij de toegang tot voornoemde winkel te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen/geld onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn/haar mededader(s), althans alleen, te weten door het slaan op (een) ruit(en) en/of deur(en) van voornoemde winkel, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5. hij op of omstreeks 29 juli 2014 en/of 30 juli 2014 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een winkel (te weten een filiaal van [bedrijf 4] ) gelegen aan [adres 6] te Eindhoven, heeft weggenomen een hoeveelheid sigaretten, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 4] en/of [bedrijf 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn/ hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming;

6. hij op of omstreeks 24 februari 2014 te Deurne, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een winkel (te weten [bedrijf 5] ) gelegen aan [adres 7] te Deurne,

heeft weggenomen een hoeveelheid sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn/ hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming;

7. hij op of omstreeks 10 maart 2014 te Oss, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een winkel (te weten [bedrijf 6] ) gelegen aan de [adres 8] te Oss,

heeft weggenomen een hoeveelheid sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 14] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn/ hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming;

8. hij op of omstreeks 19 mei 2014 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een winkel (te weten een filiaal van [bedrijf 3] ) gelegen aan [adres 5] te Eindhoven, heeft weggenomen een hoeveelheid sigaretten, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 6] en/of [bedrijf 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn/ hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming;

9. hij op of omstreeks 20 juni 2014 te Eersel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een winkel (te weten een filiaal van [bedrijf 4] ) gelegen aan de [adres 9] te Eersel,

heeft weggenomen een hoeveelheid sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 7] en/of [bedrijf 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn/ hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming;

10. hij op of omstreeks 13 augustus 2014 te Geldermalsen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een winkel (te weten een filiaal van [bedrijf 3] ) gelegen aan [adres 10] te Geldermalsen, heeft weggenomen een hoeveelheid sigaretten, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 8] en/of [bedrijf 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn/ hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming;

11. hij op of omstreeks 05 juni 2014 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een winkel (te weten een filiaal van [bedrijf 3] ) gelegen aan [adres 11] te Eindhoven,

heeft weggenomen een hoeveelheid sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 9] en/of [bedrijf 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft

en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn/ hun bereik heeft / hebben gebracht

door middel van braak, verbreking en / of inklimming;

12. hij op of omstreeks 18 februari 2014 te Schijndel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een winkel (te weten [bedrijf 7] ) gelegen aan [adres 12] te Schijndel,

heeft weggenomen een hoeveelheid sigaretten en/of shag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 10] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn/ hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming;

13. hij op of omstreeks 30 mei 2014 te Budel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een winkel (te weten een filiaal van [bedrijf 3] ) gelegen aan de [adres 13]

te Budel, heeft weggenomen een hoeveelheid sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 11] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn/ hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming;

14. hij op of omstreeks 24 februari 2014 te Sint Michielsgestel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkel (te weten een filiaal van [bedrijf 8] ), gelegen aan [adres 14] te Sint Michielsgestel,

weg te nemen goederen/geld, in elk geval wat van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 12] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), en zich daarbij de toegang tot voornoemde winkel te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen/geld onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn/haar mededader(s), althans alleen, te weten door het ingooien/inslaan van (een) ruit(en) van voornoemde winkel, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

15. hij op of omstreeks 02 augustus 2014 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een winkel (te weten een filiaal van [bedrijf 4] ) gelegen aan het [adres 6] te Eindhoven, heeft weggenomen een hoeveelheid sigaretten, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 4] en/of [bedrijf 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn/ hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming;

16. hij op of omstreeks 19 juli 2014 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een winkel (te weten een filiaal van [bedrijf 4] ) gelegen aan [adres 5] te Eindhoven,

heeft weggenomen een hoeveelheid sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 13] en/of [bedrijf 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn/ hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsvraag

Inleiding.

Verdachte wordt beschuldigd van betrokkenheid bij 16 bedrijfsinbraken, waarvan drie zijn gestrand in de pogingfase. Bij de voltooide inbraken bestond de buit telkens uit een hoeveelheid sigaretten.

Het standpunt van de officier van justitie.

Bewezenverklaring van alle feiten.

Het standpunt van de verdediging.

Referte ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 10, 11 en 15.

Vrijspraak voor de overige feiten, waarbij de raadsvrouwe vraagtekens heeft geplaatst bij de stemherkenningen van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

Aan de beoordeling van het bewijs voorafgaande overwegingen

De aanleiding voor het opsporingsonderzoek dat uiteindelijk heeft geleid tot de strafzaak met de naam “Anzar” was gelegen in meerdere diefstallen door middel van braak in tabakszaken en benzinestations in de periode van januari tot en met maart 2014 waarbij

de gehanteerde werkwijze door de daders, alsmede hun signalementen en de door hen gebruikte voertuigen grote tot zeer grote overeenkomsten vertoonden. Wat betreft die werkwijze valt op dat de toegang tot de panden meestal werd verschaft door een ruit in te gooien met een tegel om vervolgens sigaretten c.q. tabaksartikelen in een laken, dekbedovertrek, hoes of bigbag/bigshopper mee te nemen.

De politie start vervolgens een – oriënterend – onderzoek naar deze en/of vergelijkbare delicten. In die periode – begin januari 2014 – komt ook betrouwbaar geachte TCI-info binnen die de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] in het verdachtenbankje plaatsen. Niet alleen worden deze verdachten daarin met naam genoemd, maar ook de in die informatie genoemde modus operandi komt overeen, te weten het verbreken van een raam en het meenemen van sigaretten in een meegenomen laken. Tevens wordt als gebruikt voertuig

een Volkswagen Polo genoemd.

Bij de start van het onderzoek Anzar beschikt de politie reeds over informatie die ziet op eerdere aanhoudingen c.q. onderzoeken waarin een aantal van de in het onderzoek Anzar terechtstaande verdachten een rol spelen. Zo werd de [medeverdachte 2] op 24 februari 2014 aangehouden in een Ford Ka ( [kenteken 1] ) met in de auto een hoeslaken gevuld met pakjes sigaretten, afkomstig van een even tevoren gepleegde inbraak in een tankstation te Deurne en werd op 10 maart 2014 in een op naam van de [medeverdachte 3] staande Ford Ka ( [kenteken 2] ) een dekbedovertrek aangetroffen met daarin 585 pakjes sigaretten (feit 1). Ook krijgt de politie op grond van informatie uit de politiesystemen het vermoeden dat tussen de in deze zaak terechtstaande verdachten relaties bestaan.

Al het vorenstaande is voor justitie aanleiding om het onderzoek Anzar op te starten. Er worden veel bijzondere opsporingsbevoegdheden toegepast. De historische verkeers-gegevens worden opgevraagd van telefoonnummers waarvan men vermoedt dat die van

de verdachten zijn, telefoontaps worden aangesloten en aangepast naar mate het onderzoek vordert en nieuwe nummers bekend worden. Ook worden de ARS-gegevens opgevraagd

ten aanzien van de kentekens van de tot dan toe bekende voertuigen. De verdachten [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] worden onder observatie genomen en er worden peilbakens geplaatst in de Volkswagen Polo ( [kenteken 3] ) en Volkswagen Golf ( [kenteken 4] ) die aan de verdachte [verdachte] kunnen worden toegeschreven en in de Ford Focus ( [kenteken 5] ) die aan [medeverdachte 2] kan worden toegeschreven. Ook wordt in de Volkswagen Golf en Polo vertrouwelijke communicatie opgenomen.

