Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:5192

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-08-2016
Datum publicatie
22-09-2016
Zaaknummer
C/01/295624 / FA RK 15-3444
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Beschikking
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Partijen verschillen van mening over de te hanteren peildatum voor de waarde van de aandelen. Bij de verdeling van tot een gemeenschap behorende goederen moet ter bepaling van hun waarde in beginsel worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling. Van dit uitgangspunt kan echter worden afgeweken op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid. De vrouw heeft hierop een beroep gedaan. De rechtbank gaat voor de bepaling van de waarde van de aandelen uit van de datum van de indiening van het echtscheidingsverzoek.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 151, geldigheid: 2002-01-01
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 827, geldigheid: 2009-03-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer / rekestnummer: C/01/295624 / FA RK 15-3444

Beschikking van 8 augustus 2016 betreffende de echtscheiding

in de zaak van

[de vrouw]

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. I.H.M. Mooren-van Weereld, gevestigd te 's-Hertogenbosch,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. G.V. van Campen, gevestigd te 's-Hertogenbosch.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 29 juni 2015;

- het verweerschrift van de man, tevens zelfstandig verzoek;

- de correspondentie, waaronder met name:

  • -

    een brief van mr. Mooren-van Weereld van 23 november 2015 met als bijlage het formulier Verdelen en verrekenen;

  • -

    een F9 formulier van mr. Van Campen van 9 december 2015 met als bijlage het formulier Verdelen en verrekenen;

  • -

    een brief met bijlage van mr. Mooren-van Weereld van 25 mei 2016;

  • -

    een brief met bijlagen van mr. Van Campen van 27 mei 2016;

  • -

    een brief met bijlage van mr. Mooren-van Weereld van 7 juni 2016;

  • -

    een brief met bijlagen van mr. Van Campen van 7 juni 2016.

De minderjarige [minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. Zij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

De behandeling heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 juni 2016. Verschenen zijn partijen met hun advocaten.

De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om na de behandeling op zitting de rechtbank te informeren over het inkomen van de vrouw. De rechtbank heeft vervolgens kennisgenomen van:

  • -

    een F9 formulier van mr. Van Campen van 23 juni 2016;

  • -

    een F9 formulier van mr. Mooren-van Weereld van 23 juni 2016.

2 De beoordeling

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] .

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

- [minderjarige_1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige_2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en

- [minderjarige-3] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

2.1.

Ouderschapsplan

In artikel 815 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat ouders bij een echtscheiding een ondertekend gezamenlijk ouderschapsplan in het geding dienen te brengen.

Partijen hebben geen gezamenlijk ouderschapsplan overgelegd. Uit de overgelegde stukken en de behandeling op zitting is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken dat partijen redelijkerwijs niet in staat zijn om een gezamenlijk ouderschapsplan over te leggen. Om die reden acht de rechtbank, ondanks het ontbreken van een gezamenlijk ouderschapsplan, partijen ontvankelijk in hun verzoeken tot echtscheiding.

2.2.

Scheiding

Partijen hebben de rechtbank verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.3.

Verblijfplaats

De vrouw heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar zal zijn. De man heeft hiermee ingestemd.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen. Niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet.

2.4.

Verdeling zorg- en opvoedingstaken

Partijen zijn het eens over de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Partijen hebben afgesproken dat de kinderen bij de man verblijven:

  • -

    in de even weken van vrijdagochtend 11.45 uur tot en met vrijdagavond 20.00 uur;

  • -

    in de oneven weken van vrijdagochtend 11.45 uur tot en met maandagochtend tot de kinderen naar school gaan;

  • -

    de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen.

De rechtbank zal de verzoeken van partijen voor zover nodig als gewijzigd beschouwen en dienovereenkomstig beslissen.

2.5.

Woning

De vrouw heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat aan haar het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] toekomt voor de duur van zes maanden vanaf de datum dat er definitief duidelijkheid bestaat over de verdeling van de gemeenschap van goederen en wat aan de vrouw in dat kader toekomt.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd.

De vrouw heeft haar verzoek voor zover dat betrekking heeft op het voortgezet gebruik van de zich in de woning bevindende inboedel op zitting ingetrokken.

De rechtbank overweegt als volgt.

De vrouw verblijft op dit moment met de kinderen in de echtelijke woning aan de [adres] . Bij beschikking van 3 juli 2015 is in het kader van de voorlopige voorzieningen aan haar het uitsluitend gebruik van de woning toegekend. Uit de overgelegde stukken en de behandeling op zitting begrijpt de rechtbank dat de man op zich geen bezwaar heeft tegen het voortgezet gebruik van de woning door de vrouw voor de duur van zes maanden, maar hij is het niet eens met de verzochte ingangsdatum.

De rechtbank overweegt dat het verzoek van de vrouw, met als ingangsdatum de datum dat er definitief duidelijkheid bestaat over de verdeling van de gemeenschap van goederen en wat aan de vrouw in dat kader toekomt, niet is gegrond op de wet en op deze manier niet door de rechtbank kan worden toegewezen. De rechtbank begrijpt het verzoek van de vrouw als een verzoek als bedoeld in artikel 1:165 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank zal ingevolge het eerste lid van voornoemd artikel bepalen dat aan de vrouw het voortgezet gebruik van de woning toekomt voor de duur van zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.

2.6.

Kinderalimentatie

De vrouw heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de man met ingang van de datum van ontbinding van het huwelijk met een bedrag van € 369,00 per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd.

2.6.1.

