Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:5039

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-09-2016
Datum publicatie
14-09-2016
Zaaknummer
01/820425-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 6 WVW'94, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht

en

Zonder daartoe gerechtigd te zijn zich op eens anders grond, waarvan de toegang op een voor hem blijkbare wijze door de rechthebbende is verboden, bevinden (art. 461 Sr.).

Vrijspraak mishandeling.

Ten aanzien van feit 1: Geldboete van € 500,= subsidiair 10 dagen hechtenis en OBM 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Ten aanzien van feit 2: Geldboete van € 90,= subsidiair 1 dag hechtenis.

Beslissingen ten aanzien van de benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0232
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/820425-15

Datum uitspraak: 14 september 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1989] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 augustus 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 juni 2016.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 31 augustus 2016 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 08 maart 2015 te Overloon, gemeente Boxmeer, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede

rijdende over de weg, een bospad gelegen in een bosperceel wat plaatselijk bekend staat onder de naam Lactaria (ingeklemd tussen de Rijksweg A73, de Groeningsedijk en de Sambeeksedijk) zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, - met hoge snelheid, althans een ter plaatse te hoge snelheid over dat bospad is gereden en/of - met hoge snelheid, althans ter plaatse te hoge snelheid door is gereden en/of - een stopteken gegeven door een buitengewoon opsporingsambtenaar heeft genegeerd en/of - tegen [slachtoffer 1] is aangereden, waardoor een ander (genaamd die [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken arm, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 maart 2015 te Overloon, gemeente Boxmeer, als bestuurder van een voertuig (een motor ), daarmee rijdende op de weg, een bospad gesloten voor motorrijtuigen, - met hoge snelheid, althans een ter plaatse te hoge snelheid over dat bospad is gereden en/of - met hoge snelheid, althans ter plaatse te hoge snelheid door is gereden en/of - een stopteken gegeven door een buitengewoon opsporingsambtenaar heeft genegeerd en/of - met een snelheid van ongeveer 45 kilometer per uur, althans met een ter plaatse te hoge snelheid (heel) dicht langs [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, is gereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij op of omstreeks 08 maart 2015 te Overloon, gemeente Boxmeer, zonder daartoe gerechtigd te zijn zich met een motorijtuig heeft bevonden op een bosweg, gelegen in een bosperceel wat plaatselijk bekend staat onder de naam Lactaria (ingeklemd tussen de Rijksweg A73, de Groeningsedijk en de Sambeeksedijk) zijnde grond toebehorende aan gemeente Boxmeer, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, van welke grond de toegang op een voor verdachte blijkbare wijze door de rechthebbende was verboden;

3.

hij op of omstreeks 08 maart 2015 te Overloon, gemeente Boxmeer,

[slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] op/tegen het gezicht, althans het hoofd te slaan;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak ten aanzien van feit 3.

Anders dan de officier van justitie, maar met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het overtuigend bewijs dat verdachte [slachtoffer 2] heeft mishandeld ontbreekt. Hoewel de aangifte van [slachtoffer 2] wordt ondersteund door getuigenverklaringen stelt de rechtbank vast dat verdachte dit feit uitdrukkelijk ontkent en dat die ontkenning ook steun vindt in getuigenverklaringen. De rechtbank acht daarbij met name van belang dat [getuige 1] heeft verklaard dat hij verdachte zag opspringen en naar [slachtoffer 2] zag lopen. Hij weet niet meer of verdachte [slachtoffer 2] ook geslagen heeft, maar wel dat hij verdachte bij zijn jas heeft gepakt en teruggetrokken van [slachtoffer 2] . Het feit dat juist deze getuige, die er toch van nabij bij betrokken was, niet weet of verdachte [slachtoffer 2] (een mede-BOA van [getuige 1] ) heeft geslagen, voedt de twijfel van de rechtbank, te meer daar dit pas in verdachtes eigen verklaring ter terechtzitting, inhoudende dat hij wel is opgestaan en naar [slachtoffer 2] is gelopen om verhaal te halen, maar door de pijn in zijn rug niet heeft kunnen slaan.

Gelet op het voorgaande zal verdachte worden vrijgesproken van het hem onder feit 3 ten laste gelegde.

Bewijs

Inleiding.

