Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:5524

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
17-10-2016
Zaaknummer
C/01/300920 / HA ZA 15-788
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Contradictoir. Bestuurdersaansprakelijkheid. Een bestuurder/aandeelhouder van een vennootschap met aanzienlijke schulden onttrekt de vermogensbestanddelen aan de vennootschap en verkoopt de aandelen vervolgens aan een koper die geen verhaal biedt. Aansprakelijkheid voor het faillissementstekort. Ook de opvolgend bestuurder die voor de vennootschap geen administratie voert en geen jaarstukken deponeert is aansprakelijk voor het faillissementstekort. Hoofdelijke aansprakelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2016-0283
INS-Updates.nl 2017-0010
AR 2016/2978

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

zaaknummer / rolnummer: C/01/300920 / HA ZA 15-788

Vonnis van 12 oktober 2016

in de zaak van

CORNELIS WILHELMUS HENDRIKUS MARIA UITDEHAAG

in hoedanigheid van curator in het faillissement van Holstru Transport BV te Houten,

wonende te Veldhoven,

eiser,

advocaat mr. M.J.G.A. Filemon te Veldhoven,

tegen

1.

[gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. W.T.J.G. Osse te Houten,

en

2.

[gedaagde sub 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.W. Ponds te Eindhoven.

Partijen zullen hierna respectievelijk de curator, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 2 maart 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 augustus 2016

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Bij de beoordeling van deze zaak zal onder meer worden uitgegaan van de volgende vaststaande feiten.

2.1.

Op 5 november 2007 heeft [gedaagde sub 1] een transportbedrijf opgericht. Middels de vennootschap Holstru Beheer BV was hij enig aandeelhouder en enig bestuurder van Holstru Transport BV (hierna: de vennootschap).

2.2.

Vanaf medio 2008 kreeg de vennootschap als gevolg van de crisis te maken met stijgende kosten (hogere dieselprijzen) en lagere opbrengsten (klanten haakten af of wilden hun contracten herzien). [gedaagde sub 1] zag geen toekomst meer voor zijn transportbedrijf en is op zoek gegaan naar een overnamekandidaat. Hij heeft hierover gesproken met de heer [naam bestuurder Nesselande] , bestuurder van de transportfirma Nesselande Logistics & Speciaal Transport BV uit Dordrecht (hierna: Nesselande). [naam bestuurder Nesselande] had geen interesse in een volledige overname van de vennootschap maar wilde wel het personeel, de geleasede vrachtwagens en de klanten van de vennootschap overnemen. [gedaagde sub 1] kwam in contact met [gedaagde sub 2] , die geïnteresseerd was in overname van de aandelen.

2.3.

Op 14 april 2009 heeft [gedaagde sub 1] de aandelen in de vennootschap voor het symbolische bedrag van € 1,- verkocht aan twee Engelse vennootschappen, vertegenwoordigd door [gedaagde sub 2] als directeur. Per 29 april 2009 heeft [gedaagde sub 1] zijn bestuurstaak binnen de vennootschap overgedragen aan [gedaagde sub 2] . De aandelen zijn overgedragen bij notariële akte van 11 mei 2009.

2.4.

Na de aandelenoverdracht zijn binnen de vennootschap geen bedrijfsactiviteiten meer verricht. Met het personeel van de vennootschap heeft op 25 april 2009 een eindafrekening plaatsgevonden, waarna het personeel is overgenomen door Nesselande. Ook [gedaagde sub 1] is voor Nesselande gaan werken. De door de vennootschap geleasede vrachtwagens en de contracten met de klanten zijn ook door Nesselande overgenomen.

2.5.

Op 21 februari 2012 is het faillissement van de vennootschap uitgesproken met benoeming van de curator als zodanig. Het tekort wordt, behalve door de boedelkosten en het salaris van de curator, gevormd door schulden aan de Belastingdienst, aan de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de Weg, aan de ING Bank en aan Saltrans Verkoop en Verhuur BV.

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert primair hoofdelijke veroordeling van gedaagden op grond van de artikelen 2:248, 2:9, 6:162 en 2:11 BW tot betaling aan de curator van het bedrag van het tekort van de failliet, of althans een deel van de schulden van de failliet, nader op te maken bij staat, en tot betaling aan de curator van een voorschot van € 100.000,-. Subsidiair vordert de curator gedaagden te veroordelen tot betaling aan hem van respectievelijk € 49.622,13 (gedaagde sub 1) en € 22.137,60 (gedaagde sub 2) op grond van artikel 2:180 lid 2 sub b BW (oud). Tot slot vordert hij gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente, en in de nakosten.

