Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:536

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-02-2016
Datum publicatie
12-02-2016
Zaaknummer
01/993295-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben van 8 liter amfetamine-olie.

Verdachte is eerder veroordeeld voor strafbare voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie van synthetische drugs.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/993295-15

Datum uitspraak: 11 februari 2016

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1982] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

thans gedetineerd te: PI Zuid West - De Dordtse Poorten.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 oktober 2015, 13 januari 2016, 26 januari 2016 en 28 januari 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 augustus 2015.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 juli 2015 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 8 liter amfetamineolie, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Overweging met betrekking tot de bewezenverklaring.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting bepleit dat verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat op het moment van de staande houding van verdachte geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. De daarop volgende aanhouding van verdachte was onrechtmatig, zodat al hetgeen daaruit voortvloeit van het bewijs dient te worden uitgesloten en overig bewijs niet voorhanden is.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsman dient te worden verworpen. De Volkswagen Golf stond geparkeerd op de stoep. Uit onderzoek bleek dat de Golf voorkomt in de politieregisters. Gezien werd dat er voorwerpen werden overgegeven. Verbalisanten vonden de situatie dermate verdacht dat ze besloten om verdachte en de medeverdachte de cautie te geven. Er was zeker een vermoeden dat verdachte en de medeverdachte zich schuldig maakten aan een strafbaar feit. De officier van justitie is dan ook van oordeel dat sprake was van een rechtmatige staande houding en vervolgens van een rechtmatige aanhouding.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van bevindingen, dat is opgemaakt door [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (p. 34 e.v. van het dossier), leidt de rechtbank de volgende gang van zaken af.
Op 14 juli 2015 omstreeks 15.40 uur ziet [verbalisant 1] op de hoek van de [adres 2] en de [adres 3] in Eindhoven een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] opvallend op de stoep geparkeerd staan. Hij ziet dat er twee personen in de auto zitten en dat de bijrijder een wit petje draagt. Hij ziet dat beide personen om zich heen kijken, wat op hem de indruk maakt dat ze ergens op staan te wachten. [verbalisant 1] neemt hierop onopvallend positie in met zicht op de Volkswagen Golf. Ondertussen stelt hij zijn collega’s portofonisch op de hoogte van zijn bevindingen. [verbalisant 3] bevraagt het kenteken van de Volkswagen Golf in de politiesystemen. Hij ziet dat het kenteken in zeer veel registraties genoemd wordt. Hij ziet dat in de meeste van deze registraties het kenteken in verband wordt gebracht met het woonwagenkamp gelegen aan de [adres 2] in [plaats] . Het is de verbalisanten ambtshalve bekend dat enkele van de bewoners van dit woonwagenkamp zich bezighouden met de productie van verdovende middelen. Even later ziet [verbalisant 1] dat verdachte naar de Volkswagen Golf loopt. Hij ziet dat [medeverdachte 1] uit de Volkswagen Golf stapt, twee vrij grote witkleurige voorwerpen van de achterbank pakt en samen met verdachte naar een verderop geparkeerde Ford Focus loopt. De witte voorwerpen werden op de achterbank van de Ford Focus gelegd. Verdachte en [medeverdachte 1] lopen weg en worden kort daarna door [verbalisant 4] en [verbalisant 2] aangesproken en naar hun personalia gevraagd.