Op 8 maart 2015 vond er op een bosweg in een bosperceel plaatselijk bekend onder de naam ‘Lactaria’, buiten de bebouwde kom van Overloon, in de gemeente Boxmeer, een handhavingsactie plaats, gericht op het verbod op motorcrossen in dat gebied. Als onderdeel van deze acties waren drie buitengewone opsporingsambtenaren (hierna: BOA’s) verdekt in de begroeiing naast de bosweg opgesteld, om bij naderen van motorrijders tevoorschijn te komen en door middel van een stopteken de motorrijders tot stoppen te dwingen en te beboeten. Tijdens deze actie is verdachte, met de door hem bestuurde (cross)motor, in aanraking gekomen met één van de handhavers; BOA [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ). Ten gevolge hiervan heeft [slachtoffer 1] haar bovenarm gebroken.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat dit verkeersongeval aan zijn schuld te wijten is en dat daardoor aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht (feit 1 primair), dan wel dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt (feit 1 subsidiair) en dat hij zich op de bosweg, gelegen in een perceel genaamd Lactaria, heeft bevonden zonder daartoe gerechtigd te zijn (feit 2). Tot slot wordt verdachte verweten dat hij na het verkeersongeval een andere BOA, te weten [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) heeft mishandeld (feit 3).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden en zich heeft schuldig gemaakt aan het onder feit 1 primair ten laste gelegde. Ook acht hij de feiten 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft integrale vrijspraak, dan wel, in subsidiaire variant ten aanzien van feit 1 en 3, ontslag van alle rechtsvervolging, bepleit.

Het oordeel van de rechtbank. 1

Bij het beantwoorden van de vraag of de aan verdachte ten laste gelegde verwijten bewezen kunnen worden zal de rechtbank eerst aandacht besteden aan het verkeersgedrag van verdachte. Waar de verdediging zeer uitgebreid aandacht heeft besteed aan de (kwaliteit van de) handhavingsactie en de wijze waarop deze door de BOA’s is uitgevoerd, wijst de rechtbank er op dat vooraleerst bekeken moet worden hoe verdachte zich in het verkeer heeft gedragen, nu hem immers het verwijt gemaakt wordt ten minste aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend aan het verkeer te hebben deelgenomen. Indien er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) bestaat, kan vervolgens de vraag naar eventuele medeschuld aan de orde komen.

Vooropgesteld wordt dat verdachte op 8 maart 2015 als motorrijder aan het verkeer heeft deelgenomen. Voorts staat vast dat het betreffende bospad een weg is als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b van de WVW. Dit betekent dat verdachte gehouden was zich aan de regels van – onder meer – de WVW te houden toen hij zich met zijn motor op dat pad begaf. Deze regels strekken – onder meer – tot het verzekeren van de veiligheid op de weg en het beschermen van weggebruikers (artikel 2 WVW).

Feit 2

Het bosgebied, waarin het bospad waarop het ongeval plaatsvond gelegen was, was beperkt voor verkeer opengesteld. Twee soorten borden, die op verschillende plaatsen aan de rand van het bosgebied en bij toegangswegen tot het bosgebied waren geplaatst, maakten duidelijk dat het gebied voor verkeer was opengesteld, maar dat het niet toegestaan was dit gebied met een motorrijtuig te betreden.2 Door zich met een crossmotor, zijnde een motorrijtuig, op dit bospad te begeven3, heeft verdachte zich zonder daartoe gerechtigd te zijn op de bosweg bevonden.

Het door de verdediging gevoerde verweer dat de toegang niet op een voor verdachte blijkbare wijze was verboden wordt verworpen. Dit verweer is gebaseerd op de stelling dat verdachte, met twee medemotorrijders, via een alternatieve route in het bosperceel en op het bospad terecht is gekomen en aldus de betreffende bordjes niet heeft gezien. Deze alternatieve route is door de verdediging gebaseerd op de verklaring van [medeverdachte] ; de motorrijder die voorop reed. [medeverdachte] heeft verklaard dat zij na het viaduct over de A73 naar beneden gereden zijn, waar zij door een beek gereden zijn en vervolgens het bos in zijn gereden via een bospad. Dit betreft een andere route dan waar de politie in het dossier van uitgaat als zijnde de vermoedelijke route van de motorrijders en het verklaart waarom er geen verbodsbord is gezien.

