Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:5666

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
14-10-2016
Zaaknummer
16_494
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft terecht verzoek inschrijving Spaanse adoptie-uitspraak in Brp afgewezen. Haags Adoptieverdrag is niet van toepassing op stiefouderadoptie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/494

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiser 1] , eiser 1

[eiser 2] , beiden te [woonplaats] , eiser 2, tezamen eisers

(gemachtigde: mr. A.B. Noordhof),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, verweerder

(gemachtigde: mr. S.K. Rijvers-Jagernath).

Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om registratie van de uitspraak van de rechtbank in Ourense (Spanje) van 2 april 2014 waarin goedkeuring is verleend aan eiser 2 om [naam 1] [achternaam 1] te adopteren (Spaanse adoptie-uitspraak), te registreren in de Basisregistratie Personen (Brp), afgewezen.

Bij besluit, verzonden op 14 januari 2016 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2016. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na de zitting is het onderzoek heropend en is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Eisers hebben op 7 juli 2016 een aanvullende reactie en nadere stukken ingediend.

Bij brief van 18 juli 2016 heeft verweerder een aanvullende reactie en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2016. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser 1 heeft de Spaanse nationaliteit. Eiser 2 heeft de Nederlandse nationaliteit. Eisers zijn op 9 oktober 2010 in Spanje met elkaar gehuwd.

Op 6 mei 2013 is [naam 1] [achternaam 2] geboren in New Delhi, India.

[naam 2] is de draagmoeder van [naam 1] en eiser 1 is de biologische vader van [naam 1] . De Spaanse ambassade te New Delhi heeft [naam 1] na haar geboorte residentie verleend en een verklaring opgemaakt waarin staat dat eiser 1 de biologische vader is van [naam 1] en dat [naam 1] de Spaanse nationaliteit heeft. De draagmoeder heeft, conform een overeenkomst met eiser 1, [naam 1] na de geboorte aan hem overgedragen.

Na haar aankomst in Nederland is [naam 1] op basis van een Spaans paspoort op 10 juni 2013 ingeschreven in de Brp van de gemeente Eindhoven. In dit paspoort was haar geslachtsnaam vermeld als [achternaam 3] .

Op 24 mei 2015 hebben eisers een nieuw Spaans paspoort van [naam 1] aan de gemeente Eindhoven overgelegd, waarin de geslachtsnaam van [naam 1] is vermeld als [achternaam 1] . Eisers hebben verweerder verzocht de geslachtsnaam in de Brp naar aanleiding van dit nieuwe paspoort aan te passen en verweerder heeft dit gedaan.

Op 22 juni 2015 hebben eisers verweerder verzocht eiser 2 als vader van [naam 1] in de Brp te registreren. Ter onderbouwing van dit verzoek hebben zij de Spaanse adoptie-uitspraak overgelegd en hebben zij betoogd dat de Spaanse adoptie-uitspraak direct geldig is in Nederland op grond van het Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie (Haags Adoptieverdrag).

Op 20 juli 2015 heeft verweerder het voornemen uitgebracht om het verzoek om de Spaanse adoptie-uitspraak in de Brp te registreren, af te wijzen.

Eisers hebben hun zienswijze hierover kenbaar gemaakt, waarna verweerder bij het primaire besluit het verzoek heeft afgewezen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder die afwijzing gehandhaafd. Verweerder heeft zich daartoe op het standpunt gesteld dat het Haags Adoptieverdrag niet van toepassing is. Er is volgens verweerder geen sprake van een interlandelijke adoptie in de zin van het Haags Adoptieverdrag, waarbij [naam 1] , conform artikel 2 van het Verdrag, haar gewone verblijfplaats in een verdragsland heeft en vanuit dit verdragsland (India/Spanje) ter adoptie is overgebracht naar een ander verdragsland (Nederland). Uit de Spaanse adoptie‑uitspraak blijkt daarnaast niet dat toestemming voor de adoptie is verleend door de zogenoemde Centrale Autoriteit van Nederland door een zogenoemde beginseltoestemming als bedoeld in artikel 23, gelezen in samenhang met artikel 17 van het Haags Adoptieverdrag. Ook is op andere wijze niet gebleken dat die beginseltoestemming is verleend. De Spaanse adoptie‑uitspraak kan daarom niet van rechtswege worden erkend en verweerder kan daarom de Spaanse adoptie-uitspraak niet in de Brp registreren.

3. Eisers hebben aangevoerd dat het Haags Adoptieverdrag wel van toepassing is en dat de adoptie daarom van rechtswege door de Nederlandse Staat moet worden erkend. De adoptie van [naam 1] door eiser 2 is erkend door de Spaanse rechter. [naam 1] was al verhuisd naar Nederland en heeft feitelijk nooit in Spanje gewoond. Volgens een ruime uitleg van artikel 2 van het Haags Adoptieverdrag valt de situatie van eisers en [naam 1] hieronder. Die bepaling geldt namelijk ook als het kind al voor de adoptie is verhuisd naar een andere verdragsluitende Staat. Omdat [naam 1] na haar geboorte residentie is verleend op de Spaanse ambassade in New Delhi is zij voor het Spaanse recht aangemerkt als ingezetene van Spanje en heeft zij dezelfde rechten als een Spaans staatsburger die in Spanje is geboren. Op grond van artikel 23 van het Haags Adoptieverdrag wordt de adoptie, die door de rechter van een andere verdragsstraat al is erkend, van rechtswege ook in andere landen erkend, aldus eisers. Eisers wijzen er ook op dat het Haags Adoptieverdrag het belang van het kind vooropstelt en dat uitgangspunt is dat wetgeving binnen de bij het Haags Adoptieverdrag aangesloten Staten geharmoniseerd moet worden, zodat het eenvoudiger is om erkenning te krijgen van een rechterlijke beslissing die in een andere verdragsluitende Staat is verkregen.