3.2.

De curator legt aan deze vorderingen kort gezegd het volgende ten grondslag.

3.2.1.

[gedaagde sub 1] (althans Holstru Beheer BV waarvan [gedaagde sub 1] bestuurder is) en [gedaagde sub 2] hebben als bestuurders niet aan hun administratieplicht en deponeringsplicht voldaan. Zij hebben daarmee hun bestuurstaak kennelijk onbehoorlijk vervuld en dit is een belangrijke oorzaak geweest van het faillissement (artikel 2:248 lid 2 BW).

3.2.2.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben de vennootschap, die een schuldenlast had van ruim € 150.000,-, ten eigen bate ontdaan van haar vermogensbestanddelen door de activa over te dragen aan Nesselande en de opbrengst niet ten goede te laten komen van de vennootschap. [gedaagde sub 2] heeft bovendien vermogen aan de vennootschap onttrokken door het doen van bankopnamen en overboekingen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben de vennootschap zonder verhaalsmogelijkheden voor de schuldeisers achtergelaten en de gevolgen van het onvermijdelijke faillissement afgewenteld op [gedaagde sub 2] , die geen verhaal biedt. Dit handelen kwalificeert als een ernstig verwijt in de zin van de artikelen 2:248 lid 2, 2:9 en 6:162 BW en heeft geleid tot het faillissement van de vennootschap.

3.2.3.

Aan de volstortingsplicht is niet voldaan omdat sprake is geweest van een zogenaamd ‘kasrondje’. Gedaagden zijn daarom ex artikel 2:180 lid 2 BW (oud) aansprakelijk voor de schulden aan concurrente schuldeisers voor zover deze schulden zijn ontstaan uit rechtshandelingen die werden verricht zolang de aandelen niet werden volgestort en ten tijde van hun respectieve bestuursperiode.

3.3.

[gedaagde sub 1] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de curator, met veroordeling van de curator in de werkelijke kosten van zijn advocaat ad € 15.000,- exclusief btw. [gedaagde sub 1] verzoekt de rechtbank ook om opheffing van de op zijn bankrekeningen gelegde beslagen, met veroordeling van de curator in de beslagkosten.

[gedaagde sub 1] voert als verweer samengevat het volgende aan.

3.3.1.

Vanaf de oprichting van de vennootschap tot aan het moment van de overname is een deugdelijke administratie gevoerd, die aan [gedaagde sub 2] is overgedragen.

3.3.2.

Ten tijde van de overdracht van de aandelen was per saldo geen sprake van een schuld. [gedaagde sub 1] zag geen toekomst voor zijn bedrijf en wilde de vennootschap verkopen om het personeel te beschermen. [gedaagde sub 1] heeft het personeel overgedragen aan Nesselande. Via Nesselande kwam hij in contact met [gedaagde sub 2] , die de vennootschap wilde overnemen om fiscaal voordeel te behalen middels de compensabele verliezen. Het was [gedaagde sub 2] die de (overige) activa van de vennootschap heeft verkocht aan Nesselande. Wat deze verkoop heeft opgebracht en wat er met die opbrengst is gedaan, is [gedaagde sub 1] niet bekend. [gedaagde sub 1] vertrouwde er op dat [gedaagde sub 2] de na overdracht nog te verwachten baten zou gebruiken om de lopende schulden te betalen.

3.3.3.

Bij oprichting van de vennootschap zijn de aandelen volgestort, van een ‘kasrondje’ was geen sprake.

3.4.

[gedaagde sub 2] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de curator, met veroordeling van de curator in de kosten van de procedure. Hij voert ter verweer samengevat het volgende aan.

3.4.1.

[gedaagde sub 2] ontving bij de overdracht geen administratie van [gedaagde sub 1] en heeft nadien ook geen administratie gevoerd omdat geen activiteiten of mutaties plaatsvonden in de vennootschap.

3.4.2.