De rechtbank wil in het voordeel van verdachte aannemen dat hij niet de route heeft gereden die de politie in het dossier als de vermoedelijke route heeft beschreven, maar stelt tegelijkertijd vast dat verdachte dan in het bosperceel is gekomen door gebruik te maken van een (al dan niet droog liggende) beek. De rechthebbende op het bosperceel hoefde er niet op bedacht te zijn dat verkeersdeelnemers op die wijze bij het perceel zouden komen. Het komt voor risico van verdachte dat hij van de weg is afgegaan en door een beek is gereden en op die wijze kennelijk de borden heeft gemist die hem wezen op de verbodsbepaling voor motorrijtuigen. Dit doet niet af aan het (onweersproken) feit dat de plaatsing van de borden maakt dat de toegang op een voor verdachte blijkbare wijze was verboden. Anders gezegd; van een rechthebbende op een perceel kan niet gevergd worden dat hij om de twee meter op de grens van zijn perceel bebording plaatst die een op het perceel geldend verbod meldt.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 1

Om tot een veroordeling op grond van artikel 6 WVW te komen, is vereist dat verdacht zich (minstgenomen) aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam heeft gedragen. Hiervoor geldt dat in ieder geval sprake moet zijn van een aanmerkelijke mate van (verwijtbare) onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid.

Bij de beoordeling hiervan komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Gedragingen verdachte.

Uit de verklaring van verdachte volgt dat hij zich op zondag 8 maart 2015 met [medeverdachte] en [betrokkene] bezig hield met motorcrossen. Zelf noemt verdachte het off-road rijden.4 Off-road suggereert dat het niet op de weg gebeurt, maar zoals hiervoor reeds vastgesteld, was het betreffende bospad een weg in de zin van de WVW. De rechtbank wijst er nadrukkelijk op dat ook voor motorcrossers die zich op de weg begeven de verkeersregels gelden. Belangrijke uitgangspunten in het verkeer zijn – onder meer – acht slaan op de toegestane snelheid en rijden met een ter plaatse verantwoorde snelheid, voldoende afstand houden, de weg overzien en in staat zijn het bestuurde voertuig binnen de beschikbare ruimte voor het voertuig tot stilstand kunnen brengen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte aan deze uitgangspunten niet voldaan.

Verdachte reed als middelste motorrijder in een driemansformatie. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij de motorrijder voor zich ( [medeverdachte] ) wel kon zien, maar dat zijn zicht verder zeer beperkt was; op het bospad onder meer vanwege door de motoren opgeworpen stof.5 Het bosperceel was een voor verdachte onbekend terrein en het pad, dat volgens verdachte twee á tweeënhalve meter breed was, was dichtbegroeid.6 Bij de politie heeft verdachte verklaard dat het zicht onderweg was als in een tunnel. “Je rijdt op een recht zandpad, het gaat behoorlijk hard dus je kijkt alleen voor je op het pad”. 7 [betrokkene] , de motorrijder die achter verdachte reed, noemde het pad dicht begroeid en niet erg overzichtelijk. 8

Verdachte schatte de snelheid ten tijde van het voorval op ongeveer 80 kilometer per uur. Hij merkt daarover op dat je in de bossen vooruit kijkt en dus niet op je snelheidsmeter. Op een lang recht stuk gaat het gas open, zo verklaarde verdachte.9

[betrokkene] schatte de snelheid ten tijde van het voorval in op 70 plus, maar merkt daarbij op dat hij wel een niet kloppende kilometerteller had en dat hij daar niet op heeft gekeken.10 [medeverdachte] heeft verklaard dat zijn motor niet over een kilometerteller beschikte, maar dat ze voor zijn gevoel 60 kilometer per uur reden.11

De politie heeft onderzoek gedaan naar de snelheid van de motorrijders. Daarvoor is gebruik gemaakt van camerabeelden van een wildcamera, die door de BOA’s op het bospad was opgehangen om achteraf eventueel kentekens van motoren te kunnen achterhalen. Deze camera heeft een deel van het incident op het bospad opgenomen, te weten het moment dat de drie motorrijders BOA [slachtoffer 2] passeren. Uit het dossier volgt dat [slachtoffer 2] direct achter [slachtoffer 1] was opgesteld. Het ongeval waarbij verdachte en [slachtoffer 1] betrokken waren vindt net buiten het bereik van de camera plaats.

Uit dit onderzoek door de politie12 is gebleken dat de gemiddelde snelheid van de motoren op het moment dat zij door het beeld van de camera rijden rond de 45 kilometer per uur heeft gelegen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het aannemelijk dat de snelheid van de motorrijders op het bospad aanvankelijk nabij de 60 tot 80 kilometer per uur heeft gelegen, maar dat de snelheid op het moment van het ongeval ongeveer 45 kilometer per uur is geweest.

De verdediging heeft aangevoerd dat deze snelheid niet te hoog is geweest, omdat het een weg buiten de bebouwde kom, zonder nadere kilometeraanduiding betreft en dat, gelet op verkeersborden in de nabije omgeving die een maximale snelheid van 60 kilometer per uur aangeven, een snelheid van 45 kilometer per uur in ieder geval is toegestaan.

