Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:5487

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
06-10-2016
Datum publicatie
06-10-2016
Zaaknummer
C/01/307284 / EX RK 16-81
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deelgeschil letselschade. Verzoekster heeft na haar bevalling last van ernstige lichamelijke klachten als gevolg van bekkeninstabiliteit. Zij stelt dat het ziekenhuis bij de behandeling daarvan op drie punten onzorgvuldig heeft gehandeld en dat zij als gevolg daarvan thans grotendeels rolstoel-gebonden is. Partijen hebben een gezamenlijke expertise laten uitvoeren. Op grond van dat deskundigenrapport kan echter niet een causale verband tussen de door verzoekster gestelde verwijten aan het ziekenhuis en haar rolstoel-gebondenheid worden aangenomen. Ook kan verzoekster zich niet met succes beroepen op de omkeringsregel en de leer van de kansschade. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Het ziekenhuis wordt in de kosten van het deelgeschil veroordeeld, nu zij de aansprakelijkheid heeft erkend voor het verwijt van verzoekster waar in deze procedure de nadruk op ligt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 98
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2016-0370
PS-Updates.nl 2016-0359
JA 2017/15

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rekestnummer: C/01/307284 / EX RK 16-81

Beschikking deelgeschil letselschade van 6 oktober 2016

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. M.T. Spronck te Apeldoorn,

tegen

de stichting

STICHTING JEROEN BOSCH ZIEKENHUIS,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

verweerster,

advocaat mr. O.L. Nunes te Utrecht.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en JBZ worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift ex artikel 1019w Rv met producties van [verzoekster] van 14 april 2016;

  • -

    het verweerschrift met producties van JBZ van 16 augustus 2016;

  • -

    de brief van [verzoekster] van 22 augustus 2016 met producties;

  • -

    de mondelinge behandeling op 23 augustus 2016 en de daarbij overgelegde pleitaantekeningen van [verzoekster] .

1.2.

De rechtbank heeft in eerste instantie de uitspraakdatum bepaald op 4 oktober 2016, maar heeft die datum niet kunnen halen. De uitspraakdatum is daarom verdaagd naar heden.

2 De feiten

2.1.

Op 16 september 2011 is [verzoekster] in het JBZ bevallen van haar tweede dochter. Na deze bevalling hield [verzoekster] (pijn-) klachten in het gebied van de heup en het schaambeen.

2.2.

In verband met deze klachten heeft [verzoekster] op 13 januari 2012 een consult gehad bij [naam orthopedisch chirurg] , orthopedisch chirurg in het JBZ. Er zijn toen röntgenfoto’s gemaakt. [verzoekster] kreeg het advies om te blijven lopen.

2.3.

Eind januari 2012 heeft [verzoekster] een consult gehad bij [naam orthopedisch chirurg 2] , op dat moment orthopedisch chirurg in het JBZ. Opnieuw zijn er röntgenfoto’s gemaakt. Ook toen kreeg [verzoekster] het advies om te blijven lopen. Op 25 april 2012 heeft [verzoekster] wederom een consult bij [naam orthopedisch chirurg 2] gehad. De wijze van behandeling van de klachten van [verzoekster] is toen niet gewijzigd.

2.4.

In mei 2012 is [verzoekster] voor een second opinion gezien door [naam second opinion arts] te [vestigingsplaats] . [naam second opinion arts] constateert een scheefstand van de heup, die volgens hem is verergerd door het blijven lopen. Uit de foto’s die toen zijn gemaakt, blijkt dat door het lopen het bot aan de voorkant is weggesleten.

2.5.

[verzoekster] is op 24 oktober 2012 in het Academisch Ziekenhuis te Maastricht geopereerd, waarbij platen op/aan het schaambeen zijn geplaatst. Op deze operatie volgde een revalidatieperiode. In januari 2014 is [verzoekster] opnieuw geopereerd.

2.6.

