Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:533

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-02-2016
Datum publicatie
12-02-2016
Zaaknummer
01/993226-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het medeplegen van strafbare voorbereidingshandelingen gericht op de productie van synthetische drugs en het voorhanden hebben van een jammer.

Nu ten tijde van de aan verdachte onder feit 1 primair en subsidiair verweten gedragingen de kwalificatie van “geregistreerde stof” in de zin van voormelde Verordeningen niet gold voor een stof als apaan, die niet voorkwam in de lijst van geregistreerde stoffen in de zin van artikel 2, onder a, van de Verordeningen 273/2004 en 111/2005, die in de relevante bijlage bij elk van die Verordeningen is opgenomen, is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte zal van deze feiten worden vrijgesproken.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/993226-12

Datum uitspraak: 11 februari 2016

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1964] ,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 25 januari 2013, 26 januari 2016 en 28 januari 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 januari 2013.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair:

hij, als een in de Europese Gemeenschap gevestigde marktdeelnemer, op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 januari 2012 tot en met 28 juni 2012, meermalen, althans eenmaal, te Frankfurt (Duitsland) en/of te Waalre en/of te Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk, een geregistreerde stof van categorie 1 van bijlage I van de Verordening nummer 111/2005 van de Raad, te weten een stof (Alpha-phenylacetoacetonitrille) waaruit gemakkelijk met eenvoudige en/of economisch rendabele middelen 1-Fenyl-2-propanon (BMK) is te extraheren en/of die gemakkelijk met eenvoudige en/of economische rendabele middelen is om te zetten in 1-Fenyl-2-propanon (BMK), zonder in het bezit te zijn van een door de bevoegde instantie van de lidstaat (Duitsland en/of Nederland) afgegeven vergunning, binnen het douanegebied van de Europese Gemeenschap heeft ingevoerd en/of uitgevoerd en/of met betrekking tot die stof intermediaire activiteiten heeft ontplooid, namelijk heeft/hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s), in of omstreeks de periode van 27 januari 2012 tot en met 28 juni 2012, meermalen, althans eenmaal, bovenvermelde stof besteld bij een leverancier in China, te weten bij [bedrijf 1] in China en/of vervolgens voormelde bestelling(en) betaald en/of laten transporteren van China naar Duitsland en/of vervolgens voormelde bestelling(en) naar Nederland heeft getransporteerd en/of laten transporteren;

(De terminologie is gebruikt in de zin van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën en de Verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad van 22 december 2004, houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren).

(artikel 2 onder a van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën juncto artikel 6 lid 1 van de EG verordening 111/2005)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, als marktdeelnemer, op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 januari 2012 tot en met 28 juni 2012 te Frankfurt (Duitsland) en/of te Waalre en/of te Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) geregistreerde stof van de categorie 1 van bijlage I van de Verordening nummer 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad, te weten een stof (Alpha-phenylacetoacetonitrille), waaruit gemakkelijk met eenvoudige en/of economisch rendabele middelen 1-Fenyl-2-propanon (BMK) is te extraheren en/of die gemakkelijk met eenvoudige en/of economische rendabele middelen is om te zetten in 1-Fenyl-2-propanon (BMK), zonder een door de bevoegde instanties afgegeven vergunning, in zijn/hun bezit heeft/hebben gehad en/of in de handel heeft/hebben gebracht;

(De terminologie is gebruikt in de zin van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën en de Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren)

(artikel 2 onder a van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën juncto artikel 2 sub a en lid 3 lid 2 van de EG verordening nr. 273/2004)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 27 januari 2012 tot en met 28 juni 2012 te Waalre en/of te Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzttelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of 4-methylamfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of 4-methylamfetamine, zijnde amfetamine en/of 4-methylamfetamine (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of een ander middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en)te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededaders wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) (al dan niet via (een) ander(en)):