Daarmee miskent de verdediging echter dat deze weg helemaal niet openstond voor motorrijtuigen. Gelet daarop is niet vol te houden dat een motorrijtuig daar 45, dan wel 60, kilometer per uur mag rijden.

Voorts acht de rechtbank de hiervoor genoemde snelheden hoe dan ook te hoog voor de situatie ter plaatse; het betreft een onoverzichtelijk, smal, zandpad, met aan beide zijden dichte begroeiing. Daar komt bij dat verdachte relatief dicht op zijn voorganger reed en verdachte heeft verklaard dat zijn zicht, mede daardoor, niet goed was. Bovendien bestond het risico op de confrontatie met veel langzamere verkeersdeelnemers die wél gerechtigd waren van de weg gebruik te maken, zoals voetgangers en fietsers.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij, toen hij de BOA’s voor zich op de weg zag, geen mogelijkheid meer had om te remmen, omdat onder de omstandigheden waaronder hij toen reed een noodstop gevaarlijker was dan een poging om de BOA’s te ontwijken. 13

Nog afgezien van het feit dat verdachte helemaal niet op het bospad mocht rijden, had hij zijn snelheid terug moeten brengen tot een veilige snelheid. Dat is een snelheid waarmee voldoende afstand tot zijn voorganger ontstond; bij welke hij gelegenheid had om acht te slaan op eventueel overig verkeer en hij voldoende tijd had om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen indien zich iets of iemand voor hem op de weg zou begeven, dan wel dit voorwerp of persoon ontweken kon worden.

Dat laatste is niet gelukt, want verdachte is met het door hem bestuurde motorrijtuig in aanraking gekomen met BOA [slachtoffer 1] .

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden.

Letsel [slachtoffer 1] .

Verdachte is met zijn motorrijtuig tegen [slachtoffer 1] aangereden, waardoor deze haar arm gebroken heeft. Uit de overgelegde medische stukken1415 blijkt dat er een operatieve ingreep nodig is geweest, dat er een plaat in de bovenarm is bevestigd en dat het herstel lang op zich laat wachten.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

Medeschuld [slachtoffer 1]

In het algemeen heft eventuele aanwezigheid van medeschuld aan de zijde van het slachtoffer schuld aan de zijde van de verdachte niet op. Toch is het denkbaar dat er situaties zijn waarbij die medeschuld zo groot is dat van schuld aan de zijde van verdachte niet langer gesproken kan worden.

Vooraleerst dienst beoordeeld te worden of er daadwerkelijk sprake is van medeschuld aan de zijde van het slachtoffer [slachtoffer 1] .

[slachtoffer 1] nam als BOA deel aan de handhavingsactie in het kader van het project Samen Sterk in het Buitengebied. Niet ter discussie staat dat deze actie op zichzelf rechtmatig was: er mocht worden gecontroleerd op illegale motorcross in het bosgebied.

Met de officier van justitie en de verdediging stelt de rechtbank, mede op basis van het onderzoek van de politie, vast dat door de inrichting van de controleplaats en de wijze waarop de controle werd uitgevoerd, gevaarlijke situaties konden ontstaan voor zowel de motorcrossers als de personen die de controle uitoefenden. Daartoe overweegt de rechtbank dat in het algemeen gezegd kan worden dat de zichtbaarheid van de BOA’s te wensen over liet a) en de afstand tussen de verschillende BOA’s die een stopteken wilden geven en de aankomende motorrijders bij de door de motorrijders gereden snelheid onvoldoende was b).

Ad a)

De BOA’s hadden naar eigen zeggen wel het uniform aan dat hun in het kader van hun taak als BOA was verstrekt, maar uit beeldschermafdrukken van de camerabeelden waarop de BOA’s zijn te zien leidt de rechtbank af dat zij, afgezien van de stopborden, niet van gewone burgers te onderscheiden waren. Dat dit mogelijk veroorzaakt wordt door het dragen van eigen jassen en/of shawls over de uniformkleding doet aan die vaststelling niet af.

Voorts verklaarden de BOA’s dat zij zich verdekt in de begroeiing hadden opgesteld en geen hesjes droegen, kennelijk om aankomende motorrijders niet voortijdig van hun aanwezigheid op de hoogte te stellen en aldus de mogelijkheid te geven om te keren en zich aan controle te onttrekken.