Behoefte

Bij het bepalen van de behoefte aan kinderalimentatie hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de tabel kosten van kinderen van het NIBUD. Van belang is het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBG) en de leeftijd van de kinderen.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling op zitting begrijpt de rechtbank dat partijen het er over eens zijn dat de behoefte van de kinderen dient te worden becijferd aan de hand van de gegevens in 2014. Partijen zijn het er ook over eens dat het NBG in dat jaar meer dan € 6.000,00 per maand bedroeg. Gelet op de leeftijd van de kinderen in 2014, gaat de rechtbank uit van 4 kinderbijslagpunten.

Uitgaande van deze gegevens bedroeg de behoefte van de kinderen in 2014 op grond van de tabel € 1.815,00 per maand. De behoefte van de kinderen bedraagt in 2016 geïndexeerd

€ 1.853,30 per maand.

2.6.2.

Draagkracht van de man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man, gaat de rechtbank uit van de volgende financiële gegevens.

Netto besteedbaar inkomen

Partijen verschillen van mening over de financiële situatie van de man en zij hebben hierover in de stukken en tijdens de behandeling op zitting uitvoerig debat gevoerd. De vrouw stelt onder meer – kort weergegeven – dat de man directeur-grootaandeelhouder (DGA) is van [BV_1] (een holding). [BV_1] is aandeelhouder van een aantal andere vennootschappen, samen aangeduid als de [BV_2] . De man heeft in februari 2016 zelf het faillissement aangevraagd van een deel van deze vennootschappen. Dit was volgens de vrouw niet nodig geweest, zo heeft de man fouten gemaakt als het gaat om zijn relatie met de bank. De vrouw stelt dat de man er alles aan doet om zijn financiële situatie zo somber mogelijk voor te stellen. De 1,3 miljoen euro waarvoor [BV_1] nog in de aangifte over 2014 is meegenomen, lijkt zo goed als verdampt en de man laat na, ondanks herhaaldelijke verzoeken van de vrouw, om inzichtelijk te maken wat er met het geld is gebeurd. Hij is een ondernemer en hij is erg actief met het starten, fuseren en failliet laten gaan van bedrijven. De faillissementen betekenen volgens de vrouw niet dat er geen financiële middelen meer zijn. De man legt onvoldoende gegevens over met betrekking tot de andere vennootschappen en ook de levenstandaard van de man strookt niet met de stelling dat er niets meer is. De man maakt reizen met zijn huidige partner, de woning waarin hij met zijn partner verblijft, wordt continue verbouwd en vernieuwd en hij schaft dure spullen aan voor de kinderen.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man een aanzienlijke verdiencapaciteit heeft en dat van hem redelijkerwijs kan en mag worden verwacht dat hij een inkomen genereert gelijk aan de situatie in 2014. Het gaat dan om het inkomen van € 106.827,00 van de man uit loondienst bij [BV_1] (zoals dat volgt uit zijn IB-aangifte 2014) en daarnaast was er sprake van een dividenduitkering. Deze uitkering bedroeg volgens de vrouw over 2011 tot en met 2014 gemiddeld € 57.861,00 bruto per jaar. De man is hoog gekwalificeerd. De huidige arbeidsovereenkomst van de man met uitzendbureau [naam_uitz_bureau] is zeer ongeloofwaardig. De vrouw wijst er op dat uit de crediteurenlijst volgt dat de man (in ieder geval in het verleden) voor zijn vennootschappen zelf gebruik heeft gemaakt van de diensten van [naam_uitz_bureau] . De branche waarin de man werkzaam is, biedt nog steeds voldoende kansen. Het werk is nog steeds beschikbaar. De vrouw wijst ook op het openbaar faillissementsverslag van [datum] met betrekking tot [BV_4] , waarin is opgenomen dat de man aan de curator heeft aangegeven dat hij de onderneming niet wil doorstarten maar dat hij wel enkele projecten wil voortzetten via een andere vennootschap. Volgens de vrouw is de man inmiddels betrokken bij twee nieuwe vennootschappen. De voormalig compagnon van de man, de heer [naam 1] , is met zijn onderneming [BV_5] , voorheen bestuurder bij [BV_2] BV, aandeelhouder van [BV_6] Het bedrijf verricht dezelfde activiteiten als de inmiddels failliete [BV_2] BV. Daarnaast is er [BV_7] BV, met de huidige partner van de man als bestuurster en de heer [naam 2] , vriend en voormalig zakenpartner van de man, als aandeelhouder. De heer [naam 2] verrichtte via [BV_8] ICT-werkzaamheden voor [BV_2] BV. [BV_8] is door [BV_2] BV verkocht. De kernactiviteiten van [BV_7] BV zijn gelijk aan de kernactiviteiten van de man, de logo’s komen (vrijwel) overeen en het bedrijf is gevestigd in een bedrijfspand van [BV_1] .

De man stelt onder meer – kort weergegeven – dat de vrouw geen realistisch beeld heeft van zijn huidige financiële situatie. Een aantal jaren geleden floreerde het bedrijf, maar na een ingrijpende reorganisatie (uitkoop van zijn broer) en de problemen rondom een project in België, is de liquiditeit- en solvabiliteitsituatie van de onderneming zeer slecht. In 2015 is ook het salaris van de man daarom bijgesteld. De man geeft aan dat hij ondanks de slechte bedrijfsomstandigheden zijn salarisbetalingen heeft gecontinueerd, om aan zijn verplichtingen ten aanzien van de vrouw en de kinderen te kunnen voldoen. De man heeft moeten interen op de liquide middelen in de holding en de rekening-courantverhouding is fors toegenomen. Volgens de man hebben hij en zijn accountant er alles aan gedaan om een faillissement te voorkomen. Hij heeft gesprekken gevoerd met de afdeling bijzonder beheer van de [Bank] . De man betwist dat hij deze gesprekken niet goed heeft gevoerd; hij heeft zich bij deze gesprekken juridisch laten bijstaan. Het is helaas niet gelukt om een regeling te treffen met de bank, waarna de bank het krediet heeft opgezegd. Als gevolg hiervan had de man geen andere keus dan het faillissement aan te vragen van [BV_4] . Het faillissement is bij vonnis van 16 februari 2016 uitgesproken. Op [datum] zijn ook [BV_9] , [BV_10] en [BV_2] BV failliet verklaard. De faillissementen waren onafwendbaar, aldus de man.