[gedaagde sub 2] had nooit de bedoeling de vennootschap voort te zetten. Hij handelde destijds in lege vennootschappen en wilde de vennootschap doorverkopen. Hij vertrouwde er op dat de vennootschap die hij van [gedaagde sub 1] overnam leeg was en dat er geen schulden waren. Toen [gedaagde sub 2] bestuurder werd van de vennootschap waren de activa al door [gedaagde sub 1] overgedragen aan Nesselande. Het bankkrediet heeft [gedaagde sub 2] slechts gebruikt voor betalingen voor diensten die voor de vennootschap werden verricht en voor onkostenvergoedingen aan hemzelf conform afspraak.

3.4.3.

Bij de overdracht van de aandelen is hem gegarandeerd dat was voldaan aan de volstortingsplicht.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In deze zaak staat de vraag centraal of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hun taak als bestuurder kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld en of zij in verband daarmee aansprakelijk kunnen worden gehouden voor het faillissementstekort.

[gedaagde sub 1]

4.2.

Formeel bestuurder en enig aandeelhouder van de vennootschap was Holstru Beheer BV. Het feitelijk bestuur van de vennootschap lag in handen van [gedaagde sub 1] , die tevens optrad als bestuurder van aandeelhouder Holstru Beheer BV.

4.3.

Tussen de curator en [gedaagde sub 1] is onder meer in geschil of [gedaagde sub 1] heeft voldaan aan zijn plicht als bestuurder om voor de vennootschap een administratie te voeren en te bewaren, als voorgeschreven in artikel 2:10 BW. De curator heeft bij faillissement geen administratie aangetroffen, maar de rechtbank acht het aannemelijk dat [gedaagde sub 1] tot het moment van de overdracht wel een administratie heeft gevoerd en dat hij deze aan [gedaagde sub 2] heeft overgedragen. In de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ondertekende onderhandse akte van 14 april 2009 staat immers dat ondertekening van die akte tevens geldt als ontvangstbewijs van de volledige boekhouding. De vraag is of [gedaagde sub 1] voldoende zorgvuldig heeft gehandeld door de boekhouding aan [gedaagde sub 2] over te dragen. Zoals hierna nog aan de orde zal komen, moet [gedaagde sub 1] hebben beseft dat er een grote kans was dat [gedaagde sub 2] daar niet zorgvuldig mee zou omgaan.

4.4.

De curator verwijt [gedaagde sub 1] dat hij - samen met [gedaagde sub 2] - de vennootschap, die behoorlijk wat schulden had, ten eigen bate heeft ontdaan van haar vermogensbestanddelen en zonder verhaalsmogelijkheden voor de schuldeisers heeft achtergelaten en de gevolgen van het onvermijdelijke faillissement heeft afgewenteld op [gedaagde sub 2] , die geen verhaal biedt.

4.5.

Een belangrijk verweer van [gedaagde sub 1] luidt dat de vennootschap ten tijde van de overdracht aan [gedaagde sub 2] per saldo geen schulden had. Dit verweer slaagt niet.

4.5.1.

Vast staat dat de vennootschap een rekening-courantschuld had aan ING Bank van ruim € 22.000,-.

4.5.2.

De vennootschap had ook betalingsverplichtingen jegens de Belastingdienst. Uit de stukken die de curator heeft overgelegd blijkt genoegzaam dat de vordering van ruim € 87.000,- die de Belastingdienst heeft ingediend in het faillissement voor een aanzienlijk deel ziet op aanslagen die dateren van vóór de aandelenoverdracht. [gedaagde sub 1] betwist dat hij belastingschulden had en beroept zich in dit verband op artikelonderdeel 5b van de notariële akte van 11 mei 2009 waarin staat: “de vennootschap heeft aan zijn verplichtingen voortvloeiende uit de fiscale en sociale wetgeving met betrekking tot onder meer het doen van aangiften en het verrichten van afdrachten voldaan”. Anders dan [gedaagde sub 1] bepleit, levert deze akte tegenover de curator geen dwingend bewijs op van het feit dat de vennootschap op 11 mei 2009 al haar belastingaanslagen had betaald. Deze akte levert tegenover de curator slechts dwingend bewijs op van het feit dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op 11 mei 2009 ten overstaan van de notaris hebben verklaard een overeenkomst te hebben gesloten waarin is bepaald hetgeen onder 5b staat beschreven. Dat de notaris de juistheid van wat bij 5b staat vermeld zelfstandig heeft gecontroleerd blijkt niet uit de akte en is door [gedaagde sub 1] ook niet gesteld of onderbouwd. [gedaagde sub 1] heeft daarentegen ter zitting erkend dat er op het moment van de overname in april 2009 nog belastingaanslagen betaald moesten worden. Ook als het juist is, zoals [gedaagde sub 1] heeft verklaard, dat hiervoor met de Belastingdienst een betalingsregeling was afgesproken die door de vennootschap werd nagekomen, dan betekent dat niet dat geen sprake was van een belastingschuld.

