Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:535

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-02-2016
Datum publicatie
12-02-2016
Zaaknummer
C/01/287899
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onderwerp: zorgplicht bank, hypotheek verleend mede op basis van vermogen in effectenportefeuille, geen overkreditering.

De bank heeft als verstrekker van een hypothecair krediet haar zorgplicht niet geschonden door het vermogen van de kredietnemer mede in aanmerking te nemen bij de bepaling van de hoogte van het te verstrekken krediet. Kredietnemer heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot de conclusie kunnen leiden dat bij een indringender waarschuwing van de bank hij zou hebben afgezien van het beleggen van zijn vermogen, met een kans op hoog rendement op de beurs, in combinatie met een hogere hypotheek met extra fiscaal voordeel wegens de rente-aftrek. De afname van het vermogen van de kredietnemer is slechts voor een gering deel het gevolg van de daling van de beurskoersen. Het belegd vermogen is met name afgenomen als gevolg van zijn eigen, niet noodzakelijke, onttrekkingen daaraan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2016/49
JONDR 2016/733
NTHR 2016, afl. 3, p. 188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/287899 / HA ZA 14-944

Vonnis van 10 februari 2016

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. R.H. Kroes te Amsterdam,

tegen

naamloze vennootschap

F. VAN LANSCHOT BANKIERS N.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagde,

advocaat mr. Ph.C.M. van der Ven te ‘s Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna [eisers] in enkelvoud en Van Lanschot genoemd worden.

De procedure

Dit vonnis is gewezen in vervolg op het vonnis in het incident tot het geven van een voorlopige voorziening van 6 mei 2015.

1.1.

[eisers] heeft bij dagvaarding d.d. 11 december 2014 gevorderd dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- zal verklaren voor recht dat Van Lanschot toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar plichten jegens [eisers] en/of dat Van Lanschot onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld;

- zal verklaren voor recht dat Van Lanschot toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar plichten jegens [eisers] en/of dat Van Lanschot onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld door de kredietrelatie op te zeggen;

- Van Lanschot zal veroordelen tot vergoeding van de door [eisers] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- zal verklaren dat [eisers] toestemming heeft de woning aan de [adres] te [woonplaats] tot de verkoop te blijven verhuren;

- Van Lanschot zal veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten.

1.2.

Van Lanschot heeft bij conclusie van antwoord verweer gevoerd.

1.3.

Bij tussenvonnis van 1 juli 2015 is een comparitie van partijen gelast.

Op 14 december 2015 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. De raadslieden van beide partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd.

1.4.

Beide partijen hebben bij hun conclusies producties in het geding gebracht.

1.5.

Tot slot is vonnis bepaald.

Het geschil en de beoordeling ervan

In rechte kan, als enerzijds gesteld en anderzijds niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd bestreden, alsmede op grond van niet betwiste in het geding gebrachte bescheiden, van de navolgende feiten worden uitgegaan.

2.1.

Van Lanschot heeft in het jaar 2000 een bijzondere hypothecaire financiering aan [eisers] verstrekt waarmee [eisers] het woonhuis te [woonplaats] aan de [adres] heeft gekocht. Ten tijde van het aangaan van hypothecaire geldlening had [eisers] dit huis onder voorbehoud van financiering gekocht waarvan de vraagprijs groter was dan zijn eigen vermogen. Het eigen vermogen van [eisers] bedroeg ten tijde van de aanvraag van de financiering ongeveer € 566.853,-. Dit kwam voort uit de (verkoop van) de woning die hij geërfd had van zijn vader.

2.2.

In overleg met Van Lanschot is gekozen voor een constructie waarbij het de bedoeling was dat de periodieke lasten verbonden aan de hypothecaire financiering mede voldaan zouden worden uit het rendement dat behaald zou worden op het te beleggen eigen vermogen van [eisers] . De hoogte van die hypothecaire financiering bedroeg NLG 1.985.000 (€ 900.758,-). Deze financiering bestond uit drie leningen, te weten NLG 900.000

(€ 408.402,-), NLG 935.000 (€ 424.285,-) NLG 150.000 (€ 68.067). De twee eerstgenoemde leningen van tezamen € 832.687,00 waren bestemd voor de aanschaf van de woning in [woonplaats] . De lening van € 68.067 was bestemd voor de verbouwing van die woning.

2.3.

