Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:5086

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-08-2016
Datum publicatie
15-09-2016
Zaaknummer
C/01/305578 / BP RK 16-234
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Rangregeling. Voorstel staat van verdeling. Pandgever verleent eerste pandrecht op vorderingen die zij op debiteuren heeft of zal krijgen aan ABN-AMRO Bank. Daarna is een tweede pandrecht verleend aan verzoeker, eveneens op vorderingen van de pandgever op derden. Pandgever gaat daarna failliet. Positie tweede pandhouder bij verdeling van de executieopbrengst. Curator heeft op verzoek van de pandhouder, ABN-AMRO Bank, vorderingen op debiteuren van de pandgever geïnd. Dit betreft pandhoudersexecutie op grond van artikel 57 lid 1 Faillissementswet. Daarnaast hebben debiteuren rechtsreeks aan ABN-AMRO Bank, als eerste pandhouder, betaald. Curator stelt met een beroep op het arrest Mulder q.q. / CLBN (HR 17 februari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1641) dat verzoeker als stil pandhouder geen aanspraak kan maken op de executieopbrengst. De rechter-commissaris volgt dit niet. Anderzijds deelt verzoeker alleen mee in de opbrengst van de executie voor zover het gaat om bedragen die door de curator zijn geïnd en op de boedelrekening zijn betaald. Verzoeker kan geen aanspraak maken op de geïnde vorderingen voor zover die rechtstreeks aan ABN-AMRO Bank zijn betaald.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 239
Burgerlijk Wetboek Boek 3 253
Faillissementswet
Faillissementswet 57
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 445
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 481
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 490b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2017/15 met annotatie van mr. dr. K.J. Krzeminski en prof. mr. T.H.D. Struycken
AR 2016/2670
RI 2016/110

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's‑Hertogenbosch

zaaknummer / rekestnummer: C/01/305578 / BP RK 16-234

Proces-verbaal van verrichtingen van de rechter-commissaris teneinde te komen tot een rangregeling

1 Inleiding

Bij beschikking van 13 mei 2016 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is mr. E. Loesberg benoemd tot rechter-commissaris te wiens overstaan de verdeling van de

(restant-)opbrengst van de executie van door GeeBee B.V. verpande vorderingen op derden zal plaatsvinden.

Het verzoek tot deze benoeming is ingediend door:

[verzoekster]

gevestigd te Tilburg,

advocaat mr. M.E.G. Murris te Utrecht.

Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster en de daarin genoemde andere belanghebbenden geen overeenstemming hebben bereikt omtrent de verdeling van het restant van de executieopbrengst. Naar aanleiding daarvan is het verzoek gedaan.

2 De executie

2.1.

GeeBee B.V. (hierna: GeeBee) heeft een eerste pandrecht verleend aan ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN AMRO) op vorderingen die GeeBee op derden heeft. Voorts heeft GeeBee een tweede pandrecht verleend aan [verzoekster] (hierna: [verzoekster] ) op (onder andere) alle ten tijde van de registratie van de verpandingsakten bestaande rechten/vorderingen van GeeBee op derden.

2.2.

GeeBee is op 9 juni 2015 failliet verklaard. Mr. L.P.J.M. van Woensel (hierna: Van Woensel q.q.) is benoemd tot curator.

2.3.

Van Woensel q.q. heeft namens ABN AMRO de incasso van de aan ABN AMRO verpande vorderingen ter hand genomen. Op de boedelrekening is een bedrag van € 70.403,98 ontvangen.

3 Belanghebbenden

3.1.

Uit de hierna te noemen feiten en omstandigheden volgt dat de navolgende (rechts)personen belanghebbenden zijn in deze zaak.

3.2.

ABN AMRO, als eerste pandhouder van vorderingen van GeeBee op derden.

3.3.

[verzoekster] , als tweede pandhouder van vorderingen van GeeBee op derden.

3.4.

Van Woensel q.q., in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de geëxecuteerde, GeeBee.

3.5.