De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden, zoals deze in het hierboven genoemde proces-verbaal van de verbalisanten zijn beschreven, op zichzelf van onvoldoende gewicht zijn om ten aanzien van verdachte te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat verdachte op het moment van de staande houding niet kon worden aangemerkt als verdachte in de zin van artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank stelt dan ook vast dat de staande houding onrechtmatig is geweest.
Nadat verdachte en [medeverdachte 1] door de verbalisanten waren staande gehouden en aan hen de cautie was medegedeeld, hebben zij ten overstaan van de verbalisanten verklaard dat zij in geen enkel voertuig hadden gezeten en dat zij geen goederen in een voertuig hadden gelegd, terwijl één van de verbalisanten kort daarvoor had gezien dat [medeverdachte 1] uit de Volkswagen Golf was gestapt en dat er door verdachte en [medeverdachte 1] goederen uit de Volkswagen Golf in de Ford Focus werden gelegd. De eerder geconstateerde feiten en omstandigheden, zoals beschreven in het proces-verbaal van bevindingen, de onjuiste verklaring die verdachte vervolgens ten overstaan van de verbalisanten aflegde en de omstandigheid dat verdachte antecedenten bleek te hebben op het gebied van de Opiumwet, leverden naar het oordeel van de rechtbank een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit op, waarna de verbalisanten tot aanhouding konden overgaan. De aanhouding is niet “geïnfecteerd” door de eerdere onrechtmatige staande houding. De daarop volgende aanhouding dient op zichzelf te worden beschouwd en als rechtmatig te worden aangemerkt. Van bewijsuitsluiting kan om deze reden geen sprake zijn.

Voor wat betreft de vraag welke consequenties aan de onrechtmatige staandehouding dienen te worden verbonden, is de rechtbank - anders dan de raadsman - van oordeel dat kan worden volstaan met de enkele constatering van dit onherstelbaar vormverzuim nu het een in omvang en duur beperkte inbreuk betrof in verdachtes bewegingsvrijheid.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 14 juli 2015 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 8 liter amfetamineolie, bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Een gevangenisstraf voor de duur van anderhalf jaar, met aftrek van voorarrest.

Onttrekking aan het verkeer van 8 liter amfetamineolie.

Verbeurdverklaring van een geldbedrag van EUR 1.260,-.

Teruggave aan de rechthebbende van twee paar zwarte handschoenen, twee opladers, twee lege jerrycans en een sleutel.

De officier van justitie maakt kenbaar voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken. Zij heeft tevens medegedeeld dat daartoe een strafrechtelijk financieel onderzoek, als bedoeld in artikel 126 van het Wetboek van Strafvordering, is ingesteld.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid amfetamineolie, waarvan zeer veel amfetamine-pillen kunnen worden gemaakt. Het is algemeen bekend dat die verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Verdachte heeft bij het plegen van dit feit slechts gehandeld uit puur winstbejag.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte zich eerder heeft beziggehouden met strafbare feiten in het kader van de Opiumwet. Daarbij ging het om voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie van synthetische drugs. De rechtbank verwijst in dit verband naar de vonnissen van heden in de onderzoeken Maan en Amber, welke zaken gelijktijdig doch niet gevoegd met de onderhavige zaak op de zittingen van 26 en 28 januari 2016 zijn behandeld. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat, ondanks dat hij eerder is aangehouden voor dergelijke feiten en hiervoor ook in voorlopige hechtenis heeft gezeten, dit hem er niet van heeft weerhouden om door te gaan met het plegen van strafbare feiten op het gebied van de Opiumwet. Uit het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verdachte kennelijk niet bereid is zijn criminele gedrag te veranderen.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten ter zake de Opiumwet. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Beslag.De rechtbank is gebleken dat op het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag van

€ 1.260,- zowel strafvorderlijk als ook conservatoir beslag is gelegd.

De rechtbank heft het strafvorderlijk beslag op. Nu de officier van justitie te kennen heeft gegeven dat er tegen verdachte een strafrechtelijk financieel onderzoek zal worden ingesteld, zal de rechtbank zich in dit vonnis niet uitlaten over het conservatoir beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen 8 liter amfetamineolie vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit een goed is met betrekking tot welke het feit is begaan en het goed van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan de rechthebbende van de in beslag genomen

twee paar zwarte handschoenen, de twee opladers, sleutel en twee lege jerrycans, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de in beslag genomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 36b, 36c, 63, 91.

Opiumwet art. 2, 10.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de opgelegde vrijheidsstraf.

Onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen goederen, te weten 8 liter amfetamineolie. Teruggave in beslag genomen goederen, te weten 2 paar handschoenen, een witte en een zwarte oplader, een sleutel en twee lege jerrycans aan de rechthebbende.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,

mr. R.J. Bokhorst en mr. C.J. Sangers- de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van G. Dirks, griffier,

en is uitgesproken op 11 februari 2016.