Volgens een notitie van een van de gesprekken die aan de kredietverlening vooraf gingen en dat plaats vond op 30 mei 2000 tussen [naam kredietadviseur] , de kredietadviseur van Van Lanschot, en [eisers] , waarbij ook [naam beleggingsadviseur] , die de beleggingsadviseur van [eisers] zou worden aanwezig was, is door [naam beleggingsadviseur] aan [eisers] het beleggingsbeleid uiteengezet. Omdat [eisers] aangaf weinig affiniteit te hebben met beleggen, is hij gewezen op de mogelijkheid van vermogensbeheer. [eisers] heeft toen uitdrukkelijk gekozen voor vermogensadvies. [eisers] had aldus een beleggingsadviesrelatie met Van Lanschot voor wat betrof het door hem te beleggen vermogen. Het eigen vermogen van [eisers] is in twee effectendepots gestort, waarmee door Van Lanschot in overleg met [eisers] voor hem beleggingen zijn aangekocht.

2.4.

In 2002 en 2003 heeft [eisers] Van Lanschot verzocht om een aanvullende hypothecaire financiering ten bedrage van € 145.000 voor een tweede verbouwing van het woonhuis, het aanbrengen van een opbouw. Deze lening is in april 2003 verstrekt. In totaal heeft [eisers] aldus € 1.045.758 onder hypothecair verband van Van Lanschot geleend.

2.5.

Het effectendepot van [eisers] is in waarde gedaald als gevolg van enerzijds de negatieve beurs ontwikkeling na 2000, en anderzijds als gevolg van onttrekkingen door [eisers] voor diverse uitgaven. Omstreeks 22 maart 2002 had het depot nog een waarde van

€ 385.000,-. Dit was eind 2003 gedaald naar € 318.722,65, eind 2004 naar € 198.048,39 en . eind 2006 zat er nog maar voor € 126.130,99 aan effecten in het depot.

2.6.

Er hebben diverse gesprekken tussen [eisers] en Van Lanschot plaatsgevonden over de waardedaling van het effectendepot.

In 2007 adviseerde Van Lanschot aan [eisers] om de woning te [woonplaats] te verkopen en om in plaats daarvan een goedkopere woning te kopen omdat vanwege de teruggang van het vermogen van [eisers] de hoogte van de in 2000 en 2003 verstrekte hypothecaire financiering niet langer verantwoord was. Destijds was nog de verwachting dat de verkoopopbrengst van de woning de omvang van hypothecaire financiering zou overstijgen. De woning te [woonplaats] is echter tot op heden niet verkocht. [eisers] heeft niettemin in 2007 een andere woning te [woonplaats] aangekocht. Tijdens de comparitie van partijen is gebleken dat de woning te [woonplaats] inmiddels is verkocht en dat [eisers] weer woonachtig is in het huis te [woonplaats] .

3. [eisers] doet zijn vordering steunen op bovenstaande feiten, alsmede op de navolgende stellingen.

Bij de totstandkoming van de financiële constructie zoals hiervoor uiteengezet trad Van Lanschot op als zowel kredietverstrekker als adviseur. Op Van Lanschot rustte in beide hoedanigheden een bijzondere zorgplicht. Van Lanschot heeft deze geschonden.

3.1.

Ten aanzien van de gestelde schending van de zorgplicht als kredietverstrekker voert [eisers] , samengevat, het volgende aan.

3.1.1.

Ten onrechte heeft Van Lanschot [eisers] niet geadviseerd om de volledige opbrengst van de woning uit zijn erfenis aan te wenden voor de aankoop van de nieuwe woning en evenmin heeft zij voorgerekend wat in een dergelijk geval de financiële lasten van [eisers] zouden zijn. [eisers] heeft hierdoor geen weloverwogen keuze kunnen maken. Door Van Lanschot zijn slechts twee berekeningen gemaakt; een met een hoge lening van NLG 1.985.000,- en een met een lage lening van NLG 1.000.000,-, met een rentelast van 7%. De hieruit voorvloeiende hypotheeklasten zouden aldus ongeveer NLG 140.000,- dan wel NLG 70.000,- zijn. Uiteindelijk is door Van Lanschot de hoge hypotheek geadviseerd. De hoge hypotheek die Van Lanschot heeft geadviseerd was niet passend in relatie tot het bruto jaarinkomen van [eisers] .

Het fiscale voordeel van [eisers] was gelet op zijn inkomen slechts ongeveer € 20.000

(NLG 44.000,-, Rechtbank).