Alle onderzoeksresultaten tezamen leidt uiteindelijk tot de verdenking dat de verdachten, in wisselende samenstelling, zich aan een groot aantal inbraken c.q. pogingen daartoe hebben schuldig gemaakt. In totaal zouden er om en nabij de veertig delicten zijn gepleegd. Twintig delicten zijn uiteindelijk door het Openbaar Ministerie geselecteerd om door de rechtbank te worden beoordeeld. Daar waar de rechtbank zich hierna van feitelijke vaststellingen bedient en tot een bewezenverklaring van een delict komt, baseert zij zich op de bewijsmiddelen zoals die in de bijlage bij het vonnis zijn opgenomen.

Modus operandi

Uit de resultaten van het opsporingsonderzoek, zoals die zijn neergelegd in het eindproces-verbaal, kan in algemene zin en in grote lijnen de navolgende modus operandi worden gedestilleerd.

Voorafgaand aan de feitelijke inbraak vindt een voorverkenning plaats met behulp van een voertuig dat bij de verdachten in gebruik is. Hierbij wordt tevens gekeken naar de afstand

tot het dichtstbijzijnde politiebureau en naar een plek om een voertuig met daarin de buit achter te kunnen laten met het doel om deze weer op te halen als na de inbraak rondom de plaats delict de rust is teruggekeerd (‘koud zetten’). Merendeels wordt een voertuig (van verdachten) ‘koud’ gezet in de buurt van de plaats delict. Met een tweede voertuig (auto of scooter) wordt naar de plaats delict gereden, de toegang tot het pand wordt verschaft door het inslaan van een raam (meest met een stoeptegel), het pand wordt betreden en de aldaar aanwezige sigaretten worden in een dekbedovertrek/bigbag (indien nodig na het forceren van een aanwezig rolluik voor de kast met sigaretten) gedaan en vervolgens overgebracht naar het ‘koud gezette’ voertuig, waarna verdachten in het tweede (lege) voertuig wegrijden om vervolgens de buit de volgende dag op te halen. Bij enkele delicten is een persoon op de uitkijk gezet waarmee telefonisch contact werd onderhouden tijdens het plegen van de inbraak.

Niet ten aanzien van elk delict dat op de tenlastelegging is geplaatst kan aan de hand van de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat de hierboven gegeven beschrijving van de modus operandi daadwerkelijk geheel is gevolgd, maar dat laat onverlet dat elk tenlastegelegd delict in meer of mindere mate wel kenmerkende onderdelen daarvan vertoont. Dat zal hierna bij de bespreking van de afzonderlijke delicten blijken.

In verband met de hierboven beschreven modus operandi en het feit dat de daders van de in het opsporingsonderzoek onderzochte delicten overeenkomsten vertoonden wat betreft signalement en gebruikte voorwerpen/voertuigen zal de rechtbank daar nu eerst aandacht aan besteden.

Gebruikte voertuigen

Behalve de hierboven reeds genoemde Ford Ka’s ( [kenteken 1] en [kenteken 2] ) komen in het onderzoek Anzar een drietal andere voertuigen aan de orde: een Volkswagen Golf ( [kenteken 4] ), een Volkswagen Polo ( [kenteken 3] ) en een Ford Focus ( [kenteken 5] ).

Ten aanzien van de Volkswagen Golf [kenteken 4] kan op grond van de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat deze bij een aantal van de tenlastegelegde delicten een rol heeft gespeeld. Ook kan aan de hand van de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 4] meer dan de andere verdachten aan dit voertuig kunnen worden verbonden. De rechtbank wijst in dat verband in het bijzonder op de verklaring van [getuige 1] , de toenmalige vriendin van de verdachte [verdachte] , en de verklaring van [getuige 2] , welke verklaringen worden ondersteund door de tenaamstellingen van het desbetreffende voertuig en het feit dat [verdachte] tezamen met [medeverdachte 4] meermalen in dit voertuig is gesignaleerd. Beiden zijn als bestuurder van het voertuig waargenomen.

Dat de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 4] de Volkswagen Golf gebruiken en dat [verdachte] deze auto als van ‘hemzelf’ beschouwt, blijkt voorts uit de tot bewijs gebezigde tap- en OVC-gesprekken en uit een analyse van de bakengegevens in de periode van 13 mei 2014 tot en met 30 mei 2014, waaruit volgt dat deze auto in die periode bijna 50 maal bij of nabij de woning van de verdachte [verdachte] heeft gestaan en in veel mindere mate bij of nabij de woningen van de verdachten [medeverdachte 3] en de gebroeders [medeverdachte 4] .

De rechtbank kan op grond van de bewijsmiddelen niet meer vaststellen dan dat zowel [verdachte] als [medeverdachte 4] dit voertuig gebruikten in de periode waarin de tenlastegelegde delicten zijn gepleegd. Zij kan niet één van de verdachten met uitsluiting van de andere verdachten aan dit voertuig verbinden.

Ook wat betreft de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 3] kan op grond van de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat deze bij een aantal van de tenlastegelegde delicten een rol heeft gespeeld en dat dit voertuig vooral aan de verdachte [verdachte] kan worden toegeschreven. Deze auto staat vanaf 20 maart 2014 op naam van [verdachte] en hij wordt op 15 mei 2014 en 27 juni 2014 ook in deze auto waargenomen. De bakengegevens ondersteunen het toeschrijven van deze auto aan de verdachte [verdachte] : de Volkswagen Polo kan in de periode van 21 mei 2014 tot en met 3 juni 2014 circa zestig keer bij de woning van [verdachte] worden geplaatst ten opzichte van tien keer bij de woning van de gebroeders [medeverdachte 4] en slechts drie maal bij de woning van [medeverdachte 3] . Ten slotte moet nog worden gewezen op een OVC-gesprek dat in deze auto is opgenomen waarin [verdachte] zegt dat dit zijn tweede auto is.

Ook ten aanzien van dit voertuig kan de rechtbank de verdachte [verdachte] echter niet met uitsluiting van de andere verdachten aan dit voertuig verbinden.

De [medeverdachte 2] kan aan de hand van de bewijsmiddelen worden gekoppeld aan de bij een aantal delicten in beeld komende Ford Focus met kenteken [kenteken 5] . Dit voertuig staat vanaf 24 mei 2014 op zijn naam.

De inhoud van het strafdossier laat evenwel ruimte voor de mogelijkheid dat ook zijn broer [medeverdachte 4] en/of andere(n) van deze auto gebruik maakte(n). Ook hier geldt dus dat de rechtbank de [medeverdachte 2] niet met uitsluiting van een ander of anderen aan dit voertuig kan verbinden.