- ( een) stof(fen), te weten een (grote) hoeveelhe(i)d(en) Alpha-phenylacetoacetonitrille en/of methanol en/of ethanol en/of zwavelzuur (- welke stof(fen) benodigd is/zijn, althans kunnen worden gebruikt bij/voor de bereiding en/of verwerking en/of vervaardiging van amfetamine en/of 4-methylamfetamine, in elk geval (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I besteld en/of vervoerd en/of opgeslagen en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of gekocht en/of verkocht en/of ter beschikking gesteld en/of voorhanden gehad en/of

- ( telefonische) contact(en) en/of (een) ontmoeting(en) gehad en/of (een) bespreking(en) gevoerd en/of afspra(a)k(en) gemaakt met een of meer (mogelijke) producent(en), leverancier(s), transporteur(s), financier(s), afnemer(s), tussenperso(o)n(en), verlener(s) van hand- en spandiensten en/of ander(en) met betrekking tot de hoeveelheid, prijs, kwaliteit, levering, betaling, verpakking, opslag en/of het vervoer van (een) (grote) hoeveelheid/heden methanol en/of ethanol en/of zwavelzuur en/of Alpha-phenylacetoacetonitrille;

(artikel 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet)

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 27 januari 2012 tot en met 28 juni 2012 te Waalre, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of aanwezig heeft gehad (een) hoeveelhe(i)d(en) van een stof bevattende amfetamine en/of 4-methylamfetamine, zijnde amfetamine en/of 4-methylamfetamine (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2 Opiumwet)

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 januari 2012 tot en met 28 juni 2012, in elk geval op of omstreeks 28 juni 2012, te Waalre en/of te Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) al dan niet opzettelijk, één of meer radiozendapparaten, te weten 2, in elk geval een of meerdere radiozendappara(a)t(en), te weten twee 4 band mobiele telefoon jammers (bestemd voor het uitzenden van radiocommunicatiesignalen met grote bandbreedte, liggende in de mobiele netwerk banden) heeft/hebben aangelegd, geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben gebruikt, terwijl voor het gebruik ervan aan de houder van die radiozendapparaten op grond van hoofstuk 3 van de Telecommunicatiewet geen vergunning voor het gebruik van frequentieruimte was verleend;

(art. 10.9 lid 1 Telecommunicatiewet)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak.
Ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair.

Onder 1 primair is aan verdachte -kort gezegd- ten laste gelegd dat “hij samen in vereniging met een ander of anderen althans alleen zonder vergunning opzettelijk een geregistreerde stof van categorie 1 van bijlage I van de Verordening nummer 111/2005 van de Raad (te weten alfa-fenylacetoacetonitril (hierna te noemen: “apaan”) binnen het douanegebied van de Europese Gemeenschap heeft ingevoerd en/of uitgevoerd”. Onder 1 subsidiair is aan verdachte -kort gezegd- ten laste gelegd dat “hij samen in vereniging met een ander of anderen althans alleen zonder vergunning opzettelijk een geregistreerde stof van categorie 1 van bijlage I van de Verordening nummer 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad (te weten apaan) in zijn bezit heeft gehad en/of in de handel heeft gebracht”.

Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 januari 2013 heeft de rechtbank bij beslissing van 21 juni 2013 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, teneinde vast te kunnen stellen of, en zo ja op welke grond(en), apaan is aan te merken als een stof die valt onder de werking van artikel 2, onder a, van de Verordeningen 273/2004 en 111/2005, met inbegrip van de bijlage “Geregistreerde stoffen in de zin van artikel 2, onder 1, categorie 1” bij deze Verordeningen.