3.1.2.

Op basis van het inkomen van [eisers] was de ING destijds slechts bereid om een geldlening van NLG 600.000 te verstrekken. Bij aanwending van het volledige vermogen voor de aankoop van de woning zou dat niettemin voldoende zijn. Van Lanschot heeft dan ook ten onrechte een veel hogere hypotheek aan [eisers] verstrekt.

Ook gelet op de financieringslastpercentages zoals gehanteerd door het NIBUD, is er teveel krediet verstrekt. Daarbij komt dat in april 2003 nog eens € 145.000,- extra aan [eisers] is verstrekt.

3.1.3.

Van Lanschot heeft zich enkel laten leiden door haar eigen commercieel belang.

3.1.4.

Volgens [eisers] heeft Van Lanschot ten onrechte geen rekening gehouden met de in 1999 aangekondigde hervorming van het belastingstelsel, waaronder de afschaffing van de aftrekbaarheid voor consumptief krediet en de invoering van de vermogensrendementsheffing van 1,2%, zodat een hoger rendement nodig was om dat fiscaal nadeel op te heffen.

3.2.

Ten aanzien van de gestelde schending van de op Van Lanschot rustende zorgplicht als adviseur ten aanzien van de effectenportefeuille voert [eisers] , samengevat, het volgende aan.

Van Lanschot hanteerde twee tegenstrijdige doelstellingen bij de samenstelling van het effectendepot. [eisers] stelt dat het niet mogelijk was om het vermogen lang genoeg, ongeveer 15 jaar, onaangeroerd te laten om het geprognosticeerde rendement te realiseren. Middels het effectendepot diende zowel jaarlijks inkomen te worden gegenereerd voor de betaling van rentelasten, als op de lange termijn vermogen te worden opgebouwd. Van Lanschot heeft ten onrechte een dynamisch/offensief risicoprofiel geadviseerd, omdat een offensief beleggingsbeleid strijdig is met de doelstelling om met voldoende zekerheid op korte termijn rendement te behalen ten behoeve van de hypotheekrente. Dit, in combinatie met de koersdalingen, maakte dat de geadviseerde constructie niet geschikt was voor [eisers] . [eisers] beroept zich in dezen op een rapport van [naam professor] .

Van Lanschot heeft te weinig oog gehad voor de negatieve effecten die de koersdalingen en de periodieke onttrekkingen zouden kunnen hebben op de financieringsconstructie en heeft [eisers] niet afdoende op die risico’s gewezen en hem daarvoor niet indringend gewaarschuwd.

[eisers] heeft al in oktober 2000 zijn ongerustheid over de koersdalingen geuit, maar Van Lanschot heeft geen passende maatregelen genomen.

3.3.

[eisers] verwijt Van Lanschot tevens dat zij ten onrechte de kredietrelatie op 23 juli 2014 heeft opgezegd.

3.4.

[eisers] heeft getracht om via de Ombudsman Financiële dienstverlening het geschil met Van Lanschot op te lossen. Deze heeft de klacht in mei 2013 gegrond verklaard en een aanbeveling gedaan, die [eisers] als productie 1 overlegt. Van Lanschot is het hier niet mee eens en volgt deze niet op. De aanbeveling is volgens [eisers] onvoldoende om zijn schade te compenseren.

De rechtbank zal de overige stellingen van [eisers] , voor zover relevant, hierna bij de beoordeling betrekken.

4. Van Lanschot bestrijdt dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld. Zij voert onder meer, kort samengevat, het volgende verweer.

