Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:5454

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
17-10-2016
Zaaknummer
16_1690
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van beroepen tegen handhavings- en invorderingsbesluit wegens overtreding van provinciale Verordening stikstof.

De provinciale Verordening stikstof natura 2000 Noord-Brabant vindt haar grondslag in de Natuurbeschermingswet 1998. Naar het oordeel van de rechtbank moeten artikel 2 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak juncto artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in onderlinge samenhang bezien, zo worden uitgelegd dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in eerste en enige aanleg bevoegd is te oordelen over handhavingsbesluiten die zijn genomen wegens overtreding van de wetten of daarop gebaseerde regelingen die zijn genoemd in artikel 2 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, met uitzondering van die handhavingsbesluiten waarop in de genoemde bijzondere wetten hoofdstuk 5 van de Wabo van toepassing is verklaard. Nu de bestreden last onder dwangsom niet is opgelegd wegens overtreding van een vergunningsvoorschrift is deze uitzondering niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7378

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 16/1690 en SHE 16/1696

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 oktober 2016 in de zaak tussen

[eisers] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: ing. J.B.M. Lauwerijssen),

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2014 (het dwangsombesluit) heeft verweerder eisers gelast om binnen zes maanden na verzending van het dwangsombesluit hun varkenshouderij aan de [adres] te laten voldoen aan artikel 3 van de Verordening stikstof natura 2000 Noord-Brabant (de Verordening). Daarbij heeft verweerder aangegeven dat, indien eisers niet voldoen aan genoemde last, zij na afloop van de begunstigingstermijn een dwangsom verbeuren van € 1.000,00 per week waarin wordt geconstateerd dat artikel 3 van de Verordening wordt overtreden doordat de luchtwasser op stal 1 geen streefrendement heeft van 85%, met een maximum van € 50.000,00.

Bij besluit van 14 juli 2015 (het invorderingsbesluit) heeft verweerder besloten over te gaan tot invordering van een dwangsom van € 50.000,00.

Eisers hebben tegen het dwangsombesluit en invorderingsbesluit afzonderlijk bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om ter zake van beide besluiten een voorlopige voorziening te treffen. Deze verzoeken zijn geregistreerd onder de nummers 16/109 (het invorderingsbesluit) en SHE 16/351 (het dwangsombesluit). Bij uitspraak van 11 februari 2016 heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in zaak SHE 16/351 afgewezen. In zaak SHE 16/109 heeft de voorzieningenrechter het invorderingsbesluit geschorst tot en met zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar.

Bij besluit van 3 mei 2016 heeft verweerder de bezwaren tegen het dwangsombesluit en het invorderingsbesluit ongegrond verklaard en beide besluiten met een verbeterde motivering in stand gelaten. Hiertegen hebben eisers beroep ingesteld.

Naar aanleiding van de uitnodiging voor een zitting van de enkelvoudige kamer hebben partijen de rechtbank schriftelijk medegedeeld van mening te zijn dat niet de rechtbank maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bevoegd is over deze zaken te oordelen.

Partijen hebben de (griffier van de) rechtbank telefonisch toestemming verleend om in deze zaken zonder zitting uitspraak te doen. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek in deze zaken gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of zij bevoegd is tot kennisneming van de aan haar voorgelegde geschillen. Dit onderzoek geschiedt ambtshalve, met inachtneming van de schriftelijke zienswijzen die partijen over de bevoegdheidskwestie naar voren hebben gebracht.

2. Ingevolge artikel 8:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het beroep worden ingesteld bij de rechtbank, tenzij een andere bestuursrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak dan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift.

3. Ingevolge artikel 2 van hoofdstuk 2 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, opgenomen in bijlage 2 bij de Awb, kan tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, beroep worden ingesteld bij de Afdeling.

In dit artikel is onder meer artikel 5:32 van de Awb genoemd, voor zover het besluit betrekking heeft op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de in artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer bedoelde wetten of wettelijke bepalingen dan wel de Ontgrondingenwet.

