Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:502

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-02-2016
Datum publicatie
01-03-2016
Zaaknummer
15_1399
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:1281, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van reguliere bouwvergunning eerste fase voor ligboxenstal. B&w van Landerd hebben een aanvraag om een reguliere bouwvergunning eerste fase voor de bouw van een ligboxenstal afgewezen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht aannemelijk geacht dat het vergunnen van de aanvraag van eiseres leidt tot een gebruik in strijd met de (ten tijde van de aanvraag) op het perceel rustende detailbestemming van grondgebonden agrarisch bedrijf. Gelet hierop heeft verweerder terecht geoordeeld dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan dat gold ten tijde van de aanvraag. Daarom is de uitzondering op de hoofdregel dat het recht moet worden toegepast zoals geldt ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, niet aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/1399

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 februari 2016 in de zaak tussen

[bedrijf] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. van Groningen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Landerd, verweerder

(gemachtigde: W.C.M. Niekus).

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een reguliere bouwvergunning eerste fase voor de bouw van een ligboxenstal aan de [adres 1] te [vestigingsplaats] afgewezen.

Bij besluit van 31 maart 2013 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het hiertegen door eiseres ingestelde beroep bij uitspraak van 31 december 2013 (zaaknummer SHE 13/2878) gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft het tegen deze uitspraak door verweerder ingestelde hoger beroep bij uitspraak van 21 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:97) ongegrond verklaard.

Bij besluit van 31 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres wederom ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2015. Namens eiseres zijn verschenen [persoon 1] en [persoon 2] , alsmede haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
Eiseres exploiteert op het perceel [adres 1] te [vestigingsplaats] een rundvee- en geitenhouderij. Het bouwplan, ingediend op 30 september 2010, voorziet in de bouw van een ligboxenstal met een oppervlakte van 6.380 m2 voor 900 melkkoeien op het perceel. Voorts worden daar 7.220 geiten gehouden.

1.2

In de uitspraak van 21 januari 2015 heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de omstandigheid dat de geiten en beoogde koeien binnen worden gehouden, onvoldoende is voor het oordeel dat geen sprake is van een grondgebonden agrarisch bedrijf, nu aan een grondgebonden agrarisch bedrijf in de definitie daarvan alleen de voorwaarde wordt gesteld dat de productie geheel of overwegend afhankelijk is van het voortbrengingsvermogen van de grond. De omstandigheid dat de dieren worden gevoerd met de opbrengst van de gronden behorend bij het bedrijf, maakt deze gronden een essentieel productiemiddel. Nu het college niet heeft onderzocht in hoeverre het areaal grond in gebruik bij eiseres voldoende is om te voorzien in de voerbehoefte van de geiten die worden gehouden aan [adres 2] en [adres 1] en de te houden koeien, heeft de rechtbank het besluit van 31 maart 2013 terecht vernietigd omdat dat besluit onvoldoende is gemotiveerd. Eiseres heeft aangegeven dat zij beschikt over een huiskavel van 70 ha en zij gronden pacht in de omgeving, waardoor zij beschikt over een areaal grond van in totaal 120 ha. Beoordeeld zal moeten worden of deze 120 ha grond daadwerkelijk ter beschikking staat aan eiseres en of die omvang voldoende is voor de voervoorziening van de dieren. Voorts heeft de rechtbank volgens de Afdeling terecht geoordeeld dat de bouw van de beoogde ligboxenstal niet kan worden beschouwd als een uitbreiding van een geitenhouderij als bedoeld in artikel 9.6 van de Verordening Ruimte 2012 (VR 2012).

1.3

Ter voorbereiding van het nieuwe besluit op bezwaar heeft verweerder eiseres verzocht aan te geven over hoeveel gronden zij beschikt om in de ruwvoerproductie van de dieren te voorzien, om deze informatie te onderbouwen met overeenkomsten en aan te geven op welke wijze deze gronden worden gebruikt. Eiseres heeft op 18 maart 2015 gegevens overgelegd, bestaande uit een gecombineerde opgave uit 2014 van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland, een overeenkomst met [naam] van 10 februari 2011, kaartmateriaal en een berekening, waaruit blijkt hoeveel 900 melkkoeien in de verschillende lactatiefasen per jaar eten.