Ook de voertuigen die bij de actie werden gebruikt waren niet allen herkenbaar als auto’s van een opsporingsinstantie. De eerste auto, een witte Isuzu Pick-up, had geen duidelijke kenmerken in de vorm van striping of logo’s of optische signalen. Deze auto stond op een kruising van het bospad, nog voor de plaats waar de eerste BOA, [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) een stopteken wilde geven en is door de eerste twee motorrijders, te weten [medeverdachte] en verdachte gezien. Zij konden aan deze auto niet afleiden dat er mogelijk een controle werd gehouden.

Ad b)

De politie is bij het bepalen van de afstand tussen de verschillende BOA’s die een stopteken wilden geven uitgegaan van de verklaring van BOA [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) en op het pad aangetroffen sporen. [getuige 1] heeft de politie getoond op welke afstand van de aankomende motorrijders hij vanuit de begroeiing de weg is opgestapt en een stopteken heeft gegeven. Na meting bleek deze afstand 30 meter te bedragen. De politie komt tot de conclusie dat deze afstand erg kort is. De afstand tussen [getuige 1] als eerste BOA en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , die als tweede en derde BOA opgesteld stonden wordt door de politie op ongeveer 50 meter geschat. Volgens berekening van de politie was deze afstand voldoende om, ingeval de motorrijders door zouden rijden, tijdig van de weg te stappen. De politie merkt op dat het opvallend is dat zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] op hun positie zijn blijven staan en niet opzij gegaan zijn, zoals in het voor de actie opgestelde draaiboek is voorgeschreven in het geval een stopteken wordt genegeerd. 16

[slachtoffer 1] heeft hierover verklaard: “Wij stappen het pad op, ik stond voorop, op het midden van het pad en [slachtoffer 2] ( , rb) stond achter mij. (…) Ik zie drie motoren op mij afkomen. (…) Toen ik het pad opstapte hield ik het stopbord al met mijn rechterhand omhoog om een stopteken te geven. Met mijn linkerhand geef ik ook nog een stopteken richting de motoren. (…) Ik zag dat de eerste motorrijder mij rechts passeerde. Ik keek nog een beetje draaiend naar achter, naar rechts, achter de eerste motorrijder aan. Op het moment dat ik weer voor me kijk zag ik de tweede motorrijder op mij afkomen. Ik dacht: “oh jee, dit gaat niet goed, ze rijden me hartstikke dood”. Ik had in mijn rechterhand nog het stopbord en hield dit nog met gestrekte arm vast. De motorrijder passeerde mij aan de rechterzijde. Hij kwam recht op mij af, hij was er ineens en stuurde net voor mij naar links zodat hij mij rechts passeerde. Ik zie dat de motorrijder op mij afkomt, ik zie dat hij naar links stuurde. Ik deed nog een stap naar rechts om hem tot stoppen te dwingen. Ik had niet in de gaten dat hij zo hard reed. Ik ben niet voor de motor gestapt, absoluut niet. Ik weet ook wel dat je dat niet moet doen. De motorrijder had mij kunnen passeren maar reed tegen mij aan. (…) Ik had niet de mogelijkheid om weg te springen, ineens was hij er en ‘pats’ hij raakte mij.”17

Door de verdediging is uitgebreid en gemotiveerd betwist dat de uitgangspunten die door de politie zijn gebruikt bij het bepalen van de locatie van de BOA’s juist zijn. De uitkomsten kunnen volgens de verdediging daarom niet kloppen. De verdediging heeft een aantal andere scenario’s gepresenteerd, uitgaande van verschillende snelheden en plaatsen waar de BOA’s zich bevonden en op basis daarvan betoogd dat verdachte zijn motor redelijkerwijs niet tijdig tot stilstand had kunnen brengen.

De rechtbank is van oordeel dat met de gegeven feiten in het dossier onmogelijk vastgesteld kan worden wat de exacte snelheid van de motoren voor het ongeval is geweest en op welke posities de BOA’s precies hebben gestaan. Daarmee kan de rechtbank nimmer één van de gepresenteerde scenario’s als het juiste aanwijzen.

Alle door de verdediging gepresenteerde scenario’s hebben echter gemeen dat de belangrijkste factoren die van invloed zijn op de mogelijkheid om tijdig te stoppen in het gedrag van verdachte gelegen zijn; te weten de snelheid, het belemmerd zicht vanwege de motor voor verdachte en verdachtes beslissing om niet te remmen, maar de BOA’s te ontwijken. Hiervoor heeft de rechtbank reeds uiteengezet hoe deze gedragingen beoordeeld moeten worden.