Het is nooit de bedoeling geweest dat de rentelasten enkel uit het loon van [eisers] zouden worden voldaan. De bedoeling was dat de periodieke lasten verbonden aan de hypothecaire financiering voldaan zouden worden uit het rendement dat behaald zou worden uit de beleggingen van het eigen geld van [eisers] dat hij via Van Lanschot zou gaan beleggen. Er was geen sprake van overkreditering. De gekozen financieringsconstructie is echter niet gunstig verlopen voor [eisers] . Dit is ten dele het gevolg geweest van de tegenvallende rendementen en verliezen voor het effectendepot van [eisers] . Daarnaast echter had [eisers] een te hoog uitgavenpatroon, als gevolg waarvan er periodiek te forse bedragen van het effectendepot werden onttrokken, meer dan waarmee Van Lanschot in haar initiële rendement- en draagkrachtberekening rekening heeft kunnen en mogen houden. [eisers] heeft via zijn advocaat voor het eerst op 10 juni 2009 geklaagd over de aan hem in 2000 verstrekte financiering. Op 7 oktober 2009 is Van Lanschot formeel aansprakelijk gesteld door [eisers] . Van Lanschot was het niet eens met de aanbeveling van de Ombudsman bij het KiFiD. Onderhandelingen over een minnelijke regeling, waarbij Van Lanschot aan [eisers] heeft aangeboden om de helft van diens beleggingsverlies te vergoeden, zijn op niets uitgelopen. Gelet op de reeds vele jaren bestaande aanzienlijke debetstand van [eisers] op diens Kroonrekening bij Van Lanschot, waaruit de renteverplichtingen over de hypothecaire financieringen voldaan moesten worden, de verhuur door [eisers] van het huis te [woonplaats] zonder de contractueel vereiste toestemming van Van Lanschot, en de weigering van [eisers] om de huurpenningen over te maken naar de Kroonrekening, heeft Van Lanschot de kredietrelatie van [eisers] opgezegd.

De overige stellingen van Van Lanschot, waarbij zij concreet ingaat op de argumenten die [eisers] ter onderbouwing van zijn vordering heeft aangevoerd, zal de rechtbank hierna, voor zover ter zake doende, in de beoordeling betrekken.

5. De rechtbank oordeelt als volgt.

5.1.

Ten aanzien van de vraag of Van Lanschot als kredietverstrekker een op haar rustende zorgplicht heeft geschonden.

5.1.1.

[eisers] stelt onder meer dat Van Lanschot hem onvoldoende indringend heeft gewaarschuwd voor het specifieke risico van de gekozen financieringsconstructie bestaande uit het effect van koersdalingen in combinatie met onttrekkingen aan het depot.

Van Lanschot heeft hiertegen ingebracht dat zij [eisers] volledig heeft voorgelicht over de goede en kwade kansen van de door [eisers] gekozen hypotheekconstructie. Zij heeft hem onder meer de brochures verstrekt die zij aan al haar cliënten met een Beurshypotheek verstrekte. Daarin wordt op de risico’s gewezen.

De rechtbank stelt vast dat door Van Lanschot aan [eisers] twee financieringsvoorstellen zijn voorgelegd om het huis in [woonplaats] te financieren: één met een lage hypotheek van ongeveer NLG 1.000.000,-, waarbij het eigen vermogen van [eisers] uit de verkoopopbrengst van diens woning zou worden aangewend om het huis te [woonplaats] te kopen, en één met een hoge hypotheek van ongeveer NLG 2.000.000,- waarbij [eisers] de opbrengst uit de verkoop van zijn huis, via een effectendepot bij Van Lanschot vrij zou kunnen beleggen op de beurs. Van een en ander zijn voorbeeldberekeningen gemaakt (productie 6 van [eisers] ). Uiteindelijk heeft [eisers] gekozen voor de hoge hypotheekvariant, waarbij geldleningen zijn verstrekt van NLG 900.000,- “beurshypotheek”, van NLG 935.000,- aflossingsvrije hypotheek en NLG 150.000,- voor de verbouwing. Vervolgens zijn met het vermogen van [eisers] en in overleg met hem effecten aangekocht. Het effectendepot werd aan Van Lanschot verpand.