Het salaris van de man uit de holding is per 1 april 2016 stopgezet. Er is een curator aangesteld en de man is druk doende met de afwikkeling van de faillissementen. De situatie is transparant en de man betwist dat hij stukken voor de vrouw achterhoudt. De man is niet betrokken bij het bedrijf van de heer [naam 1] ( [BV_11] en bij [BV_7] BV. De aandelen van [BV_8] zijn destijds verkocht aan de heer [naam 2] , die al voor het bedrijf werkzaam was. Hij heeft de partner van de man in dienst genomen, de man speelt daar verder geen rol bij.

De man is inmiddels in dienst getreden als projectleider bij [naam_uitz_bureau] . Het bedrijf is een voormalig klant van de [BV_2] . De man heeft even getwijfeld over het aanbod van [naam_uitz_bureau] om bij hen te komen werken, maar hij heeft een inkomen nodig. Ook is zijn positie op de arbeidsmarkt op dit moment niet erg sterk, gelet op de omstandigheid dat hij druk is met de afwikkeling van de faillissementen en deze echtscheidingsprocedure. De man stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van verwijtbaar inkomensverlies en dat bij de bepaling van zijn draagkracht moet worden uitgegaan van zijn huidige inkomen bij [naam_uitz_bureau] , te weten € 3.250,00 bruto per vier weken en een vakantietoeslag van 8%. Indien de rechtbank van mening is dat aan hem een fictief inkomen moet worden toegekend, stelt de man dat er moet worden gerekend met een gemiddelde dividenduitkering van € 40.000,00.

De rechtbank overweegt als volgt.

De man is DGA van [BV_1] . De man heeft jarenlang een goed lopende onderneming geleid. De laatste jaren gingen de zaken slechter, althans volgens de man, en dit jaar zijn een aantal vennootschappen failliet gegaan. Uit de overgelegde stukken en de behandeling op zitting begrijpt de rechtbank dat de faillissementen volgens de man met name een gevolg zijn van problemen rondom een project in België en problemen met de [Bank] . De vrouw heeft grote twijfels over de noodzaak van de faillissementen en het handelen van de man. Volgens haar doet de man er alles aan om zijn financiële situatie zo somber mogelijk voor te stellen. De man heeft het eerste openbare faillissementsverslag (met betrekking tot [BV_4] ), gedateerd [datum] , overgelegd als productie 14. Hierin staat onder meer de curator het eerstvolgende verslag omstreeks 16 juni 2016 zal indienen.

De man heeft niet gesteld dat er onvoldoende werk beschikbaar is en/of dat de markt waar de onderneming van de man zich in begaf is ingestort of anderszins drastisch is gewijzigd, waardoor er geen omzet meer te behalen valt. Uit het door de vrouw aangehaalde faillissementsverslag van [datum] , volgt dat de man enkele projecten wilde voortzetten. Ook zijn er onlangs twee nieuwe bedrijven gestart, te weten [BV_11] en [BV_7] BV, die, gelet op de door de vrouw overgelegde stukken, dezelfde kernactiviteiten als de onderneming van de man hebben. Uit de overgelegde stukken en de behandeling op zitting begrijpt de rechtbank dat de man nog steeds werkzaam is in dezelfde branche, maar nu alleen nog maar in loondienstverband bij [naam_uitz_bureau] tegen een aanzienlijk lager inkomen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat van de man redelijkerwijs kan en mag worden verwacht dat hij op korte termijn een inkomen genereert gelijk aan het eerdere inkomen dat hij genoot toen partijen nog bij elkaar waren (2014). De rechtbank is van oordeel dat de man, mede gelet op hetgeen de vrouw op dit punt heeft gesteld, onvoldoende heeft aangevoerd om te kunnen concluderen dat de branche waarin de man werkzaam is en de kwalificaties van de man daarvoor geen ruimte bieden. Ook de afwikkeling van de faillissementen en de echtscheidingsprocedure - hoe belastend wellicht ook - hoeven de man daarbij niet in dusdanige mate te belemmeren.

Tussen partijen is niet in geschil dat het inkomen van de man uit [BV_1] in 2014 € 106.827,00 bruto bedroeg, zoals volgt uit de IB aangifte 2014 (productie 5 van de man). Uit de salarisspecificatie van de man van december 2014 volgt dat er sprake is van een fiscale bijtelling van de auto (productie 6 van de vrouw). De rechtbank corrigeert het inkomen van de man voor wat betreft de fiscale bijtelling van de auto, te weten een bedrag van € 14.873,28 per jaar. Ook houdt de rechtbank rekening met de premie voor uitkering bij invaliditeit, ziekte of ongeval van € 6.244,00 en de door de man zelf te betalen bijdrage ZVW.

Partijen verschillen van mening over de hoogte van de dividenduitkering. Uit de overgelegde stukken volgt dat er in 2011 een dividenduitkering heeft plaatsgevonden van € 111.444,00 (productie 15 van de vrouw). In 2012 en 2013 heeft er geen dividenduitkering plaatsgevonden. In 2014 heeft er een dividenduitkering plaatsgevonden van € 120.000,00 (productie 5 van de man). De rechtbank volgt in deze het standpunt van de man en houdt bij de bepaling van zijn netto besteedbaar inkomen (NBI) rekening met een gemiddelde dividenduitkering over drie jaren (2012, 2013 en 2014) van € 40.000,00.