Bij arrest van 12 februari 2015 heeft het Hof van Justitie (vijfde kamer) voor recht verklaard:

Artikel 2, onder a), van verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren, en artikel 2, onder a), van verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad van 22 december 2004 houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren, moeten aldus worden uitgelegd dat de kwalificatie van "geregistreerde stof” in de zin van die bepalingen niet geldt voor een stof als alfa-fenylacetoacetonitril, die niet is genoemd in bijlage I bij verordening nr. 273/2004 of de bijlage bij verordening nr. 111/2005, zelfs gesteld dat die met eenvoudige of economisch rendabele middelen, in de zin van die verordening, kan worden omgezet in een stof die in bedoelde bijlagen wordt genoemd.

Eerst bij Verordening (EU) nr. 1259/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 (Pb. L330 van 10-12-2013) is apaan opgenomen in voornoemde bijlage I.

Nu ten tijde van de aan verdachte onder feit 1 primair en subsidiair verweten gedragingen de kwalificatie van “geregistreerde stof” in de zin van voormelde Verordeningen niet gold voor een stof als apaan, die niet voorkwam in de lijst van geregistreerde stoffen in de zin van artikel 2, onder a, van de Verordeningen 273/2004 en 111/2005, die in de relevante bijlage bij elk van die Verordeningen is opgenomen, is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte zal van deze feiten worden vrijgesproken.


Ten aanzien van feit 2.

Onder 2 is aan verdachte -kort gezegd- ten laste gelegd het samen met een ander of anderen althans alleen bereiden, bewerken, verwerken of aanwezig hebben van een stof bevattende amfetamine en/of 4-methylamfetamine.

De officier van justitie is op grond van de in het op schrift gestelde requisitoir vermelde feiten en omstandigheden van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De raadsman heeft op grond van zijn op schrift gestelde pleidooi voor dit feit vrijspraak bepleit. Volgens de raadsman is uit niets gebleken dat verdachte, al dan niet samen met anderen, amfetamine en/of 4-methylamfetamine heeft bereid of aanwezig heeft gehad in de periode van 27 januari 2012 tot en met 28 juni 2012.

De rechtbank stelt vast dat er op 28 juni 2012 in de loods van verdachte aan [adres 1] te Waalre een aantal stoffen is aangetroffen die kunnen worden gebruikt bij de productie van amfetamine en/of 4-methylamfetamine, waaronder apaan, methanol, ethanol en zwavelzuur, Ook zijn er in de loods sporen van amfetamine en 4-methylamfetamine aangetroffen, onder meer in een jerrycan, in een Fanta-fles en op tissues. Niet is vastgesteld kunnen worden dat er in de betreffende loods amfetamine en/of 4-methylamfetamine is geproduceerd of opgeslagen.

Nu niet vastgesteld is kunnen worden waar, in welke periode en door wie amfetamine en/of 4-methylamfetamine is geproduceerd, zijn de verdachte omstandigheden waaronder voornoemde stoffen in de loods van verdachte zijn aangetroffen onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit te komen.

De omstandigheid dat er in de loods van verdachte DNA van verdachte is aangetroffen op een latex handschoen, waarop sporen van amfetamine en 4-methylamfetamine zijn aangetroffen, maakt dit niet anders, temeer nu de mogelijkheid van contaminatie door deskundigen niet wordt uitgesloten.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde.

Overweging met betrekking tot de bewezenverklaring van de onder feit 1 meer subsidiair en onder 3 ten laste gelegde feiten.

Op grond van de in het op schrift gestelde requisitoir vermelde feiten en omstandigheden komt de officier van justitie tot het oordeel dat de onder 1 meer subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Volgens de raadsman blijkt uit de door de officier van justitie gepresenteerde bewijsmiddelen niet dat verdachte betrokken is geweest bij voorbereidings- of bevorderingshandelingen ten aanzien van de misdrijven bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet. Niet blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en één of meer medeverdachten aan voorbereidings- of bevorderingshandelingen.

Ook blijkt niet van wetenschap van verdachte van de aanwezigheid van een jammer in zijn loods aan [adres 1] te Waalre. Verdachte weet daar niets van en hij heeft ook geen jammer gezien.

De rechtbank heeft de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld.