Bij brief van 1 augustus 2013 heeft (de belangenbehartiger van) [verzoekster] het JBZ aansprakelijk gesteld wegens onzorgvuldig handelen.

2.7.

Partijen hebben een gezamenlijke expertise laten uitvoeren door [naam deskundige] (verder: [naam deskundige] ). In haar definitieve deskundigenrapport van 20 juli 2015 concludeert [naam deskundige] onder meer:

“(p. 12) Betrokkene is op 13-01-2012 gezien door [naam orthopedisch chirurg] . Deze sprak over postpartum bekkeninstabiliteit die spontaan zou herstellen. Betrokkene kreeg het advies om in beweging te blijven. In mijn optiek is primair conservatieve behandeling bij postpartum bekkeninstabiliteit algemeen aanvaard.

Op 25-04-2012 is betrokkene gezien door [naam orthopedisch chirurg 2] . Inmiddels liet een botscan een afwijking zien ter hoogte van de symfyse. Herhaald röntgenonderzoek toonde progressie van de afwijking. Betrokkene kreeg het advies om het bekken “aan elkaar te lopen”. In mijn optiek zou gezien de progressieve radiologische afwijking en ook de progressieve en zeer invaliderende klachten op dat moment een ander behandelbeleid overwogen hebben moeten worden. Alhoewel discrepanties bestaan over de weergave van klachten en de radiologische afwijking pas in retrospectie is gezien, zou in ieder geval vanwege het lange bestaan van ernstige invaliderende klachten een second opinion overwogen moeten worden.

Bovendien zou het raadzaam zijn geweest dat betrokkene het advies had gekregen om onbelast te mobiliseren met krukken danwel met een rolstoel gezien het verslechterde röntgenologische beeld.

[…]

(p. 12) In mijn optiek hadden de orthopedisch chirurgen reeds in maart/april 2012 bedacht moeten zijn op een afwijkend beloop van postpartum bekkeninstabiliteit. Bij het ontstaan van radiologische afwijkingen met osteolyse van de symfyse en het linker SI-gewricht zoals op de röntgenfoto d.d. 25-04-2012 had in mijn optiek de diagnose gewijzigd moeten worden in progressieve instabiliteit met botverlies.

[…]

(p. 13) In januari 2012 is in mijn optiek behandeld met de zorgvuldigheid die in 2012 van een redelijk bekwame en redelijk handelend orthopedisch chirurg mag worden verwacht, alhoewel het niet verrichten van een lichamelijk onderzoek in mijn optiek niet als zorgvuldig kan worden beschouwd.

Bij het constateren van progressieve afwijkingen zoals zichtbaar op het röntgenonderzoek en de botscan in maart/april 2012 is in mijn optiek niet zorgvuldig gehandeld. Het therapeutisch advies is niet zorgvuldig geweest. Het was raadzaam geweest om betrokkene te adviseren onbelast te mobiliseren met krukken danwel met een rolstoel. Verder was vanwege progressie van klachten en afwijkingen een second opinion of operatieve behandeling te overwegen geweest. Er bestaat geen protocol of evidence-based medicine over dit onderwerp. De meegezonden literatuur geeft echter aan dat chirurgische stabilisatie van postpartuminstabiliteit van de symfyse, met name in geval van SI-instabiliteit, gangbaar is. Dat was reeds vóór 2012 bekend in de literatuur.

[…]

(p. 13) Het is niet mogelijk om aan te geven hoe de behandeling, het beloop en het uiteindelijke resultaat zou zijn geweest indien betrokkene eerder operatief behandeld zou zijn geweest. In mijn optiek zou betrokkene echter bij een eerdere chirurgische ingreep, dat wil zeggen voordat ernstige osteolyse van de symfyse was opgetreden, grotere kans hebben gehad op een geslaagde osteosynthese van de symfyse en het SI-gewricht en zou een spinopelvine reconstructie waarschijnlijk achterwege hebben kunnen blijven. In welke mate betrokkene restklachten zou hebben gehad na een symfysiodese en SI-dese links is niet aan te geven. In ieder geval verwacht ik dat betrokkene in dat geval niet rolstoelgebonden zou zijn en in staat zou zijn om belast te mobiliseren.