Bij (aangetekende) brief van 17 mei 2016 heeft de griffier van deze rechtbank de hiervoor onder 3.2.-3.4. genoemde belanghebbenden conform het bepaalde in artikel 482 Rv mededeling gedaan van de benoeming van de rechter-commissaris en hen in de gelegenheid gesteld eventuele vorderingen in te dienen.

4 De ingediende vorderingen

4.1.

Bij brief van 30 mei 2016 heeft Lindorff B.V. namens ABN AMO meegedeeld dat de vordering die zij op GeeBee had volledig is voldaan en dat ABN AMRO geen vordering in de rangregeling zal indienen.

4.2.

[verzoekster] heeft bij akte van 27 mei 2016 haar vordering ingediend. [verzoekster] stelt op 6 en 12 maart 2015 twee overeenkomsten van geldlening te hebben gesloten met GeeBee, tot bedragen van respectievelijk € 30.000,00 en € 25.000,00, te vermeerderen met contractuele rente van 5% per jaar. De rente tot 27 mei 2016 bedraagt € 2.656,56. Voorts maakt [verzoekster] aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 1.325,00. De totale vordering van [verzoekster] op GeeBee komt daarmee per 27 mei 2016 op € 58.971,56. Tot zekerheid van betaling van voormeld bedrag diende het pandrecht op de vorderingen die GeeBee op derden had. De vordering van ABN AMRO op GeeBee bedroeg per faillissementsdatum € 33.108,00. Op de boedelrekening is na het faillissement een bedrag van in totaal € 70.403,98 betaald door debiteuren van GeeBee. Voorts is € 23.271,45 betaald op de reguliere bankrekening van GeeBee bij ABN AMRO. Het vorenstaande betekent dat na verrekening door ABN AMRO van haar vordering op GeeBee met hetgeen op de reguliere bankrekening is ontvangen, hetgeen op de boedelrekening is ontvangen toereikend is om zowel het restant van de vordering van ABN AMRO te voldoen, als de gehele vordering van [verzoekster] .

4.3.

Van Woensel q.q. erkent de vordering van [verzoekster] op GeeBee. Hij stelt zich echter allereerst op het standpunt dat het verzoek van [verzoekster] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Voorts stelt Van Woensel q.q. dat op de boedelrekening slechts een bedrag van € 3.584,95, afkomstig van vorderingen waarop het tweede pandrecht van [verzoekster] rustte, is ontvangen. [verzoekster] heeft zelf – onbevoegd – een bedrag van € 12.076,61 geïnd van debiteuren van GeeBee, hoewel die geïnde vorderingen niet onder het aan [verzoekster] verleende pandrecht vielen. Per saldo heeft de boedel dus een vordering van € 8.491,66 op [verzoekster] . Daar komt nog bij de omslag in de faillissementskosten, dan wel een boedelbijdrage.

4.4.

De rechter-commissaris passeert het betoog van Van Woensel q.q. betreffende de ontvankelijkheid van het verzoek van [verzoekster] omdat de voorzieningenrechter een rechter-commissaris heeft benoemd (waartegen in beginsel geen hogere voorziening openstaat) en deze op dit moment alleen een voorlopige staat van verdeling dient op te maken.

4.5.

Ten overvloede merkt de rechter-commissaris op dat het standpunt van Van Woensel q.q. ook inhoudelijk onjuist is. Van Woensel q.q. stelt dat doordat hij namens ABN AMRO de verpande vorderingen heeft geïnd, het pandrecht van [verzoekster] teniet is gegaan. [verzoekster] is daardoor geen separatist meer en dus niet bevoegd om op grond van artikel 57 lid 4 Fw te verzoeken om een rangregeling, aldus Van Woensel q.q. Of [verzoekster] al dan niet separatist is, kan in het midden blijven. Artikel 57 lid 4 Fw bepaalt immers niet dat alleen een separatist bevoegd is om een verzoek om een rangregeling in te dienen. Ook [verzoekster] kan het verzoek indienen. De rechter-commissaris overweegt daartoe het volgende.

4.6.