4. In artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zijn onder meer genoemd besluiten op grond van artikel 5:32 van de Awb, voor zover het besluit betrekking heeft op handhaving van het bepaalde bij of krachtens andere wetten dan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) waarop hoofdstuk 5 van laatstgenoemde wet van toepassing is, waartegen ingevolge artikel 2 van de bij de Awb behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak beroep bij de Afdeling kan worden ingesteld. De Natuurbeschermingswet 1998 is een van de in artikel 2 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak genoemde wetten.

5. Ingevolge artikel 5.1 van de Wabo is hoofdstuk 5 van de Wabo van toepassing op de uitvoering en handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde, alsmede op de uitvoering en handhaving van het bepaalde bij of krachtens (onder meer) de Natuurbeschermingswet 1998, voor zover dit bij of krachtens deze wet is bepaald.

6. In artikel 57a van de Natuurbeschermingswet 1998 wordt hoofdstuk 5 van de Wabo van toepassing verklaard op bestuursrechtelijke handhaving van de voorschriften genoemd in hoofdstuk IX van de Natuurbeschermingswet 1998. Dit hoofdstuk “Omgevingsvergunning” ziet op voorschriften met betrekking tot activiteiten die aanhaken bij de omgevingsvergunning. Tegen besluiten met betrekking tot handhaving van bij de omgevingsvergunning aangehaakte voorschriften staat in eerste aanleg beroep open op de rechtbank.

7. Naar het oordeel van de rechtbank moeten artikel 2 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak juncto artikel 20.3, eerste lid van de Wet milieubeheer, in onderlinge samenhang bezien, zo worden uitgelegd dat de Afdeling in eerste en enige aanleg bevoegd is te oordelen over handhavingsbesluiten die zijn genomen wegens overtreding van de wetten of daarop gebaseerde regelingen die zijn genoemd in artikel 2 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, met uitzondering van die handhavingsbesluiten waarop in de genoemde bijzondere wetten hoofdstuk 5 van de Wabo van toepassing is verklaard.

8. In dit geval is de bestreden last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van het bepaalde in artikel 3 van de Verordening stikstof en natura 2000 Noord-Brabant 2013. Deze Verordening haar grondslag vindt in de Natuurbeschermingswet 1998. De bestreden last onder dwangsom is niet opgelegd wegens overtreding van een vergunningsvoorschrift. Daarom is de in de vorige rechtsoverweging genoemde uitzondering niet van toepassing.

9. Weliswaar noemt artikel 2 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak invorderingsbesluiten niet expliciet maar een redelijke wetstoepassing houdt in dat de Afdeling ter zake van het beroep dat is gericht tegen het invorderingsbesluit, dat samenhangt met het dwangsombesluit waarover de Afdeling bevoegd is te oordelen, eveneens bevoegd is. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in artikel 5:39, eerste lid, van de Awb, waarin is bepaald dat een aangewend rechtsmiddel tegen de last onder dwangsom mede betrekking heeft op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. De Afdeling heeft in soortgelijke zin overwogen ten aanzien van een kostenbeschikking na een last onder bestuursdwang bij uitspraak van 1 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3589.

10. De rechtbank komt tot de slotsom dat zij onbevoegd is kennis te nemen van de aan haar voorgelegde geschillen en dat de Afdeling in eerste en enige aanleg bevoegd is. Daarom zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren en de beroepen - met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb - ter behandeling als beroepen in eerste aanleg doorzenden aan de Afdeling.

11. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder - met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb - op te dragen het betaalde griffierecht aan eisers te vergoeden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het bestreden besluit van een onjuiste rechtsmiddelenclausule is voorzien, en dat voor de behandeling van de beroepen door de Afdeling wederom griffierecht zal worden geheven.

12. De rechtbank ziet geen reden om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eisers gemaakte proceskosten. De door de gemachtigde van eisers vervaardigde processtukken zullen immers worden betrokken bij de behandeling van de beroepen door de Afdeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart zich onbevoegd;

- bepaalt dat de beroepschriften, met daarbij behorende stukken, ter behandeling als beroepen in eerste aanleg worden doorgezonden aan de Afdeling;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in € 168,00 aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
4 oktober 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.