4.5.3.

Bij het pensioenfonds had de vennootschap nog een schuld van omstreeks € 17.000,-. Dat deze premieschuld geheel of grotendeels zou zijn ontstaan ná de overname acht de rechtbank niet aannemelijk, nu vast staat dat het personeel van de vennootschap al voor de aandelenoverdracht is overgegaan naar Nesselande. Zoals de curator heeft aangevoerd heeft [gedaagde sub 1] tegenover de FIOD verklaard dat de vordering van het pensioenfonds geen specifieke rol heeft gespeeld in zijn besluit om de vennootschap te verkopen “maar natuurlijk wel heeft meegespeeld in het totale plaatje”. Er was dus een vordering van het pensioenfonds en [gedaagde sub 1] wist dat. Ter zitting heeft [gedaagde sub 1] erkend dat er nog pensioennota’s betaald moesten worden. Ook hier geldt dat de omstandigheid dat hiervoor een betalingsregeling was getroffen niet betekent dat geen sprake was van een schuld.

4.5.4.

Tot slot staat vast dat de vennootschap nog een schuld had van in totaal € 74.286,- aan Holstru Beheer BV en Struijcken Beheer BV (van de echtgenote van [gedaagde sub 1] ), zij het dat deze schuld nooit is opgeëist en ook niet in het faillissement is ingediend.

4.5.5.

[gedaagde sub 1] stelt dat destijds tegenover deze schuldenlast voor omstreeks € 28.000,- openstond aan vorderingen op debiteuren. Dit bedrag was ontoereikend om de schulden van de vennootschap te voldoen. Dat de schulden van de vennootschap hoger waren dan de bezittingen en schulden is door [gedaagde sub 1] ook verklaard tegenover de FIOD, zoals blijkt uit het door de curator overgelegde proces-verbaal van getuigenverhoor door de FIOD.

4.6.

[gedaagde sub 1] voert ook het verweer dat het ‘leeghalen’ van de vennootschap is gebeurd door [gedaagde sub 2] nadat het bestuur en de aandelen waren overgedragen. Hij zou daar geen bemoeienis mee hebben gehad en ook niet hebben kunnen voorzien dat dit zou gaan gebeuren. Ook dit verweer slaagt niet. [gedaagde sub 1] zag dat de vennootschap het hoofd niet meer lang boven water kon houden, hij wilde er voor zorgen dat het personeel werk bleef houden en hij wilde voorkomen dat de vennootschap onder zijn beheer failliet zou gaan, zo heeft hij tegenover de FIOD verklaard. [gedaagde sub 1] heeft verklaard dat hij Nesselande heeft gevraagd de vennootschap over te nemen en dat Nesselande toen te kennen gaf wel het personeel en de activa te willen overnemen, maar niet de (aandelen in) de vennootschap. [gedaagde sub 1] heeft ook verklaard dat hij vóór zijn vertrek als bestuurder zelf heeft zorggedragen voor de overdracht van het personeel aan Nesselande. De rechtbank acht het aannemelijk dat [gedaagde sub 1] toen ook zelf de activa aan Nesselande heeft overgedragen. Maar ook als die activa nadien door [gedaagde sub 2] aan Nesselande zijn overgedragen, zoals [gedaagde sub 1] stelt maar niet onderbouwt, dan moet dit met medeweten van [gedaagde sub 1] zijn gebeurd. [gedaagde sub 1] had die overdracht van activa immers vooraf met Nesselande besproken. Ook in de conclusie van antwoord (onder randnummer 8) stelt [gedaagde sub 1] dat vooraf bekend was dat Nesselande het personeel zou overnemen, alsmede een aantal vrachtwagens/leasecontracten en klanten. [gedaagde sub 1] stelt niet te weten wat de opbrengst is geweest van die activa en waar die opbrengst is gebleven. Dat die opbrengst is gebruikt om schulden van de vennootschap af te lossen is niet gesteld of gebleken. Aangenomen moet daarom worden dat die opbrengst ten goede is gekomen van [gedaagde sub 1] of [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 1] heeft, als bestuurder van aandeelhouder Holstru Beheer BV, de aandelen in de vennootschap voor € 1,- van de hand gedaan aan [gedaagde sub 2] , en aan hem alle papieren en de bankpas van de rekening van de vennootschap overhandigd, zonder enig onderzoek te doen naar de persoon van [gedaagde sub 2] en diens plannen met de vennootschap, terwijl daar alle reden voor was gelet op de schulden die nog open stonden. Over die schulden is door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in het geheel niet gesproken. De hele gang van zaken toont aan dat [gedaagde sub 1] de vennootschap aan [gedaagde sub 2] heeft overgedragen om de nadelige gevolgen van een faillissement te ontlopen en dat hij daarbij geen oog heeft gehad voor de gerechtvaardigde belangen van de schuldeisers van de vennootschap. [gedaagde sub 1] wist, of behoorde althans te beseffen, dat er een grote kans was dat [gedaagde sub 2] misbruik zou maken van de vennootschap door deze ten gunste van zichzelf verder ‘leeg te halen’ waarna de schuldeisers zonder verhaalsmogelijkheden zouden achterblijven. Naar het oordeel van de rechtbank zou geen redelijk denkend bestuurder onder deze omstandigheden op deze wijze hebben gehandeld en moet dit handelen van [gedaagde sub 1] als kennelijk onbehoorlijk bestuur worden aangemerkt.