Overige overeenkomsten

Uit het strafdossier komt naar voren dat de daders van de in het onderzoek Anzar gepleegde snelkraken daarbij veelal gebruik maakten van dezelfde soort voorwerpen. Bij veel delicten zijn camerabeelden beschikbaar geweest. Deze camerabeelden zijn, op een enkele uitzondering na, steeds door de politie uitgekeken en beschreven in processen-verbaal van bevindingen. Daar waar overeenkomsten tussen de delicten konden worden vastgesteld, werden deze overeenkomsten beschreven in een afzonderlijk proces-verbaal van bevindingen. In deze processen-verbaal worden dan zogenaamde ‘stills’, een stilstaande afbeelding afkomstig van bewegende beelden, getoond en wordt door de politie uitgewerkt en beschreven waar de overeenkomsten tussen de bij een aantal van de gepleegde delicten gebruikte voorwerpen in schuilen.

De rechtbank concludeert aan de hand van de in het strafdossier neergelegde onderzoeksresultaten – in navolging van het onderzoeksteam – dat door de daders bij verschillende delicten gebruik is gemaakt van naar soort en uiterlijk bezien dezelfde voorwerpen. Met voorwerpen wordt in deze context gedoeld op zowel tijdens de delicten gedragen kleding als andere gebruikte voorwerpen. De rechtbank wijst – beperkt tot de tenlastegelegde delicten en zonder volledig te willen zijn – in dat verband onder meer op

de volgende kenmerkende overeenkomsten:

A)

Op camerabeelden van de inbraak op 30 juli 2014 bij de [bedrijf 4] in het winkelcentrum Woensel te Eindhoven (delict 5) is waar te nemen dat door de daders gebruik werd gemaakt van een zwart dekbedovertrek met een witte knoop waarin de sigaretten werden mee-genomen. Een zwart dekbedovertrek werd blijkens de camerabeelden ook gebruikt bij de inbraken op 13 augustus 2014 bij de [bedrijf 3] te Geldermalsen (delict 11) en op 5 juni 2014 bij de [bedrijf 3] aan [adres 11] te Eindhoven (delict 15).

Een zwart dekbedovertrek met witte drukknoopjes werd op 4 juli 2014 in de kofferbak van de Volkswagen Golf [kenteken 4] aangetroffen met de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 4] als inzittenden en een soortgelijk dekbed werd gevuld met sigaretten in beslag genomen op 13 augustus 2014 nadat het in de kofferbak van de Volkswagen Polo [kenteken 3] werd aangetroffen.

B)

Op camerabeelden van de inbraak op 30 juli 2014 bij de [bedrijf 4] in het winkelcentrum Woensel te Eindhoven (delict 5) is waar te nemen dat één van de daders een zwart vest met witte koorden en een witte rits draagt. Eén van de daders van de inbraak op 13 augustus 2014 bij de [bedrijf 3] te Geldermalsen (delict 11) droeg blijkens de camerabeelden een gelijk uitziend vest. Twee identieke vesten zijn aangetroffen in de Volkswagen Polo [kenteken 3] op 13 augustus 2014 en bij het onderzoek op 4 juli 2014 werd in de kofferbak van de Volkswagen Golf [kenteken 4] met de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 4] als inzittenden een zwart vest met witte veters aangetroffen.

C)

Op camerabeelden van de inbraak op 30 juli 2014 bij de [bedrijf 4] in het winkelcentrum Woensel te Eindhoven (delict 5) is waar te nemen dat beide daders wit/groene hand-schoenen dragen. Die wit/groene handschoenen komen terug bij andere snelkraken. Op

de camerabeelden van de inbraak op 30 mei 2014 bij de [bedrijf 3] aan [adres 13] te Budel (delict 21) is waar te nemen dat de twee daders wit/groene handschoenen dragen, bij de inbraak op 20 juni 2014 bij de [bedrijf 4] te Eersel (delict 9) is

op camerabeelden te zien dat één van de twee daders wit/groene handschoenen draagt en de camerabeelden van de inbraak op 30 augustus 2014 bij de [bedrijf 3] gelegen [adres 10] te Geldermalsen (delict 11) tonen één van de verdachten met wit/groene hand-schoenen. Op 13 augustus 2014 is in de Volkswagen Polo [kenteken 3] een set groene,

latex gecoate handschoenen aangetroffen.

D)

Op camerabeelden van de inbraak op 19 mei 2014 bij de [bedrijf 3] aan [adres 5] te Eindhoven (delict 8) is te zien dat door de verdachten gebruik werd gemaakt van een dekbedovertrek met lichtgrijs/blauwe en donkere vlakken/blokken. Een soortgelijk hoeslaken werd op 15 mei 2014 aangetroffen in de Volkswagen Polo [kenteken 3] en op 13 augustus 2014 in de woning van de gebroeders [medeverdachte 4] , terwijl een soortgelijk hoeslaken te zien is op de camerabeelden van de inbraak op 30 mei 2014 bij de [bedrijf 3] aan [adres 13] te Budel (delict 21).

E)

Op camerabeelden van de inbraak op 19 mei 2014 bij de [bedrijf 3] aan [adres 5] te Eindhoven (delict 8) is te zien dat door één van de verdachten een zwart petje wordt gedragen met op de linker voorkant een zilveren embleem/plaatje. In verband met de inbraak op 21 juli 2014 bij de [bedrijf 1] te Bergeijk (delict 1) is een dekbedovertrek aangetroffen gevuld met pakjes sigaretten en een zwart petje met een zilveren embleem/plaatje op de linker voorkant. Op de camerabeelden van de inbraak bij de [bedrijf 3] aan [adres 11] te Eindhoven op 5 juni 2014 (delict 15) is een dader waar te nemen die een zwart petje op had met op de linker voorkant een zilveren embleem/plaatje.

F)

Bij de inbraak op 13 augustus 2014 bij [bedrijf 9] aan [adres 15] te Eindhoven

(delict 12) werd door de dader gebruik gemaakt van een geblokte zak. Diezelfde dag werd in de Ford Focus [kenteken 5] een geblokte ‘bigbag’ aangetroffen met gestolen waar. Op de camerabeelden van de inbraak op 7 augustus 2014 in dezelfde winkel (delict 16) is te zien dat gebruik werd gemaakt van een geblokte zak.

De benadering van de bewijsvraag door de rechtbank

De rechtbank heeft in de eerste plaats tot taak om te beoordelen of één of meer van de tenlastegelegde delicten bewezen kunnen worden verklaard. Dat de tenlastegelegde snelkraken c.q. pogingen daartoe zich daadwerkelijk hebben afgespeeld en dat deze zich hebben toegedragen op de wijze zoals die uit de bewijsmiddelen naar voren komt,

wordt – met uitzondering van delict 4, waarover later meer – door niemand bestreden en staat ook voor de rechtbank genoegzaam vast. Waar het op aan komt is of vastgesteld kan worden dat één of meer van de verdachten, al dan niet tezamen met een of meer anderen, zich aan die delicten hebben schuldig gemaakt. Daderschap dus.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat in de zaken van de respectievelijke verdachten telkens integraal tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde delicten kan worden gekomen. Zij heeft daartoe in de kern bezien aangevoerd dat de delicten niet alleen op hun eigen merites moeten worden beoordeeld, maar dat ook het totale (bewijs)plaatje, zoals dat uit het onderzoek Anzar naar voren komt, bij de bewijsvraag moet worden betrokken.