Uitgaande van voornoemde gegevens becijfert de rechtbank het NBI van de man op

€ 6.458,00 per maand. De betreffende berekening is bijgevoegd.

Draagkracht volgens draagkrachtformule

Op grond van de draagkrachtformule 70% [NBI – (0,3 x NBI + 890)] heeft de man een draagkracht van € 2.541,42 per maand.

Zorgkorting

Partijen zijn het eens over een zorgkorting van 30%. De zorgkorting bedraagt (30% van € 1.853,30 per maand) € 555,99 per maand.

2.6.3.

Draagkracht van de vrouw

Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw, gaat de rechtbank uit van de volgende financiële gegevens.

Netto besteedbaar inkomen

De vrouw stelt – kort weergegeven – dat zij inmiddels werk heeft gevonden als administratief medewerker, zij heeft een contract van twee uur per week. Daarnaast verricht de vrouw oproepwerkzaamheden. Volgens de vrouw bedraagt haar inkomen op dit moment in totaal € 500,00 netto per maand en heeft zij geen draagkracht om bij te dragen in de kosten van de kinderen. De vrouw geeft desgevraagd aan dat zij in het verleden heeft gewerkt als secretaresse, eerst bij een notaris en daarna bij een adviesgroep. Sinds 2002 is zij thuis in verband met de zorg voor de kinderen. Zij heeft tijdens het huwelijk de administratie gedaan van [BV_1] en werkte sinds 2013 twee dagen per week binnen het bedrijf.

De man voert hiertegen verweer. Hij stelt – kort weergegeven – dat de vrouw geen loonstroken en/of sollicitaties heeft overgelegd. De vrouw heeft een vwo-opleiding en zij heeft geruime tijd een eigen schoonheidssalon gerund. Volgens de man kan aan de vrouw een verdiencapaciteit worden toegerekend, hij acht het redelijk dat ervan uitgegaan wordt dat de vrouw binnen een jaar in ieder geval het minimumloon kan verdienen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank heeft in overleg met partijen de vrouw in de gelegenheid gesteld om buiten de zitting om haar inkomensgegevens aan de man te overhandigen. Uit de nadien ingekomen correspondentie van 23 juni 2016 begrijpt de rechtbank dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de vrouw op dit moment een inkomen genereert van € 500,00 netto per maand. De rechtbank gaat hier dan ook van uit.

De rechtbank overweegt dat van de vrouw wordt verwacht, gelet op haar onderhoudsverplichting jegens de kinderen, dat zij zich zal inspannen om haar werkzaamheden uit te breiden en een hoger inkomen te genereren. De rechtbank acht het echter niet redelijk om op dit moment daar een termijn aan te verbinden, zoals door de man is aangevoerd. Daarbij houdt de rechtbank rekening met het arbeidsverleden van de vrouw en haar afstand tot de arbeidsmarkt.

Draagkracht volgens draagkrachttabel

De vrouw ontvangt een kindgebonden budget. Zelfs indien de vrouw het maximale bedrag aan kindgebonden budget ontvangt, is haar NBI niet hoger dan € 1.300,00 netto per maand, zodat de vrouw op grond van de draagkrachttabel (2016-1) een draagkracht heeft van € 50,00 per maand (minimumdraagkracht).

2.6.4.

Conclusie na draagkrachtvergelijking

De man heeft een draagkracht van € 2.541,42 per maand. De vrouw heeft een draagkracht van € 50,00 per maand. De totale draagkracht van partijen bedraagt daarmee € 2.591,42 per maand en overschrijdt de behoefte van de kinderen (€ 1.853,30 per maand), zodat de rechtbank een draagkrachtvergelijking zal maken:

aandeel man: € 2.541,42 / € 2.591,42 * € 1.853,30 = € 1.817,54

aandeel vrouw: € 50,00 / € 2.591,42 * € 1.853,30 = € 35,76

Het aandeel van de man dient te worden verminderd met de hiervoor berekende zorgkorting. Er resteert (€ 1.817,54 minus € 555,99) € 1.261,55 per maand. Hieruit volgt dat de man over voldoende draagkracht beschikt om de door de vrouw verzochte kinderalimentatie (in totaal € 1.107,00 per maand) te voldoen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de man met een bedrag van € 369,00 per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

2.7.

Partneralimentatie

De vrouw heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de man met ingang van de datum van ontbinding van het huwelijk met een bedrag van € 3.243,00 bruto per maand dient bij te dragen in de kosten van haar levensonderhoud.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd.

2.7.1.

Huwelijksgerelateerde behoefte

Tussen partijen is niet in geschil dat voor de huwelijksgerelateerde behoefte kan worden uitgegaan van het NBG in 2014. Ook zijn partijen het er over eens dat de huwelijksgerelateerde behoefte kan worden becijferd met toepassing van de zogenoemde hofformule (60%).

Zoals de rechtbank hiervoor heeft aangegeven, bedroeg het inkomen van de man in 2014 € 106.827,00 bruto per jaar. De rechtbank corrigeert het inkomen van de man voor wat betreft de fiscale bijtelling van de auto, te weten een bedrag van € 14.873,28 per jaar. Ook houdt de rechtbank rekening met de premie voor uitkering bij invaliditeit, ziekte of ongeval van € 6.244,00 en de door de man zelf te betalen bijdrage ZVW. De rechtbank gaat uit van een gemiddelde dividenduitkering van € 40.000,00. Uitgaande van deze gegevens becijfert de rechtbank het NBI van de man in 2014 op € 6.507,00 per maand. De betreffende berekening is bijgevoegd.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw in 2014 in dienst van [BV_1] een inkomen genereerde van € 542,00 netto per maand. Ook is tussen partijen niet in geschil dat zij, gelet op de hoogte van hun gezamenlijk inkomen, in 2014 geen recht hadden op een kindgebonden budget.