4.7.

De rechtbank acht aannemelijk dat de onbehoorlijke taakvervulling door [gedaagde sub 1] een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van de vennootschap. Uit hetgeen hiervoor onder 4.5 en 4.6 is overwogen volgt dat het verweer van [gedaagde sub 1] - dat de vennootschap ten tijde van de verkoop per saldo geen schuld had en dat [gedaagde sub 1] niet kon voorzien dat [gedaagde sub 2] de vennootschap zou leeghalen - niet slaagt. De vennootschap stond er financieel niet goed voor en door de wijze waarop [gedaagde sub 1] de vennootschap van de hand heeft gedaan en de vermogensbestanddelen daaruit heeft onttrokken, dan wel door [gedaagde sub 2] heeft laten onttrekken, heeft hij elke mogelijkheid om de vennootschap te redden of op een verantwoorde manier te liquideren, teniet gedaan. [gedaagde sub 1] is daarom op grond van artikel 2:248 lid 1 BW (juncto artikel 2:11 BW) persoonlijk aansprakelijk voor het faillissementstekort.

[gedaagde sub 2]

4.8.

De curator stelt zich ten aanzien van [gedaagde sub 2] onder meer op het standpunt dat [gedaagde sub 2] als bestuurder van de vennootschap geen jaarrekeningen heeft gedeponeerd en geen boekhouding heeft gevoerd, zodat vast staat dat [gedaagde sub 2] zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld, wat vermoed wordt een belangrijke oorzaak te zijn geweest van het faillissement (artikel 2:248 lid 2 BW).

4.9.

Ingevolge artikel 2:10 BW is het bestuur van een rechtspersoon verplicht van de vermogenstoestand en de werkzaamheden van de vennootschap een zodanige administratie te voeren, en deze administratie op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. Vast staat dat [gedaagde sub 2] aan deze verplichting niet heeft voldaan. [gedaagde sub 2] heeft geen enkel document aan de curator kunnen overleggen. [gedaagde sub 2] stelt dat hij ondanks herhaalde verzoeken de administratie nooit van [gedaagde sub 1] heeft ontvangen, maar de rechtbank acht dat niet aannemelijk nu [gedaagde sub 2] op 14 april 2009 een handtekening heeft gezet voor de ontvangst van de administratie (zie hiervoor onder 4.3). Bovendien heeft [gedaagde sub 2] tegenover de FIOD verklaard dat de administratie met nog wat andere spullen op de gang stond bij het kantoor en enkele dagen later, toen hij het wilde ophalen, was verdwenen. Dat [gedaagde sub 2] zich bij deze verklaring tegenover de FIOD zou hebben vergist en dat het zou gaan om de administratie van een andere vennootschap, zoals de advocaat van [gedaagde sub 2] ter zitting naar voren heeft gebracht, acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de boekhouding van de vennootschap door toedoen van [gedaagde sub 2] is kwijtgeraakt. Bovendien staat vast dat [gedaagde sub 2] over zijn eigen bestuursperiode van 29 april 2009 tot het faillissement op 21 februari 2012 geen administratie voor de vennootschap heeft gevoerd. Dat [gedaagde sub 2] geen activiteiten binnen de vennootschap heeft verricht en dat er weinig tot geen mutaties hebben plaatsgevonden, ontsloeg hem niet van zijn verplichting ex artikel 2:10 BW. Ook de in artikel 2:394 BW opgenomen verplichting tot deponering van de jaarrekening is door [gedaagde sub 2] meermaals geschonden, nu gedurende zijn bestuursperiode geen enkele jaarrekening is gedeponeerd.