4. In artikel 1, onder a en c, van het Haags Adoptieverdrag is bepaald dat het Verdrag tot doel heeft om waarborgen vast te leggen om te verzekeren dat interlandelijke adopties op zodanige wijze plaatsvinden dat het hoogste belang van het kind daarmee is gediend en de grondrechten die hem volgens het internationale recht toekomen, worden geëerbiedigd en om de erkenning van overeenkomstig het Verdrag tot stand gekomen adopties in de Verdragsluitende Staten te verzekeren.

In artikel 2, eerste lid, is bepaald dat dit Verdrag van toepassing is wanneer een kind dat zijn gewone verblijfplaats in een Verdragsluitende Staat (Staat van herkomst) heeft, naar een andere Verdragsluitende Staat (Staat van opvang) is, wordt of zal worden overgebracht, hetzij na zijn adoptie in de Staat van herkomst door echtgenoten of een persoon van wie de gewone verblijfsplaats zich in de Staat van opvang bevindt, hetzij met het oog op een zodanige adoptie in de Staat van opvang of in de Staat van herkomst.

In het tweede lid is bepaald dat het Verdrag slechts betrekking heeft op adopties die familierechtelijke betrekkingen tot stand brengen.

In artikel 23 is bepaald dat een adoptie ten aanzien waarvan de bevoegde autoriteit van de Staat waar de adoptie heeft plaatsgevonden schriftelijk heeft verklaard dat zij in overeenstemming met het Verdrag is tot stand gekomen, in de andere Verdragsluitende Staten van rechtswege wordt erkend. In de verklaring wordt aangegeven wanneer en van wie de instemmingen ingevolge artikel 17, onder c, werden verkregen.

In artikel 17, onder c, is bepaald dat een beslissing om een kind aan de zorg van aspirant-adoptiefouders toe te vertrouwen, in de Staat van herkomst slechts mag worden genomen, indien de Centrale Autoriteiten van beide Staten ermee instemmen dat de adoptie voortgang vindt.

5. Voordat de rechtbank toekomt aan de vraag of verweerder terecht heeft geweigerd de Spaanse adoptie-uitspraak in de Brp te registreren omdat het Haags Adoptieverdrag niet van toepassing is op deze zaak, overweegt de rechtbank ambtshalve dat ook eiser 1 als belanghebbende in deze procedure kan worden aangemerkt, aangezien hij de biologische vader van [naam 1] is en hij met eiser 2 en [naam 1] sinds haar geboorte feitelijk als gezin heeft samengewoond. Eiser 1 heeft daarom rechtstreeks belang bij deze procedure over de weigering om de Spaanse adoptie-uitspraak van [naam 1] in de Brp te registreren.

6. De rechtbank beantwoordt vervolgens de vraag of het Haags Adoptieverdrag van toepassing is op de situatie die in deze zaak aan de orde is, ontkennend. Zij wijst in dit verband op de door verweerder bij brief van 18 juli 2016 overgelegde “Implementation and Operation of the 1993 Hague Intercountry Adoption Convention: Guide to good practice, Guide no. 1” (Guide to good practice) van de Hague Conference on Private International Law. Dit is een leidraad over de toepassing van het Haags Adoptieverdrag, afkomstig van de intergouvernementele organisatie die betrokken is bij de totstandkoming en uitvoering in de praktijk van onder meer het Haags Adoptieverdrag. In paragraaf 8.6.5 van deze Guide to good practice, met de titel “Step-child adoptions” (stiefouderadopties), is onder meer het volgende vermeld:

“(…) If one parent already has custody of the child, and the child is living with that parent and the new partner, it should be a national adoption in the country of residence. (…)”

De rechtbank stelt vast dat de situatie die in deze procedure aan de orde is, moet worden aangemerkt als stiefouderadoptie als hierboven omschreven. Eiser 1 is immers de biologische vader van [naam 1] , hij heeft gezag over haar en [naam 1] woont samen met eiser 1 en eiser 2. Dat betekent dat het Haags Adoptieverdrag niet van toepassing is op de situatie van eisers en [naam 1] en dat verweerder zich in het bestreden besluit terecht op dit standpunt heeft gesteld en terecht heeft geweigerd de Spaanse adoptie-uitspraak in de Brp te registreren. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski - Kelders, voorzitter, mr. J. Lie, en

mr. M. van den Brink, leden, in aanwezigheid van B.C.T. Rabou-Coort LLB, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.