De raadslieden van de verdachten hebben ten aanzien van een aantal delicten vrijspraak bepleit. Daar waar vrijspraak is bepleit, hebben zij in de kern hun verdediging gestoeld op het betoog dat het wettig bewijs voor die delicten te kort schiet. Daartoe is aangevoerd dat bij elk delict afzonderlijk moet worden beoordeeld of het voorhanden bewijs toereikend is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

De rechtbank merkt op dat het strafdossier noch het onderzoek ter terechtzitting ten aanzien van elk van de tenlastegelegde delicten steeds dezelfde mate van belastend bewijsmateriaal heeft bijgebracht. Indien de delicten steeds afzonderlijk zouden worden beschouwd constateert de rechtbank reeds nu dat ten aanzien van een aantal tenlastegelegde delicten het voorhanden bewijsmateriaal tekort schiet om daarop een bewezenverklaring te kunnen stoelen. Anderzijds zijn er naar het oordeel van de rechtbank ook een aanzienlijk aantal delicten waarbij die lat wel en in een aantal gevallen ook ruimschoots wordt gehaald en de rechtbank tot een bewezenverklaring komt.

De vraag waar de rechtbank zich naar aanleiding van het standpunt van de officier van justitie en van de verdediging voor gesteld ziet, is of zij de redengevende feiten en omstandigheden voor één of meer van de delicten die de rechtbank op basis van voldoende wettig bewijs en verkregen overtuiging bewezen acht, mede redengevend mag en kan achten en tot het bewijs mag en kan bezigen voor de delicten waar, indien afzonderlijk bezien, te weinig bewijs voor aanwezig zou zijn geweest. Op zichzelf staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van de bewijsvraag voor die laatstbedoelde delicten mede wordt betrokken dat de feitelijke gang van zaken ten aanzien van deze feiten, waaronder begrepen de context waarbinnen zij zich hebben toegedragen en de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertonen met de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de delicten waar wel voldoende bewijs voor aanwezig is.

Een voorwaarde voor de toepassing van deze constructie ten laste van de verdachte is evenwel ook dat het handelen van de verdachte bij de verschillende feiten telkens op essentiële punten overeenkomsten vertoont. De verdachte moet dan wel geïndividualiseerd kunnen worden. Anders gezegd en toegepast op de onderhavige zaak, slechts als aan het vorenstaande wordt voldaan én als kan worden vastgesteld dat een van de verdachten met uitsluiting van de andere verdachten als dader van een van de delicten kan worden geïndividualiseerd, zou op grond van de overeenkomstigheid in handelen door de verdachte schakelbewijs toepassing kunnen vinden.

De tenlastelegging in de zaken van de verdachten is gestoeld op het verwijt van het telkens (mede)plegen (en in de zaak contra [getuige 2] op medeplegen en medeplichtigheid) van afzonderlijke inbraken en niet op deelname aan een samenwerkingsverband gericht op het plegen van deze inbraken. Gelet op de wijze waarop de tenlastelegging in de zaken van de verdachten is geredigeerd, dient de rechtbank dus telkens per delict het daderschap van de verdachte(n) te bewijzen. In dat verband doet de moeilijkheid zich voor dat op grond van het dossier niet anders kan worden vastgesteld dan dat de verdachten:

-in wisselende samenstelling hebben geopereerd, hetgeen blijkt uit het feit dat niet telkens

dezelfde samenstelling van verdachten naar voren komt bij een delict;

-in wisselende samenstelling gebruik hebben gemaakt van de in het onderzoek Anzar naar

voren gekomen voertuigen, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat de verdachten niet

telkens in dezelfde samenstelling in een voertuig worden gesignaleerd, beluisterd of

aangetroffen en

-in wisselende samenstelling gebruik hebben gemaakt van de bij de snelkraken gebruikte

voorwerpen en kleding, hetgeen blijkt uit het feit dat wisselende samenstellingen van

verdachten naar voren komen bij sommige delicten, terwijl wél van dezelfde voorwerpen en

kleding gebruik lijkt te worden gemaakt;

-bij geen enkel delict op basis van hun gelaat/uiterlijk herkenbaar in beeld zijn geweest.

Al het vorenstaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat bij de delicten waarbij feitelijk niet meer bewijs voorhanden is dan dat de modus operandi, gebruikte voertuigen en/of gebruikte voorwerpen overeenkomsten vertonen met andere delicten waarbij één of meer van de verdachten wel als dader kunnen worden aangemerkt, deze verdachten niet automatisch op grond daarvan voor de dader van die eerstbedoelde delicten kunnen worden gehouden. Dat betekent dat er meer bewijs voorhanden zal moeten zijn op basis waarvan het daderschap van de verdachten kan worden geconstrueerd. Een en ander betekent ook dat de rechtbank bij elk delict afzonderlijk zal beoordelen of het bewijs toereikend is om daaruit het daderschap van de verdachte(n) af te kunnen leiden.

Betrouwbaarheid stemherkenningen

De verdediging heeft zich in algemene zin kritisch uitgelaten over de stemherkenningen van verdachte omdat deze niet door een deskundige zijn uitgevoerd.

De rechtbank stelt voorop dat er geen rechtsregel bepaalt dat stemherkenning dient plaats te vinden door een deskundige op dat gebied. Voor het kunnen herkennen van een stem is geen bijzondere kennis of kunde nodig en hetgeen iemand over het herkennen van een stem verklaart betreft mededelingen aangaande hun eigen waarneming en ondervinding. Wel is bij de waardering van de bewijskracht van stemherkenningen behoedzaamheid op zijn plaats. Een factor die bij die waardering van de betrouwbaarheid van zulke herkenningen een rol kan spelen is de vraag of en zo ja in hoeverre stemherkenningen verankering vinden in ander bewijsmiddelen

De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier tapgesprekken en OVC-gesprekken bevinden waarbij verdachte als spreker wordt aangemerkt.

Er is onder meer getapt op het [telefoonnummer 1] , waarvan uit CIOT-bevraging bleek dat dit nummer op naam van verdachte stond. In het dossier bevindt zich een proces-

verbaal van stemherkenning waarin verdachte ook als gebruiker van dit 06-nummer wordt herkend (p. 228). De rechtbank stelt vast dat bij alle voor het bewijs van belang zijnde tapgesprekken waarbij verdachte als gespreksdeelnemer wordt geïdentificeerd telkens genoemd nummer wordt gebruikt. Verdachte heeft ter terechtzitting ook niet betwist dat

hij de gebruiker van dit 06-nummer is.

De desbetreffende OVC-gesprekken zijn opgenomen in de Volkswagen Polo [kenteken 3] en

de Volkswagen Golf [kenteken 4] , waarvan de rechtbank hierna onder het kopje ‘gebruikte voertuigen’ vaststelt dat [verdachte] en [medeverdachte 4] in de voor de beoordeling van deze zaak relevante periode de voornaamste gebruikers van de Golf zijn geweest en dat het gebruik van de Polo vooral aan [verdachte] kan worden toegeschreven.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een (aanvullend) proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 januari 2016 van [verbalisant 1] waarin uitgebreid en inzichtelijk de procedure rond de stemherkenningen van de diverse in het onderzoek-Anzar betrokken personen, waaronder verdachte, en de wijze waarop de stemherkenningen (al dan niet) hebben plaatsgevonden staat omschreven. Naar het oordeel van de rechtbank vormt de hierin omschreven gang van zaken een valide grondslag voor deugdelijke stem-herkenningen, met name nu hierbij mede als uitgangspunt is genomen gesprekken waarin betrokkenen, waaronder verdachte, met naam en toenaam worden genoemd.