1.4

Ingevolge het ten tijde van de indiening van de aanvraag geldende bestemmingsplan Buitengebied 1996, rust op het perceel de (mede)bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden - A -”, met de aanduiding grondgebonden (gr).

Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a van de planvoorschriften zijn de gronden met deze bestemming overeenkomstig de aanduidingen op de (detailplan)kaart onder meer bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder j, gelden voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de aanwijzingen op de detailplankaarten en geldt dat het oprichten van bouwwerken ten behoeve van niet-grondgebonden activiteiten niet is toegestaan, behoudens:
1. ten behoeve van bestaande niet-grondgebonden agrarische bedrijven;

2. ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijven binnen de bestemming Agrarisch gebied met landschappelijke/cultuurhistorische en/of abiotische waarden, met uitzondering van de differentiatie “typerende bodems”, waarvoor een vrijstelling verleend kan worden op grond van artikel 21;

3. ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijven binnen de bestemming Agrarisch gebied.

1.5

Ingevolge artikel 1, onder 4 van de planvoorschriften wordt onder een grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan: een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of overwegend afhankelijk is van het voortbrengingsvermogen van de grond.

Ingevolge artikel 1, onder 5 van de planvoorschriften wordt onder een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan: een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of overwegend plaatsvindt in gebouwen.

1.6

De raad heeft op 23 mei 2013 het bestemmingsplan “Buitengebied Landerd” vastgesteld, ingevolge welk bestemmingsplan op het perceel de bestemming “Agrarisch met waarden - 1 -” rust, met de aanduidingen “intensieve veehouderij” en specifieke vorm van agrarisch – geitenhouderij”. Gronden met deze bestemming zijn overeenkomstig de aanduidingen op de plankaart bestemd voor een geitenhouderij en/of een schapenhouderij. Op deze gronden mogen alleen gebouwen worden opgericht ten behoeve van een geitenhouderij en/of schapenhouderij of ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij.

2.1

Omdat de bouwaanvraag is ingediend vóór 1 oktober 2010 is op deze zaak het recht van toepassing zoals gold voor inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, zoals die bepaling luidde ten tijde van belang, mag en moet de reguliere bouwvergunning slechts worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder f, van de Woningwet zoals dat luidde ten tijde van belang, mag de reguliere bouwvergunning slechts worden geweigerd en moet deze worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met de regels, gesteld bij of krachtens een verordening als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

2.2

De rechtbank stelt vast dat de aanvraag in strijd is met het (nieuwe) bestemmingsplan dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Ingevolge vaste jurisprudentie, waaronder de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU3123), moet bij het nemen van een besluit op de aanvraag om bouwvergunning en het besluit op bezwaar, in beginsel het recht dat op dat moment geldt worden toegepast. Bij wijze van uitzondering mag verweerder, wanneer bij het nemen van het besluit een ander bestemmingsplan geldt dan ten tijde van de indiening van de aanvraag, aan het oude bestemmingsplan toetsen als de vergunningaanvraag in overeenstemming is met het toen geldende bestemmingsplan en er op dat moment nog geen voorbereidingsbesluit van kracht was geworden, dan wel een nieuw bestemmingsplan ter inzage was gelegd, waarmee het bouwplan in strijd was.

3.1

In het bestreden besluit heeft verweerder wederom de weigering van de bouwaanvraag in stand gelaten. Volgens verweerder is onvoldoende aangetoond dat er voldoende gronden daadwerkelijk beschikbaar zijn om te voorzien in de ruwvoerbehoefte van de veestapel (zowel het rundvee als de geiten). Verweerder acht de door eiseres overgelegde overeenkomst met [naam] te onbepaald, nu hierin geen kadastrale gegevens en geen verplichting zijn opgenomen tot het afnemen van de grond en ook niet is vermeld of sprake zal zijn van langdurige pachtovereenkomsten. Verweerder heeft eiseres in de gelegenheid gesteld haar stellingen met stukken te onderbouwen, maar eiseres is hierin volgens verweerder niet tijdig geslaagd. Omdat de uitbreiding van het bedrijf met een stal voor 900 koeien niet kan worden beschouwd als een grondgebonden uitbreiding is het bouwplan niet in overeenstemming met het bestemmingsplan Buitengebied 1996.