Voor zover al in rechte zou komen vast te staan, dat Van Lanschot [eisers] bij het maken van die keuze onvoldoende indringend zou hebben gewaarschuwd voor de risico’s van het in waarde kunnen dalen van de effecten in combinatie met het (deels) moeten betalen van de rentelasten uit dit depot, is het aan [eisers] om voldoende feiten en omstandigheden te stellen die, indien bewezen, aannemelijk maken dat hij in dat geval niet zou hebben gekozen voor de constructie van de hoge hypothecaire lening. De rechtbank is van oordeel dat [eisers] , gelet op het navolgende, zodanige feiten en omstandigheden onvoldoende heeft gesteld. De rechtbank verwerpt de bewering van [eisers] dat hij niet geïnteresseerd was in belegging van zijn vermogen. [eisers] heeft immers bewust niet gekozen voor de investering van zijn vermogen in de aanschaf van zijn nieuwe woning, en evenmin voor het voorstel van ING voor een financiering op basis van enkel zijn inkomen, welk voorstel volgens [eisers] ook voldoende was om het huis te [woonplaats] te kopen. Aan het sluiten van de overeenkomsten met Van Lanschot zijn diverse gesprekken voorafgegaan. De rechtbank kan niet aannemen dat [eisers] , die als arts werkzaam was, de uitleg die door mevrouw [naam kredietadviseur] werd gegeven op 17 mei 2000 (productie 6 bij dagvaarding) in verband met de aan hem voorgelegde keuzemogelijkheden van een kredietverstrekking van 1 miljoen of 2 miljoen gulden niet zou hebben begrepen. [eisers] heeft gekozen voor een financiering waarbij hij zijn vermogen vrij kon beleggen en zoveel mogelijk fiscaal voordeel genoot als gevolg van de hypotheekrenteaftrek. [eisers] heeft ontegenzeggelijk niet ervoor willen kiezen om zijn vermogen vast te zetten in de gekochte woning. Daarnaast is onbetwist dat [eisers] vervolgens heeft aangegeven in het door hem ingevulde inventarisatieformulier, dat hij wilde beleggen met een bovengemiddeld risico. Voorts staat vast dat [eisers] niet gekozen heeft voor het voorstel van Van Lanschot om zijn vermogen in beheer te nemen: [eisers] wilde zelf uiteindelijk beslissen waarin hij belegde. Er is uiteindelijk gekozen voor het beleggen van 60% van het kapitaal in aandelen, dat gelet op de stijgende beurskoersen erg aantrekkelijk leek, en voor 40% in vastrentende beleggingen. [eisers] is steeds op de hoogte gehouden van het verloop van zijn portefeuille, zoals blijkt uit de door Van Lanschot overgelegde gespreksverslagen, productie 34 zijdens Van Lanschot. In augustus 2001 heeft een gesprek met [eisers] plaatsgevonden, waarbij gesproken is over de inkomsten die uit de portefeuille moesten worden gehaald, in verhouding tot zijn belegbaar vermogen. Daarbij is besproken dat door wijziging in het inkomen van [eisers] en het feit dat diens vrouw weer is gaan werken, het bedrag dat aan de portefeuille zou moeten worden onttrokken zou kunnen dalen van NLG 80.000,- naar NLG 50.000,- per jaar, tegenover een op dat moment belegbaar vermogen van NLG 920.000. Toen is ook besloten de portefeuille vooralsnog te handhaven in afwachting van herstel. In december 2002 gaf [eisers] aan dat hij niet wakker lag van het negatieve rendement en evenmin van het feit dat zijn inkomenswens niet werd gehaald. In 2003 heeft [eisers] een aanvullend krediet gevraagd en gekregen in verband met een gewenste verbouwing van zijn huis. In april 2004 werd zijn risicoprofiel verhoogd, omdat [eisers] , zoals hij aangaf, niet hoefde te eten uit de portefeuille.

In januari 2005 werd [eisers] weer thuis bezocht door Van Lanschot. Blijkens het gespreksverslag werd hem toen afgeraden om met geleend geld te gaan beleggen in een door [eisers] gewenst aandeel CITC. Vervolgens koopt [eisers] toch CITC in februari 2005, waarbij de bank aangeeft dat dit dan op zijn eigen verantwoordelijkheid gaat. Op 19 april 2005 blijkt dit aandeel drastisch te zijn gedaald.

De rechtbank is, gelet op de hiervoor aangehaalde feiten van oordeel dat [eisers] hier onvoldoende feiten en omstandigheden tegenover heeft gesteld die aannemelijk maken dat hij bij een indringender waarschuwing niet gekozen zou hebben voor het te behalen extra fiscale voordeel en met name de kans op een hoog rendement van zijn op de beurs belegd vermogen.

5.1.2.

Ten aanzien van de beweerde overkreditering overweegt de rechtbank het volgende.

Van Lanschot heeft aangevoerd dat de Nibud-norm waarop [eisers] zich beroept, dan wel een maximum financiering van 4,5 maal het inkomen uit arbeid zoals door

[naam professor] in diens rapport wordt betoogd, in dezen niet als maatstaf geldt voor de vraag of er sprake is van overkreditering. In 2000 golden geen concreet wettelijk voorgeschreven normen ten aanzien van een maximum financiering. De financieringslastpercentages van het Nibud golden alleen voor een eenvoudige hypothecaire financiering. Daarvan is hier geen sprake. Ook de gedragscode Hypothecaire financieringen verwees niet naar de Nibudnorm. Deze gedragscode kende geen vaste norm. Aan [eisers] is uitsluitend een omvangrijke financiering verstrekt, omdat hij destijds over een aanzienlijk te beleggen vermogen beschikte. Een hypotheekverstrekker mag hier rekening mee houden. Aldus Van Lanschot.

De rechtbank oordeelt dat dit verweer van Van Lanschot doel treft. Bij het verstrekken van krediet was het, zeker tot de kredietcrisis, algemeen aanvaard dat onder meer het gehele te verwachten inkomen, waaronder het inkomen uit vermogen, en het aanwezige vermogen in de beoordeling van de draagkracht van de kredietnemer werden betrokken.

Voor de beoordeling van de vraag of Van Lanschot heeft gehandeld als een verantwoord kredietverlener en of er geen sprake is van een onaanvaardbare zware last voor de kredietnemer, beroept Van Lanschot zich terecht op het in de rechtspraak aanvaarde Hof-model, ook verzwaarde Nibud-toets genoemd zoals genoemd en uitgewerkt in het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (JOR 2010, 3) en onder meer in het arrest van het Gerechtshof ’s Hertogenbosch van 23 december 2014 (ECLI:GSHE:2014:5489). Van Lanschot heeft uitgebreid voorgerekend in haar conclusie van antwoord onder III, nr 42 tot en met nr 68, dat, zowel bij het verstrekken van de financiering in 2000 als ten tijde van de aanvullende financiering in 2003 met € 145.000,-, geen sprake is geweest van overkreditering. Van Lanschot is daarbij thans uitgegaan van een rekenrendement van 4,2%, wat voor die tijd, waarin de AFM nog een rekenrendement van 8% op de lange termijn realistisch achtte, zonder meer een zeer conservatief en veilig uitgangspunt is. De rechtbank wijst erop dat de rijksoverheid bij de invoering van de vermogensrendementsheffing in 2001 er zonder meer van uit ging dat een (fictief)rendement van 4% over vermogen eenvoudig behaald werd. Uit de door Van Lanschot overgelegde berekening, die inhoudelijk niet gemotiveerd wordt betwist, blijkt dat bij dit rendement, en zelfs bij een rendement van 3,7 %, èn rekening houdend met de vermogensrendementsheffing die in 2001 werd ingevoerd, niet behoefde te worden ingeteerd op het vermogen van [eisers] en er na de aanvullende financiering in 2003 zelfs een te verwachten overschot was van € 14.618,- per jaar. De rechtbank neemt dan ook niet aan dat er sprake is geweest van overkreditering. Dat was noch het geval bij het verstrekken van het initiële krediet in 2000 noch bij het geven van een aanvullend krediet in 2003.

5.2.

Ten aanzien van de gestelde schending van de op Van Lanschot rustende zorgplicht als adviseur ten aanzien van de effectenportefeuille.

Zoals hiervoor reeds onder de feiten vermeld, heeft [eisers] tijdens het gesprek van 30 mei 2000 niet voor vermogensbeheer door Van Lanschot gekozen, maar enkel voor beleggingsadvies.

Van Lanschot heeft hierover het volgende aangevoerd. Op 13 juni 2000 is door Van Lanschot een beleggingsvoorstel aan [eisers] gestuurd, dat op de wensen en doelstellingen van [eisers] was gebaseerd, zoals op 30 mei 2000 met hem besproken. [eisers] had aangegeven een “bovengemiddeld risico” te willen accepteren en dus zwaar in aandelen te willen beleggen. De beleggingen waren gericht op vermogensgroei en het genereren van inkomsten voor de voldoening van de hypotheeklasten. Tevens is [eisers] gewezen op de risico’s van beleggen op de beurs. Aan hem is de brochure verstrekt die aan cliënten met een beurshypotheek werden verstrekt, waarin uitdrukkelijk gewezen wordt op fluctuaties en dat rendementen in het verleden geen garantie bieden voor de toekomst. Een en ander is door [eisers] onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat de rechtbank van de juistheid hiervan uitgaat.