[…]

(p. 13) Indien betrokkene operatief behandeld was voordat ernstige osteolyse van de symfyse of het SI-gewricht links was opgetreden, zou de kans op een gunstig behandelresultaat in mijn optiek groot zijn geweest.

Onder de gegeven omstandigheden met ernstige osteolyse van de symfyse en osteolyse in het linker SI-gewricht zou de kans op een gunstig behandelresultaat in ieder geval aanzienlijk zijn geweest. Daarbij wordt met een gunstig behandelresultaat bedoeld dat uiteindelijk consolidatie van de symfyse en het linker SI-gewricht zou zijn opgetreden waarbij betrokkene in staat zou zijn geweest om belast te mobiliseren en niet rolstoelgebonden zou zijn.

[…]

(p. 14) De thans gevonden afwijkingen zijn gedeeltelijk te zien als gevolg van de niet-correcte behandeling. Het is zeer goed mogelijk dat betrokkene ook bij een correcte behandeling restafwijkingen zou hebben gehad. In welke mate betrokkene restafwijkingen zou hebben gehad indien zij in een vroeg stadium operatief zou zijn behandeld is niet met zekerheid aan te geven. Ik verwacht echter dat zij bij een correctie behandeling thans niet rolstoelgebonden zou zijn en in staat zou zijn om belast te mobiliseren.

2.8.

Als bijlage bij het definitieve deskundigenrapport is gevoegd een beantwoording door [naam deskundige] van vragen die JBZ haar heeft gesteld naar aanleiding van een concept rapport. In die beantwoording is opgenomen:

“Ad 4.

De progressieve radiologische afwijkingen en de progressieve zeer invaliderende klachten hadden in mijn optiek reden moeten zijn om niet vast te houden aan het ingestelde afwachtende beleid. In mijn optiek had een verwijzing naar revalidatiearts en pijnteam, of beter nog verwijzing naar een academisch/tertiair centrum moeten plaatsvinden om een indicatie voor operatief ingrijpen te beoordelen.

Ad 5.

Zoals reeds aangegeven onder Ad 1. zijn de oorzaken van post-partum bekkeninstabiliteit multifactorieel bepaald. De behandelopties zijn in eerste instantie conservatief alhoewel bij langdurige en invaliderende klachten ook operatieve behandelmogelijkheden worden aangegeven. Er bestaat literatuur over resultaten welke zeer uiteenlopend zijn. Zoals ook blijkt uit de Europese richtlijnen voor diagnose en behandeling van bekkengordelpijn is er geen eenduidige behandeling die als gouden standaard geldt. Wetenschappelijke onderbouwing voor diverse soorten behandeling ontbreekt. Overigens wordt botverlies/osteolyse niet specifiek genoemd in de literatuur. Of bij een eerdere operatieve ingreep het huidige ziektebeeld anders zou zijn geweest, óf dat het bij voortzetten van een conservatieve behandeling het huidige ziektebeeld anders zou zijn geweest, kan ik niet gefundeerd aangeven.

[…]

Ad 7.

[…]

In mijn optiek is het derhalve onzorgvuldig om geen lichamelijk onderzoek te verrichten aan het bekken en de onderste extremiteiten bij de genoemde klachten. Of indien lichamelijk onderzoek had plaatsgevonden dit zou hebben geleid tot een andere diagnose is niet zeker. Evenmin kan ik aangeven of de inschatting van de ernst van de aandoening beter zou zijn geweest na adequaat lichamelijk onderzoek en of dit zou hebben geleid tot doorverwijzing voor second opinion of anderszins. Overigens is in mijn optiek in eerste instantie het conservatieve beleid zeker gerechtvaardigd geweest. Juist het langdurige en afwijkende beloop zou in mijn optiek reden zijn geweest voor aanvullend zorgvuldig lichamelijk onderzoek en eventueel vervolgonderzoek.