3.2

Volgens eiseres beschikt zij, naast de eigen grond van 73,88 hectare (ha), op basis van een pachtovereenkomst met de familie [naam] over extra 140 ha. Gezamenlijk betekent dit een oppervlakte van 213,88 ha. Dit betekent dat ca. 80 % van de ruwvoerwinning afkomstig is van gronden die zijn gelegen binnen een straal van ca. 25 km rondom de bedrijfslocatie, aldus eiseres. Het gaat om 34 ha grasland en 179,88 ha maïsland. Volgens een berekening van een door eiseres ingeschakelde deskundige wordt met de beoogde veebezetting van 900 melkkoeien 82% van het benodigd ruwvoer gewonnen op gronden in eigen gebruik. Eiseres erkent dat zij niet tijdig beschikte over de onderliggende kadastrale gegevens met betrekking tot de gronden van [naam] maar merkt op dat zij in de brief van 18 maart 2015 (waarin een aantal stukken werd toegezonden) al heeft aangekondigd dat de onderliggende kadastrale kaarten zouden worden nagezonden.

3.3

De rechtbank stelt vast op basis van de gecombineerde opgave uit 2014 van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland dat eiseres 73,88 ha in gebruik of beheer heeft. Volgens de berekening van de deskundige van eiseres kan met 213,88 ha worden voorzien in 82% van de ruwvoerproductie van de 900 melkkoeien. Deze berekening is door verweerder niet weersproken en de rechtbank zal daarom van deze berekening uitgaan.

3.4

In de beroepsfase heeft eiseres een groot aantal luchtfoto’s overgelegd met daarop aangeduid percelen grond. Eiseres heeft gesteld dat de overeenkomst met [naam] betrekking heeft op deze percelen. Verweerder heeft aangegeven dat uit de overeenkomst niet blijkt dat deze overeenkomst betrekking heeft op de percelen op de luchtfoto’s. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting aangegeven dat niet wordt betwist dat de percelen op de luchtfoto’s binnen een straal van 25 kilometer van het bedrijf van eiseres zijn gelegen en dat de gezamenlijke oppervlakte van de percelen 140 ha bedraagt. De rechtbank concludeert dat in potentie de mogelijkheid aanwezig is om binnen een straal van 25 kilometer 140 ha grond te pachten als zij daarover kan beschikken. Niet in geschil is dat gronden die liggen in een straal van ca. 25 km rondom de bedrijfslocatie kunnen worden beschouwd als gronden in de directe omgeving van het bedrijf die kunnen worden aangewend om te voorzien in de ruwvoerbehoefte.

3.5

Voorts heeft eiseres een gezamenlijke schriftelijke verklaring van eiseres en [naam] overgelegd op basis waarvan laatstgenoemde zich verplicht om, als eiseres dit 12 maanden van tevoren aangeeft, tussen de 125 en 145 ha grond ter beschikking te stellen voor een in gezamenlijk overleg te bepalen prijs. Ingebruikneming dient uiterlijk 10 februari 2016 plaats te vinden. Het contract kan uitsluitend door eiseres worden opgezegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met deze verklaring voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de duurzame beschikking kan hebben over 140 ha grond. Weliswaar is in de verklaring niets over de looptijd van de terbeschikkingstelling van de gronden bepaald, maar dat heeft tot gevolg dat eiseres in beginsel kan verlangen van [naam] dat de gronden worden verpacht voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft ten onrechte de overeenkomst niet betrokken bij het bestreden besluit. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat, voor zover verweerder twijfels zou hebben bij de ligging van de percelen en de duur van de pacht, verweerder door middel van een voorschrift aan een te verlenen vergunning had kunnen waarborgen dat gronden uitsluitend zijn gelegen binnen een straal van 25 kilometer en dat voldoende gronden duurzaam ter beschikking staan op basis van eigendom, erfpacht, reguliere pacht of geliberaliseerde pacht voor de duur van minimaal 5 jaar. De rechtbank verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 17 maart 2014 (ECLI:NL:RBOBR:2014:1195) waarin zij zelf in de zaak heeft voorzien en een voorschrift van gelijke strekking aan een vergunning heeft verbonden ten einde de grondgebondenheid te waarborgen.