Het NBG van partijen bedroeg in 2014 (€ 6.507,00 plus € 542,00) € 7.049,00 per maand. Na aftrek van de kosten van de kinderen, in 2014 € 1.815,00 per maand, resteert er € 5.234,00 per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte bedroeg daarmee (60% van € 5.234,00)

€ 3.140,40 netto per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte bedraagt in 2016 geïndexeerd € 3.206,67 netto per maand.

2.7.2.

Aanvullende behoefte

Uit de ingekomen correspondentie van 23 juni 2016 volgt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de aanvullende behoefte van de vrouw. Partijen zijn het er over eens dat op de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw een bedrag van € 500,00 netto per maand kan worden ingehouden en het resterende bedrag de aanvullende behoefte van de vrouw betreft.

De aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt daarmee (€ 3.206,67 minus € 500,00)

€ 2.706,67 netto per maand.

2.7.3.

Draagkracht van de man

De rechtbank heeft de draagkracht van de man op zitting besproken aan de hand van de door de man overgelegde draagkrachtberekening (productie 29).

Inkomen

Zoals de rechtbank hiervoor in het kader van de draagkracht van de man voor kinderalimentatie heeft overwogen, gaat de rechtbank uit van een verdiencapaciteit aan de zijde van de man: van de man kan en mag redelijkerwijs worden verwacht dat hij op korte termijn een inkomen genereert gelijk aan het eerdere inkomen dat hij genoot toen partijen nog bij elkaar waren. De rechtbank gaat dan ook uit van een inkomen van de man van € 106.827,00 bruto per jaar. De rechtbank corrigeert het inkomen van de man voor wat betreft de fiscale bijtelling van de auto, te weten een bedrag van € 14.873,28 per jaar. Ook houdt de rechtbank rekening met de premie voor uitkering bij invaliditeit, ziekte of ongeval van € 6.244,00 en de door de man zelf te betalen bijdrage ZVW. De rechtbank gaat uit van een gemiddelde dividenduitkering van € 40.000,00.

Woning

Partijen zijn het er over eens dat ieder van hen de helft van de lasten van de echtelijke woning aan de [adres] voldoet. De man heeft in zijn berekening de helft van het eigenwoningforfait en de helft van de hypotheekrente opgenomen; dit is door de vrouw niet weersproken. De rechtbank gaat dan ook uit van de door de man opgenomen bedragen:

  • -

    eigenwoningforfait € 1.163,00

  • -

    hypotheekrente € 7.991,00

Heffingskortingen

  • -

    Algemene heffingskorting

  • -

    Arbeidskorting

Bijstandsnorm

De rechtbank gaat uit van de bijstandsnorm voor een alleenstaande, inclusief het gebruikelijke vakantiegeld: € 973,00 per maand.

Woonlasten

De man houdt in zijn berekening rekening met een huur van € 400,00 per maand. De man stelt – kort weergegeven – dat hij met zijn partner in haar woning verblijft en dat hij haar per maand € 400,00 contant geeft. Volgens de man is het redelijk dat hij een bijdrage in de woonlasten voldoet. De vrouw voert hiertegen verweer.

De rechtbank acht het redelijk om met de door de man gestelde huur van € 400,00 per maand rekening te houden. Het is naar het oordeel van de rechtbank geen onredelijk bedrag en ook acht de rechtbank het redelijk dat de man bijdraagt in de woonlasten van zijn partner. De rechtbank gaat uit van de volgende maandelijkse woonlasten:

  • -

    huur € 400,00

  • -

    hypotheekrente (aftrekbaar) € 666,00

  • -

    hypotheekaflossing / premie levensverzekering € 56,00

  • -

    forfait overige eigenaarslasten € 48,00

  • -

    AF: gemiddelde basishuur € 229,00

Ziektekosten

De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen de door de man genoemde maandelijkse ziektekosten, zodat de rechtbank hiervan uitgaat:

  • -

    nominale premie basisverzekering ZVW € 100,00

  • -

    premie aanvullende ziektekostenverzekering € 59,00

  • -

    verplicht eigen risico € 31,00

  • -

    AF: in bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW € 39,00

Conclusie

Rekening houdende met het aandeel van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (€ 1.107,00 per maand aan kinderalimentatie en € 555,99 per maand aan zorgkorting), te weten € 1.662,99 per maand, kan de man met een bedrag van € 2.126,00 bruto per maand bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De betreffende berekening is bijgevoegd.

De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

2.8.

Verdeling

Partijen zijn op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] gehuwd in gemeenschap van goederen.

De vrouw heeft de rechtbank verzocht de verdeling van de gemeenschap van goederen vast te stellen en te bepalen dat de man aan haar wegens overbedeling een bedrag van

€ 786.108,50 dient te betalen. De man heeft de rechtbank eveneens verzocht de verdeling van de gemeenschap van goederen vast te stellen.

Zoals is besproken ter zitting begrijpt de rechtbank de verzoeken van partijen aldus dat zij de rechtbank vragen de wijze van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te gelasten.

De rechtbank heeft op zitting de wijze van verdeling besproken aan de hand van de door partijen overgelegde formulieren Verdelen en verrekenen.

2.8.1.

Peildatum

Zoals ter zitting is besproken geldt voor het bepalen van de omvang en samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap in beginsel als peildatum de datum van ontbinding van die gemeenschap en dat is de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding, 29 juni 2015. De rechtbank zal daarbij aansluiten, nu partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een andere peildatum.

