Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:5084

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-09-2016
Datum publicatie
15-09-2016
Zaaknummer
SHE 16/2188
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoeker is aangeschreven het gebruik van zijn perceel voor de verkoop van geïmporteerde honden te staken. De verkoop van geïmporteerde honden is niet gelijk te stellen met de verkoop van zelf voortgebrachte producten. Het valt niet te rekenen onder het begrip hondenfokkerij dat op het perceel wel is toegestaan. Dit begrip is niet in het bestemmingsplan omschreven dus zoekt de voorzieningenrechter aansluiting bij het normale spraakgebruik. Een hondenfokkerij is een bedrijf waar bedrijfsmatig of hobbymatig honden worden voortgebracht. Ze moeten op het bedrijf geboren worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/2188

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 september 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te [vestigingsplaats] verzoekster

(gemachtigde: mr. W. Krijger),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bladel, verweerder

(gemachtigden: mr. drs. S.M.W. Verouden en Z. van 't Woud).

Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekster aangeschreven de met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 1.10, eerste en tweede lid, van het Activiteitenbesluit en artikel 3.65 van de Activiteitenregeling strijdige situatie op het perceel [adres 1] , kadastraal bekend [nummer] , binnen zes weken na de dag van verzending van de aanschrijving ongedaan te maken. Verweerder heeft tevens besloten tot het opleggen van meerdere dwangsommen.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2016. Namens verzoekster is verschenen [naam] , bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Op grond van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.

3. Verzoekster importeert, fokt en houdt honden op twee bedrijfslocaties, aan de [adres 1] en de [adres 2] . Op 11 april 2016 is in het kader van spoedbestuursdwang door de NVWA, LID, Belastingdienst en de gemeente op het perceel van verzoekster een controle uitgevoerd. Naar aanleiding van deze controle heeft verweerder op 27 april 2016 een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom naar verzoekster gestuurd. Op 14 juni 2016 heeft verweerder ter plaatse opnieuw gecontroleerd. Dit heeft geleid tot het primaire besluit. Verweerder heeft zich ten aanzien van alle aanschrijvingen, behalve die met betrekking tot de verkoop van niet zelfvoortgebrachte producten, bereid verklaard om de begunstigingstermijn op te schorten tot na het besluit op bezwaar. Voor de gebouwen 1 tot en met 4 heeft verzoekster aangegeven geen verlenging van de begunstigingstermijn te willen, omdat deze gesloopt worden. Verweerder heeft de begunstigingstermijn ten aanzien van deze gebouwen toch verlengd tot 2 weken na de uitspraak op de voorlopige voorziening.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat in deze zaak alleen beoordeeld moet worden of er aanleiding bestaat het primaire besluit te schorsen voor zover verzoekster daarbij is aangeschreven het gebruik van het perceel ten behoeve van de verkoop van niet zelf voortgebrachte producten te beëindigen en beëindigd te houden.

5. Verzoekster heeft aangevoerd dat verweerder vooringenomen is in deze zaak, nu verweerder heeft aangedrongen op een controle ter plaatse door de NVWA en LID en de pers heeft ingeseind. Verder heeft verweerder voor verzoekster altijd en overal vergunningen voor geëist, terwijl bij Landrop 6 sprake is van een illegale paardenfokkerij die verweerder wil gaan legaliseren.

6. Verweerder heeft aangevoerd dat hij slechts een bescheiden rol heeft gespeeld bij de controle op 11 april 2016 en zijn eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot de Wabo op zich heeft genomen. Daarbij wijst verweerder op de negatieve publiciteit die verzoekster heeft gehad. De actie van verweerder om de handel van geïmporteerde honden te stoppen is niet op de persoon gericht, maar een in de maatschappij breed gedragen wens om deze praktijken te stoppen.

7. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zal, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekster aanvoert geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat verweerder in strijd met artikel 2:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn taak met vooringenomenheid heeft vervuld.

8. Verzoekster heeft aangevoerd dat het op grond van het bestemmingsplan is toegestaan om ter plaatse honden aan particulieren te verkopen. Het betreft volgens verzoekster de verkoop van zelf voortgebrachte producten. Volgens verzoekster zijn eigen gefokte honden die niet langer voor de fokkerij worden ingezet en gekochte honden die op het bedrijf worden opgefokt zelf voortgebrachte producten. Verzoekster maakt hierbij een vergelijk met gekochte biggen die op een bedrijf worden opgefokt.

9. Verweerder heeft daartegen aangevoerd dat niet kan worden gesteld dat de hondjes die geïmporteerd worden uit Hongarije worden gekocht om op te fokken. De hondjes worden gekocht en binnen enkel dagen of weken verkocht. Verweerder heeft dit geconcludeerd uit de van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland gevorderde gegevens. Het betreffen de geregistreerde aanvoer-, afvoer-, import- en exportgegevens vanaf 1 januari 2014. Gebleken is dat de honden slechts korte tijd op het bedrijf verblijven alvorens ze verkocht worden aan particulieren.

10. Het perceel waar het bedrijf van verzoekster is gevestigd heeft op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied Bladel 2014" de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf 1" alsmede de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 4". Ter plaatse geldt de nadere aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - hondenfokkerij".

11. Op grond van artikel 4.1 (Bestemmingsomschrijving) zijn de op de verbeelding voor 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 1' aangewezen gronden bestemd voor:

a. een agrarische bedrijfsuitoefening;

(…)

e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - hondenfokkerij', een hondenfokkerij;

(…)

m. verkoop van zelfvoortgebrachte of streekeigen producten als ondergeschikte nevenactiviteit tot maximaal 100 m2;

(…).

12. Op grond van artikel 4.4.1, onder b, van het bestemmingsplan wordt tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in elk geval gerekend het gebruik voor/van detailhandel, met uitzondering van de verkoop van streekeigen producten zoals bepaald in 4.1.

13. De betekenis die verzoekster aan het begrip "hondenfokkerij" geeft volgt de voorzieningenrechter niet. Nu dit begrip niet in het bestemmingsplan is omschreven zal aan dit begrip uitleg gegeven moeten worden. De voorzieningenrechter zoekt aansluiting bij wat daaronder in het dagelijks spraakgebruik wordt verstaan, namelijk een bedrijf waar bedrijfsmatig of hobbymatig honden worden gefokt. Belangrijk onderdeel van het fokken van honden is dat de honden op het bedrijf worden geboren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan het importeren en verkopen van honden aan particulieren en handelaren niet worden aangemerkt als agrarisch gebruik van het perceel in de vorm van het fokken van honden. Dat het begrip "hondenfokkerij" tevens het opfokken tot volwassen dieren van de geïmporteerde honden omvat, zoals verzoekster heeft betoogd, volgt de voorzieningenrechter niet. Een vergelijk met het opfokken van biggen tot volwassen varkens ten behoeve van de slacht gaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter mank, omdat honden vooral als puppy worden verkocht en niet als volwassen hond. Dat dit ook bij verzoekster gebeurt, blijkt uit de door verweerder overgelegde lijst waarop de data van aanvoer en afvoer van de honden op het adres [adres 1] is aangegeven. De honden verblijven in het overgrote deel van de gevallen slechts kort op het bedrijf. Verzoekster is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat deze lijst vanwege onjuiste gegevens of persoonsverwisseling door verweerder niet gebruikt kan worden. Op de lijst worden duidelijk de aanvoerdata en afvoerdata vermeld en het adres [adres 1] . Daarmee heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat de geïmporteerde honden meestal slechts kort, soms nog geen dag, op het bedrijf verblijven.

14. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder daarom terecht heeft vastgesteld dat er sprake is van een ter plaatse niet toegestane activiteit. De uitzondering van
artikel 4.4.1, onder b, van het bestemmingsplan doet zich in deze zaak niet voor, omdat de voor de verkoop geïmporteerde honden niet kunnen worden aangemerkt als zelfvoortgebrachte producten. Bovendien, ook al zouden de honden als zelfvoortgebrachte producten kunnen worden aangemerkt, kan niet worden gezegd dat de verkoop van deze honden een ondergeschikte nevenactiviteit van het bedrijf is, zoals bepaald in artikel 4.1, aanhef en onder m, van het bestemmingsplan. Verweerder heeft aangevoerd dat in 2015 2.307 honden zijn geïmporteerd en 189 gefokt. Verzoekster heeft aangegeven dat deze aantallen kunnen kloppen. Daarmee is het importeren en verkopen van honden de hoofdactiviteit van verzoekster. Dat verzoekster zoals gesteld het meeste werk heeft aan het fokken van honden kan daar niet aan afdoen.

15. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter handelt verzoekster dan ook in strijd met het bestemmingsplan. Verweerder was dus bevoegd om handhavend op te treden. Bezien dient vervolgens te worden of er omstandigheden zijn op grond waarvan verweerder had dienen af te zien van handhavend optreden.

16. Verzoekster heeft gewezen op het perceel [adres 3] waar een stoeterij is gevestigd. Verzoekster heeft aangevoerd dat deze paardenhouderij een veebedrijf is, terwijl op grond van het bestemmingsplan ter plaatse geen veehouderij mag worden gevestigd. Volgens verzoekster meet verweerder met twee maten door medewerking te verlenen aan de legalisering van dit bedrijf.

17. Verweerder heeft aangevoerd dat het perceel [adres 3] op grond van het bestemmingsplan een andere bestemming heeft en reeds om die reden een vergelijk met dat perceel verzoekster niet kan baten. Verder verschillen de omvang van de percelen en de bedrijfsactiviteiten met elkaar, zodat ook om die reden geen sprake is van een gelijke situatie met het perceel van verzoekster.

18. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder terecht aangevoerd dat er geen sprake is van een gelijke situatie, nu er sprake is van een andere agrarische activiteit op een perceel dat op grond van het bestemmingsplan een andere bestemming heeft. Voor zover verzoekster een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft willen doen slaagt dit niet. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekster ten aanzien van dit punt heeft aangevoerd geen omstandigheid op grond waarvan verweerder had moeten afzien van handhavend optreden. Ten aanzien van de overige gevallen waar verzoekster op wijst heeft verweerder gesteld dat, mocht hier sprake zijn van een illegale situatie, ook daar opgetreden zal worden.

19. Dat verzoekster in 2010 reeds is aangeschreven maar dat deze last onder dwangsom is ingetrokken en verzoekster daarna lange tijd niets meer heeft vernomen van verweerder is evenmin een omstandigheid op grond waarvan verweerder had moeten afzien van handhavend optreden.

19. Voor zover verzoekster stelt dat de dwangsom te hoog is vastgesteld, is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet kan worden gesteld dat de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de overtreding en het met de ongedaanmaking daarvan te dienen belang.

21. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. van der Meiden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

15 september 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.