Van Lanschot heeft verder onbetwist uiteengezet dat de kredietadviseur van [eisers] , [naam beleggingsadviseur] , op 1 en 4 september 2000 voor € 365.972,- aan effecten heeft aangekocht. Achteraf blijkt dat de AEX op 4 september 2000 de hoogste notering ooit heeft behaald. In september 2000 is er voor € 68.000,- aan effecten aangekocht en geboekt op een geblokkeerde effectenrekening, die verbonden was aan de hypothecaire geldlening, en bestemd was om die op den duur af te lossen. Op de vrije effectenrekening van [eisers] heeft Van Lanschot in totaal voor een bedrag van € 568.031,22 aan effecten aangekocht en liquiditeiten aangehouden. Er is voor 60% in aandelen belegd, voor 25% in vastrentende waarden, voor 10% in onroerend goed fondsen en voor 5% in liquiditeiten. Aan het eind van het jaar 2000 waarin die aankopen zijn gedaan, zijn de financiële markten wereldwijd ingestort. De aanslagen van 11 september 2001 hebben voor een nog verdere daling gezorgd.

De rechtbank stelt vast dat de beursontwikkelingen na de aankoop van de effectenportefeuille van [eisers] dramatisch zijn geweest. Blijkens het door Van Lanschot als productie 24 bij conclusie van antwoord gegeven overzicht, dat door [eisers] niet wordt betwist, heeft [eisers] hierdoor tot en met februari 2009 als gevolg van koersdalingen een verlies geleden van in totaal € 123.893,-. Door [eisers] is niet of onvoldoende gesteld en evenmin is gebleken dat dit verlies het gevolg zou zijn van onjuiste of onzorgvuldige beleggingsadviezen van Van Lanschot.

Het overige vermogen is volgens Van Lanschot aanmerkelijk geslonken als gevolg van (te hoge) onttrekkingen door [eisers] van de Kroonrekening, waarop liquiditeit werd aangehouden ten behoeve van de betaling van de rentelasten, en die steeds – in overleg met en na accordering door [eisers] – door Van Lanschot werd aangevuld uit verkopen van effecten uit het effectendepot. Aldus is in de periode 2000 tot en met 2009 voor een bedrag groot € 441.725,36 door [eisers] aan het depot onttrokken. [eisers] heeft veel meer geld onttrokken dan [eisers] moest doen op basis van zijn inkomens- en vermogensgegevens. Van Lanschot verwijst naar de overzichten in haar producties 27 en 30 bij incidentele conclusie van antwoord.

De rechtbank stelt vast aan de hand van het door Van Lanschot als productie 27 in het geding gebrachte overzicht van de cashopnames van [eisers] , welk overzicht door [eisers] niet gemotiveerd is bestreden, dat de daling van de waarde van het effectendepot grotendeels het gevolg is van de geldopnames door [eisers] , zodat dit effectendepot onvoldoende gevuld was om de geleden verliezen voldoende te compenseren met de stijging als gevolg van het nadien ingetreden herstel van de financiële markt. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat er in genoemde periode ook aanmerkelijk meer geld aan het depot is onttrokken dan nodig was voor de betaling van de volledige rente na aftrek van het hypotheekrente-voordeel. De conclusie is dan ook dat de daling van het effectendepot tevens grotendeels het gevolg is van het feit dat [eisers] zijn vermogen zelf heeft uitgegeven. [eisers] had immers in 2001, mede omdat zijn echtgenote was gaan werken, het depot niet echt nodig voor de voldoening van de financiële lasten van de hypotheek. Hij heeft voor privé uitgaven middelen aan het depot onttrokken. [eisers] erkende dit ook wel zelf in zijn brief van 21 januari 2008, bldz. 2, die hij schreef naar aanleiding van een weigering van Van Lanschot om een hogere (overbruggings)lening te geven voor de verbouwing van het huis in [woonplaats] (productie 29 bij dagvaarding). Wat hier ook de reden voor mag zijn, deze afname van vermogen kan niet ten laste van Van Lanschot worden gebracht.

Uit de gespreksnotities van Van Lanschot blijkt dat zowel in maart 2002 als in april 2005 Van Lanschot [eisers] heeft gewezen op de noodzaak van budgettering. Desondanks heeft [eisers] , zoals gesteld en niet ontkend, in 2005 nog eens € 69.313,- onttrokken aan het depot. Eind 2006 heeft Van Lanschot [eisers] erop gewezen dat diens vermogen dermate was geslonken dat deze beter kleiner zou kunnen gaan wonen. Het feit dat [eisers] vervolgens een andere woning heeft aangekocht zonder zijn huis te [woonplaats] te hebben verkocht, en ook nog de termijn voor financieringsvoorbehoud heeft laten verlopen (productie 35 van Van Lanschot) vervolgens een koper vond voor het huis te [woonplaats] die dit niet afnam, zijn ongelukkige omstandigheden, die echter niet voor rekening van Van Lanschot komen.

5.3.

Ten aanzien van de opzegging door Van Lanschot van de kredietrelatie met [eisers]

5.3.1.

stelt dat de argumenten die Van Lanschot heeft aangevoerd om de kredietrelatie op te zeggen deze opzegging niet kunnen rechtvaardigen. De oorzaak van de meeste omstandigheden die door Van Lanschot als reden voor de opzegging worden genoemd zijn immers het gevolg van de schending door Van Lanschot van haar zorgplicht. Deze opzegging is een toerekenbare tekortkoming dan wel een onrechtmatige daad van Van Lanschot. Zij dient de kredietrelatie te continueren met inachtneming van passende voorwaarden die horen bij een passende hypothecaire geldlening, met toestemming aan [eisers] om de woning aan de [adres] te [woonplaats] te blijven verhuren.

5.3.2.

De rechtbank oordeelt het volgende. De opzegging door Van Lanschot is gedaan bij brief van 23 juli 2014 met inachtneming van een opzegtermijn van 11 maanden, welke termijn aansloot bij de aan Van Lanschot bekende einddatum van het door [eisers] gesloten huurcontract inzake het pand aan de [adres] . De reden voor de opzegging was dat Van Lanschot verdere kredietverlening niet meer verantwoord vond vanwege de volgende constateringen:

  • -

    De woning aan de [adres] is zonder toestemming verhuurd,

  • -

    De huurpenningen worden niet bijgeschreven op de rekening die [eisers] bij Van Lanschot heeft,

  • -

    De woning in kwestie staat al 6 jaar te koop en is uit de verkoop gehaald,

  • -

    Van Lanschot heeft geen inzage in de inkomenspositie van [eisers] en meent dat deze ontoereikend is om de lasten van de financiering te dragen, waarbij komt dat [eisers] heeft aangegeven dat zijn inkomen niet toereikend is om zijn schulden, waaronder die aan de fiscus en diens advocaat, te betalen.

Door Van Lanschot is onbetwist gesteld dat [eisers] in april 2014 een betalingsachterstand had van € 83.882,15 en dat de woning aan de [adres] in strijd met de toepasselijke kredietvoorwaarden is verhuurd. Weliswaar heeft Van Lanschot een eerdere verhuur goedgekeurd, maar daarbij gold de voorwaarde dat de opbrengsten op de rekening van [eisers] bij Van Lanschot zou worden gestort en zouden dienen ter delging van de schuld en/of betaling van rente. De rechtbank oordeelt de voorwaarden die Van Lanschot aan haar toestemming heeft verbonden zonder meer redelijk en billijk gelet op de financiële situatie van [eisers] en het feit dat deze de lasten van twee huizen droeg. De schending van de afspraken met Van Lanschot, het niet meer doorstorten van de huurpenningen in combinatie met de achterstand in de rentebetalingen vormden dan ook voldoende grond om de kredietrelatie op te zeggen. Van Lanschot heeft voldoende zorgvuldigheid betracht door een termijn van 11 maanden in acht te nemen, die samen viel met het einde van het toe lopende huurcontract. Er is hier geen sprake van een toerekenbare tekortkoming noch van onrechtmatig handelen aan de zijde van Van Lanschot. De door [eisers] op dit punt gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen. De rechtbank merkt hier nog op dat het feit dat [eisers] thans weer in de woning te [woonplaats] woonachtig is, niets afdoet aan de gegrondheid van de opzegging wegens toerekenbare tekortkoming van [eisers] .

6. Aangezien de rechtbank geen toerekenbare tekortkoming of onrechtmatig handelen door Van Lanschot aanneemt, behoef het subsidiair (nr. 121 conclusie van antwoord ) door Van Lanschot gedaan beroep op verjaring en op rechtsverwerking, geen bespreking meer. Eveneens kan hetgeen partijen hebben gesteld omtrent de aanwezigheid van schade buiten beschouwing blijven.

7. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van [eisers] worden afgewezen. [eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten gevallen aan de zijde van Van Lanschot.

De beslissing

De rechtbank:

Wijst de vorderingen van [eisers] af;

Veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding, gevallen aan de zijde van Van Lanschot, welke tot op heden worden vastgesteld op € 613,- ter zake het betaalde vast recht en op

€ 4.000,- ter zake salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Spoor en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2016.