De rechtbank constateert dat de juistheid van de stemherkenningen wordt verankerd en versterkt door de inhoud van meerdere en andersoortige bewijsmiddelen, waaronder observaties, bakengegevens, ARS-gegevens en zendmastgegevens. De rechtbank ziet

op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen enkele aanleiding om aan de juistheid van de identificaties van verdachte als gespreksdeelnemer

te twijfelen. Dit brengt de rechtbank dan ook tot de slotsom dat de diverse stemherken-ningen als voldoende betrouwbaar voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Verdachte

heeft ter terechtzitting de stemherkenningen ook niet betwist, maar zich op vragen hieromtrent van de rechtbank, ook nadat hem is voorgehouden dat als hij niet de gespreksdeelnemer is waarvan de politie hem verdenkt de terechtzitting bij uitstek de gelegenheid is om hierover een verklaring af te leggen, op zijn zwijgrecht beroepen.

Conclusies

Toetsend aan de hiervoor onder het kopje ‘De benadering van de bewijsvraag door de rechtbank’ weergegeven maatstaf komt de rechtbank tot de navolgende conclusies.

*t.a.v. feit 1 (delict 1), feit 2 (delict 2), feit 3 (delict 3), feit 10 (delict 11), feit 11 (delict 15)

en feit 15 (delict 28)

De rechtbank acht al deze feiten, afzonderlijk van elkaar bezien, wettig en overtuigend

bewezen. De rechtbank leidt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen zoals vervat

in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage dusdanig evident het daderschap van verdachte

bij de afzonderlijke inbraken af, als medepleger met andere daders, dat zonder nadere

motivering van de bewijsbeslissingen kan worden volstaan met de enkele verwijzing naar

de desbetreffende bewijsmiddelen. De verdediging heeft zich te dier zake ook gerefereerd

aan het oordeel van de rechtbank.

*t.a.v. feit 5 (delict 5), feit 6 (delict 6), feit 7 (delict 7) en feit 9 (delict 9).

De rechtbank acht deze feiten, bezien in samenhang met de redengevende feiten en

omstandigheden van de hiervoor bewezenverklaarde feiten, eveneens wettig en

overtuigend bewezen. In algemene zin overweegt de rechtbank daartoe dat in alle

gevallen sprake is van bedrijfsinbraken met een overeenkomstige modus operandi,

dezelfde buit (een hoeveelheid sigaretten), meest dezelfde betrokken voertuigen en

overeenkomstige bij die inbraken gebruikte voorwerpen/kledingstukken. Daarnaast

acht de rechtbank meer specifiek nog het navolgende van belang voor de afzonderlijke

bewezenverklaringen.

t.a.v. feit 5. Verdachte vertelt in een OVC-gesprek d.d. 5 augustus 2014 (p. 1372) op een

vraag van [medeverdachte 4] (‘wat heb jij gedaan?’) dat hij de [bedrijf 4] heeft gedaan met [naam 1] .

Gezien de datum van de onderhavige inbraak bij de [bedrijf 4] (30 juli 2014), de diverse

relevante vervoersbewegingen van de Volkswagen Polo die bewuste nacht en de inhoud

van een tapgesprek met verdachte als gespreksdeelnemer op 30 juli om 01:15 uur waarin

hij een derde benadert voor, zo begrijpt de rechtbank, een klus die nacht (p. 1321) gevoegd

met de vaststelling van de rechtbank dat [medeverdachte 2] deze inbraak mede heeft

gepleegd, brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte in genoemd OVC-gesprek

refereert aan de onderhavige inbraak.

t.a.v. feit 6. In OVC-gesprekken d.d. 2 augustus 2014 (p. 1491) en 13 augustus 2014

(p. 1479) vertelt verdachte over een eerder incident waarbij hij samen met [naam 1] / [naam 2]

uit de auto was gevlucht voor de politie en [naam 1] met de sigaretten was gepakt. Deze

informatie en andere details die verdachte in dit gesprek te berde brengt zijn dusdanig

specifiek en onmiskenbaar passend bij hetgeen verbalisanten over een voorval op 24

februari 2014 hebben gerelateerd, inclusief de aanhouding van [medeverdachte 2] en het

aantreffen van een hoeveelheid rookwaar in diens auto, dat het naar het oordeel van de

rechtbank niet anders kan dan dat verdachte uit eigen wetenschap vertelt over hetgeen na

de onderhavige inbraak op 24 februari 2014 is voorgevallen; daderwetenschap dus.

Verdachtes betrokkenheid bij deze inbraak wordt verder ook ondersteund door objectieve

onderzoeksresultaten en de vaststelling van de rechtbank dat [medeverdachte 2] deze

inbraak mede heeft gepleegd.

t.a.v. feit 7. In OVC-gesprekken d.d. 2 augustus 2014 (p.1647, 1649 en 1650) en 13

augustus 2014 (p. 1639) vertelt verdachte over een eerder incident waarbij hij samen

met [medeverdachte 3] aan de politie wist te ontkomen. In dit verband noemt hij een tabakszaak in

Oss. De details die verdachte in dat verband te berde brengt zijn naar het oordeel van

de rechtbank dusdanig specifiek en onmiskenbaar passend bij hetgeen de betreffende

verbalisanten hebben gerelateerd over een voorval op 10 maart 2014 dat het niet anders

kan zijn dan dat verdachte uit eigen wetenschap vertelt over de onderhavige inbraak

op 10 maart 2014 en hetgeen daarna is voorgevallen; daderwetenschap dus. Het een

en ander wordt bovendien ondersteund door objectieve onderzoeksresultaten en de

vaststelling van de rechtbank dat [medeverdachte 3] deze inbraak mede heeft gepleegd.

t.a.v. feit 9. In een OVC-gesprek op 8 juli 2014 (p. 1789) zegt [medeverdachte 4] dat het na

de laatste in Eersel weer eens tijd wordt om een klus te klaren. [verdachte] bevestigt

vervolgens dat dat de laatste keer was geweest, waarop [medeverdachte 4] zegt dat het toen weinig

was. De rechtbank stelt vast dat bij de inbraak bij de [bedrijf 4] op 20 juni 2014 678 pakjes

sigaretten zijn weggenomen, een qua hoeveelheid relatief geringe buit ten opzichte van

de hoeveelheden weggenomen sigaretten bij andere inbraken. Nu de inhoud van dit

OVC-gesprek wordt ondersteund door objectieve onderzoeksresultaten en de rechtbank

bewezen acht dat [medeverdachte 4] deze inbraak mede heeft gepleegd, komt de rechtbank

tot de conclusie dat verdachte in genoemd OVC-gesprek refereert aan de onderhavige

inbraak te Eersel.

De overtuiging van de rechtbank dat verdachte een van de daders is van deze inbraken,

wordt verder versterkt door het beroep van verdachte op zijn zwijgrecht. De hiervoor

genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf, maar zeker in samenhang bezien, wijzen

zodanig sterk in de richting van verdachte dat deze in beginsel vragen om een redelijke

verklaring van de zijde van verdachte. Verdachte heeft deze verklaring niet willen geven

De diverse door de verdediging aangevoerde verweren worden naar het oordeel van de

rechtbank in het licht van de inhoud van de daarop betrekking hebbende bewijsmiddelen,

bijeengenomen, afdoende weerlegd. De rechtbank volstaat in dit verband dan ook verder

met de enkele verwijzing naar die bewijsmiddelen zoals vervat in de aan dit vonnis

gehechte bewijsbijlage.

*t.a.v. feit 4 (delict 4), feit 8 (delict 8), feit 12 (delict 19c), feit 13 (delict 21), feit 14 (delict

24c) en feit 16 (delict 29)

De rechtbank acht deze feiten, ook bezien in samenhang met de redengevende feiten en

omstandigheden van een of meer van de hiervoor opgesomde bewezenverklaarde feiten,

omwille van de redenen die de rechtbank hiervoor in de algemene overwegingen heeft

gegeven, niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte hiervan vrijspreken.

Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank hiertoe het navolgende.

t.a.v. feit 4. Uit geen enkel bewijsmiddel blijkt ondubbelzinnig dat er braakhandelingen zijn

verricht of anderszins sprake is geweest van een begin van uitvoering van diefstal bij de

[bedrijf 3] aan [adres 5] te Eindhoven. De observaties van de ter plaatse

aanwezige verbalisanten schieten op dit essentiële punt tekort. Dat klemt temeer nu uit het

dossier en het verhandelde ter zitting niet is gebleken dat er bij het desbetreffende filiaal

schade is geconstateerd.

t.a.v. feit 8. Geen van de daders kan geïndividualiseerd worden. Resteert in belastende zin

het gegeven dat bij deze inbraak sprake is van eenzelfde modus operandi, de daders

gebruik maken van een dekbedovertrek soortgelijk aan een op 15 mei 2014 en 13 augustus

2014 in respectievelijk de Volkswagen Polo van verdachte en de woning van de gebroeders

[medeverdachte 4] aangetroffen dekbedovertrek en dit dekbedovertrek is herkend op beelden van de

hiervoor onder feit 10 bewezenverklaarde inbraak op 13 augustus 2014 en dat de bij dit

delict betrokken Vespa scooter mogelijk aan verdachte kan worden gelinkt. Voorts is

sprake van een zwart petje met zilverkleurig embleem, terwijl een soortgelijk petje in

beslag is genomen in Bergeijk in verband met de inbraak in de [bedrijf 1] aldaar op 21 juli 2014

en van een zwart jack met een aan de binnenzijde grijze capuchon, terwijl een soortgelijk

jack in beslag is genomen in de woning van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] . Dit alles is naar

het oordeel van de rechtbank onvoldoende om verdachtes betrokkenheid bij de onderhavige

inbraak uit af te leiden, met name nu de verschillende daders in wisselende samenstellingen

opereerden.

t.a.v. feit 12. Geen van de daders kan geïndividualiseerd worden. Resteert in belastende zin

het gegeven dat bij deze inbraak sprake is van eenzelfde modus operandi, het 06-nummer

van verdachte om 03:07 uur een zendmast in Schijndel heeft aangestraald en de daders

gebruik maken van een dekbedovertrek soortgelijk aan een op 24 februari 2014, kort na de

onder feit 6 aan de orde zijnde inbraak, in de Ford Ka van [medeverdachte 2] aangetroffen

dekbedovertrek. Voorts is sprake van schoensporen, welke echter niet kunnen worden

gelinkt aan in de woning van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] inbeslaggenomen schoenen. Dit

alles is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om verdachtes betrokkenheid bij de

onderhavige inbraak af te leiden, met name nu de verschillende daders in wisselende

samenstellingen opereerden.

t.a.v. feit 13. Bij de onderhavige inbraak is wederom sprake van eenzelfde modus operandi

en is door de daders gebruik gemaakt van de hiervoor onder feit 8 vermelde dekbedover-

trek. Daarnaast draagt een van de daders wit/groene handschoenen soortgelijk aan de

door twee daders van het hiervoor bewezenverklaarde feit 10 gedragen handschoenen en

op 13 augustus 2014 in de Volkswagen Polo van verdachte aangetroffen handschoenen.

Tot slot kan [medeverdachte 3] geïndividualiseerd worden als een van de daders.

De rechtbank acht het voorgaande, zonder nadere bewijsmiddelen waaruit verdachtes

betrokkenheid volgt, onvoldoende om zijn daderschap af te leiden, met name nu de

verschillende daders in wisselende samenstellingen opereerden.

t.a.v. feit 14. Uit geen enkel bewijsmiddel volgt ondubbelzinnig de aanwezigheid van

verdachte en/of medeverdachte [medeverdachte 2] op de plaats van het delict ten tijde van

de inbraak.

t.a.v. feit 16. De rechtbank ziet zich geconfronteerd met een summier delictdossier

bestaande uit een uiterst summiere aangifte (nagenoeg zonder feitelijke gegevens) en

zes tapgesprekken. De inhoud en/of de achtergrondgeluiden van die tapgesprekken vormen

in combinatie met enkele mastgegevens aanwijzingen dat de onderhavige inbraak (19 juli

2014 rond 04:42 uur) wordt voorbereid en daadwerkelijk wordt gepleegd. Verdachte is in

dit verband bij twee tapgesprekken aangemerkt als gespreksdeelnemer en wel bij de

gesprekken om 01:24 uur en 03:32 uur. De rechtbank acht dit gegeven, zonder nadere

bewijsmiddelen waaruit verdachtes concrete betrokkenheid volgt, onvoldoende om zijn

daderschap af te leiden.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is

dat verdachte:

1. op 21 juli 2014 te Bergeijk tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkel (te weten een filiaal van [bedrijf 1] ) gelegen aan

[adres 2] te Bergeijk, heeft weggenomen een hoeveelheid sigaretten toebehorende

aan [benadeelde partij 1] waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

2.

op 23 juli 2014 te Budel tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkel (te weten een filiaal van [bedrijf 1] ) gelegen aan

[adres 3] te Budel heeft weggenomen een hoeveelheid sigaretten toebehorende aan [benadeelde partij 2] en/of [bedrijf 1] Budel, waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

3. op 24 juli 2014 te Budel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkel (te weten [bedrijf 2] ), gelegen aan [adres 4] te Budel, weg te nemen goederen/geld toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededader, en zich daarbij de toegang tot voornoemde winkel te verschaffen door middel van braak, met zijn mededader een ruit van voornoemde winkel heeft ingegooid/ingeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

5. op 30 juli 2014 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk

van wederrechtelijke toe-eigening in een winkel (te weten een filiaal van [bedrijf 4] ) gelegen

aan [adres 6] te Eindhoven heeft weggenomen een hoeveelheid sigaretten toebehorende aan [bedrijf 4] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

