Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:5156

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-09-2016
Datum publicatie
22-09-2016
Zaaknummer
C/01/292045 / HA ZA 15-254
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:383
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Taakverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter.

Heeft de Provincie door het vaststellen, uitvaardigen en/of toepassen van de Verordening jegens eiseres onrechtmatig gehandeld?

Geen sprake van eigendom in de zin van artikel 1 EP. Wel onrechtmatig handelen op grond van artikel 6:162 BW. Doordat de Provincie met het vaststellen van de ontheffingscriteria gerechtvaardigde verwachtingen van eiseres heeft geschonden, is eiseres in vergelijking met anderen onevenredig zwaar getroffen. Voor zover eiseres hierdoor schade heeft geleden valt dit naar het oordeel van de rechtbank buiten het normaal maatschappelijk risico en bestaat in beginsel aanspraak op vergoeding van de geleden schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/292045 / HA ZA 15-254

Vonnis van 21 september 2016

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SPRINGELBEEK B.V.,

gevestigd te [eiseres sub 3] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiseres sub 3],

wonende te [eiseres sub 3] ,

eisers,

advocaat mr. A.B. Lever te Apeldoorn,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE PROVINCIE NOORD-BRABANT,

zetelend te 's-Hertogenbosch,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.M. van Heijningen te 's-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna Springelbeek c.s. en de Provincie genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 maart 2016,
- de akte overlegging producties 54 t/m 59 van Springelbeek c.s.,
- de akte overlegging producties 53 t/m 56 van de Provincie,
- de akte wijziging van eis van Springelbeek c.s.,
- het proces-verbaal van comparitie van 14 juni 2016 en
- de opmerkingen van de Provincie ten aanzien van het proces-verbaal van comparitie van
5 juli 2016.
1.2. Nu beide partijen ter onderbouwing van hun standpunten verwijzen naar de producties die zijn overgelegd in het incident, zal de rechtbank deze producties tevens betrekken in de hoofdzaak. De producties overgelegd in het incident maken onderdeel uit van de processtukken.
1.3. Het proces-verbaal van de comparitie is in overleg met partijen buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Mede vanwege de uitvoerige spreekaantekeningen waarvan partijen met instemming van de rechtbank gebruik gemaakt hebben, is met partijen afgesproken dat zij zich bij hun schriftelijke commentaar op het proces-verbaal zouden beperken tot eventuele feitelijke onjuistheden of omissies in hun eigen verklaringen.

1.4.

Bij brief van 5 juli 2016 heeft de Provincie met inachtneming van de gemaakte afspraak haar opmerkingen ten aanzien van het proces-verbaal gegeven. Springelbeek c.s. heeft bij brief van 6 juli 2016 haar opmerkingen gegeven. De opmerkingen van Springelbeek c.s. bestrijken 6 pagina’s en betreffen (voornamelijk) aanvullingen van de standpunten van Springelbeek c.s. Die opmerkingen zijn volgens Springelbeek ter comparitie naar voren gebracht, maar niet in het proces-verbaal vermeld. De rechtbank benadrukt dienaangaande dat het proces-verbaal een zakelijke weergave is van hetgeen besproken ter comparitie. Zoals ter vastlegging van de gemaakte werkafspraak (waaraan Springelbeek c.s. zich heeft gecommitteerd) in het proces-verbaal duidelijk is aangegeven, is slechts het opmerken van feitelijke onjuistheden en omissies in het proces-verbaal toelaatbaar en zijn herhalingen van reeds in de processtukken ingenomen stellingen niet relevant. Aangezien Springelbeek c.s. zich hier niet aan heeft gehouden, zal de rechtbank de opmerkingen van Springelbeek c.s. ten aanzien van het proces-verbaal buiten beschouwing laten.

2 De feiten

2.1.

De heer [eiser sub 2] en mevrouw [eiseres sub 3] exploiteerden sinds 1995 (eerst via hun maatschap [eiseres sub 3] , later via Springelbeek B.V.) een nertsenhouderij aan de [adres 1] in Oploo.

2.2.

Op 20 juli 2004 hebben de Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant (hierna: Gedeputeerde Staten) het ontwerp reconstructieplan Peel en Maas opgesteld. Middels dit reconstructieplan is het gebied ingedeeld in zogenaamde extensiveringsgebieden, verwevingsgebieden en landbouwontwikkelingsgebieden. Volgens het reconstructieplan lag de nertsenhouderij in een extensiveringsgebied. De Provincie stond in dergelijke gebieden geen uitbreiding toe van intensieve veehouderijen (waaronder ook een nertsenhouderij valt) en de Provincie streefde naar verplaatsing van intensieve veehouderijen uit dergelijke gebieden.

2.3.

In 2004 hebben er gesprekken plaatsgevonden tussen de heer [eiser sub 2] , de gemeente Sint Anthonis (hierna: de gemeente) en de Provincie. In het besprekingsverslag van
9 november 2004 (productie 1 bij dagvaarding) staat onder meer:
Doel van het gesprek:
- De ondernemer (de heer [eiser sub 2] , rb) heeft aangegeven geïnteresseerd te zijn in de mogelijkheden om zich te vestigen, c.q. om uit te breiden in het Landbouwontwikkelingsgebied (LOG). […]

Toelichting / vraag van de ondernemer:
- Het nertsenbedrijf ligt in extensiveringsgebied, type natuur, tegen de EHS. Dit biedt onvoldoende mogelijkheden voor de toekomst; de heer [eiser sub 2] wil uitbreiden. Aangezien uitbreiding niet op deze locatie mogelijk is, zou dat op een andere locatie moeten, met uitbreidingsruimte voor ± 10.000 teven. Hiervoor is een behoorlijke oppervlakte nodig, d.w.z. een kavel van 3-4 ha […]
- Wat zijn de mogelijkheden in het kader van bijvoorbeeld de VIV?
[…]

Vervolg
Vooralsnog dient de situatie van de heer [eiser sub 2] te worden meegenomen door de Task Force die het LOG Sint Anthonis nader uitwerkt.

Acties
[…]
2. De mogelijkheden van de VIV beoordelen.”

2.4.

Op 22 april 2005 stelden de Provinciale Staten van de Provincie Noord-Brabant (hierna: Provinciale Staten) het reconstructieplan Peel en Maas vast.

2.5.

In april, mei en juni 2006 hebben er gesprekken plaatsgevonden tussen de heer [eiser sub 2] , de gemeente en de Provincie over het landbouwontwikkelingsgebied De Driehoek (hierna: LOG De Driehoek). In de gespreksaantekeningen van 24 april 2006 (productie 57A van Springelbeek c.s.) staat onder meer:

“ [eiser sub 2] , Schipperspeel
heeft bouwblok > 2,5 ha nodig”

In de gespreksaantekeningen van 10 mei 2006 (productie 57B van Springelbeek c.s.) staat onder meer:

“2,5 ha is plafond. Reconstr. plan kan niet opgerekt worden tot 3 ha. ook niet mogelijk in nieuw plan”


In de gespreksaantekeningen van 14 juni 2006 (productie 57B van Springelbeek c.s.) staat onder meer:

“2,5 ha echt maximum
3 ha is de wens”

2.6.

Op 29 juni 2006 hebben de heer [eiser sub 2] en mevrouw [eiseres sub 3] een perceel aan het [adres 2] gekocht en geleverd gekregen. Op 23 oktober 2006 hebben de heer [eiser sub 2] en mevrouw [eiseres sub 3] een perceel dat grensde aan het [adres 2] gekocht en geleverd gekregen (hierna tezamen aan te duidelijk als: het [adres 2] ).

2.7.

Het [adres 2] lag in een verwevingsgebied, waarin op grond van het reconstructieplan uitbreiding van intensieve veehouderijen op duurzame locaties onder voorwaarden mogelijk was tot een bouwblok van 2,5 ha, zij het dat voor een bouwblok van meer dan 1,5 ha goedkeuring van de Provincie nodig was.

2.8.

Op 31 januari 2007 sloten de heer [eiser sub 2] en de Provincie op grond van de regeling Verplaatsing Intensieve Veehouderij (hierna: VIV-regeling) twee overeenkomsten, te weten de “Overeenkomst van koop van een registergoed (Verplaatsing intensieve veehouderij)” en de “Overeenkomst van voortgezet gebruik van een registergoed (Bedrijfsgebouwen)” (hierna tezamen aan te duiden als: de VIV-overeenkomst), waarbij onder meer de Provincie een gedeelte van de locatie [adres 1] van de heer [eiser sub 2] kocht (met een recht van terugkoop). In de VIV-overeenkomst was opgenomen dat de heer [eiser sub 2] verplicht is vóór
31 december 2012 de verplaatsing van zijn bedrijf af te ronden.
2.9. Bij brief van 17 april 2007 (productie 5 bij dagvaarding) berichtte de Provincie aan de heer [eiser sub 2] dat zij de locatie [adres 2] in het kader van de VIV-regeling aanmerkt als een duurzame inplaatsingslocatie. In de brief staat voorts:

Wellicht ten overvloede wijzen wij u er verder op dat u voor de vestiging van uw bedrijf te maken heeft met het vigerende bestemmingsplan op de betreffende locatie en dat u diverse gemeentelijke vergunningen nodig heeft voor het oprichten en in werking hebben van uw bedrijf. Wij adviseren u hierover contact op te nemen met de gemeente.”

2.10.

Bij uitspraak van 30 mei 2007 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) een aantal onderdelen van het reconstructieplan vernietigd, waardoor de goedkeuringsbevoegdheid van de Provincie ten aanzien van bouwblokken van meer dan 1,5 ha was vervallen en gemeenten exclusief bevoegd waren om over uitbreiding van een bouwblok in een verwevingsgebied tot 2,5 ha te beslissen.
2.11. Bij brief van 9 januari 2008 stuurde de Provincie aan de heer [eiser sub 2] een overzicht van de te slopen gebouwen op het [adres 2] . Daarna zijn de heer [eiser sub 2] en mevrouw [eiseres sub 3] gestart met de sloop van de oude gebouwen en de opbouw van de nertsenhouderij aan het [adres 2] , waarbij de bouw was gericht op een bedrijfsopzet van 2,5 ha.

2.12.

De gemeente heeft op aanvrage van Springelbeek c.s. bij besluit van
25 augustus 2008 het bouwblok van het [adres 2] vergroot tot 1,5 ha.

2.13.

Op 30 juni 2009 hebben Gedeputeerde Staten het ontwerp Verordening ruimte Noord-Brabant, fase 1 opgesteld. Hierin was bepaald dat in een verwevingsgebied uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderij is toegestaan tot een maximum van 1,5 ha op een duurzame locatie en dat Gedeputeerde Staten hiervan ontheffing kunnen verlenen, ertoe strekkende dat op een duurzame locatie uitbreiding van een bouwblok voor de intensieve veehouderij is toegestaan tot een maximum van 2,5 ha.
2.14. Op 10 juli 2009 werd bij de Provincie een Burgerinitiatief ingediend, met het doel het beperken van (de uitbreiding en nieuwvestiging van) intensieve veehouderijen in verwevingsgebieden en landbouwontwikkelingsgebieden.
2.15. Op 16 februari 2010 verzocht Springelbeek c.s. de gemeente om het bouwblok van het [adres 2] uit te breiden naar 2,49 ha.

2.16.

Op 11 maart 2010 hebben Gedeputeerde Staten naar aanleiding van het Burgerinitiatief een memorie van antwoord bij de Provinciale Staten neergelegd ten aanzien van het ontwerp Verordening ruimte Noord-Brabant, waarin zij voorstellen om de omvang van een bouwblok in verwevingsgebieden te beperken tot maximaal 1,5 ha.

2.17.

Provinciale Staten hebben op 19 maart 2010 het Voorbereidingsbesluit ontwikkelingen intensieve veehouderij (hierna: het Voorbereidingsbesluit) genomen. Hierin is opgenomen dat in de verwevingsbieden uitbreiding van bouwblokken tot maximaal 1,5 ha is toegestaan op een duurzame locatie.

2.18.

Provinciale Staten hebben op 23 april 2010 de Verordening ruimte, fase 1 vastgesteld. De Verordening ruimte, fase 1 is op 1 juni 2010 in werking getreden. Hierin is ten aanzien van verwevingsgebieden bepaald dat uitbreiding van een bouwblok voor de intensieve veehouderij is toegestaan tot een maximum van 1,5 ha op een duurzame locatie. In de verordening zijn ontheffingsmogelijkheden opgenomen voor lopende zaken in verwevingsgebieden, inhoudende dat Gedeputeerde Staten een ontheffing voor uitbreiding van een bouwblok tot 2,5 ha kunnen verlenen, indien sprake is van een aantoonbaar concreet initiatief tot verplaatsing.
2.19. De gemeente verzocht naar aanleiding van het verzoek van Springelbeek c.s. van 16 februari 2010, op 4 november 2010 aan de Provincie om ontheffing van de bouwblokbeperking te verlenen aan Springelbeek c.s.

2.20.

Op 25 februari 2011 werd de Verordening ruimte 2011 (hierna: de Verordening) vastgesteld (productie 42 bij conclusie van antwoord).

2.21.

In de Verordening is in artikel 9.3 lid 1 aanhef en onder d bepaald:

“Een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied bepaalt dat bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 hectare tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare mogen uitbreiden op een duurzame locatie”

2.22.

In artikel 9.5 lid 1 en lid 2 van de Verordening is bepaald dat Gedeputeerde Staten in geval van een verplaatsing van een intensieve veehouderij ontheffing kunnen verlenen van artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d tot ten hoogste 2,5 ha in een verwevingsgebied, indien voldoende concrete initiatieven waren ontplooid. In artikel 9.5 lid 4 is bepaald:

“Van een voor 20 maart 2010 daterend concreet initiatief tot verplaatsing van een intensieve veehouderij als bedoeld in het tweede lid, onder a, is sprake indien voor 20 maart 2010 het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat planologische medewerking aan deze verplaatsing zal worden verleend. Gerechtvaardigd vertrouwen kan slechts worden aangenomen voor zover sprake is van een voor 20 maart 2010 ingediende schriftelijke aanvraag tot verplaatsing van een intensieve veehouderij naar een concrete locatie en waarvan het college van burgemeester en wethouders c.q. de raad dan wel een daartoe krachtens een voor 20 maart 2010 genomen mandaatbesluit bevoegde ambtenaar schriftelijk te kennen heeft gegeven hieraan zijn medewerking te verlenen. Bovendien moet voldaan worden aan het bepaalde in artikel 9.4, vijfde lid, onder a en c.”

2.23.

Bij e-mail van 31 maart 2011 (productie 55 bij dagvaarding) heeft de gemeente aan de Provincie onder meer bericht:
“Tevens is het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Sint Anthonis voornemens het bouwblok behorend bij perceel [adres 2] te vergroten tot een omvang van 2.5 ha.”

2.24.

Bij besluit van 4 juli 2011 weigerden Gedeputeerde Staten de door de gemeente op 4 november 2010 verzochte ontheffing te verlenen. In het besluit van 4 juli 2011 (productie 34 bij dagvaarding) staat onder meer:

“Wij constateren evenwel dat een schriftelijk stuk ontbreekt waaruit blijkt dat het college van burgemeester en wethouders c.q. de raad dan wel een daartoe krachtens een vóór
20 maart 2010 genomen mandaat besluit bevoegde ambtenaar, te kennen heeft gegeven hieraan medewerking te verenen. Uit de schriftelijke instemming door de gemeente moet blijken dat onvoorwaardelijk medewerking zal worden verleend aan een wijziging van het planologisch regime. Daarmee wordt aangegeven dat er serieuze en onvoorwaardelijke stappen zijn gezet door een initiatiefnemer én de gemeente. Dit betekent dat uit een schriftelijke instemming van de gemeente, in relatie tot de aanvraag, de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de uitbreiding vast moet staan.”

2.25.

De gemeente en Springelbeek c.s. maakten bezwaar tegen het besluit van
4 juli 2011 waarbij Gedeputeerde Staten weigerden ontheffing te verlenen. Springelbeek c.s. heeft in bezwaar onder meer aangevoerd dat de artikelen 9.3 lid 1 aanhef en onder d, en 9.5 lid 4 van de Verordening onverbindend zijn. In het bezwaarschrift van de gemeente (productie 36 bij dagvaarding) is onder meer het volgende aangevoerd:
“Het bouwblok [adres 2] heeft een oppervlakte van 1,5 ha. Om de nertsenhouderij volledig te kunnen verplaatsen en tijdig tot een afgeronde verplaatsing te komen in de zin van de hiervoor aangehaalde overeenkomst, heeft [eiser sub 2] bij brief van 16 februari 2010 (bijlage 3) verzocht om planologische medewerking aan de uitbreiding van het bouwblok tot 2,5 hectare. Uw college had reeds bij brief van 17 april 2007 (kenmerk 1284914, bijlage 4) aangegeven de locatie Boveneind als duurzame inplaatsingslocatie te zien.

Van meet af aan is duidelijk geweest dat de gemeente Sint Anthonis zich (eveneens) zou inspannen om de verplaatsing te realiseren, anders gezegd: haar planologische medewerking zou verlenen”
2.26. Het bezwaar van Springelbeek c.s. en het bezwaar van de gemeente zijn op 13 maart 2012 ongegrond verklaard. De gemeente en Springelbeek c.s. hebben beroep ingesteld tegen deze beslissingen op bezwaar. In beroep heeft Springelbeek c.s. de gronden dat de artikelen 9.3 lid 1 aanhef en onder d, en 9.5 lid 4 van de Verordening onverbindend zijn, ingetrokken. Het beroep werd op 7 augustus 2013 door de Afdeling ongegrond verklaard, waarbij de Afdeling overwoog dat de ontheffing terecht is geweigerd.

2.27.

Springelbeek c.s. houdt thans nertsen op zowel de locatie [adres 1] als op het [adres 2] . Springelbeek c.s. beschikt, na gedeeltelijke intrekking, over een vergunning om 2.043 nertsen te houden op de Schipperspeel (voor de intrekking was dit aantal 6.210). Het bouwblok aldaar is circa 0,75 ha. Springelbeek c.s. beschikt over een vergunning om circa 8.000 nertsen te houden op het [adres 2] op het bouwblok van 1,5 ha.
3. Het geschil

3.1.

Springelbeek c.s. vordert, na eiswijziging, dat de rechtbank voor recht verklaart dat de Provincie door het vaststellen, uitvaardigen en/of toepassen van de Verordening, in het bijzonder de artikelen 9.3 lid 1 aanhef en onder d, en 9.5 lid 4, van de Verordening, zonder enige financiële (schade)vergoeding te bieden, jegens Springelbeek, althans de heer [eiser sub 2] en/of mevrouw [eiseres sub 3] op grond van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP) en/of artikel 6:162 BW onrechtmatig handelt en/of voornoemde artikelen (jegens Springelbeek, althans de heer [eiser sub 2] en/of mevrouw [eiseres sub 3] ) onverbindend zijn, en de Provincie uit dien hoofde aansprakelijk is voor alle door eiser(s) geleden en te lijden schade (waaronder mede dient te worden verstaan: gevolgschade), nader op te maken bij staat, vermeerderd met rente en kosten inclusief nakosten. Springelbeek c.s. legt aan zijn vordering – kort gezegd – ten grondslag dat de Provincie onrechtmatig heeft gehandeld door gedane toezeggingen niet na te komen, het tussen partijen overeengekomene te frustreren en door te handelen in strijd met fundamentele rechtsbeginselen. Volgens Springelbeek c.s. is primair sprake van schending van artikel 1 EP. Subsidiair doet Springelbeek c.s. een beroep op artikel 6:162 BW.

3.2.

De Provincie voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de Provincie onrechtmatig jegens Springelbeek c.s. heeft gehandeld en derhalve schadeplichtig jegens Springelbeek c.s. is.
De Provincie voert allereerst het verweer dat Springelbeek c.s., om verschillende redenen, niet-ontvankelijk is in haar vordering. Volgens de Provincie is de vordering daarnaast verjaard. De rechtbank overweegt ten aanzien van deze verweren ten eerste als volgt.


Taakverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter

4.2.

De Provincie betoogt dat Springelbeek c.s. niet-ontvankelijk is in haar vordering, omdat er geen taak meer is weggelegd voor de civiele rechter. Er heeft een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang opengestaan, die ook is gevolgd door Springelbeek c.s. en heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2013. Nu de Afdeling heeft geoordeeld dat artikel 9.3 lid 1 aanhef en onder d en artikel 9.5 lid 4 van de Verordening niet in strijd zijn met hogere wettelijke voorschriften, dan wel met algemene rechtsbeginselen, kan thans geen beroep meer worden gedaan op de onverbindendheid hiervan, aldus de Provincie.

4.3.

Springelbeek c.s. stelt dat nu zij in de procedure bij de Afdeling de beroepsgronden over de onverbindendheid van de ontheffingscriteria in de Verordening heeft ingetrokken, de bestuursrechter hier geen oordeel over heeft gegeven en de weg naar de civiele rechter openstaat.

4.4.

Of voor de civiele rechter een taak is weggelegd bij de beoordeling van een geschil als dit waarin het gaat om bestuursrechtelijk handelen van een overheidsorgaan, is afhankelijk van de vraag of er een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter openstaat waarin de rechtmatigheid van dat handelen kan worden getoetst. Is een dergelijke procedure bij de bestuursrechter voor handen, dan moet de betrokkene daar gebruik van maken en dient de civiele rechter hem in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

4.5.

Tegen besluiten die een algemeen verbindend voorschrift inhouden of een beleidsregel staat op grond van artikel 8.3 lid 1 sub a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geen beroep bij de bestuursrechter open. Wel kan de bestuursrechter indirect bij zijn beoordeling van een concreet besluit toetsen of de daaraan ten grondslag liggende algemene regeling verbindend is. Ook in een dergelijk geval van indirecte toetsing is naar vaste rechtspraak sprake van een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang en is er voor de civiele rechter geen taak weggelegd.

4.6.

Springelbeek c.s. heeft op grond van artikel 9.5 lid 4, van de Verordening ontheffing gevraagd van de bouwblokbeperking opgenomen in artikel 9.3 lid 1 aanhef en onder d. Tegen het besluit waarbij de ontheffing is geweigerd heeft Springelbeek c.s. bezwaar gemaakt en tegen de ongegrondverklaring daarvan hoger beroep ingesteld, waarover de Afdeling heeft geoordeeld. Het besluit waarbij de ontheffing is geweigerd is derhalve voorgelegd aan de bestuursrechter, die in dit verband ook kon beoordelen of de algemene voorschriften waaraan de ontheffing moest voldoen verbindend zijn. De Afdeling heeft in casu geoordeeld dat de ontheffing terecht is geweigerd. Hiermee staat de juistheid van het besluit tot weigering van de ontheffing in rechte vast. Ook staat hiermee de juistheid en derhalve de verbindendheid vast van de artikelen 9.3 lid 1 aanhef en onder d, en 9.5 lid 4 van de Verordening op grond waarvan de ontheffing kon worden gegeven. Aangezien de bestuursrechter in het kader van exceptieve toetsing dus over de (on)verbindendheid van dit algemeen verbindend voorschrift heeft geoordeeld, is in dit geval voor de civiele rechter geen taak meer is weggelegd.

4.7.

Dat Springelbeek c.s. de beroepsgronden over de (on)verbindendheid van de ontheffingscriteria bij de Afdeling heeft ingetrokken, doet aan het voorgaande niet af. Dit maakt niet dat de toegang tot de civiele rechter open is gebleven. De toegang tot de civiele rechter zou wel open zijn gebleven wanneer Springelbeek c.s. slechts een bezwaarschrift had ingediend maar zich nadien, in plaats van de weg naar de bestuursrechter te vervolgen, zich tot de civiele rechter zou hebben gewend om een beslissing over de (on)verbindendheid van een regeling te verkrijgen. Immers kan van een burger niet gevergd worden dat hij uitsluitend teneinde de vraag of een regeling onverbindend is aan het oordeel van de rechter te kunnen onderwerpen, ontheffing aanvraagt, om vervolgens tegen de weigering daarvan een bezwaarschrift in te dienen en tegen de beslissing daarop beroep in te stellen bij de bestuursrechter (vgl. HR 11 oktober 1996, NJ 1997, 165). Van een dergelijke situatie is echter geen sprake. Springelbeek c.s. heeft nog vóórdat zij zich heeft gewend tot de civiele rechter, zich gewend tot de bestuursrechter, die in het kader van exceptieve toetsing heeft geoordeeld dat artikel 9.3 lid 1 aanhef en onder d en artikel 9.5 lid 4 van de Verordening verbindend zijn. In dat geval geldt dat het uit een oogpunt van het bieden van aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter niet noodzakelijk is over te gaan tot een herbeoordeling van het door de hoogste bestuursrechter uitgesproken oordeel en dat dit ter voorkoming van tegenstrijdige uitspraken en uit een oogpunt van een behoorlijke taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter ook niet wenselijk is (vgl. HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9556).

4.8.

Gelet op het voorgaande is Springelbeek c.s. met betrekking tot de gevorderde verklaring voor recht dat de artikelen 9.3 lid 1 aanhef en onder d, en 9.5 lid 4, van de Verordening (jegens Springelbeek, althans de heer [eiser sub 2] en/of mevrouw [eiseres sub 3] ) onverbindend zijn, niet-ontvankelijk in haar vordering.

4.9.

Ten aanzien van de gevorderde verklaring voor recht dat de Provincie door het vaststellen, uitvaardigen en/of toepassen van de artikelen 9.3 lid 1 aanhef en onder d, en 9.5 lid 4, zonder enige financiële (schade)vergoeding te bieden, onrechtmatig handelt en de Provincie uit dien hoofde aansprakelijk is voor schade, overweegt de rechtbank voorts als volgt.

4.10.

Dit deel van de gevorderde verklaring voor recht ziet op schadevergoeding naar aanleiding van onrechtmatig handelen. Het beweerdelijk schadeveroorzakende handelen is in dezen de vaststelling, uitvaardiging en/of toepassing van de Verordening, in het bijzonder artikelen 9.3 lid 1 aanhef en onder d, en 9.5 lid 4. Het gaat niet om schade die voortvloeit uit de weigering van de ontheffing, maar om schade die voortvloeit uit een algemeen verbindend voorschrift en de uitvoering daarvan. De bestuursrechter is alleen bevoegd om te oordelen over een vordering tot schadevergoeding als hij ook bevoegd is om te oordelen over de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid. Gelet op het bepaalde in artikel 8:3 lid 1 sub a van de Awb staat tegen de vaststelling van de Verordening en voornoemde artikelen geen beroep open bij de bestuursrechter. Voor zover Springelbeek c.s. stelt dat zij, als gevolg van de vaststelling van deze regels door de Provincie zonder enige financiële (schade)vergoeding te bieden, onevenredig worden benadeeld en dientengevolge schade lijdt, biedt de bestuursrechter haar dan ook geen rechtsingang. Nu ten aanzien van dit deel van de verklaring voor recht derhalve geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter openstaat, is hier een taak voor de civiele rechter weggelegd en is Springelbeek c.s. wat betreft dit deel van de gevorderde verklaring voor recht ontvankelijk.

De gevorderde verklaring voor recht

4.11.

De Provincie voert voorts het verweer dat, ook na eiswijziging, de eis van Springelbeek c.s. onvoldoende concreet is omschreven en Springelbeek c.s. om die reden niet-ontvankelijk is in haar vordering. De rechtbank volgt deze stelling van de Provincie niet. In de eis is voldoende duidelijk omschreven wat Springelbeek c.s. vordert (kort gezegd een verklaring voor recht dat de Provincie onrechtmatig handelt door het vaststellen, uitvaardigen en/of toepassen van de betreffende artikelen zonder Springelbeek c.s. schadevergoeding te bieden en derhalve schadeplichtig is) en wat daar de gronden van zijn (kort gezegd onrechtmatig handelen op grond van artikel 1 EP en/of artikel 6:162 BW). Het is de rechtbank voldoende duidelijk waarover zij precies dient te oordelen en te beslissen en het zou de Provincie eveneens duidelijk moeten zijn wat Springelbeek c.s. wil. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat de Provincie op de vordering en onderliggende gronden uitgebreid inhoudelijk verweer heeft gevoerd. In zoverre faalt het niet-ontvankelijkheidsverweer van de Provincie dan ook.
Substantiëringsplicht

4.12.

Volgens de Provincie heeft Springelbeek c.s. voorts de substantiëringsplicht geschonden, omdat is verzuimd om in de dagvaarding alle door de Provincie tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor te vermelden in de dagvaarding. Dit verweer kan evenmin slagen. Artikel 111 lid 3 Rv vereist niet dat in de dagvaarding alle verweren tot in detail worden vermeld. Springelbeek c.s. kon volstaan met een korte weergave van de in het voortraject opgeworpen verweren, waarna het aan de Provincie is om bij antwoord helderheid te verschaffen. Hieraan heeft Springelbeek c.s. naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate voldaan.

Artikel 21 Rv

4.13.

De Provincie voert verder aan dat Springelbeek c.s. de voor de beslissing van belang zijnde feiten niet volledig en naar waarheid heeft aangevoerd. De rechtbank volgt ook deze stelling niet. Dat Springelbeek c.s. niet heeft vermeld dat de Afdeling een aantal uitspraken heeft gedaan over de (on)verbindendheid van artikelen 9.3 lid 1 aanhef en onder d, en 9.5 lid 4 van de Verordening, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat artikel 21 Rv is geschonden. Springelbeek c.s. was geen partij bij de zaken waarin de Afdeling deze uitspraken heeft gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank reikt de verplichting van artikel 21 Rv in onderhavige zaak niet zover dat Springelbeek c.s. verplicht was deze jurisprudentie te vermelden. Dat Springelbeek c.s. daarnaast niet heeft vermeld dat zij thans nog nertsen houdt op de [adres 1] is onjuist. In de dagvaarding wordt onder punt 136 melding gemaakt van dit feit.
Verjaring
4.14. De Provincie betoog daarnaast dat de vordering van Springelbeek c.s. is verjaard. De Provincie stelt dat Springelbeek c.s. sinds het Voorbereidingsbesluit van 19 maart 2010 bekend is met de beweerdelijk geleden schade en de aansprakelijke persoon. De verjaringstermijn van vijf jaar is volgens de Provincie aldus aangevangen op 20 maart 2010. De grondslag van de door Springelbeek c.s. gestelde schade is echter niet gelegen in het feit dat op 19 maart 2010 een Voorbereidingsbesluit is genomen. Springelbeek c.s. legt aan haar vordering ten grondslag dat de vaststelling, uitvaardiging en toepassing van de Verordening onrechtmatig is. Het moment dat Springelbeek c.s. bekend is geworden met de schade die zij stelt door de vaststelling, uitvaardiging en toepassing van de Verordening te hebben geleden en de daarvoor aansprakelijk persoon, is niet eerder dan de datum van de vaststelling (en uitvaardiging en toepassing) van de Verordening. Dat reeds in het Voorbereidingsbesluit de nieuwvestiging en uitbreiding van bouwblokken boven de 1,5 ha werden beperkt, maakt dit niet anders. Op 25 februari 2011 is de Verordening vastgesteld. De verjaringstermijn is op grond van artikel 3:310 BW vijf jaren, zodat op het moment van dagvaarden op 31 maart 2015 geen sprake was van een voltooide verjaring.

Onrechtmatig handelen

4.15.

Nu de voornoemde verweren niet (geheel) slagen, staat de rechtbank voor de vraag of de Provincie onrechtmatig heeft gehandeld jegens Springelbeek c.s.
Strijd met artikel 1 EP

4.16.

Primair voert Springelbeek c.s. aan dat de Provincie artikel 1 EP heeft geschonden. Volgens Springelbeek c.s. is er sprake van eigendom in de zin van artikel 1 EP, nu zij er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd (“legitimate expectations”) dat de uitbreiding van het betreffende bouwblok tot 2,5 ha – welke uitbreiding doorslaggevend is geweest bij verplaatsing van de nertsenhouderij – niet nadien door de Provincie zou worden tegengehouden. Volgens Springelbeek c.s. kan de vaststelling van de ontheffingscriteria primair worden aangemerkt als ontneming van eigendom en subsidiair als regulering van eigendom. Nu hiervoor geen compensatie is aangeboden en betaald, is sprake van strijdigheid met artikel 1 EP, aldus Springelbeek c.s.

4.17.

Volgens de Provincie is er geen sprake van eigendom in de zin van artikel 1 EP, zodat geen sprake kan zijn van een schending van artikel 1 EP. Bij het eigendomsbegrip van artikel 1 EP is volgens de Provincie ‘gewettigd’ vertrouwen vereist en is ‘gerechtvaardigd’ vertrouwen onvoldoende. Van gewettigd vertrouwen is geen sprake, zodat er geen sprake is van eigendom in de zin van artikel 1 EP, aldus de Provincie. Indien er wel sprake zou zijn van eigendom, dan is volgens de Provincie geen sprake van ontneming of regulering hiervan en indien dat wel het geval zou zijn, dan was dit volgens de Provincie voor Springelbeek c.s. voorzienbaar en derhalve gerechtvaardigd.

4.18.

Artikel 1 EP, dat onderdeel uitmaakt van de Nederlandse rechtsorde, bepaalt dat iedere natuurlijke of rechtspersoon het recht heeft op het ongestoord genot van zijn eigendom en dat aan niemand zijn eigendom zal worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. Het tweede lid bepaalt dat de voorgaande bepalingen op geen enkele wijze het recht aantasten dat een staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

4.19.

Artikel 1 EP kan onder omstandigheden verplichten tot schadevergoeding.
Naar vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) is daarvoor noodzakelijk, kort samengevat:
- dat sprake is van een ‘possession’ (eigendom) in de zin van deze bepaling, en
- dat sprake is van ‘interference’, dat wil zeggen ontneming of regulering van het eigendomsrecht.

4.20.

Is aan deze beide voorwaarden voldaan, dan wordt onderzocht:
- of de inbreuk ‘lawful’ is, dat wil zeggen bij wet voorzien,
- of de inbreuk dient ter bevordering van het ‘general interest’, dat wil zeggen of zij een algemeen belang dient, en
- of een ‘fair balance’, dat wil zeggen een redelijk evenwicht, bestaat tussen de eisen van het algemeen belang en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu.

4.21.

Ter beantwoording staat dus allereerst de vraag of sprake is van eigendom in de zin van artikel 1 EP.

4.22.

Het EHRM hanteert een autonoom en ruim eigendomsbegrip. Buiten hetgeen naar nationaal recht als bestaande eigendomsrechten wordt gekwalificeerd, kunnen ook
vermogensbestanddelen (“certain other rights and interests constituting assets”) onder het eigendomsbegrip vallen, waarbij onder vermogensbestanddelen tevens worden begrepen vorderingen (“claims”). De reikwijdte van het eigendomsbegrip wordt echter beperkt door het vereiste dat de rechten of belangen ten aanzien van de vermogensbestanddelen met voldoende zekerheid moeten vaststaan. De enkele hoop of verwachting op het recht of belang volstaat niet. Het EHRM stelt de eis dat sprake dient te zijn van vermogensbestanddelen ten aanzien waarvan de desbetreffende persoon kan aantonen dat hij op zijn minst een gerechtvaardigde verwachting (“legitimate expectation”) heeft dat hij op een effectieve manier het genot van een eigendomsrecht zal verkrijgen. Deze gerechtvaardigde verwachting moet zijn gebaseerd op een “legal act” of een “asset”, een juridische bepaling of juridische daad waaruit naar nationaal recht een afdwingbare aanspraak voortvloeit, zoals een rechterlijke beslissing. Er dient dus een voldoende concrete nationaalrechtelijke juridische basis voor het gestelde eigendom of het gestelde vorderingsrecht te kunnen worden aangewezen. Zie in dit verband, onder meer, het arrest van het EHRM van 28 september 2004 (Kopecký/Slowakije, EHRC 2004, 97):

“52. […] the Court takes the view that where the proprietary interest is in the nature of a claim it may be regarded as an “asset” only where it has a sufficient basis in national law, for example where there is settled case-law of the domestic courts confirming it.”.
en het arrest van het EHRM van 10 juli 2002 (Gratzinger en Gratzingerova/Tsjechië, EHRC appo.no. 39794/98):


“73. […] The Court considers that there is a difference between a mere hope of restitution, however understandable that hope may be, and a legitimate expectation, which must be of a nature more concrete than a mere hope and be based on a legal provision of a legal act such as a judicial decision.”
4.23. Uit het arrest van het EHRM van 23 september 2003 (Mirailles/Frankrijk, EHRC 2003-XI), volgt daarnaast dat dit niet anders is wanneer de hoop in stand wordt gehouden door de houding van een overheidsorgaan:

“In the final analysis, the Court considers that there is a difference between a mere hope kept alive (rightly or wrongly) by the attitude of the domestic authorities regarding a property development project and a “legitimate expectation” for the purposes of Article 1 of Protocol No. 1, which must be more concrete and be based on a statutory provision or legal instrument, such as a final judicial decision.”
4.24. Springelbeek c.s. baseert het gestelde gerechtvaardigde vertrouwen op toezeggingen door de gemeente en de Provincie, de door de Provincie met Springelbeek c.s. gesloten VIV-overeenkomst en de kwalificatie van de locatie aan het [adres 2] als duurzame locatie.

4.25.

De rechtbank stelt voorop dat de gestelde toezeggingen van de gemeente en de Provincie niet als een juridische bepaling of juridische daad waaruit naar nationaal recht een afdwingbare aanspraak voortvloeit, kunnen worden aangemerkt. De toezeggingen door Ketelaars, Traas en Van Hout en/of andere gemeentelijke of provinciale ambtenaren zijn, nog los van de vraag of de toezeggingen daadwerkelijk zijn gedaan, immers niet gedaan in de vorm van een juridische beslissing (zoals bijvoorbeeld een vergunning of ontheffing), zodat er niet rechtstreeks een afdwingbare aanspraak uit kan voortvloeien. De stelling dat de toezeggingen worden bevestigd door het Plan van aanpak van 21 mei 2010 (productie 19 bij dagvaarding) en het besprekingsverslag van de LOG Driehoek van april 2006 (producties 57A en 57B van Springelbeek c.s.), maakt dit niet anders.
4.26. Het feit dat de Provincie de VIV-overeenkomst met Springelbeek c.s. heeft gesloten en het feit dat de Provincie de locatie het [adres 2] als duurzame locatie heeft aangemerkt, is naar het oordeel van de rechtbank evenmin aan te merken als een juridische daad waaruit naar nationaal recht een afdwingbare aanspraak op de uitbreiding van het betreffende bouwblok tot 2,5 ha voortvloeit. Zelfs als de VIV-overeenkomst en de aanmerking van het [adres 2] als duurzame locatie als juridische daden in vorenbedoelde zin zouden worden gekwalificeerd, volgt uit deze daden niet zonder meer een aanspraak op uitbreiding van het bouwblok, doch slechts een afdwingbare aanspraak op toepassing van de VIV-regeling. Springelbeek c.s. heeft immers pas een afdwingbare aanspraak op uitbreiding van het bouwblok nadat de daarvoor benodigde besluiten (ontheffingsbesluit en wijziging van het bestemmingsplan) zijn genomen.

4.27.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat geen sprake is van een juridische bepaling of juridische daad waaraan naar nationaal recht een afdwingbare aanspraak voortvloeit, waarop Springbeek c.s. gerechtvaardigd kon vertrouwen dat de uitbreiding van het betreffende bouwblok tot 2,5 ha niet nadien door de Provincie zou worden tegengehouden. Er is derhalve geen sprake van eigendom in de zin van artikel 1 EP. Het beroep van Springelbeek c.s. op artikel 1 EP kan reeds om die reden niet slagen.
Onrechtmatig handelen als bedoeld in artikel 6:162 BW

4.28.

Subsidiair voert Springelbeek c.s. aan dat het vaststellen, invoeren en handhaven van de ontheffingscriteria (in de artikelen 9.3 lid 1 aanhef en onder d, en 9.5 lid 4 van de Verordening) jegens Springelbeek c.s. in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten het verbod van willekeur, het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
Mede gelet op de formulering van de gevorderde verklaring voor recht na eiswijziging, begrijpt de rechtbank het standpunt van Springelbeek c.s. zo dat zij (tevens) stelt dat sprake is van onrechtmatig handelen omdat zij onevenredig benadeeld is door het vaststellen, invoeren en handhaven van de ontheffingscriteria en er jegens haar geen financiële (schade)vergoeding is aangeboden.

4.29.

De Provincie voert het verweer dat Springelbeek c.s. in deze procedure geen beroep kan doen op de onverbindendheid van de ontheffingscriteria, gelet op de taakverdeling tussen de bestuursrechter en burgerlijke rechter. Daarnaast heeft de vaststelling en uitvoering van de Verordening volgens de Provincie voor Springelbeek c.s. geen onevenredige gevolgen gehad.
4.30. De rechtbank stelt voorop dat, zoals reeds overwogen onder 4.6, de verbindendheid van de artikelen 9.3 lid 1 aanhef en onder d, en 9.5 lid 4 van de Verordening vaststaat, nu de Afdeling heeft geoordeeld dat de ontheffing terecht is geweigerd. Hiermee staat vast dat de ontheffingscriteria op zichzelf niet in strijd zijn met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Voor zover Springelbeek c.s. stelt dat het vaststellen, invoeren en handhaven van de ontheffingscriteria in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en om die reden onrechtmatig, kan deze stelling derhalve niet slagen.

4.31.

Ook indien een overheidshandeling op zichzelf niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt, kan de overheid echter op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk zijn voor de onevenredig nadelige gevolgen van zodanige handeling, dat wil zeggen de gevolgen die buiten het normale maatschappelijk risico of het normale bedrijfsrisico vallen en die op een beperkte groep burgers of instellingen drukken. De vraag of in een bepaald geval de gevolgen van een overheidshandeling buiten het normale maatschappelijk risico of het normale bedrijfsrisico vallen, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang kan hierbij onder meer zijn enerzijds de aard van de overheidshandeling en het gewicht van het daarmee gediende belang alsmede in hoeverre die handeling en de gevolgen daarvan voorzienbaar zijn voor
de derde die als gevolg daarvan schade lijdt, en anderzijds de aard en de omvang van de toegebrachte schade (vgl. onder meer HR 30 maart 2001, NJ 2003, 615).

4.32.

De vraag die ter beantwoording voor ligt is of van een dergelijke situatie sprake is.
De rechtbank dient daartoe te beoordelen of de door Springelbeek c.s. gestelde nadelige gevolgen van het vaststellen, invoeren en handhaven van de ontheffingscriteria buiten het normale maatschappelijk risico vallen en zodoende onevenredig zijn. Daarvoor is onder meer van belang of de gevolgen voor Springelbeek c.s. voorzienbaar waren, in welk kader het een rol speelt of gerechtvaardigde verwachtingen zijn geschonden. Volgens Springelbeek c.s. is dit laatste het geval.

4.33.

Springelbeek c.s. stelt dat ze er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat ze het bouwblok kon uitbreiden, gelet op toezeggingen door de gemeente en de Provincie, de door de Provincie met Springelbeek c.s. gesloten VIV-overeenkomst en de kwalificatie van de locatie aan het [adres 2] als duurzame locatie. Volgens Springelbeek c.s. was het voor haar dan ook niet voorzienbaar dat de Provincie haar beleid zo zou gaan aanpassen dat Springelbeek c.s. niet meer in aanmerking kwam voor bouwblokvergroting tot 2,5 ha door het eisen van een schriftelijke toezegging van de gemeente ten aanzien van de planologische medewerking.

4.34.

Volgens de Provincie is er geen sprake van gerechtvaardigd vertrouwen ter zake van de uitbreiding van het bouwblok tot 2,5 ha. De Provincie stelt dat het, mede gelet op de maatschappelijke ontwikkelingen in en omtrent intensieve veehouderijen (waaronder het Burgerinitiatief dat is ingediend op 10 juli 2009), voorzienbaar was dat de uitbreiding van bouwblokken bij de veehouderijen zou worden beperkt. Provincie betwist dat er door de gemeente en door de Provincie toezeggingen zijn gedaan. Enig vertrouwen op het verkrijgen van een groter bouwblok, kan daarnaast volgens de Provincie niet aan de VIV-overeenkomst worden ontleend, omdat deze overeenkomst slechts betrekking heeft op de VIV-subsidieregeling en niet op planologische beslissingen. Het aanmerken van de locatie [adres 2] als duurzame locatie beperkt zich eveneens tot een beoordeling in het kader van de subsidieregeling, aldus de Provincie.

4.35.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.36.

Niet in geschil is dat de heer [eiser sub 2] in 2004 met de gemeente en de Provincie heeft gesproken over de verplaatsing van de nertsenhouderij. Uit het door Springelbeek c.s. overgelegde besprekingsverslag van 9 november 2004 (productie 1 bij dagvaarding) volgt dat, zoals Springelbeek c.s. stelt, destijds is besproken dat de heer [eiser sub 2] zijn bedrijf wenste uit te breiden en aangezien het gebied waar het bedrijf lag daarvoor te weinig mogelijkheden bood, dit op een andere locatie zou moeten. Uit het besprekingsverslag blijkt dat [eiser sub 2] daarbij heeft aangegeven dat voor de gewenste uitbreiding een oppervlakte van 3 á 4 ha nodig is en dat hij de vraag heeft opgeworpen welke mogelijkheden er in het kader van de VIV-regeling zijn. De Provincie heeft de juistheid van dit besprekingsverslag niet weersproken.

4.37.

Volgens Springelbeek c.s. is in april, mei en juni 2006 wederom met de gemeente en de Provincie gesproken over de verplaatsing van de nertsenhouderij. Deze gesprekken gingen over het LOG De Driehoek. Springelbeek c.s. stelt dat de heer [eiser sub 2] tijdens deze gesprekken heeft aangegeven de nertsenhouderij enkel te willen verplaatsen indien er maximaal kon worden uitgebreid. Volgens Springelbeek c.s. is met de gemeente en Provincie besproken dat de gewenste uitbreiding tot maximaal 2,5 ha mogelijk was. Deze stelling van Springelbeek c.s. wordt ondersteund door de gespreksaantekeningen die Springelbeek c.s. heeft overgelegd (producties 57A en 57B van Springelbeek c.s.) en waarvan de juistheid door de Provincie niet in twijfel is getrokken. In deze gespreksaantekeningen staat inderdaad dat de heer [eiser sub 2] een bouwblok van meer dan 2,5 ha nodig heeft, dat de wens van de heer [eiser sub 2] 3 ha is en dat 2,5 ha maximaal mogelijk is. Uit de gespreksaantekeningen volgt dat tevens is gesproken over de VIV-regeling.

4.38.

Partijen hebben dus reeds in 2004 en 2006 besproken dat Springelbeek c.s. de nertsenhouderij wenste uit te breiden tot tenminste 2,5 ha en om die reden wilde verplaatsen. In dat kader is gesproken over de mogelijkheden van de VIV-regeling.

4.39.

Op 31 januari 2007 hebben de heer [eiser sub 2] en de Provincie vervolgens de VIV-overeenkomst gesloten. Volgens Springelbeek c.s. was het bij het sluiten van de VIV-overeenkomst de bedoeling van partijen dat de nertsenhouderij door de verplaatsing kon uitbreiden tot tenminste 2,5 ha. Springelbeek c.s. verwijst in dat kader onder meer naar de gesprekken in 2004 en 2006. De Provincie betwist dat met het sluiten van de VIV-overeenkomst een uitbreiding werd beoogd. Volgens de Provincie heeft zij zich uitsluitend beperkt tot een beoordeling van de subsidie-aanvrage in het kader van de VIV-regeling en heeft zij geen uitspraken gedaan over eventuele milieutechnische en planologische (uitbreidings)mogelijkheden. Hetzelfde geldt volgens de Provincie voor het aanmerken van het [adres 2] als duurzame locatie.

4.40.

Uit de tekst van de VIV-overeenkomst blijkt inderdaad niet dat partijen (mede) zijn overeengekomen dat Springelbeek c.s. door de verplaatsing van het bedrijf de nertsenhouderij kan uitbreiden tot 2,5 ha. De tekst van de VIV-overeenkomst ziet, zoals de Provincie stelt, slechts op de toepasselijkheid van de VIV-subsidieregeling. Voor de uitleg van een overeenkomst dient echter niet enkel gekeken te worden naar de taalkundige uitleg van de bepalingen in die overeenkomst, maar komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Zie HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981: AG4158). Daarbij zijn van beslissende betekenis alle concrete omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.

4.41.

De VIV-overeenkomst moet dus worden gezien (mede) in het licht van de in 2004 en 2006 gevoerde gesprekken tussen partijen. De Provincie was gelet op deze gesprekken op de hoogte van de reden van de gewenste verplaatsing, namelijk de gewenste uitbreiding tot tenminste 2,5 ha, en is vervolgens de VIV-overeenkomst met Springelbeek c.s. aangegaan. De stelling van de Provincie dat partijen bij het sluiten van de VIV-overeenkomst niet (tevens) de bedoeling hadden dat de nertsenhouderij door de verplaatsing kon uitbreiden, kan onder deze omstandigheden niet worden gevolgd. Dat de Provincie enkel de subsidieregeling heeft beoordeeld en niet betrokken is geweest bij de zoektocht naar een vervangende locatie voor uitbreiding, strookt niet met de gesprekken die tussen partijen hebben plaatsgevonden, onder meer ten aanzien van het LOG De Driehoek. Voor zover de Provincie stelt dat het haar niet bekend was dat Springelbeek c.s. enkel wilde verplaatsen, mits zij de mogelijkheid had voor uitbreiding van haar bedrijf, kan dit evenmin worden gevolgd. Het besprekingsverslag van 9 november 2004 ondersteunt juist de stelling van Springelbeek c.s. dat het doel van de verplaatsing was dat de nertsenhouderij kon uitbreiden. Dat de insteek van Springelbeek c.s. na de gesprekken in 2004 en 2006 is veranderd, is gesteld noch gebleken.

4.42.

De rechtbank gaat gelet op de eerder gevoerde gesprekken tussen partijen derhalve uit van de uitleg die Springelbeek c.s. van de VIV-overeenkomst geeft en stelt vast dat de VIV-overeenkomst (mede) werd gesloten met het oog op de door Springelbeek c.s. gewenste uitbreiding van de nertsenhouderij tot tenminste 2,5 ha.

4.43.

De Provincie stelt vervolgens dat Springelbeek c.s. er niet gerechtvaardigd op kon vertrouwen dat het bouwblok tot 2,5 ha uitgebreid kon worden, nu in de brief van 17 april 2007 staat dat bij de vestiging van een bedrijf rekening dient te worden gehouden met het bestemmingsplan en dat diverse gemeentelijke vergunningen nodig zijn.
Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

4.44.

De Provincie stelt terecht dat in de brief van 17 april 2007 wordt gewezen op het feit dat de milieutechnische en planologische beslissingen toekomen aan de gemeente.
Springelbeek c.s. heeft echter gemotiveerd gesteld dat de gemeente (mondeling) heeft toegezegd medewerking te verlenen aan de uitbreiding van het bouwblok tot 2,5 ha. Hierover bestond volgens Springelbeek c.s. geen twijfel. Deze stelling wordt onderbouwd door het feit dat de gemeente bezwaar heeft gemaakt en beroep heeft ingesteld tegen de weigering van de Provincie om ontheffing van de bouwblokbeperking te ontlenen, waarbij de gemeente onder meer heeft aangevoerd dat de heer [eiser sub 2] heeft verzocht om planologische medewerking aan de uitbreiding van het bouwblok tot 2,5 hectare en dat van meet af aan duidelijk was dat de gemeente planologische medewerking zou verlenen. Daarnaast heeft de gemeente bij e-mail van 31 maart 2011 (productie 55 bij dagvaarding) aan de Provincie bericht voornemens te zijn het bouwblok van perceel [adres 2] te vergroten tot 2.5 ha. De gemeente is tot slot aanwezig geweest bij de gesprekken die zijn gevoerd in 2004 en 2006 waarbij besproken is dat Springelbeek c.s. wilde verplaatsen om uit te kunnen breiden tot tenminste 2,5 ha. Gesteld noch gebleken is dat de gemeente bij deze gesprekken (milieutechnische en/of planologische) bedenkingen heeft geuit tegen deze uitbreiding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Springelbeek c.s. hiermee voldoende onderbouwd dat de gemeente heeft toegezegd medewerking te verlenen aan de uitbreiding van het bouwblok tot 2,5 ha. Dat de Provincie Springelbeek c.s. heeft gewaarschuwd dat de milieutechnische en planologische beslissingen toekomen aan de gemeente, maakt dan ook niet dat Springelbeek c.s. er niet op kon vertrouwen dat het bouwblok tot tenminste 2,5 ha uitgebreid kon worden.
4.45. Onder voornoemde omstandigheden, te weten de gesprekken die de Provincie in 2004 en 2006 met Springelbeek c.s. heeft gevoerd over de wens van Springelbeek c.s. om te verplaatsen om uit te kunnen breiden tot tenminste 2,5 ha, het feit dat de VIV-overeenkomst (mede) werd gesloten met het oog op de door Springelbeek c.s. gewenste uitbreiding tot tenminste 2,5 ha, en het feit dat de gemeente heeft toegezegd medewerking te verlenen aan deze uitbreiding tot 2,5 ha, mocht Springelbeek c.s. erop vertrouwen dat de Provincie de uitbreiding van het bouwblok tot 2,5 ha niet nadien zou tegenwerken. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat de Provincie tijdig aan Springelbeek c.s. heeft aangegeven dat de gewenste en besproken uitbreiding eventueel niet (meer) haalbaar zou zijn.
4.46. De maatschappelijke ontwikkelingen in en omtrent intensieve veehouderijen, maken het voorgaande niet anders. Gelet op het ingediende Burgerinitiatief en de berichten in onder meer de media heeft Springelbeek c.s. weliswaar kunnen verwachten dat er beperkingen aan het uitbreiden van intensieve veehouderijen zouden worden opgelegd, maar nu de gewenste en met de Provincie besproken verplaatsing van Springelbeek c.s. al was ingezet, hoefde Springelbeek c.s. er geen rekening mee te houden dat deze beperkingen ook voor haar zouden gelden. In de ontwerp Verordening ruimte Noord-Brabant fase 1 van
30 juni 2009 was bepaald dat ontheffing van de bouwblokbeperking kon worden verleend voor lopende verplaatsers. Nog niet bekend was welke definitieve criteria hiervoor zouden gelden. Springelbeek c.s. mocht erop vertrouwen dat zij onder deze ontheffingscriteria zou vallen. Zoals de Provincie zelf stelt is de ontheffingsmogelijkheid immers opgesteld om tegemoet te komen aan die gevallen die al in een zodanig vergevorderd stadium waren dat sprake was van gewekt vertrouwen en die door de nieuwe regeling onevenredig zouden worden getroffen. Onder deze omstandigheden hoefde Springelbeek c.s. er geen rekening mee te houden dat de criteria voor ontheffing zo zouden worden vastgesteld dat zij niet in aanmerking kwam voor bouwblokvergroting tot 2,5 ha zonder een schriftelijke toezegging van de gemeente ten aanzien van de planologische medewerking. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat vaststaat dat, zoals reeds overwogen, de gemeente bereid was planologische medewerking te verlenen.

4.47.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het voor Springelbeek c.s. niet voorzienbaar was dat de Provincie haar beleid zo zou gaan aanpassen dat Springelbeek c.s. niet meer in aanmerking kwam voor de bouwblokvergroting tot 2,5 ha. Hoewel de ontheffingscriteria op zichzelf niet onrechtmatig zijn, acht de rechtbank de voor Springelbeek c.s. nadelige gevolgen van de bepalingen uit de Verordening onevenredig. Doordat de Provincie met het vaststellen van de ontheffingscriteria gerechtvaardigde verwachtingen van Springelbeek c.s. heeft geschonden, is Springelbeek c.s. in vergelijking met anderen onevenredig zwaar getroffen. Voor zover Springelbeek c.s. hierdoor schade heeft geleden valt dit naar het oordeel van de rechtbank buiten het normaal maatschappelijk risico en bestaat in beginsel aanspraak op vergoeding van de geleden schade.

Toerekenbaarheid

4.48.

De stelling van de Provincie dat de gestelde schade niet toerekenbaar is aan de Provincie, omdat Springelbeek c.s. niet direct na verwerving van het [adres 2] , dan wel binnen bekwame tijd, een aanvraag heeft ingediend tot vergroting van het bouwblok van 1,5 ha naar 2,5 ha, volgt de rechtbank niet. Springelbeek c.s. heeft gemotiveerd gesteld dat de uitbreiding van de nertsenhouderij in twee fasen moest gebeuren. Om bedrijfseconomische en financiële redenen was het noodzakelijk dat de verplaatsing naar het Boveneind in twee fasen geschiedde en is in 2008 de vergroting tot 1,5 ha aangevraagd en later pas de vergroting naar 2,5 ha. Daar komt bij dat de verplaatsing op grond van de VIV-overeenkomst niet eerder dan 31 december 2012 afgerond diende te zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Springelbeek c.s. niet te lang stilgezeten en kan niet worden gesteld dat de schade om die reden niet aan de Provincie toerekenbaar is.
Causaal verband

4.49.

De stelling van de Provincie dat er geen sprake is van causaal verband tussen het onrechtmatige handelen en de gestelde schade, aangezien niet vaststaat dat de gemeente bereid zou zijn mee te werken aan een bestemmingsplanherziening, kan niet slagen. Zoals reeds overwogen, staat immers in rechte vast dat de gemeente medewerking wilde verlenen aan de gewenste uitbreiding tot 2,5 ha. Dat het bestemmingsplan zoals Springelbeek c.s. voor ogen had niet zou kunnen worden vastgesteld, acht de rechtbank gelet op de toezegging van de gemeente niet aannemelijk. Dat omwonenden en/of andere belanghebbenden bedenkingen tegen de uitbreiding van het bouwblok hadden kunnen indienen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat de bouwblokuitbreiding niet mogelijk was geweest. Het verweer dat causaal verband ontbreekt, wordt derhalve verworpen.
4.50. De stelling van de Provincie dat Springelbeek c.s. geen verplaatser is als bedoeld in de ontheffingscriteria, kan evenmin slagen. Hoewel de Provincie terecht stelt dat de VIV-overeenkomst uiteindelijk niet is uitgevoerd, nu de verplaatsing van de nertsenhouderij niet voor 31 december 2012 was afgerond, kan dit niet aan Springelbeek c.s. worden tegengeworpen. Springelbeek c.s. stelt gemotiveerd dat zij de locatie [adres 1] heeft aangehouden omdat de uitbreiding op het [adres 2] niet mogelijk bleek. Hiermee heeft Springebleek c.s. de gestelde schade die is ontstaan doordat er op het [adres 2] niet kon worden uitgebreid tot de gewenste 2,5 ha, gepoogd zoveel mogelijk te beperken. Dit maakt dan ook niet dat geen sprake is van causaal verband als bedoeld in artikel 6:162 BW.
Schade

4.51.

De Provincie stelt dat er geen sprake is van schade, aangezien Springelbeek c.s. thans nertsen houdt op zowel de [adres 1] , als op het [adres 2] . Het bouwblok van deze locaties is tezamen circa 2,4 ha. Volgens de Provincie is er geen sprake van schade, nu Springelbeek c.s. thans over een bouwblok beschikt van dezelfde grootte als zij wenste met de uitbreiding te bereiken.

4.52.

De rechtbank stelt dienaangaande voorop dat Springelbeek c.s. geen schadebedrag vordert, maar een verklaring voor recht dat de Provincie aansprakelijk is voor door haar geleden en te lijden schade op te maken bij staat. Springelbeek c.s. dient daartoe feiten te stellen waaruit aannemelijk wordt dat mogelijk schade is geleden. Daaraan is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. Springelbeek c.s. stelt investeringen te hebben gedaan om de uitbreiding tot 2,5 ha mogelijk te maken, zoals het bouwen van een mestkelder met capaciteit voor 2,5 ha. De rechtbank is daarnaast met Springelbeek c.s. van oordeel dat het houden van nertsen op twee locaties in plaats van één, inefficiënt en kostenverhogend is. Dat de totale oppervlakte van de locaties nagenoeg gelijk is aan de oppervlakte die Springelbeek c.s. op het [adres 2] wenste, maakt dan ook niet dat niet aannemelijk is dat mogelijk schade is geleden.
Conclusie

4.53.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de Provincie op grond van onrechtmatige daad jegens Springelbeek c.s. aansprakelijk is voor de onevenredig nadelige gevolgen voor haar van het vaststellen, uitvaardigen en/of toepassen van de Verordening, in het bijzonder de artikelen 9.3 lid 1 aanhef en onder d, en 9.5 lid 4, van de Verordening.
4.54. De rechtbank zal toewijzen de gevorderde verklaring voor recht dat de Provincie door het vaststellen, uitvaardigen en/of toepassen van de Verordening, in het bijzonder de artikelen 9.3 lid 1 aanhef en onder d, en 9.5 lid 4, van de Verordening, zonder enige financiële (schade)vergoeding te bieden jegens Springelbeek c.s. op grond van artikel 6:162 BW onrechtmatig handelt en de Provincie uit dien hoofde aansprakelijk is voor alle door Springelbeek c.s. geleden en te lijden schade (waaronder mede dient te worden verstaan: gevolgschade), nader op te maken bij staat, vermeerderd met rente en te vereffenen voor de wet.
4.55. De Provincie zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Springelbeek c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 82,34

- griffierecht 613,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punt × tarief € 452,00)

Totaal € 1.599,34

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de Provincie door het vaststellen, uitvaardigen en/of toepassen van de Verordening, in het bijzonder de artikelen 9.3 lid 1 aanhef en onder d, en 9.5 lid 4, van de Verordening, zonder enige financiële (schade)vergoeding te bieden jegens Springelbeek c.s. op grond van artikel 6:162 BW onrechtmatig handelt en de Provincie uit dien hoofde aansprakelijk is voor alle door Springelbeek c.s. geleden en te lijden schade (waaronder mede dient te worden verstaan: gevolgschade), nader op te maken bij staat, vermeerderd met rente en te vereffenen voor de wet.

5.2.

veroordeelt de Provincie in de proceskosten, aan de zijde van Springelbeek tot op heden begroot op € 1.599,34, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt de Provincie in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de Provincie niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.B. van Daalen, mr. D.J. Hutten en mr. A. de Boer en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2016.