4.1

Verweerder stelt voorts dat bij de berekening is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten. De 73,88 ha is namelijk volledig meegenomen in de berekening, terwijl eiseres eerder heeft aangegeven dat deze gronden worden gebruikt om de geiten van voedsel te voorzien. Er is derhalve sprake van dubbeltelling. Dit betekent volgens verweerder dat er te weinig gronden zijn om alle dieren te kunnen voeden. Volgens de berekening is immers 213,88 ha nodig.

4.2

Eiseres heeft gesteld dat momenteel in de ruwvoederbehoefte van de geiten wordt voorzien door middel van teelt van gewassen op eigen grond maar dat de eis van grondgebondenheid niet geldt voor de geitenhouderij omdat deze niet intensief is. In de voerbehoefte van de geiten kan op andere wijze worden voorzien.

4.3

In het huidige bestemmingsplan “Buitengebied Landerd” heeft het perceel de bestemming ‘Agrarisch met waarden met de functieaanduidingen intensieve veehouderij en specifieke vorm van agrarisch- geitenhouderij’. Het perceel heeft niet de aanduiding ‘grondgebonden veehouderij’.

4.4

De rechtbank stelt voorop dat de eis van grondgebondenheid inherent is aan de detailbestemming die rustte op het perceel en gold voor het gehele bedrijf van eiseres, dus ook voor het houden van geiten ingevolge het bestemmingsplan dat gold ten tijde van de aanvraag. Weliswaar acht de rechtbank het niet grondgebonden houden van geiten niet op voorhand strijdig met het huidige bestemmingsplan, maar dit leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat reeds een uitzondering wordt gemaakt door middel van de toetsing aan het bestemmingsplan dat gold ten tijde van de aanvraag. Bij het maken van deze uitzondering kan verweerder niet ten voordele van eiser uit twee vaatjes tappen, te weten het bestemmingsplan dat gold ten tijde van de aanvraag en het huidige bestemmingsplan. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht aannemelijk geacht dat het vergunnen van de aanvraag van eiseres leidt tot een gebruik in strijd met de op het perceel rustende detailbestemming van grondgebonden agrarisch bedrijf. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat ook in de vorige uitspraak van 31 december 2013 in deze zaak in rechtsoverweging 4.9 nadrukkelijk is gewezen op de voerbehoefte van de volledige veestapel (rundvee én geiten). Gelet hierop heeft verweerder terecht geoordeeld dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan dat gold ten tijde van de aanvraag. Daarom is de uitzondering op de hoofdregel dat het recht moet worden toegepast zoals geldt ten tijde van het nemen van het besluit, niet aan de orde.

5. In het bestreden besluit heeft verweerder bezien of van het thans geldende bestemmingsplan kan worden afgeweken ten behoeve van de bouw van de rundveestal. Hij is hiertoe niet bereid omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn geformuleerd in het op 11 december 2014 door de gemeenteraad vastgestelde beleid, neergelegd in “Het kwaliteitskader buitengebied gemeente Landerd”. Eiseres heeft de strijdigheid met het nieuwe bestemmingsplan niet bestreden noch het standpunt van verweerder inzake het afwijken van het nieuwe bestemmingsplan. De rechtbank acht verweerders standpunt niet onredelijk.

6. Omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit en verweerder niet bereid is af te wijken, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven en dat het beroep van eiseres ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, voorzitter, en mr. M.J.H.M. Verhoeven en mr. J.H.G van den Broek, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.