6. op 24 februari 2014 te Deurne tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk

van wederrechtelijke toe-eigening in een winkel (te weten [bedrijf 5] ) gelegen aan [adres 7] te Deurne, heeft weggenomen een hoeveelheid sigaretten

toebehorende aan [benadeelde partij 5] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

7. op 10 maart 2014 te Oss tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkel (te weten [bedrijf 6] ) gelegen aan de [adres 8] te Oss heeft weggenomen een hoeveelheid sigaretten toebehorende aan [benadeelde partij 14] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

9. op 20 juni 2014 te Eersel tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel (te weten een filiaal van [bedrijf 4] ) gelegen aan

de [adres 9] te Eersel heeft weggenomen een hoeveelheid sigaretten toebehorende aan [bedrijf 4] waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

10. op 13 augustus 2014 te Geldermalsen tezamen en in vereniging met een ander met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkel (te weten een filiaal van [bedrijf 3] ) gelegen aan [adres 10] te Geldermalsen heeft weggenomen een hoeveelheid sigaretten toebehorende aan [bedrijf 3] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

11. op 05 juni 2014 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkel (te weten een filiaal van [bedrijf 3] ) gelegen aan [adres 11] te Eindhoven heeft weggenomen een hoeveelheid sigaretten toebehorende aan [bedrijf 3] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot

de plaats des misdrijfs hebben verschaft en het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

15. op 02 augustus 2014 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkel (te weten een filiaal van [bedrijf 4] ) gelegen aan het [adres 6] te Eindhoven heeft weggenomen een hoeveelheid sigaretten toebehorende aan [bedrijf 4] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

De bewijsmiddelen worden ter zake van de feiten 1, 2, 3, 10, 11 en 15 telkens slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben. De bewijsmiddelen ter zake van de feiten 5, 6, 7 en 9 dienen in onderling verband en samenhang met de bewijsmiddelen van de feiten 1, 2, 3, 10, 11 en 15 te worden bezien.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie. (bijlage)

t.a.v. feiten 1 t/m 16:

een gevangenisstraf van 38 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en de deelname aan de cognitieve vaardigheidstraining.

Het standpunt van de verdediging.

Uitgaande van de bepleite vrijspraken en met inachtneming van het advies van de reclassering: een gevangenisstraf overeenkomstig de duur van het reeds ondergane voorarrest en een voorwaardelijk strafdeel met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft negen bedrijfsinbraken gepleegd waarbij, telkens in de nachtelijke uren, een grote hoeveelheid tabakswaar werd weggenomen. Daarnaast heeft verdachte een poging tot een dergelijke inbraak gepleegd.

De inbraken werden op professionele wijze gepleegd en verdachte heeft zich gedurende langere tijd bewogen in een groep waarvan de deelnemers in georganiseerd verband en in wisselende samenstellingen dit soort inbraken pleegden. Binnen deze groep was verdachte mede-initiatiefnemer. De inbraken werden nauwgezet voorbereid en verdachte heeft zijn rol willens en wetens vervuld.

Inbraken veroorzaken overlast en schade. Verdachte heeft zich van dit alles echter niets aangetrokken. Uit verdachtes handelen spreekt minachting voor andermans eigendom. Hij heeft zich kennelijk enkel laten leiden door financiële motieven. De inbraken dragen een brutaal karakter doordat met grof geweld de ruiten van winkels werden vernield. De door de feiten veroorzaakte schade is voorts aanzienlijk te noemen.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheden dat verdachte - door zich steeds te beroepen op zijn zwijgrecht - op geen enkel moment verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn rol bij de inbraken of inzicht getoond in de ernst ervan, alsmede dat verdachte in 2014 voor (onder meer) soortgelijke feiten nog is veroordeeld tot een gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor bedrijfsinbraken als de onderhavige, begaan door een verdachte die eerder een dergelijk strafbaar feit heeft begaan, luidt het oriëntatiepunt: 10 weken onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In het geval het delict in de pogingsfase is gestrand, ligt het in zijn algemeenheid in de rede dit uitgangspunt met een derde te verminderen, hetgeen te dezen zou neerkomen op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van om en nabij de 3 weken per poging.

De rechtbank zal in het nadeel van verdachte van dit vertrekpunt afwijken, in die zin dat zij niet per voltooid delict 10 weken gevangenisstraf en per poging 3 weken gevangenisstraf zal opleggen, hetgeen hier zou neerkomen op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 93 weken (23 à 24 maanden). Op enig moment gaat de schaal waarop de strafbare feiten zijn gepleegd, de periode waarbinnen zij zijn gepleegd en het samenwerkingsverband en de mate van professionaliteit en berekendheid meer bij het bepalen van de op te leggen straf meetellen en kan niet meer worden volstaan met een strafoplegging conform het uitgangspunt. Een dergelijke strafoplegging zou dan geen recht meer doen aan de meer delict overstijgende aspecten in deze zaak.

In dat verband moet de rechtbank vaststellen dat de verdachte in een periode van een aantal maanden als medepleger betrokken is geweest bij een vijftal uiterst brutale bedrijfsinbraken en twee pogingen daartoe, terwijl hij in diezelfde periode heeft bewogen binnen een groep van personen die zich op stelselmatige wijze hieraan schuldig maakten. Binnen die groep nam verdachte zelf het meest het initiatief tot het plannen van een bedrijfsinbraak en fungeerde daarin min of meer een leidende rol bij de uitvoering. Daaruit blijkt de criminele basishouding verdachte in deze periode. Verdachte heeft dit alles willens en wetens gedaan, zich van andere belangen dan zijn eigen geen enkele rekenschap gegeven en op geen enkel moment in het strafonderzoek verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen. Bovendien volgt uit verschillende tap- en OVC-gesprekken treffend hoe de verdachte maling heeft aan de autoriteiten, de slachtoffers en de mate waarin hij de maatschappij schade berokkent; alles wordt volkomen ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen behoefte aan financieel gewin.

Gelet op dit alles kan naar het oordeel van de rechtbank geen andere straf meer volgen dan een gevangenisstraf die de hiervoor genoemde periode in ruime mate overstijgt. Al hetgeen door en namens de verdachte omtrent zijn persoonlijke situatie naar voren is gebracht ter staving van het verzoek om geen straf op te leggen die een hernieuwde vrijheidsberoving zou betekenen, legt ten opzichte van hetgeen hiervoor is overwogen volstrekt onvoldoende gewicht in de schaal.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden.

Gelet op hetgeen omtrent de persoon van de verdachte door de Reclassering is gerapporteerd (rapport van 24 september 2015) en haar advies om aan de verdachte in het kader van een voorwaardelijk strafdeel bijzondere voorwaarden op te leggen, en op het feit dat de rechtbank de nut en noodzaak van deze voorwaarden voldoende is gebleken, zal zij een gedeelte van deze straf, groot acht maanden, voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank minder feiten bewezen heeft verklaard.

De vordering van [benadeelde partij 15] . ( feit 2)

Het standpunt van de officier van justitie.

Hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van 700 euro (500 euro eigen risico en 200 euro smartengeld), vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schade-vergoedingsmaatregel. Niet-ontvankelijkverklaring ter zake van het hoger gevorderde

bedrag aan smartengeld (75 euro).

Het standpunt van de verdediging.

Matiging van het gevorderde bedrag aan smartengeld, omdat de impact van een bedrijfsinbraak niet vergelijkbaar is met die van een woninginbraak.

Beoordeling rechtbank. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van 500 euro (eigen risico), vermeerderd met de

wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren ter zake van de post immateriële schade en overweegt daartoe het navolgende.

Het gevorderde bedrag aan smartengeld is gestoeld op een uitspraak die betrekking heeft

op een woninginbraak terwijl in het onderhavige geval sprake is van een bedrijfsinbraak, waarvan naar algemene ervaringsregels de impact minder groot is. Dit klemt temeer nu

de benadeelde partij niet in de directe nabijheid van de desbetreffende winkel woont. Bij

de huidige stand is de vraag of en zo ja, in welke mate de benadeelde partij door deze bedrijfsinbraak immateriële schade heeft geleden niet eenvoudig te beantwoorden. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is vergoed.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen

De vordering van [benadeelde partij 14] . (feit 7)

Het standpunt van de officier van justitie.

De vordering ziet op twee incidenten, terwijl thans enkel het incident van 10 maart 2014

aan de orde is. Gelet hierop zijn de gevorderde bedragen aan eigen risico en beschadiging vloer slechts voor de helft toewijsbaar. Dit betekent voor de vordering het navolgende.

Toewijzing van de vordering tot een bedrag van 1.131,23 euro, hoofdelijk, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het toegewezen bedrag bestaat uit 225 euro (eigen risico) + 125 euro (beschadiging hout) +

781,23 euro (beschadiging vloer) + 200 euro (smartengeld). De benadeelde partij dient niet ontvankelijk in de vordering te worden verklaard voor het hoger gevorderde bedrag aan eigen risico (225 euro) en beschadiging vloer (781,23 euro).

Het standpunt van de verdediging.

Aangezien de vordering ten onrechte mede is gegrond op een incident op 4 maart 2014,

is het gevorderde bedrag aan eigen risico slechts voor de helft toewijsbaar (225 euro).

De post ‘beschadiging vloer’ is niet voor toewijzing vatbaar omdat niet duidelijk is door welk incident dat is veroorzaakt. Referte ten aanzien van het overige deel van de vordering.

Beoordeling rechtbank. De rechtbank stelt vast dat de vordering betrekking heeft op geleden schade als gevolg van incidenten op 4 maart 2014 en 10 maart 2014, dit terwijl verdachte enkel het incident

op 10 maart 2014 wordt verweten. Nu het gevorderde bedrag aan eigen risico (450 euro)

ten onrechte is gegrond op twee incidenten, acht de rechtbank hiervan slechts de helft (225 euro) toewijsbaar. Voorts acht de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een bedrag van 100 euro aan smartengeld toewijsbaar. De rechtbank overweegt in dit verband dat het gevorderde bedrag (200 euro) is gestoeld op een uitspraak die betrekking heeft op een woninginbraak terwijl thans een bedrijfsinbraak aan de orde is, waarvan naar algemene ervaringsregels de impact minder groot is.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van 225 euro (eigen risico) + 125 euro (beschadiging hout) + 100 euro (smartengeld) = 450 euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de hoger gevorderde bedragen aan eigen risico (225 euro) en smartengeld (100 euro) afwijzen.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in het gevorderde bedrag dat betrekking heeft op de beschadiging van de vloer (1.562,46 euro), omdat thans onduidelijk is door welke van de hiervoor genoemde incidenten deze schade is veroorzaakt

en bij deze stand niet zonder meer kan worden gesteld dat deze schade rechtstreeks door het bewezen verklaard feit is toegebracht. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen, hetgeen naar het oordeel van rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is vergoed.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 7] . (feit 12)

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering verklaren en overweegt daartoe het navolgende.

De vordering is in een uitermate laat stadium van het geding binnengekomen, te weten zeer kort voor de zitting van 1 februari 2016 die als enkele doel de sluiting van het onderzoek had en waarbij de verdediging, met instemming van de rechtbank, niet was verschenen. Als gevolg hiervan is de vordering niet met de verdediging kunnen worden besproken. Een bespreking van enkel deze vordering met alle betrokkenen zou een nadere behandeling ter terechtzitting vereisen, hetgeen naar het oordeel van rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Beslag. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn met behulp van welke de feiten mede zijn begaan of voorbereid en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorden.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de inbeslaggenomen snorfiets (scooter), nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave hiervan.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 33, 33a, 36f, 45,

57, 60a, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 4, feit 8, feit 12, feit 13, feit 14 en feit 16 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder feit 1, feit 2, feit 3, feit 5, feit 6, feit 7, feit 9, feit 10, feit 11 en feit 15 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak. t.a.v. feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak. t.a.v. feit 3: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak. t.a.v. feit 5: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. t.a.v. feit 6: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak. t.a.v. feit 7: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak. t.a.v. feit 9: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. t.a.v. feit 10: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak. t.a.v. feit 11: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. t.a.v. feit 15: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen en maatregelen.

t.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 5, feit 6, feit 7, feit 9, feit 10, feit 11 en feit 15: Gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

-zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

-ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen

van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de

Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

-medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van

het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

-zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden

gegeven door de reclassering;

-zich binnen twee dagen na het onherroepelijk zijn van dit vonnis meldt bij Reclassering

Nederland, via telefoonnummer 073-6408080 en zich hierna blijft melden zo frequent en

zolang de reclassering dit noodzakelijk acht,

-deelneemt aan de Cognitieve Vaardigheidstraining indien volgens de reclassering

geïndiceerd,

waarbij de Reclassering Nederland, Regio Eindhoven, Polluxlaan 114-116 5631 ES Eindhoven, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten: een personenauto Volkswagen Golf [kenteken 4] en een personenauto Volkswagen Polo [kenteken 3] .

Teruggave inbeslaggenomen goed aan verdachte, te weten: een snorfiets (Vespa). t.a.v. feit 2: Maatregel van schadevergoeding van EUR 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 15] van een bedrag van EUR 500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 500,00 materiële schade (post 1).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde partij 15] van een bedrag van EUR 500,00, zijnde materiële schade

(post 1). Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in het deel van de vordering dat betrekking heeft op immateriële schade (post 2).

t.a.v. feit 7: Maatregel van schadevergoeding van EUR 450,00 subsidiair 9 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 14] van een bedrag van EUR 450,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van

EUR 100,00 immateriële schade (post 4 ) en EUR 350,00 materiële schade (posten 1 en 2) . Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 14] van een bedrag van EUR 450,00, te weten EUR 100,00 immateriële schade (post 4 ) en EUR 350,00 materiële schade (posten 1 en 2 ). Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Wijst de vordering ter zake van de hoger gevorderde bedragen aan eigen risico en immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op de beschadiging van de vloer (post 3).

t.a.v. feit 12: Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [bedrijf 7] in de vordering. Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,

mr. E.C.P.M. Valckx en mr. T. van de Woestijne, leden,

in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,

en is uitgesproken op 15 februari 2016.