4.10.

Uit de vaststelling dat [gedaagde sub 2] niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de artikelen 2:10 en 2:394 BW, volgt op grond van artikel 2:248 lid 2 BW dat hij zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en dat deze onbehoorlijke taakvervulling rechtens vermoed wordt een belangrijke oorzaak te zijn van het faillissement van de vennootschap.

4.11.

Ter weerlegging van dit wettelijk vermoeden stelt [gedaagde sub 2] dat het faillissement niet is veroorzaakt door haar onbehoorlijke taakvervulling maar doordat [gedaagde sub 1] buiten medeweten van [gedaagde sub 2] de activa van de vennootschap heeft verkocht aan Nesselande zonder de opbrengst daarvan ten goede te laten komen aan de vennootschap. De rechtbank volgt [gedaagde sub 2] hierin niet. Door het - aan [gedaagde sub 2] toe te rekenen - ontbreken van een administratie is niet te achterhalen wanneer de activa zijn verkocht, wat de opbrengst daarvan is geweest, en wat er met die opbrengst is gebeurd. [gedaagde sub 2] heeft daar ook niets over gesteld. Het staat dan ook niet vast dat deze verkoop een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. De rechtbank acht bovendien niet aannemelijk dat [gedaagde sub 2] niet op de hoogte zou zijn geweest van de overdracht van de activa aan Nesselande. [gedaagde sub 2] heeft er net als [gedaagde sub 1] niet op toegezien dat de opbrengsten ten goede kwamen aan de vennootschap. Er moet daarom vanuit worden gegaan dat het faillissement van de vennootschap mede is veroorzaakt doordat [gedaagde sub 2] zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld.

4.12.

Gelet op het voorgaande is [gedaagde sub 2] op grond van artikel 2:248 lid 2 BW persoonlijk aansprakelijk voor het faillissementstekort.

Hoofdelijke veroordeling

4.13.

Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] allebei aansprakelijk zijn voor het totale tekort in het faillissement van de vennootschap. De rechtbank zal hen daarom hoofdelijk veroordelen tot betaling aan de curator van dit tekort, nader op te maken bij staat, zoals door de curator is gevorderd. Een hoofdelijke veroordeling betekent dat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd.

4.14.

De rechtbank zal [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook hoofdelijk veroordelen tot betaling aan de curator van een voorschot van € 100.000,-, zoals is gevorderd. Omdat de hoogte van het tekort niet gemotiveerd is betwist, staat naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam vast dat het tekort tenminste € 100.000,- beloopt. Het gevraagde voorschot kan daarom worden toegewezen.

4.15.

Nu de primaire vorderingen van de curator worden toegewezen, komt de rechtbank aan een beoordeling van de subsidiaire vorderingen niet meer toe.

4.16.

Voor opheffing van de gelegde beslagen, waar [gedaagde sub 1] om heeft verzocht, ziet de rechtbank geen grond.

Proceskosten

4.17.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen, als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:

- dagvaarding € 162,20

- overige explootkosten 0,00

- griffierecht 1.909,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 4.913,20

4.18.

De gevorderde veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan de curator te betalen het bedrag van het faillissementstekort, nader op te maken bij staat,

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om bij wege van voorschot aan de curator te betalen een bedrag van € 100.000,00 (honderdduizend euro),

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 4.913,20, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat door hen niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis is voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M.A. van der Put en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2016.