Voor de vraag naar de medeschuld van de BOA’s is daarom slechts relevant de factoren aan de zijde van de BOA’s die van invloed zijn geweest op de mogelijkheid om tijdig te stoppen, althans een ongeval te voorkomen. Dat is het moment waarop zij op de weg zijn gaan staan, of, anders geformuleerd: de maximale afstand tussen de motorrijders en de BOA’s én hun zichtbaarheid.

De verdediging betrekt de stelling dat er waarschijnlijk maar 20 meter (maximaal 30) meter zat tussen de betrokken BOA’s. De rechtbank begrijpt tussen [getuige 1] enerzijds en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] anderzijds. Tussen [getuige 1] en verdachte zal ook een bepaalde afstand gezeten hebben, maar die wordt door de verdediging niet benoemd.

In het voordeel van verdachte uitgaande van deze stellingen van de verdediging kan wel worden vastgesteld dat de afstand tussen de motorrijders en de op de weg stappende BOA’s te klein is geweest, maar kan niet gezegd worden dat de BOA’s vlak voor verdachte op de weg sprongen. Die lezing past ook niet bij de verklaringen van de BOA’s zelf en de door de politie aangetroffen sporen in het zand.

Daarmee komt de rechtbank tot de slotsom dat er weliswaar in bepaalde mate sprake is van medeschuld, omdat de BOA’s en in het bijzonder ook [slachtoffer 1] onvoldoende als BOA’s zichtbaar waren en, wellicht gedreven door de wens om de motorrijders niet te laten ontkomen een inschattingsfout hebben gemaakt door te kort voor de motorcrossers een stopteken te geven, maar dat deze medeschuld niet zodanig is dat verdachte geen verwijt gemaakt kan worden. Het was namelijk het gedrag van verdachte, te weten de gereden snelheid en de driemansformatie, dat aan die inschattingsfout ten grondslag lag.

Gelet op het voorgaande wordt het verweer van de verdediging verworpen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 1 primair is ten laste gelegd zoals hieronder bewezenverklaard.

Partiële vrijspraak.

De rechtbank verklaart niet bewezen dat verdachte een stopteken heeft genegeerd. Daarvoor acht de rechtbank van belang dat de BOA’s niet als zodanig (her)kenbaar waren, terwijl dat ingevolge artikel 82 Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV) vereist is.

Het voorgaande doet echter niets af aan hetgeen hiervoor is overwogen en de bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. op 08 maart 2015 te Overloon, gemeente Boxmeer, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, een bospad gelegen in een bosperceel wat plaatselijk bekend staat onder de naam Lactaria (ingeklemd tussen de Rijksweg A73, de Groeningsedijk en de Sambeeksedijk) zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend, - met een ter plaatse te hoge snelheid over dat bospad is gereden en

- door is gereden en

- tegen [slachtoffer 1] is aangereden,

waardoor een ander (genaamd die [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken arm werd toegebracht;

2. op 08 maart 2015 te Overloon, gemeente Boxmeer, zonder daartoe gerechtigd te zijn zich met een motorijtuig heeft bevonden op een bosweg, gelegen in een bosperceel wat plaatselijk bekend staat onder de naam Lactaria (ingeklemd tussen de Rijksweg A73, de Groeningsedijk en de Sambeeksedijk), zijnde grond toebehorende aan gemeente Boxmeer, van welke grond de toegang op een voor verdachte blijkbare wijze door de rechthebbende was verboden.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

De verdediging heeft in subsidiaire zin betoogd dat verdachte van het hem onder feit 1 primair en subsidiair dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem geen verwijt te maken valt.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het bewijs verwerpt de rechtbank dit verweer. Niet gezegd kan worden dat verdachte geen verwijt gemaakt kan worden. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 1 en 3:

- een taakstraf voor de duur van 60 uur subsidiair 30 dagen hechtenis.

Ten aanzien van feit 1:

- ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Ten aanzien van feit 2:

- een geldboete van 90,-- subsidiair 1 dag hechtenis.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn werk. De verdediging verzoekt de rechtbank derhalve de gevorderde voorwaardelijke rij-ontzegging te matigen en voorts te volstaan met een geheel voorwaardelijke taakstraf of aansluiting te zoeken bij de LOVS-richtlijnen en aan verdachte een geldboete van € 1.000,-- op te leggen. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman om toepassing van artikel 9a gevraagd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte waaronder zijn draagkracht.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op zondagochtend 8 maart 2015 omstreeks 09:40 uur te Overloon reed verdachte op zijn crossmotor, als tweede van een groep van drie motorrijders, in een bosperceel over een onverhard bospad genaamd Lactaria. Op dit pad was het niet toegestaan met een motor te rijden. Verdachte heeft verklaard dat de eerste motorrijder fors zand opwierp met diens motor, waardoor zijn zicht beperkt was; hij kon de eerste motorrijder nog wel kon zien, maar als een schim. Korte tijd nadat hij in het bos was, passeerde hij een witte Isuzu Pick-up. Vervolgens stapte een (niet als zodanig herkenbare) BOA voornoemd bospad op verdachte te doen stoppen. Hieraan heeft verdachte geen gehoor gegeven, ook niet toen hij iets verderop een tweede en derde (niet als zodanig herkenbare) BOA naderde dan wel passeerde.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij met slecht zicht, dicht op zijn voorganger en met een ter plaatse te hoge snelheid heeft gereden en onvoldoende vaart heeft geminderd. Te meer omdat verdachte had moeten beseffen dat de kans aanzienlijk was dat er zich op zondagochtend omstreeks 09:40 andere weggebruikers (recreanten) in het bos zouden kunnen bevinden. De kans op de aanwezigheid van andere weggebruikers werd nog reëler toen hij nabij het bospad een Isuzu Pick-up geparkeerd had zien staan. Verdachte heeft ten opzichte van zijn medeweggebruikers geen enkel verantwoordelijkheidsgevoel getoond.

Verdachte is door zijn rijgedrag verantwoordelijk voor een verkeersongeval ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dat de gevolgen voor [slachtoffer 1] groot zijn geweest, volgt – onder meer – uit haar slachtofferverklaring welke zij ter terechtzitting heeft voorgelezen.

De rechtbank laat bij de bepaling van een passende straf echter zwaar meewegen dat door de inrichting van de controleplaats en de wijze waarop de controle werd uitgevoerd, gevaarlijke situaties konden ontstaan voor zowel de motorcrossers als de BOA’s.

De rechtbank acht het onverantwoordelijk om kennelijk alles in het werk te willen stellen om illegale motorcrossers te beboeten en daarmee de veiligheid van deze motorcrossers alsook de eigen veiligheid volledig uit het oog te verliezen.

Uit het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 augustus 2016 volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake strafbare feiten, alsmede dat verdachte er blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van het door hem aan het slachtoffer aangedane leed inziet en oprecht berouw heeft getoond. Daarenboven is verdachte zelf getroffen door de gevolgen van de door hem gepleegde strafbare feiten in de zin dat hij zelf ernstig letsel heeft opgelopen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte van feit 3 vrijspreekt en van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank zal verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen om hem ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de officier van justitie.

Hoofdelijke toewijzing van de civiele vordering van € 1.286,56 met daarbij toepassing van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging.

Primair verzoekt de verdediging de rechtbank om de vordering af te wijzen dan wel niet ontvankelijk te verklaren vanwege de bepleite vrijspraak.

Subsidiair verzoekt de verdediging om de post immateriële schade af te wijzen, niet-ontvankelijk te verklaren dan wel aanzienlijk te matigen wegens medeschuld van [slachtoffer 1] en omdat van haar als BOA verwacht mag worden dat zij enige weerstand kan bieden aan hetgeen zij meemaakt tijdens haar werk.

Ten aanzien van de materiële schade heeft de verdediging gemotiveerd verweer gevoerd dat moet leiden tot gedeeltelijke afwijzing en niet-ontvankelijkverklaring van de vordering.

Beoordeling. De vordering komt de rechtbank niet onredelijk of ongegrond voor. Bij haar oordeel betrekt de rechtbank dat uit het dossier volgt dat, hoewel de BOA’s gerechtigd waren om op te treden, de wijze waarop zij de controle hebben uitgeoefend er aan heeft bijgedragen dat er een gevaarlijke situatie is ontstaan, waardoor kan worden gesproken van enige mate van medeschuld. De rechtbank ziet in die specifieke omstandigheid reden om de toe te wijzen immateriële en materiële schadevergoeding te halveren.

De rechtbank acht met inachtneming van het voorgaande toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade € 250,-- van de immateriële schadevergoeding en de materiële schadevergoeding ten aanzien van het eigen risico van € 183,42, de apotheekkosten van € 20,14 en de kleding tot een bedrag van € 50,--.

Het totale bedrag van de immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Het totale bedrag van de materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren ten aanzien van het overige omdat – gelet op het gevoerde verweer - de rechtbank van oordeel is dat de behandeling van (dit deel van) de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het totale bedrag van de immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Het totale bedrag van de materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Hoofdelijkheid

Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding de schadevergoeding hoofdelijk op te leggen. De schade vloeit immers met name voort uit het ongeval en de medeverdachten zijn bij het ongeval zelf niet als verdachten betrokken.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Het standpunt van de officier van justitie.

Integrale toewijzing van de civiele vordering van € 558,80 met daarbij toepassing van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging verzoekt de rechtbank om de vordering af te wijzen dan wel niet ontvankelijk te verklaren. Primair wegens het ontbreken van een grondslag voor toewijzing, subsidiair omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en/of geen rechtstreeks verband heeft met het feit. Meer subsidiair verzoekt de verdediging om het bedrag aanzienlijk te matigen vanwege de medeschuld van [slachtoffer 2] en omdat van hem als BOA mag worden verwacht dat hij enige weerstand kan bieden aan hetgeen hij meemaakt tijdens zijn werk.

Beoordeling. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij kennelijk betrekking heeft. De rechtbank zal de kosten van partijen als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 36f, 62, 461

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 175, 179.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Ten aanzien van feit 1 primair:overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.en de overtreding:

ten aanzien van feit 2:zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op eens anders grond waarvan de toegang op een voor hem blijkbare wijze door de rechthebbende is verboden, bevinden. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen:

ten aanzien van feit 1 primair:geldboete van € 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis.

ten aanzien van feit 2:

geldboete van € 90,00 subsidiair 1 dag hechtenis

Legt op de volgende bijkomende straf:

ten aanzien van feit 1 primair:ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Legt op de volgende maatregel:

ten aanzien van feit 1 primair:maatregel van schadevergoeding van € 503,56 subsidiair 10 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van € 503,56 (zegge: vijfhonderd drie euro en zesenvijftig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 250,-- aan immateriële schadevergoeding en uit het gevorderd eigen risico van € 183,42, apotheekkosten van € 20,14 en kleding

van € 50,-- aan materiële schadevergoeding.

De toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag van de immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2015

tot aan de dag der algehele voldoening. Het totale bedrag van de materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vorderingen benadeelde partij.

De rechtbank:

ten aanzien van feit 1 primair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 503,56 (zegge: vijfhonderd drie euro en zesenvijftig eurocent). Het bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding en materiële schadevergoeding zoals hiervoor vermeld. Het totale bedrag van de immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Het totale bedrag van de materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

ten aanzien van feit 3:

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,

mr. Y.N.M. Rijlaarsdam en mr. B. Poelert, leden,

in tegenwoordigheid van J. Kapteijns, griffier,

en is uitgesproken op 14 september 2016.

Mr. B. Poelert en mr. Y.N.M. Rijlaarsdam zijn buiten staat dit vonnis (mede) te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces- verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, district ’s-Hertogenbosch basisteam Maas en Leijgraaf, genummerd PL2100-2015051657 opgemaakt en ondertekend d.d. 17 september 2015, aantal doorgenummerde bladzijden: 282

2 Proces-verbaal aanrijdroute, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] d.d. 16 juni 2015 p. 94 t/m 105

3 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2] d.d. 12 maart 2015 p. 22 t/m 24

4 schriftelijke verklaring verdachte p. 235

5 Verklaring ter terechtzitting d.d. 31 augustus 2016 van [verdachte]

6 schriftelijke verklaring verdachte p. 235

7 Proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , opgemaakt en ondertekend d.d. 12 maart 2015 p. 232

8 Proces-verbaal van verhoor van [betrokkene] , opgemaakt en ondertekend d.d. 11 maart 2015 p. 258

9 Proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , opgemaakt en ondertekend d.d. 12 maart 2015 p. 232

10 Proces-verbaal van verhoor van [betrokkene] , opgemaakt en ondertekend d.d. 11 maart 2015 p. 258

11 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] , opgemaakt en ondertekend d.d. 8 maart 2015 p. 220

12 Bijlage V proces-verbaalnummer 2043.2015.0991, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] d.d. 13 juli 2015 p. 140 t/m 159

13 Verklaring ter terechtzitting d.d. 31 augustus 2016 van [verdachte]

14 Geneeskundige verklaring opgemaakt en ondertekend door S.E.S. Morsink, SEH arts KNMG d.d. 24 maart 2015 p. 193

15 Aanvullende stukken van Huisartsengroep Grave / Radboud universitair medisch centrum ter zake [slachtoffer 1]

16 Proces-verbaal onderzoek voorval, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 5] , d.d. 1 september 2015 p. 37 t/m 92

17 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , opgemaakt en ondertekend d.d. 10 maart 2015 p. 173, 174