Zoals is besproken op zitting houdt de rechtbank voor de waarde van de bestanddelen van de gemeenschap de waarde aan ten tijde van de verdeling, tenzij daarvan hierna wordt afgeweken.

2.8.2.

Omvang en verdeling

Activa

  1. een woning gelegen aan de [adres] ;

  2. de rechten op een aan de hypotheek verbonden beleggingsverzekering (effectendepot) bij de ING bank met nummer [nummer] ;

  3. inboedel;

  4. het saldo op verschillende bankrekeningen;

  5. de rechten op verzekeringspolissen bij ASR:

a. met nummer [nummer] t.n.v. de man;

b. met nummer [nummer] t.n.v. de vrouw;

6. de aandelen t.n.v. de man in de besloten vennootschap [BV_1] .

Passiva:

7. een schuld onder hypothecair verband aan de ING bank met nummer [nummer] ;

8. een schuld in rekening-courant aan de besloten vennootschap [BV_1] .

1. Een woning gelegen aan de [adres]

Partijen zijn op zitting overeengekomen dat de vrouw aan de man binnen zes weken na de datum van de in deze procedure te wijzen eindbeschikking zal laten weten of zij de woning kan en wil overnemen. Partijen zullen in dat geval, zo hebben zij ter zitting verklaard, in onderling overleg de waarde van de woning bepalen. Indien de vrouw de woning niet overneemt, zal de woning worden verkocht aan een derde.

2. De rechten op een aan de hypotheek verbonden beleggingsverzekering (effectendepot) bij de ING bank met nummer [nummer]

Deze beleggingsverzekering is gekoppeld aan de hypotheek en zal door partijen worden betrokken bij de overname van de woning door de vrouw of bij de verkoop van de woning.

3. Inboedel

Partijen gaan ervan uit dat zij in staat zijn om over de verdeling van de inboedelgoederen in onderling overleg overeenstemming te bereiken. De rechtbank hoeft hierover geen beslissing te nemen.

4. Het saldo op verschillende bankrekeningen:

  1. Van Lanschot, onder nummer [nummer] t.n.v. beide partijen;

  2. Van Lanschot, onder nummer [nummer] t.n.v. beide partijen;

  3. Van Lanschot, onder nummer [nummer] t.n.v. beide partijen;

  4. ING, onder nummer [nummer] t.n.v. beide partijen;

  5. ING, onder nummer [nummer] t.n.v. beide partijen;

  6. ING, onder nummer [nummer] t.n.v. beide partijen;

  7. ING (effectendepot), onder nummer [nummer] t.n.v. beide partijen;

Partijen zijn het er over eens dat de gezamenlijke rekeningen zullen worden opgeheven en dat het saldo van de bankrekeningen op de peildatum bij helfte zal worden verdeeld. Indien er sprake is van een negatief saldo op de peildatum, is elk van partijen voor de helft draagplichtig.

De bankrekeningen ten name van de kinderen horen niet tot de huwelijksgoederengemeenschap. De vrouw heeft ter zitting ingestemd met het voorstel van de man om deze rekeningen van de kinderen te wijzigen in en/en rekeningen.

5. De rechten op verzekeringspolissen bij ASR:

  1. met nummer [nummer] t.n.v. de man;

  2. met nummer [nummer] t.n.v. de vrouw;

Partijen zijn op zitting overeengekomen dat de rechten op de polis ten name van de vrouw aan haar zullen worden toebedeeld, dat de rechten op de polis ten name van de man aan hem zullen worden toebedeeld en dat 75% van het waardeverschil op 3 juni 2016 tussen partijen bij helfte zal worden verdeeld.

6. De aandelen t.n.v. de man in de besloten vennootschap [BV_1] .

De man is DGA van [BV_1] . Tussen partijen is niet in geschil dat de aandelen van deze BV in de huwelijksgoederengemeenschap vallen. Ook zijn partijen het erover eens dat de aandelen kunnen worden toebedeeld aan de man, waarbij de helft van de waarde van de aandelen aan de vrouw toekomt.

Partijen verschillen van mening over de te hanteren peildatum voor de waarde van de aandelen. De man stelt zich op het standpunt dat uitgegaan moet worden van de datum van feitelijke toedeling van deze aandelen. De vrouw stelt dat uitgegaan moet worden van 29 juni 2015, de datum waarop het echtscheidingsverzoek is ingediend. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Bij de verdeling van tot een gemeenschap behorende goederen moet ter bepaling van hun waarde in beginsel worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling, te weten de dag waarop in de onderhavige zaak uitspraak wordt gedaan (kanttekening hierbij is dat een ten behoeve van deze beslissing uitgebracht deskundigenrapport niet exact met deze datum zal kunnen samenvallen).

Van dit uitgangspunt kan echter worden afgeweken op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid. De vrouw heeft hierop een beroep gedaan. Zoals in het voorgaande reeds uitvoerig aan de orde is gekomen, heeft de vrouw betoogd – samengevat – dat de wijze waarop de financiële positie van de vennootschap en de dochtervennootschappen door (de accountant van) de man wordt geschetst, niet kan worden gevolgd. Ook twijfelt zij aan de noodzaak van de faillissementaangiftes die door de man zijn gedaan.

Het gaat er hier om of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar is dat de waarde van de aandelen bepaald wordt op een moment gelegen lang nadat partijen feitelijk uit elkaar zijn gegaan. De rechtbank acht daarbij van belang dat het hier gaat om een goed waarvan de waarde in de periode die daarop volgde kan zijn beïnvloed en de vraag is dan ook tot welk moment nog aanvaardbaar is dat de ondernemingsactiviteiten – met inbegrip van de faillissementsaangiftes van de dochtervennootschappen – die daarbinnen plaatsvonden, nog van invloed kunnen zijn op de huwelijksgoederengemeenschap.