Op 5 juni 2012 heeft [medeverdachte 1] met een witte bestelbus (een Mercedes Vito voorzien van het [kenteken 1] ) op het vliegveld in Frankfurt in Duitsland een partij van 600 kg apaan opgehaald en naar Nederland gebracht. Vanaf de grensovergang is de bestelbus van [medeverdachte 1] geobserveerd. Door observanten is waargenomen dat [medeverdachte 1] op de parkeerplaats bij het BP benzinestation gelegen aan de A67 ter hoogte van Venlo stopte en daar contact had met een onbekende man met een kaal hoofd. Even later vertrok de Mercedes bestelbus met het [kenteken 1] . Deze onbekende man vertrok kort daarna in een personenauto, merk Porsche, type Panamera, voorzien van het [kenteken 2] . Ruim een half uur later werd waargenomen dat de Mercedes met het [kenteken 1] en de Porsche met het [kenteken 2] het industrieterrein ’t Broek te Waalre op reden. Waargenomen werd dat de Mercedes en de Porsche het woonwagenkamp aan [adres 1] te Waalre op reden. Na het vertrek vanaf het benzinestation tot aan het woonwagenkamp heeft de Porsche constant achter de Mercedes gereden. De Porsche verdween ter hoogte van de tweede woonwagen aan de rechterkant uit beeld. Negen minuten later werd waargenomen dat de door [medeverdachte 1] bestuurde Mercedes met het [kenteken 1] van het woonwagenkamp vertrok. Een kleine twintig minuten later werd de Mercedes met het [kenteken 1] in Eindhoven geparkeerd. Waargenomen werd dat in de laadruimte van de Mercedes met het [kenteken 1] geen lading meer aanwezig was. Uit onderzoek is later gebleken dat de personenauto Porsche Panamera met het [kenteken 2] op 5 juni 2012 op naam stond van het [bedrijf 2] uit Oirschot en dat deze auto in de maand juni 2012 is verhuurd aan [medeverdachte 2] .

Op 28 juni 2012 heeft [medeverdachte 1] met een witte bestelbus (Mercedes Vito voorzien van het [kenteken 1] ) op het vliegveld in Frankfurt in Duitsland wederom een partij van 600 kg apaan opgehaald en naar Nederland gebracht. De lading was voorzien van plaatsbepalingsapparatuur en de lading is gevolgd door een observatieteam met ondersteuning van een helikopter. Door het observatieteam is waargenomen dat [medeverdachte 1] nabij de grensovergang een stop maakte bij het BP tankstation. Daar vond een ontmoeting plaats tussen [medeverdachte 1] en de bestuurder van een BMW type 5 voorzien van het [kenteken 3] . Gezien werd dat [medeverdachte 1] en de bestuurder van de BMW aan de achterzijde van de bestelbus stonden en dat de deur van de laadruimte werd geopend. Waargenomen werd dat de bestuurder van de BMW een man was van rond de dertig jaar. De man had zeer kort haar en droeg een wit t-shirt. Op camerabeelden van de tankshop is te zien dat de bestuurder van de BMW onder andere een zonnebril en een wit t-shirt droeg met daarop een afbeelding van Al Pacino. De BMW stond op naam van [bedrijf 2] uit Oirschot. Nadat de Mercedes met het [kenteken 1] en de BMW met het [kenteken 3] de parkeerplaats verlieten, werd een verstoring van de plaatsbepalingsapparatuur geconstateerd. Vanaf de parkeerplaats zijn de Mercedes en de BMW gevolgd tot de Mercedes de loods op het [adres 1] te Waalre werd binnengereden. De BMW werd buiten de loods geparkeerd en waargenomen werd dat de bestuurder de loods in liep. Op het [adres 1] te Waalre woont verdachte en de bij deze woning behorende loods is zijn eigendom. Ongeveer 10 minuten later vertrok de Mercedes bus en ongeveer een half uur later werd deze door [medeverdachte 1] ingeleverd bij een verhuurbedrijf.

Later die dag hebben verbalisanten in de loods op [adres 1] te Waalre in een witte bestelbus van het merk Opel, type Movano, voorzien van het [kenteken 4] de lading van 600 kg apaan aangetroffen. Deze bestelbus stond op naam van [medeverdachte 2] . Bij het aantreffen van de vaten apaan tijdens de doorzoeking van de loods op 28 juni 2012 waren deze ontdaan van etiketten. In de loods werd een in werking zijnde jammer aangetroffen. In een afgesloten deel van de loods werden in een vuilniszak de afgescheurde etiketten aangetroffen.

In het afgesloten deel van de loods werden op de grond twee 5 liter jerrycans gevuld met methanol, een 5 liter jerrycan gevuld met ethanol en een 30 liter jerrycan gevuld met zwavelzuur aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat de BMW type 5 met het [kenteken 3] van 25 tot 30 juni 2012 is verhuurd aan [medeverdachte 2] . Op 16 oktober 2012 is de woning van [medeverdachte 2] doorzocht. Tijdens de doorzoeking zijn onder andere sleutels behorende bij een BMW type 5 met het [kenteken 3] , een wit t-shirt met als opdruk Al Pacino en een zonnebril aangetroffen. Deze zonnebril en het t-shirt met de afbeelding van Al Pacino vertonen sterke gelijkenis met het t-shirt en de zonnebril die de bestuurder van de BMW type 5 droeg bij het BP tankstation op 28 juni 2012.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat op 5 juni 2012 en 28 juni 2012 twee transporten van apaan hebben plaatsgevonden, waarbij deze apaan naar het woonwagenkamp in Waalre is vervoerd. Op 28 juni 2012 is gezien dat de Mercedes bus (met apaan) de loods inreed en, naar de rechtbank concludeert, [medeverdachte 2] ook direct de loods binnengaat. Beide keren is de apaan ter plaatse uit de bus geladen waarmee de apaan is vervoerd. De loods, waarin op 28 juni 2012 apaan en voornoemde jerrycans met andere chemicaliën zijn aangetroffen, is eigendom van verdachte. De loods is gelegen achter de woning van verdachte. Om de loods per auto te kunnen bereiken moet via de oprit direct langs de woning van verdachte worden gereden. Het perceel is af te sluiten met een hek en de ruimte tussen de woonwagen en de perceelgrens is slechts drie a vier meter. Verdachte is op 28 juni 2012 kort nadat de apaan in zijn loods aan [adres 1] te Waalre is gebracht aangetroffen in de directe nabijheid op het [adres 2] te Waalre.

In de verhoren door de FIOD heeft verdachte ten aanzien van de feiten waarvan hij verdacht wordt zich op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting van 26 januari 2016 heeft verdachte verklaard niets te weten van de in de loods aangetroffen stoffen. De loods was naar zijn zeggen nooit op slot en kon door anderen vrijelijk worden gebruikt. Alleen hij (verdachte) beschikte over de sleutel.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Vaststaat immers dat zich in de loods van verdachte wel een afgesloten ruimte bevond waarin onder andere zwavelzuur, ethanol en methanol stond en voorts de etiketten zijn aangetroffen afkomstig van de vaten apaan die zijn overgeladen in de in de loods aangetroffen witte Opel bestelbus. De rechtbank acht het voorts ook geheel ongeloofwaardig dat beide medeverdachten zonder dat verdachte daarvan op de hoogte zou zijn geweest, zijn loods hebben kunnen gebruiken voor de opslag dan wel overslag van twee leveringen apaan, te weten op 5 en 28 juni 2012. De rechtbank overweegt in dat licht nog dat beide medeverdachten niet zelf woonachtig waren op het woonwagenkamp en dat verdachte bij het begin van de doorzoeking ook zelf op het woonwagenkamp aanwezig was. Het vorenstaande brengt mee dat verdachte betrokken moet zijn geweest bij en wetenschap moet hebben gehad van de (komst van) de lading apaan op 28 juni 2012 en de overige aangetroffen stoffen in de afgesloten ruimte.

Gelet op het vorenstaande -in onderling verband en samenhang bezien- is de rechtbank van oordeel dat verdachte met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] betrokken is geweest bij de transporten van apaan op 5 juni 2012 en 28 juni 2012 en dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat hij samen met die twee anderen in de periode van 1 juni 2012 tot en met 28 juni 2012 om een feit in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen stoffen, te weten alpha-phenylacetoacetonitrille (apaan), methanol, ethanol en zwavelzuur heeft besteld, gekocht, vervoerd, opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad en dat hij samen met die twee anderen op 28 juni 2012 in Nederland een jammer voorhanden heeft gehad.

Weliswaar is tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 2] op 16 oktober 2012 nog een jammer aangetroffen sterk gelijkend op de jammer die op 28 juni 2012 is aangetroffen in de loods op [adres 1] te Waalre, maar nog afgezien of betrokkenheid van verdachte bij deze jammer wettig en overtuigend bewezen kan worden valt de datum waarop deze jammer is aangetroffen (16 oktober 2012) buiten de in feit 4 ten laste gelegde periode, zodat de rechtbank verdachte al om die reden van het aanwezig hebben van deze jammer vrijspreekt.

Voor betrokkenheid van verdachte bij de transporten van apaan vóór 5 juni 2012 ontbreekt bewijs. Derhalve spreekt de rechtbank verdachte van deze transporten vrij.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. meer subsidiair:

op tijdstippen gelegen in de periode van 1 juni 2012 tot en met 28 juni 2012 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of 4-methylamfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of 4-methylamfetamine, zijnde amfetamine en 4-methylamfetamine middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en zijn mededaders wisten dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten,

immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededaders telkens al dan niet via (een) ander(en):

- stoffen, te weten grote hoeveelheden Alpha-phenylacetoacetonitrille en methanol en ethanol en zwavelzuur (- welke stoffen kunnen worden gebruikt bij/voor de bereiding en/of verwerking en/of vervaardiging van amfetamine en/of 4-methylamfetamine, besteld en vervoerd en opgeslagen en voorhanden gehad en

- contacten gehad en afspraken gemaakt met een of meer (mogelijke) leverancier(s) en/of transporteur(s) met betrekking tot de hoeveelheid, prijs, levering, betaling en het vervoer van grote hoeveelheden Alpha-phenylacetoacetonitrille;

3. hij op 28 juni 2012 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een radiozendapparaat, te weten een 4 band mobiele telefoon jammer (bestemd voor het uitzenden van radiocommunicatiesignalen met grote bandbreedte, liggende in de mobiele netwerk banden) aanwezig heeft gehad en heeft gebruikt, terwijl voor het gebruik ervan aan de houder van die radiozendapparaten op grond van hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet geen vergunning voor het gebruik van frequentieruimte was verleend.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Vrijspraak voor het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde.

Voor het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde:

- gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. Wegens de overschrijding van de redelijke termijn dient een compensatie plaats te vinden met 2 weken, waardoor de strafeis uitkomt op 23 maanden en 2 weken.

- verbeurdverklaring van een geldbedrag van EUR 6.540,-.

- onttrekking aan het verkeer van 2 zakken caffeïne.

- teruggave aan verdachte van 53 mCPP-pillen.

De officier van justitie maakt kenbaar voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken. Zij heeft tevens medegedeeld dat daartoe een strafrechtelijk financieel onderzoek, als bedoeld in artikel 126 van het Wetboek van Strafvordering, is ingesteld.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte waaronder zijn draagkracht.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich in de periode van 1 juni 2012 tot en met 28 juni 2012 samen met anderen schuldig gemaakt aan strafbare voorbereidingshandelingen gericht op de productie van synthetische drugs. Hij heeft samen met anderen grote hoeveelheden apaan, dat gebruikt kan worden bij de productie van amfetamine en/of 4-methylamfetamine, besteld, vervoerd, opgeslagen en aanwezig gehad. Het is algemeen bekend dat de van deze stoffen te maken verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen.

Ook heeft verdachte samen met anderen een jammer voorhanden gehad en gebruikt.

Verdachte heeft de mede door hem gepleegde strafbare feiten gepleegd in georganiseerd verband. Men is daarbij planmatig te werk gegaan. De mede door hem gepleegde strafbare feiten zijn begaan na een periode van voorbereiding en overeenkomstig een welbewust opgesteld plan.

Voor de bewezenverklaarde feiten is naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend.

De rechtbank stelt echter vast dat sinds het tijdstip waarop de mede door hem gepleegde strafbare feiten hebben plaatsgehad geruime tijd is verstreken. Voor wat betreft de vraag of er sprake is van een berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM het volgende.

Bij de berechting van een zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak en van de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Een redelijke termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van de verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt.

In de onderhavige zaak is verdachte in verzekering gesteld op 16 oktober 2012. Op 2 januari 2013 is de dagvaarding uitgebracht. Verdachte is gedagvaard voor de zitting van de meervoudige strafkamer van 25 januari 2013. Op die zitting heeft de meervoudige strafkamer het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst en bij beslissing van 21 juni 2013 zijn prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over apaan. Op 12 februari 2015 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie arrest gewezen. De inhoudelijke behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zittingen van 26 en 28 januari 2016 en het eindvonnis wordt op 11 februari 2016 uitgesproken. Derhalve is de onderhavige zaak afgerond een kleine 40 maanden nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen.

De rechtbank is van oordeel dat in casu geen sprake meer is van een berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. De mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is voor de rechtbank aanleiding verdachte een strafkorting toe te kennen van 10% van de beoogde op te leggen gevangenisstraf. De rechtbank zal derhalve een strafkorting toekennen van 2 maanden.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank -anders dan door de officier van justitie gevorderd- verdachte vrijspreekt van het onder 2 ten laste gelegde feit en de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Beslag.De rechtbank is gebleken dat op het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag van

€ 6.540,- zowel strafvorderlijk als ook conservatoir beslag is gelegd.

De rechtbank heft het strafvorderlijk beslag op. Nu de officier van justitie te kennen heeft gegeven dat er tegen verdachte een strafrechtelijk financieel onderzoek zal worden ingesteld, zal de rechtbank zich in dit vonnis niet uitlaten over het conservatoir beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen 2 zakken caffeïne vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit goed bij gelegenheid van het onderzoek naar de feiten waarvan verdachte werd verdacht zijn aangetroffen en het goed kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, terwijl het goed van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan verdachte van de onder hem in beslag genomen

53 mCPP-pillen, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de in beslag genomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 36b, 36d, 47, 57, 63, 91.

Opiumwet art. 10, 10a.

Telecommunicatiewet art. 1.1, 3.3, 10.9, 20.20.

Wet op de economische delicten art. 1, 2, 6 en 87.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 meer subsidiair en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 meer subsidiair en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 meer subsidiair: medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd. T.a.v. feit 3: medeplegen van: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.9 eerste lid van de Telecommunicatiewet, opzettelijk begaan.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. feit 1 meer subsidiair, feit 3: Gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 25 januari 2013 en vervolgens op 26 januari 2016 reeds geschorst tot de uitspraak op 11 februari 2016.

Onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen goederen, te weten van 2 zakken caffeïne. Teruggave inbeslaggenomen goederen, te weten van 53 mCCP pillen aan veroordeelde.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,

mr. R.J. Bokhorst en mr. C.J. Sangers- de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van G. Dirks, griffier,

en is uitgesproken op 11 februari 2016.