[…]

Ad 11.

Ik verwijs opnieuw naar de genoemde artikelen die ook als bijlage worden toegevoegd. Op grond van de literatuur kan ik geen uitspraak doen over de mate waarin betrokkene restafwijkingen zou hebben gehad wanneer zij eerder was geopereerd.

[…]”

2.9.

[naam deskundige] heeft naar aanleiding van de beantwoording van de vragen van JBZ de tekst van haar definitieve deskundigenrapport ten opzichte van de tekst van het concept-rapport niet aangepast.

2.10.

In haar brief van 14 november 2015 aan [verzoekster] erkent JBZ (althans, haar aansprakelijkheidsverzekeraar Centramed) de aansprakelijkheid voor:

de gevolgen van het niet adequaat reageren op de progressieve radiologische afwijkingen op 25 april 2012, waarvoor een verwijzing naar een revalidatie-arts en pijnteam had moeten plaatsvinden om een indicatie voor operatief ingrijpen te beoordelen.

3 Het verzoek en de standpunten van partijen

3.1.

[verzoekster] verzoekt een verklaring voor recht dat haar (grotendeels) rolstoelgebondenheid een gevolg is van het tekortschieten dan wel onzorgvuldig handelen van de orthopedisch chirurgen van het JBZ en (primair) te bepalen dat de daaruit voortvloeiende schade door het JBZ volledig dient te worden vergoed dan wel (subsidiair) te bepalen dat de gevorderde vergoedingsplicht beperkt wordt tot 90% dan wel tot een door de rechtbank te bepalen percentage. Daarnaast verzoekt [verzoekster] om begroting en veroordeling van JBZ tot betaling van de deelgeschilkosten, inclusief het betaalde griffierecht en aanvullende medische advieskosten.

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoekster] - samengevat - het navolgende ten grondslag.

Uit het rapport van [naam deskundige] leidt [verzoekster] af dat er een conditio sine qua non-verband bestaat tussen haar rolstoelgebondenheid en het onzorgvuldig handelen van de orthopeden van het JBZ. Die onzorgvuldigheid bestaat volgens [naam deskundige] daaruit:

  1. dat [verzoekster] in januari 2012 niet lichamelijk is onderzocht;

  2. dat de orthopeden in maart 2012 bedacht hadden moeten zijn op het afwijkend beloop van de postpartum bekkeninstabiliteit;

  3. dat op 25 april 2012 het therapeutisch advies om te blijven lopen onjuist is en dat toen een second opinion of operatieve ingreep overwogen had moeten worden.

Volgens [naam deskundige] zou [verzoekster] bij een eerdere chirurgische ingreep niet rolstoelgebonden zijn. In dat geval zou er slechts 5% invaliditeit gehele persoon zijn, terwijl dat nu 16% is. De schade in verband met het verschil van 11% moet JBZ vergoeden.

Ten onrechte beroept JBZ zich op de beantwoording door [naam deskundige] van de aan haar gestelde vragen naar aanleiding van een concept-rapportage. [naam deskundige] heeft in (haar beantwoording van) de door het JBZ gestelde vragen immers geen aanleiding gezien om in de definitieve rapportage haar conclusies uit het concept-rapport aan te passen en/of aan te vullen.

Subsidiair beroept [verzoekster] zich op de zogenoemde omkeringsregel. De gedragingen van de orthopeden van het JBZ zijn in strijd met een norm, die strekt ter voorkoming van een specifiek gevaar, dat zich in dit geval ook heeft verwezenlijkt.

Meer subsidiair beroept [verzoekster] zich op de leer van de kansschade.

3.3.

JBZ voert - kort weergegeven - de volgende verweren.