De arbeidsovereenkomst tussen de vrouw en [BV_1] is met ingang van 1 juli 2015 beëindigd en vaststaat dat in ieder geval vanaf dat moment de vrouw, zoals zij onweersproken heeft gesteld, niet meer tot het bedrijf waar zij tot dan had gewerkt, werd toegelaten en uitsluitend de man de onderneming(en) dreef. De rechtbank acht het ook mede hierom redelijk dat vanaf een moment gelegen vóór de datum van toedeling van de aandelen aan de man, de ondernemingsactiviteiten die binnen de vennootschap(pen) plaatsvonden niet meer toegerekend worden aan de huwelijksgoederengemeenschap en de man het risico draagt voor mogelijke wijzigingen in de waarde van het bedrijfsvermogen. De rechtbank is van oordeel dat hiervoor, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het meest in de rede ligt het moment van ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap. Dit betekent dat voor de bepaling van de waarde van de aandelen in [BV_1] uitgegaan dient te worden van de datum van de indiening van het echtscheidingsverzoek, te weten 29 juni 2015.

Partijen verschillen eveneens van mening over de waarde van de aandelen. Zoals is besproken op de zitting zal de rechtbank een deskundige benoemen die de rechtbank dient te informeren omtrent de waarde van de aandelen. Partijen waren het ter zitting over eens dat volstaan kan worden met één deskundige aan wie de vraag zal worden voorgelegd wat de waarde is van de aandelen van [BV_1] op de peildatum die, zoals hiervoor is overwogen, is bepaald op 29 juni 2015. De vrouw heeft een voorkeur voor een registeraccountant als deskundige, de man voor een register valuator of een accountant/register valuator.

De rechtbank heeft partijen in kennis gesteld van haar voornemen om de heer [voorletters deskundige] . [deskundige] van [deskundigeburo] BV tot deskundige te benoemen. De heer [deskundige] is werkzaam als registeraccountant en register valuator. De deskundige heeft zijn kosten begroot op € 11.737,00 (inclusief BTW). Over deze begroting is met partijen overleg gevoerd. De vrouw heeft tegen dit bedrag geen bezwaren aangevoerd. De man heeft met name tegen het aantal door de deskundige begrote uren bezwaar aangevoerd. Nu de man daarbij kennelijk is uitgegaan van een andere peildatum dan die waartoe de rechtbank in het voorgaande heeft besloten zal de rechtbank deze bezwaren passeren. Voor het bedrag van € 11.737,00 zal – gelet op de aard van deze procedure – aan elk van partijen een voorschot worden opgelegd van de helft van dit bedrag.

De rechtbank zal de deskundige de volgende vragen voorleggen:

  1. welke waarde kent u toe aan [BV_1] per 29 juni 2015?

  2. heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

De rechtbank zal de verdere behandeling en beslissing aanhouden in afwachting van het deskundigenonderzoek.

7. Een schuld onder hypothecair verband aan de ING bank met nummer [nummer]

Indien de woning door de vrouw zal worden overgenomen, zullen partijen bewerkstelligen dat de man wordt ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de hypothecaire geldlening, doordat de geldlening worden afgelost of doordat de bank hiertoe een verklaring afgeeft.

Indien de woning zal worden verkocht aan een derde, dan zal met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening worden afgelost. Partijen zijn ieder voor de helft draagplichtig voor een eventuele resterende schuld.

8. Een schuld in rekening-courant aan de besloten vennootschap [BV_1] .

Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een schuld in rekening-courant aan [BV_1] en dat zij ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schuld.

Partijen verschillen van mening over de te hanteren peildatum. De man stelt zich op het standpunt dat uitgegaan moet worden van de datum van deze beschikking. De vrouw stelt dat uitgegaan moet worden van 31 december 2014, partijen zijn toen feitelijk uit elkaar gegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Partijen zijn ieder voor de helft draagplichtig voor deze schuld, maar uitsluitend voor het bedrag waarvoor deze schuld bestond toen de huwelijksgoederengemeenschap werd ontbonden, op 29 juni 2015. Voor hetgeen partijen op dit punt bepleiten kan geen aansluiting worden gevonden in het recht.

2.9.

Pensioen

De vrouw heeft de rechtbank verzocht de man als bestuurder van deze vennootschap te veroordelen om ter voldoening aan zijn vereveningsplicht jegens de vrouw, tot het doen afstorten door [BV_1] van het daartoe benodigde bedrag op een door de vrouw aan te wijzen pensioenregeling.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. De man stelt dat bij een eventuele afstorting van de pensioenaanspraak van de vrouw, de continuïteit van de onderneming in gevaar komt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Partijen zijn het er over eens dat de commerciële waarde van de pensioenvoorziening

€ 319.832,00 bedraagt. Ook zijn partijen het er over eens dat de pensioenaanspraak van de vrouw de helft van dit bedrag betreft, € 159.916,00.

Uit de arresten van de Hoge Raad van 9 februari 2007 (ECLI:NL:HR:2007:AZ2658) en 20 maart 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BG9458) volgt dat de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen (ex-)echtgenoten beheersen, in het algemeen zullen meebrengen dat de echtgenoot van de DGA kan verlangen dat hij zorg draagt voor afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal dat nodig is voor het aan de echtgenoot toekomende deel van de pensioenaanspraak. Van de vereveningsgerechtigde echtgenoot kan in beginsel immers niet worden gevergd dat deze bij voortduring afhankelijk blijft van het beleid dat de andere echtgenoot ten aanzien van de onderneming voert en het risico moet blijven dragen dat het in eigen beheer opgebouwde pensioen te zijner tijd niet kan worden betaald.