In dit geval heeft Van Woensel q.q. op verzoek van en namens ABN AMRO de aan ABN AMRO verpande vorderingen geïnd. Dit betreft derhalve een pandhoudersexecutie ex artikel 57 lid 1 Fw. Artikel 57 lid 4 Fw verwijst voor de verdeling van de opbrengst van de executie naar de regels in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Ingeval van pandhoudersexecutie is artikel 490b Rv van toepassing. Op grond van dit artikel keert de executerend pandhouder, indien er meerdere belanghebbenden bij de opbrengst zijn, nadat hij de executiekosten heeft betaald en voor zichzelf het hem overeenkomst zijn rang toekomende heeft afgehouden, aan die belanghebbenden uit overeenkomst hetgeen deze belanghebbenden en de pandgever omtrent deze verdeling zijn overeengekomen. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, dan stort de pandhouder – in dit geval dus ABN AMRO – het overschot bij een bewaarder als bedoeld in artikel 445 Rv. De rechter-commissaris gaat ervan uit dat ABN AMRO en Van Woensel q.q. op de voet van het bepaalde in artikel 445 Rv zijn overeengekomen dat de boedelrekening in dit geval geldt als plaats van bewaring van het overschot. Vervolgens kan iedere belanghebbende de opening van een rangregeling verzoeken overeenkomstig artikel 481 Rv. [verzoekster] , tweede pandhouder, geldt op grond van artikel 3:253 lid 1 BW als belanghebbende.

4.7.

ABN AMRO heeft geen vordering ingediend. Uit de wel ingediende vorderingen blijkt dat [verzoekster] noch Van Woensel q.q. het standpunt innemen dat ABN AMRO teveel van de netto-opbrengst heeft afgehouden. ABN AMRO blijft derhalve buiten de rangregeling.

4.8.

[verzoekster] en Van Woensel q.q. kunnen derhalve mogelijk aanspraak maken op het restant van de netto executieopbrengst. Hiervoor is al overwogen dat het gaat om pandhoudersexecutie. De redenering van Van Woensel q.q. dat [verzoekster] geen aanspraak verkrijgt op afdracht van het geïnde, volgt de rechter-commissaris niet. Anders dan waar Van Woensel q.q. uitgaat, is in dit geval geen sprake van een situatie als aan de orde in het arrest Mulder q.q. / CLBN (HR 17 februari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1641). In dat arrest was onder meer aan de orde de vraag of een stil pandhouder aanspraak kon maken op afdracht van vóór de openbaarmaking van het pandrecht door de curator geïnde vorderingen. Dat speelt in het onderhavige geval niet. Van Woensel q.q. heeft de verpande vorderingen van GeeBee weliswaar geïnd, maar heeft dat niet gedaan op grond van een aan hem toekomende bevoegdheid om als (curator van de) pandgever nakoming van stil verpande vorderingen te eisen en betaling daarvan in ontvangst te nemen zolang geen mededeling van de verpanding aan de schuldenaar van de verpande vorderingen is gedaan. Van Woensel q.q. heeft slechts op verzoek van en namens pandhouder ABN AMRO geïnd.

4.9.

Tussen partijen is niet in geschil dat Van Woensel q.q. ter zake de aan ABN AMRO verpande vorderingen een bedrag van in totaal € 70.403,98 op de boedelrekening heeft ontvangen. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat op de reguliere bankrekening van GeeBee bij ABN AMRO € 23.271,45 is betaald. Van Woensel q.q. stelt dat ABN AMRO dat bedrag heeft verrekend met haar vordering en dat hij de restantvordering ad € 15.756,59 aan ABN AMRO heeft voldaan. Dat betekent dat het te verdelen overschot van de executie (€ 70.403,98 - € 15.759,59) = € 54.647,39 bedraagt.

4.10.

Voor wat betreft de omvang van de vordering van [verzoekster] die in de rangregeling moet worden opgenomen geldt het volgende. Partijen zijn het erover eens dat [verzoekster] laatstelijk op 12 maart 2015 twee akten betreffende zgn. bankpandrechten bij voorbaat heeft geregistreerd. Daarmee werd een pandrecht gevestigd voor alle bestaande en toekomstige vorderingen van [verzoekster] op GeeBee op (onder andere) alle ten tijde van de registratie van de akten bestaande rechten/vorderingen van GeeBee op derden. Voor de vaststelling welke vorderingen van GeeBee op derden onder het pandrecht vallen, is op grond van artikel 3:239 BW bepalend of het gaat om vorderingen die na 12 maart 2015 zijn ontstaan uit op 12 maart 2015 bestaande rechtsverhoudingen.

4.11.

Van Woensel q.q. heeft als productie 1 twee overzichten overgelegd. Het eerste overzicht betreft alle vorderingen van GeeBee, met factuurnummers en factuurdata. Het tweede overzicht betreft alleen de debiteuren met een factuur daterend van 12 maart 2015 of eerder. Van Woensel q.q. stelt aan de hand daarvan dat er tien debiteuren waren waarvan vaststaat dat sprake was van een rechtsverhouding die reeds op 12 maart 2015 bestond. De rechter-commissaris overweegt dat uitgaande van het overzicht van Van Woensel q.q. [verzoekster] een pandrecht had op de vorderingen van GeeBee op deze tien debiteuren.

4.12.

De betalingen door de betreffende debiteuren hebben volgens Van Woensel q.q. plaatsgevonden op de boedelrekening (€ 3.584,95) en op de rekening van ABN AMRO (€ 4.099,73). De rechtbank overweegt dat voor zover de debiteuren rechtstreeks aan ABN AMRO hebben betaald, de betreffende bedragen buiten het bestek van de rangregeling vallen. Slechts de opbrengst voor zover die op de boedelrekening is betaald wordt, zoals al eerder is overwogen, in de rangregeling betrokken. Dat betekent dat de vordering van [verzoekster] voor een bedrag van € 3.584,95 in de rangregeling zal worden opgenomen met de daaraan aan het pandrecht verbonden voorrang. Omdat sprake is van pandhoudersexecutie is het op de vordering van [verzoekster] in mindering brengen van de omslag in de faillissementskosten dan wel van een boedelbijdrage, zoals Van Woensel q.q. betoogt, niet aan de orde.

4.13.

De door Van Woensel q.q. opgeworpen stelling ter zake de door [verzoekster] af te dragen gelden wegens ten onrechte door haar geïnde vorderingen op debiteuren van GeeBee valt buiten het bestek van de rangregeling en behoeft derhalve geen bespreking.

Gelet op het vorenstaande stelt de rechter‑commissaris op de voet van het bepaalde in artikel 483 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering voorlopig de navolgende verdeling voor van de restantopbrengst.

5 Voorgestelde voorlopige staat van verdeling:

5.1.

Na voldoening door de houder van de netto-opbrengst van de nog niet eerder voldane kosten (vergelijk artikel 485, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) en na de daarop volgende voldoening aan [verzoekster] van de kosten die zij heeft gemaakt voor het indienen van het verzoekschrift, welke kosten worden begroot op € 816,00 (griffierecht € 364,00 en 1 punt salaris advocaat ad € 452,00), dient te ontvangen:

1. [verzoekster] , met inachtneming van haar voorrang ex artikel 3:278 BW, een bedrag van € 3.584,95, vermeerderd met de contractuele rente van 5% per jaar vanaf 27 mei 2016,

2. Van Woensel q.q., als curator van de geëxecuteerde: hetgeen dan nog resteert.

6 Ten slotte

Dit proces-verbaal wordt ter griffie van de rechtbank neergelegd met bepaling dat de griffier onverwijld aan de belanghebbenden kennis zal geven als bedoeld in artikel 484, eerste lid Rv van de dag en het tijdstip waarop zij ten overstaan van de rechter-commissaris hun bezwaren tegen de voorgestelde staat van verdeling kenbaar kunnen maken. De griffier zal een kopie van dit proces-verbaal aan de belanghebbenden meezenden.

De rechter-commissaris zal zitting houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op maandag 10 oktober 2016 van 09:00-10:00 uur.

Waarvan proces-verbaal, dat bij gelegenheid van voormelde zitting zal worden voortgezet,

mr. J.P.W. Manders mr. E. Loesberg

griffier rechter-commissaris