  • -

    Het geschil leent zich niet voor een beoordeling in een deelgeschilprocedure. Partijen verschillen van mening over de interpretatie van het rapport van [naam deskundige] . Verder heeft [verzoekster] verzuimd medische informatie van na de ingreep op 24 oktober 2012 in het geding te brengen en die informatie is relevant voor de beoordeling van deze zaak. Ook heeft [verzoekster] ten aanzien van de door haar gestelde beperkingen niet aan haar stelplicht voldaan. Ten slotte stelt JBZ dat feitelijk het gehele geschil tussen partijen hier voorligt.

  • -

    Het verzoek moet om inhoudelijke redenen worden afgewezen. JBZ heeft bezwaren tegen de conclusies van [naam deskundige] . Het causale verband tussen het gestelde onzorgvuldig handelen en de rolstoelgebondenheid is niet gegeven. Verder mist de omkeringsregel in deze zaak toepassing. Ook bestaan er teveel onduidelijkheden om aan het toetsen van kansschade toe te kunnen komen.

  • -

    Ten slotte maakt JBZ bezwaar tegen de door [verzoekster] gevorderde kosten van dit deelgeschil.

3.4.

Op hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd, zal de rechtbank waar nodig in het navolgende nader ingaan.

4 De beoordeling

4.1.

Allereerst ligt voor de vraag of het verzoek van [verzoekster] zich leent voor een behandeling in deze deelgeschilprocedure. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Doel van de deelgeschilprocedure is de vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- en overlijdensschade de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen, waardoor partijen een extra instrument in handen krijgen om een impasse te doorbreken. In de deelgeschilprocedure kunnen geschillen aan de orde komen omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake van de schade door dood of letsel tussen partijen rechtens geldt. De beslissing daarover dient ingevolge artikel 1019z Rv bij te kunnen dragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering zoals die zou luiden indien de zaak als bodemzaak zou zijn aangebracht. De rechterlijke uitspraak moet partijen dus in staat stellen om de buitengerechtelijke onderhandelingen weer op te pakken en deze mogelijk definitief af te ronden.

Het onderhavige verzoek valt naar het oordeel van de rechtbank binnen de omschrijving van artikel 1019w Rv. Het verzoek kán bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als uitgangspunt geldt dat de vraag naar een (juridisch) causaal verband tussen - kort gezegd - een gesteld onzorgvuldig handelen en een gesteld letsel aan de deelgeschilrechter kan worden voorgelegd. De rechtbank ziet ook in het voorliggende geval geen (formeel) beletsel om aan de hand van de thans voorliggende informatie (met de nadruk op het rapport van [naam deskundige] ) en de stellingen van partijen te beoordelen of het door [verzoekster] gestelde causale verband tussen onzorgvuldig handelen door het JBZ enerzijds en haar rolstoelgebondenheid anderzijds kan worden aangenomen. Voor het geval in dat kader nadere bewijslevering dan wel een nadere raadpleging van deskundigen noodzakelijk blijkt te zijn, zal het verzoek van [verzoekster] om inhoudelijke redenen worden afgewezen, nu de deelgeschilprocedure daarvoor in beginsel geen plaats biedt.

Het verweer van het JBZ op dit punt faalt derhalve.

De rechtbank volgt het JBZ voorts niet in haar standpunt dat [verzoekster] in dit deelgeschil in wezen het gehele geschil voorlegt.

4.2.

Vervolgens is aan de orde of de (grotendeels) rolstoelgebondenheid van [verzoekster] een gevolg is van het tekortschieten dan wel onzorgvuldig handelen van de orthopedisch chirurgen van het JBZ.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat het gestelde causale verband - anders dan [verzoekster] stelt - niet kan worden aangenomen op grond van het deskundigenrapport van [naam deskundige] , dat door [verzoekster] in deze procedure als uitgangspunt wordt genomen (vgl. aantekeningen mondelinge behandeling mr. Spronck sub 13). Weliswaar concludeert [naam deskundige] dat in haar optiek [verzoekster] bij een eerdere chirurgische ingreep niet rolstoelgebonden zou zijn, maar een gedegen onderbouwing van die conclusie ontbreekt. Dat klemt temeer nu [naam deskundige] zelf in haar rapport ook stelt dat het niet mogelijk is om aan te geven hoe de behandeling, het beloop en het uiteindelijke resultaat zouden zijn geweest indien [verzoekster] eerder operatief behandeld zou zijn geweest. Dit lijkt in tegenspraak met elkaar en behoeft een nadere toelichting van [naam deskundige] .

Overigens maakt [naam deskundige] het JBZ niet het verwijt dat zij eerder chirurgisch had moeten ingrijpen. [naam deskundige] stelt in haar rapport op dat punt enkel dat ten tijde van het consult van [verzoekster] bij [naam orthopedisch chirurg 2] op 25 april 2012, een second opinion of operatieve behandeling te overwegen was geweest. In de beantwoording van de vragen van het JBZ naar aanleiding van het concept-rapport concretiseert [naam deskundige] dat verwijt, door te stellen dat in haar optiek een verwijzing naar een revalidatiearts en pijnteam dan wel naar een academisch/tertiair centrum had moeten plaatsvinden om een indicatie voor operatief ingrijpen te beoordelen. Daaruit kan de rechtbank niet opmaken dat [verzoekster] in de ogen van deskundige [naam deskundige] ten tijde van het consult op 25 april 2012 zonder meer geopereerd had moeten worden.

Hier komt bij dat [naam deskundige] in de beantwoording van de vragen van het JBZ verder stelt dat zij niet gefundeerd kan aangeven of bij een eerdere operatieve ingreep het huidige ziektebeeld anders zou zijn geweest. Tussen partijen bestaat verschil van mening hoe dit antwoord van [naam deskundige] zich verhoudt met de conclusies van [naam deskundige] in het deskundigenrapport zelf. Volgens JBZ heeft [naam deskundige] daarmee haar eerdere conclusies afgezwakt, maar heeft zij nagelaten dat in haar definitieve rapport te verwerken. [verzoekster] stelt daarentegen dat [naam deskundige] haar conclusies in het rapport wel zou hebben aangepast, als de antwoorden op de aanvullende vragen van het JBZ zich daarmee niet zouden verhouden. [verzoekster] heeft [naam deskundige] op dit punt echter niet om een toelichting gevraagd, terwijl het standpunt van JBZ al ruim voor deze deelgeschilprocedure bij haar bekend was (vgl. de brief van Centramed aan de belangenbehartiger van [verzoekster] van 4 november 2015; vrzk prod. 13). De rechtbank ziet in hetgeen in deze procedure voorligt onvoldoende grond om aangaande de verhouding tussen het rapport en de antwoorden op de gestelde aanvullende vragen het standpunt van [verzoekster] te kunnen volgen.

Voorts acht de rechtbank het volgende van belang. Waar [naam deskundige] in haar rapport in eerste instantie concreet ingaat op het verband tussen operatief ingrijpen en de rolstoelgebondenheid, concludeert zij op pagina 14 van het deskundigenrapport opeens meer in het algemeen dat [verzoekster] bij een “correcte behandeling” thans niet rolstoelgebonden zou zijn. [verzoekster] beroept zich hier ook op in haar verzoekschrift (sub 22). Zonder nadere toelichting, die [naam deskundige] in haar rapport niet heeft gegeven, kan de rechtbank uit deze meer algemene conclusie van [naam deskundige] niet opmaken dat zij daarmee heeft bedoeld een verband aan te nemen tussen de door [verzoekster] in deze procedure aan het JBZ gemaakte drie verwijten en haar rolstoelgebondenheid.

Ten slotte stelt de rechtbank in navolging van het JBZ vast dat al in mei 2012, toen [verzoekster] voor een second opinion een bezoek heeft gebracht aan [naam second opinion arts] , het medisch behandelingstraject is ingezet dat in de ogen van [naam deskundige] op 25 april 2012 door [naam orthopedisch chirurg 2] had moeten worden ingezet. Het delay bedraagt derhalve ongeveer een maand en [naam deskundige] laat zich over dat (ogenschijnlijk) beperkte delay in het geheel niet uit.

Alles overziende concludeert de rechtbank dat uit het rapport van [naam deskundige] niet een direct verband kan worden gedestilleerd tussen de door [verzoekster] gestelde verwijten aan het JBZ en haar rolstoelgebondenheid. Het stellen van aanvullende vragen aan [naam deskundige] valt naar het oordeel van de rechtbank buiten het bestek van de deelgeschilprocedure.

4.4.

Het beroep van [verzoekster] op de zogenoemde omkeringsregel kan haar naar het oordeel van de rechtbank niet baten. Voor de toepassing van deze regel is vereist dat is komen vast te staan dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die ertoe strekt een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade bij een ander te voorkomen en dat degene die zich op de schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt (vgl. onder meer HR 29 november 2002, NJ 2004, 304). [verzoekster] stelt ter onderbouwing van haar beroep op de omkeringsregel, dat uit de literatuur destijds helder was dat chirurgische stabilisatie van postpartum instabiliteit van de symfys, met name in geval van SI-instabiliteit, gangbaar was. Dit, aldus [verzoekster] , met als doel dat de patiënt op termijn belast kan mobiliseren en te voorkomen dat de patiënt blijvend rolstoelgebonden wordt (vrzk sub 29). [verzoekster] heeft hiermee niet een norm gesteld die in de voorliggende casus tot toepassing van de omkeringsregel kan leiden. Zoals hiervoor reeds overwogen, heeft [naam deskundige] het JBZ immers niet het verwijt gemaakt dat zij op/rond 25 april 2012 heeft nagelaten om chirurgisch in te grijpen. [naam deskundige] concludeert enkel dat op dat moment een verwijzing naar een revalidatiearts en pijnteam dan wel naar een academisch/tertiair centrum had moeten plaatsvinden om een indicatie voor operatief ingrijpen te beoordelen. JBZ wijst hier in haar verweer tegen de toepassing van de omkeringsregel ook op. De rechtbank volgt dat verweer.

4.5.

De leer van de kansschade, waarop [verzoekster] zich in deze procedure beroept, is geëigend om een oplossing te bieden voor sommige situaties waarin onzekerheid bestaat over de vraag of een op zichzelf vaststaande tekortkoming of onrechtmatige daad schade heeft veroorzaakt, en waarin die onzekerheid haar grond vindt in de omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre in de hypothetische situatie dat de tekortkoming of onrechtmatige daad achterwege zou zijn gebleven, de kans op succes zich in werkelijkheid ook zou hebben gerealiseerd (vgl. onder meer HR 21 december 2012, VR 2013, 35). Het beroep van [verzoekster] op deze rechtspraak kan niet tot toewijzing van haar verzoek leiden. Volgens [verzoekster] moet in dit kader op basis van de beoordeling van [naam deskundige] worden vastgesteld dat de kans als aanzienlijk/groot moet worden geoordeeld dat bij wegdenken van het tekortschieten van de orthopedisch chirurgen van het JBZ, zij niet rolstoelgebonden zou zijn geweest (vrzk sub 30 en aantekeningen mondelinge behandeling sub 26)). Hierin kan [verzoekster] niet worden gevolgd. Ook hierbij geldt dat [naam deskundige] in haar rapport weliswaar concludeert - kort gezegd - dat [verzoekster] bij eerder chirurgisch ingrijpen niet rolstoelgebonden zou zijn, maar dat het aan het JBZ in deze deelgeschilprocedure gemaakt verwijt niet inhoudt dat er door haar ten onrechte niet chirurgisch is ingegrepen.

Een verdere onderbouwing van haar beroep op kansschade heeft [verzoekster] niet gegeven.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van [verzoekster] zal worden afgewezen.

4.7.

Ten aanzien de kosten van dit deelgeschil overweegt de rechtbank als volgt.

Ondanks de afwijzing van het verzoek van [verzoekster] , dient in beginsel op de voet van artikel 1019aa Rv begroting plaats te vinden van de kosten die zij heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit deelgeschil. Daarbij dient de rechter de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets te hanteren; het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn.

[verzoekster] begroot de kosten voor het deelgeschil op in totaal € 14.147,73. Dit bedrag hangt volgens [verzoekster] samen met 34 gedeclareerde uren tegen een tarief van € 295,- per uur, te vermeerderen met 6% kantoorkosten en 21% BTW. [verzoekster] verzoekt de rechtbank voorts om ook rekening te houden met het door haar betaalde griffierecht van € 285,- en een bedrag van € 825,- (exclusief BTW) in verband met aanvullende kosten voor medische advisering.

JBZ meent dat de begroting van de kosten niet redelijk is vanwege het gehanteerde uurtarief en het aantal uren. Het is volgens JBZ niet redelijk om een specialistentarief op te voeren én daarnaast veel uren op te voeren. Het JBZ acht in deze zaak een uurtarief van € 200,- (exclusief kantoorkosten en BTW) voor maximaal 15 uur redelijk. Overigens betwist JBZ dat de kosten in redelijkheid zijn gemaakt, nu het deelgeschil onterecht is ingesteld. Bovendien staat niet vast dat [verzoekster] daadwerkelijk de opgegeven kosten aan haar belangenbehartiger heeft voldaan. Reden waarom de kosten op nihil moeten worden begroot. Voor een veroordeling tot betaling van de kosten is volgens het JBZ geen plaats, nu het causale verband tussen de gebeurtenis waarvoor aansprakelijkheid is erkend en de gestelde rolstoelgebondenheid niet vaststaat.

4.8.

De rechtbank volgt JBZ niet in haar standpunt dat kostenbegroting achterwege kan blijven. In hetgeen JBZ daartoe heeft aangevoerd, is onvoldoende grond gelegen voor het oordeel dat [verzoekster] de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht heeft ingesteld.

Wel volgt de rechtbank JBZ in haar stelling dat het aantal opgevoerde uren de redelijkheidstoets niet kan doorstaan. De rechtbank acht in de voorliggende zaak een aantal van in totaal 25 uren redelijk. Voor het daarnaast matigen van het gehanteerde uurtarief, heeft JBZ onvoldoende aangevoerd.

De rechtbank begroot de kosten van dit deelgeschil daarom op een bedrag van € 10.742,43,- ((25 x 295 x 1,06 x 1,21) + 285 + (825 x 1,21)).

4.9.

Deze kosten hebben ingevolge artikel 1019aa, lid 2 Rv te gelden als kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Nu in deze procedure de nadruk ligt op het verwijt van [verzoekster] aan het JBZ met betrekking tot het niet adequaat handelen op 25 april 2012 en het JBZ de aansprakelijkheid daarvoor heeft erkend, zal de rechtbank JBZ veroordelen tot betaling van het begrote bedrag. Daaraan staat niet in de weg de door JBZ in dit kader aangevoerde omstandigheid dat het causale verband tussen de gebeurtenis waarvoor aansprakelijkheid is erkend en de gestelde rolstoelafhankelijkheid niet vaststaat. Ook het enkele feit, zoals door JBZ aangevoerd, dat [verzoekster] de door haar gestelde kosten voor het deelgeschil nog niet aan haar raadsman heeft voldaan, staat aan deze veroordeling niet in de weg.

5 De beslissing

De rechtbank,

5.1.

wijst de verzoeken van [verzoekster] af;

5.2.

begroot de kosten van dit deelgeschil aan de zijde van [verzoekster] op € 10.742,43 en veroordeelt JBZ tot betaling van dat bedrag aan [verzoekster] .

Deze beschikking is gegeven door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2016.