De verplichting om in beginsel tot afstorting over te gaan is gebaseerd op de eisen van redelijkheid en billijkheid. De beantwoording van de vraag of daarop in een concreet geval aanspraak kan worden gemaakt, moet geschieden met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Afstorting kan niet worden verlangd indien de benodigde liquide middelen niet aanwezig zijn en niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders verkregen kunnen worden zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen.

Zoals ter zitting is besproken, zal de rechtbank deze kwestie eveneens betrekken bij de in het voorgaande al overwogen deskundigenbericht. De rechtbank zal de deskundige vragen of [BV_1] een bedrag van € 159.916,00 ten behoeve van de pensioenaanspraak van de vrouw af kan storten zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. De deskundige dient voor de beantwoording van deze vraag uit te gaan van de financiële positie van de onderneming per datum van onderhavige beschikking.

De rechtbank zal de verdere behandeling en beslissing aanhouden in afwachting van het deskundigenonderzoek.

2.10.

Proceskosten

De rechtbank zal de beslissing op de proceskosten aanhouden.

3 De beslissing

De rechtbank:

Echtscheiding

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [geboorteplaats] op

[huwelijksdatum] ;

Hoofdverblijf

3.2.

bepaalt dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;

Zorgregeling

3.3.

bepaalt dat de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man verblijven gedurende:

  • -

    in de even weken van vrijdagochtend 11.45 uur tot en met vrijdagavond 20.00 uur;

  • -

    in de oneven weken van vrijdagochtend 11.45 uur tot en met maandagochtend tot de kinderen naar school gaan;

  • -

    de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen;

Voortgezet gebruik woning

3.4.

bepaalt dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan het adres [adres] te blijven wonen tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;

Kinderalimentatie

3.5.

bepaalt dat de man € 369,00 per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde kinderen, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

Partneralimentatie

3.6.

bepaalt dat de man € 2.126,00 per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

Deskundigenbericht

3.7.

beveelt een deskundigenbericht en benoemt tot deskundige: de heer [voorletters deskundige] . [deskundige] van [BV_11] BV;

3.8.

geeft aan de deskundige de opdracht om aan de rechtbank schriftelijk een met redenen omkleed bericht uit te brengen omtrent de navolgende vragen:

  1. welke waarde kent u toe aan de [BV_1] per 29 juni 2015?

  2. Is [BV_1] in de mogelijkheid om per heden € 159.916,00 ten behoeve van de pensioenaanspraak van de vrouw af te storten zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen?

  3. heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

3.9.

bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op tijd en plaats als door de deskundige in overleg met partijen nader te bepalen, met dien verstande dat daartoe niet behoeft te worden overgegaan dan nadat de griffier schriftelijk heeft bericht omtrent de ontvangst van het voorschot;

3.10.

wijst de deskundige er op dat:

  • -

    de deskundige na aanvaarding van de benoeming verplicht is de opdracht onpartijdig en naar beste kunnen te volbrengen;

  • -

    de deskundige bij het onderzoek partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat uit het schriftelijk bericht moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan;

  • -

    van de inhoud van de opmerkingen en verzoeken in het schriftelijk bericht melding moet worden gemaakt;

  • -

    de deskundige een concept van het rapport aan partijen dient toe te zenden moet toezenden, opdat zij de gelegenheid krijgen daarover opmerkingen te maken, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden;

3.11.

wijst partijen er op dat, indien zij schriftelijk opmerkingen aan de deskundige doen toekomen, zij daarvan terstond een afschrift aan de wederpartij dienen te verstrekken;

3.12.

stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op het door de deskundige begrote bedrag van € 11.737,00;

3.13.

bepaalt dat de man een voorschot van € 5.868,50 dient te voldoen middels betaling van een door hem te ontvangen factuur, afkomstig van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR), binnen twee weken na ontvangst daarvan;

3.14.

bepaalt dat de vrouw een voorschot van € 5.868,50 dient te voldoen middels betaling van een door haar te ontvangen factuur, afkomstig van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR), binnen twee weken na ontvangst daarvan;

3.15.

bepaalt dat de zaak pro forma zal worden aangehouden tot 22 augustus 2016 voor controle door de griffier van ontvangst van de voorschotten;

3.16.

bepaalt dat zodra de griffier is gebleken dat het voorschot is ontvangen, de verdere behandeling en beslissing ten aanzien van de verrekening uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden pro forma zal worden aangehouden tot 5 januari 2017;

3.17.

wijst de deskundige er op dat:

  • -

    de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie);

  • -

    de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn;

  • -

    de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid dient te bieden dit onderzoek bij te wonen; indien slechts één partij, althans niet alle partijen, bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan;

  • -

    indien partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd;

3.18.

bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,

3.19.

bepaalt dat de deskundige het schriftelijk en ondertekend deskundigenbericht uiterlijk 8 december 2016 in drievoud ter griffie van de rechtbank zal inleveren;

3.20.

wijst de deskundige er op dat:

  • -

    uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd;

  • -

    de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden;

3.21.

bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,

3.22.

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal doen toekomen;

3.23.

houdt de verdere behandeling en beslissing met betrekking tot de verdeling en het pensioen pro forma aan in afwachting van het deskundigenbericht;

Overig

3.24.

verklaart de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, het voortgezet gebruik van de woning, de kinderalimentatie en de partneralimentatie uitvoerbaar bij voorraad;

3.25.

bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;

3.26.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Ch. Dunnewijk, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 8 augustus 2016

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden..