Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:4913

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-09-2016
Datum publicatie
07-09-2016
Zaaknummer
SHE 16/1484
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:235, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan de acceptatie van de melding wel degelijk een rechtsgevolg is verbonden. Pas na acceptatie van de melding mag worden gestart en als de melding niet wordt geaccepteerd op basis van het bestuurlijke rechtsoordeel ingevolge artikel 9a van de Verordening mag de schop niet in de grond. De melding is een verplichte voorwaarde ingevolge de slotpassage van artikel 9a van de Verordening. Het gewenste rechtsgevolg (mogen ontgronden zonder ontgrondingsvergunning) vloeit niet voort uit de Verordening maar uit de acceptatie van de melding. De melding is daarmee naar het oordeel van de rechtbank een melding als gebod (door advocaat-generaal Widdershoven als categorie c bestempeld) en daarmee een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb

De door provinciale staten kennelijk voorgestane dynamische verwijzing in de Verordening naar het provinciale natuurbeleid is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Uit de Verordening blijkt niet aan welk beleid moet worden getoetst. Zo is onduidelijk of moet worden getoetst aan geschreven of ongeschreven beleid, intern of extern gericht beleid dan wel beleid in een algemeen verbindend voorschrift of beleid in een beleidsregel. Evenmin of moet worden getoetst aan het beleid zoals dat gold ten tijde van de melding of ten tijde van de vaststelling van het projectplan waar de ontgronding deel van uitmaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 9a van de Verordening daarom onverbindend voor zover ingevolge dit artikel de melding van de ontgronding zelfstandig zou moeten voldoen aan provinciaal natuurbeleid.

Wetsverwijzingen
Ontgrondingenwet
Ontgrondingenwet 3
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Ontgrondingenwet 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7389
M en R 2017/20 met annotatie van K.J. de Graaf, W.P. van der Meulen
JBO 2016/284 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JBO 2016/289 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JM 2016/133 met annotatie van H.S. de Vries
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 16/1484, SHE 16/2425 en SHE 16/2613

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 september 2016 in de zaak tussen

het Dagelijks Bestuur van het waterschap Aa en Maas, te 's-Hertogenbosch, eiser

(gemachtigden: mr. R.E. Wannink, mr. E. van Breugel en ing. B. Pastor),

Vereniging Het Groene Hart te Den Dungen, eiseres

(gemachtigden: A.A. van Abeelen en J.J. van Hoeckel ),

en

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, verweerder

(gemachtigden: mr. E. Kramer, H. van Osch en A.A. Verbeek).

Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen eiser en eiseres alsmede Combinatie De Vaart (de Combinatie), te ’s-Hertogenbosch, gemachtigde dr. ing. C.P.C. van Oosterhout.

Procesverloop

Op 7 juli 2015 heeft de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant namens verweerder de melding van de Combinatie ingevolge de “Verordening Ontgrondingen provincie Noord-Brabant 2008” voor het ontgrondingsproject Dynamisch Beekdal 5 en 6b, deellocaties Hersend en Aaveld, Berlicum-omgeving Runweg geaccepteerd.

Tegen de acceptatie heeft eiseres bij verweerder bezwaar gemaakt. Tevens is door eiseres een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Bij mondelinge uitspraak van 24 september 2015 (zaaknummer SHE 15/2697) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 6 april 2016 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit is geregistreerd onder zaaknummer SHE 16/1484.

Op 16 februari 2016 heeft de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant namens verweerder de melding van Waterschap Aa en Maas ingevolge de “Verordening Ontgrondingen provincie Noord-Brabant 2008” voor het ontgrondingsproject Dynamisch Beekdal fase 3 en 4 gelegen in de gemeente Sint-Michielsgestel geaccepteerd. Door deze acceptatie is het project vrijgesteld van de vergunningplicht ingevolge de Ontgrondingenwet.

Tegen de acceptatie heeft eiseres bij verweerder bezwaar gemaakt. Tevens is door eiseres een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend (zaaknummer SHE 16/1824).

Bij besluit van 12 juli 2016 (het bestreden besluit 2), heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Hiertegen hebben eiser en eiseres beroep ingesteld. Het beroep van eiser is geregistreerd onder zaaknummer SHE 16/2425, dat van eiseres onder zaaknummer SHE 16/2613.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2016. Hierop zijn de zaken SHE 16/1484, SHE 16/2425 en SHE 16/2613 gelijktijdig behandeld. Tevens is de behandeling van de voorlopige voorziening met zaaknummer SHE 16/1824 voortgezet. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigden. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De Combinatie is verschenen bij haar gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres 1 heeft op 4 juli 2014 het projectplan Hersend en Aaveld vastgesteld. Met het projectplan wordt de realisatie van waterberging, beekherstel en een ecologische verbindingszone langs de Aa beoogd.

Op 3 juni 2015 heeft eiseres 1 het “Projectplan Molenhoek, Middelrode en Seldensate, Dynamisch Beekdal fase 3 en 4” vastgesteld. Het project geeft binnen de deellocaties Molenhoek, Middelrode en Seldensate invulling aan het inrichten van een waterbergings-gebied, het graven van een slingerende loop van de Aa, het realiseren van een ecologische verbindingszone langs de Aa, het graven van poelen en het aanleggen van recreatieve verbindingen. Dit doel wordt onder andere bereikt door het uitvoeren van ontgrondings- en inrichtingswerkzaamheden. Beide projectplannen zijn onherroepelijk. Combinatie De Vaart voert in opdracht van eiser de werkzaamheden voor het projectplan Hersend en Aaveld uit.

1.2

De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak op de gevraagde voorlopige voorziening (met zaaknummer SHE 15/2697) het volgende overwogen: ”Uit de door de formele wetgever gekozen systematiek en de invulling die daaraan door het college van provinciale staten is gegeven vloeit voort, dat de beslissing om de melding te accepteren in dit geval geen rechtsgevolg heeft en daarmee geen besluit is”.

2.1

Eiser stelt in zijn beroepen dat de beslissing om de melding te accepteren geen rechtsgevolg heeft en daarmee geen besluit is. Dat is de reden waarom hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de acceptatie van beide meldingen. Hij is van mening, kort samengevat, dat het rechtsgevolg (het vervallen van de vergunningsplicht voor de voorgenomen ontgrondingen) voortvloeit uit artikel 9a van de Verordening Ontgrondingen provincie Noord-Brabant 2008 (verder: de Verordening) en niet uit de acceptatie van de melding. Hij verwijst naar de conclusie van Advocaat-Generaal Widdershoven van 12 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4116) en beschouwt de melding als een melding in verband met algemene regels als bedoeld in overweging 4.2 en verder van deze conclusie. Hij wijst in dit verband op de plaats van het artikel 9a (onder het kopje ‘absolute vrijstellingen) in de Verordening en de achterliggende doelen van de melding die worden genoemd in de toelichting op de Verordening, namelijk om het bestuursorgaan op de hoogte te stellen dat een activiteit wordt verricht in verband met toezicht en handhaving en in verband met registratie en beleidsvorming. Eiser heeft hieraan toegevoegd dat pas een rechtsmiddelenclausule is opgenomen achter de acceptatie van meldingen nadat de Omgevingsdienst de meldingen is gaan accepteren namens verweerder. Hij heeft ook gewezen op de bedoeling van het meldingenstelsel in de Verordening, namelijk deregulering zoals vastgelegd in het Bestuursakkoord 2007-2011 tussen de provincie en de Brabantse waterschappen. Ter zitting heeft hij gesteld dat het meldingenstelsel, zoals dat kennelijk door verweerder en Provinciale Staten is voorgestaan, in strijd is met de bedoeling van de Ontgrondingenwet.

2.2

De Combinatie heeft zich hierbij aangesloten.

2.3

In beide bestreden besluiten heeft verweerder aangegeven dat de acceptatie van de melding wel een besluit is gelet op de artikelen 9a en 13 van de Verordening. Het rechtsgevolg van de acceptatie is dat daarmee ontheffing wordt verleend van de vergunningsplicht ingevolge artikel 3 van de Ontgrondingenwet. Bij het beslissen omtrent de melding wordt beoordeeld of wordt voldaan aan de voorwaarden in artikel 9a van de Verordening. Bovendien mag pas worden gestart met ontgronden als de melding is geaccepteerd. Als de melding niet wordt geaccepteerd mag niet worden gestart.

2.4

Eiseres heeft zich hierbij aangesloten.

2.5

Ingevolge artikel 9a van de Verordening is krachtens artikel 7, tweede lid, van de wet geen ontgrondingsvergunning vereist voor ontgrondings- en herinrichtingsactiviteiten in het kader van ecologische verbindingszones, beek- en kreekherstelprojecten en overige natuurontwikkelingsprojecten die in overeenstemming zijn met het provinciaal natuurbeleid, en indien deze zijn opgenomen in een plan, waarover via een openbare inspraakprocedure besluitvorming heeft plaatsgevonden onder aantoonbare, integrale afweging van alle belangen betrokken bij de ontgronding en zijn gemeld bij gedeputeerde Staten.

Artikel 13 van de Verordening luidt als volgt:

1. De melding dient uiterlijk acht weken voorafgaand aan de aanvang van de voorgenomen ontgronding te zijn ingediend.

2. Met de ontgronding mag worden gestart nadat Gedeputeerde Staten de melding hebben geaccepteerd.

3. (..).

2.6

Dit is de tekst van de Verordening zoals deze gold ten tijde van het bestreden besluit en ten tijde van beide meldingen. In de toelichting op de wijziging van de Verordening (besluit van Provinciale Staten van 2 maart 2012, waarbij de huidige tekst is vastgesteld) is het volgende vermeld onder onderdeel G: “(…)Voorts is in het artikel explicieter bepaald dat de vrijstelling alleen van toepassing is indien de ontgronding gemeld is. In artikel 11 van de huidige verordening is een verplichting opgenomen tot het melden van een ontgronding als bedoeld in artikel 9a en 10. Dit betreft de zogenaamde ‘niet-vergunningplichtige’ ontgrondingen. In de desbetreffende bepalingen is echter niet opgenomen dat de vrijstelling alleen van toepassing is indien deze gemeld is. De wijziging van de verordening voorziet in deze omissie. Dit betekent dat indien géén melding is ingediend, de ontgrondingsactiviteit geacht wordt te zijn of te worden verricht zonder ontgrondingsvergunning. Bij constatering van de uitvoering van een ontgronding zonder dat daarvoor een melding gedaan is dan wel een vergunning is aangevraagd kan hierdoor direct handhavend worden opgetreden. Opgemerkt wordt dat de wijziging geen administratieve lastendruk met zich meebrengt. Immers op grond van artikel 11 van de huidige verordening was reeds een verplichting opgenomen tot het melden van de ontgrondingsactiviteit.”

Voorts is in de toelichting opgenomen (bij de wijziging van artikel 13 van de Verordening onder onderdeel K):” Bij de uitvoering van de verordening is gebleken dat de status van een melding en de reactie daarop door Gedeputeerde Staten niet altijd duidelijk is. Zo is niet duidelijk wat het rechtsgevolg is van het niet accepteren van een melding. Bedoelde onduidelijkheid wordt beëindigd door de tweede volzin van artikel 13 te laten vervallen en door aan het artikel een nieuw lid toe te voegen. Op grond van dit nieuwe tweede lid mag pas met een ontgronding worden gestart nadat Gedeputeerde Staten de melding hebben geaccepteerd. De acceptatie van de melding is in overeenstemming met de huidige praktijk waarbij elke melding beoordeeld wordt. Indien de melding in overeenstemming is de verordening wordt de melding geaccepteerd. Verder past het accepteren van een melding binnen de wijziging van de verordening die door uw Staten op 2 maart 2012 is vastgesteld. Bij deze wijziging is het beginsel van Lex Silencio Positivo voor wat betreft meldingen op grond van de verordening uitgezonderd.”

2.7

Advocaat-Generaal Widdershoven heeft in de hierboven genoemde conclusie het volgende overwogen: “Wat betreft de meldingen in verband met algemene regels (categorie a) is vastgesteld dat de acceptatie ervan door een bestuursorgaan niet kwalificeert als Awb-besluit, omdat het voor de gemelde activiteiten geldende rechtsregime, de algemene regels, voortvloeit uit de wettelijke voorschriften en niet uit die acceptatie. In zoverre wordt bij deze melding het doel ervan, de vermindering van de administratieve lasten, volledig bereikt. Dat derde belanghebbenden hierdoor tegen die acceptatie geen Awb-rechtsmiddelen kunnen aanwenden kan vanuit de optiek van de rechtsbescherming wellicht minder worden gewaardeerd, maar dat is de consequentie van het werken met algemene regels. Volgens diverse stelsels kan de melding reden zijn om nadere voorschriften aan de activiteit te stellen, dan wel deze te verbieden. Het stellen van dergelijke voorschriften of het opleggen van een verbod is gericht op rechtsgevolg en kwalificeert daarom wel als een Awb-besluit en wel als een beschikking. Dat laatste geldt ook voor de afwijzing van een verzoek (aanvraag) van een derde belanghebbende om nadere voorschriften te stellen of de activiteit te verbieden. In zoverre is de rechtsbescherming wel gegarandeerd.

Voor categorie b, de melding als uitzondering op de vergunningplicht, geldt dat de reactie van het bestuur een bestuurlijk rechtsoordeel is. Voor zover dat oordeel buitenwettelijk is, geldt voor het rechtskarakter ervan de in punt 3.6 weergegeven rechtsoordelenjurisprudentie. In dat geval wordt die reactie alleen met een besluit gelijkgesteld als de alternatieve weg om in rechte een oordeel te krijgen over de vraag of met een melding kan worden volstaan ‘onevenredig bezwarend’ is. In termen van de hiervoor genoemde spanning kan deze rechtspraak worden gekarakteriseerd als compromis tussen het doel van de melding, de administratieve lastenverlichting, en de rechtsbescherming. Als regel prevaleert dat doel, tenzij de rechtsbescherming te zeer te kort wordt gedaan. Om redenen van rechtszekerheid en rechtsbescherming heeft de formele wetgever op sommige terreinen bepaald dat de reactie als (rechtsvaststellend) Awb-besluit kwalificeert. In dat geval bestaat over de rechtsbescherming geen twijfel, maar draagt de wetgever wel eraan bij dat het doel van de melding maar ten dele wordt bereikt. Dat lijkt mij overigens verstandig omdat de uitkomst van de rechtsoordelenjurisprudentie in het concrete geval niet altijd even voorspelbaar is.

Voor categorie c, de melding als gebod, geldt dat deze melding geschiedt ten einde het bestuursorgaan in staat te stellen om te bepalen of het ten aanzien van de gemelde activiteiten bepaalde maatregelen zal nemen, dan wel om met deze activiteiten al dan niet in te stemmen. Neemt het een maatregel of stemt het al dan niet met de activiteit in, dan kwalificeren deze beslissingen als Awb-besluit. Aldus is de rechtsbescherming gegarandeerd. Dat lijkt me bij de desbetreffende meldingen een juiste keuze, omdat de diverse beslissingen op rechtsgevolg zijn gericht. Voor zover deze stelsels al beogen om de administratieve lasten te verminderen, moet dat doel wijken. In sommige stelsels heeft het bestuursorgaan ook de mogelijkheid om de melding voor kennisgeving aan te nemen, dan wel een bewijs ervan te verstrekken. Deze beslissing kan onder omstandigheden kwalificeren als Awb-besluit en ook dat lijkt mij om de hiervoor genoemde redenen correct.”

2.8

De rechtbank is van oordeel dat de melding zich in de eerste plaats laat kwalificeren als uitzondering op de vergunningsplicht. De Verordening vereist een bestuurlijk rechtsoordeel of de melding in overeenstemming is met het provinciale natuurbeleid dan wel of de ontgrondings- en herinrichtingsactiviteiten zijn opgenomen in een plan dat voldoet aan de in artikel 9a van de Verordening genoemde vereisten. Een bestuurlijk rechtsoordeel is niet zonder meer een besluit. De rechtbank is echter ook van oordeel dat aan de acceptatie van de melding wel degelijk een rechtsgevolg is verbonden. Pas na acceptatie van de melding mag worden gestart en als de melding niet wordt geaccepteerd op basis van het bestuurlijke rechtsoordeel ingevolge artikel 9a van de Verordening mag de schop niet in de grond. De melding is een verplichte voorwaarde ingevolge de slotpassage van artikel 9a van de Verordening. Het gewenste rechtsgevolg (mogen ontgronden zonder ontgrondingsvergunning) vloeit niet voort uit de Verordening maar uit de acceptatie van de melding. De melding is daarmee naar het oordeel van de rechtbank een melding als gebod (door advocaat-generaal Widdershoven als categorie c bestempeld) en verweerder heeft dit voldoende onderkend in het bestreden besluiten. De melding laat zich daarmee niet kwalificeren als een melding in verband met algemene regels omdat het rechtsgevolg niet uit de Verordening voortvloeit maar uit de acceptatie van de melding zelf. Noch de achterliggende bedoeling van het meldingenstelsel noch de plaats van artikel 9a onder het kopje ‘absolute vrijstellingen’ in de Verordening leidt tot een ander oordeel, nu de tekst van de Verordening op dit onderdeel reeds voldoende duidelijk is. De rechtbank acht het meldingenstelsel in de Verordening niet in strijd met artikel 7, derde lid, van de Ontgrondingenwet omdat dit artikel niets dwingends voorschrijft omtrent het besluitkarakter van de acceptatie van de melding. Anders dan de voorzieningenrechter van deze rechtbank is de rechtbank van oordeel dat de acceptatie van de melding een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. De beroepen van eiser slagen niet.

3.1

Eiseres stelt dat de melding in strijd is met artikel 9a van de Verordening. Volgens eiseres dient los van het projectplan te worden getoetst aan het provinciaal natuurbeleid. Het enkele feit dat een projectplan onherroepelijk is, impliceert volgens eiseres niet dat wordt voldaan aan het provinciaal natuurbeleid. Er moet ernstig aan worden getwijfeld of het hier om herinrichtingsmaatregelen gaat die in overeenstemming zijn met het provinciale natuurbeleid. Dit beleid is vastgesteld in de “Verordening ruimte 2014” (VR 2014) en de gebiedsaanduiding van het beekdalgebied als groenblauw mantelgebied. Niet duidelijk is waarom het enkele feite dat op kaart 3 Natuur en Landschap het projectgebied als groenblauwe mantel is aangewezen maakt dat de voorgenomen ontgrondingswerkzaamheden in overeenstemming zijn met provinciaal natuurbeleid. Eiseres acht de ontgronding in strijd met het provinciale natuurbeleid, in het bijzonder in strijd met het provinciaal Natuurbeheerplan en de artikelen 5.1, 6 en 22 van de VR 2014. Dit zijn artikelen die betrekking hebben op respectievelijk de ecologische hoofdstructuur (EHS), de groen blauwe mantel en de cultuurhistorische vlakken. De ontgrondingen bij Middelrode waarbij delen van de oorspronkelijke meander worden afgetakt zijn een aantasting van de EHS en de groenblauwe mantel evenals het dempen van een oorspronkelijke kasteelgracht. De ontgrondingen bij Seldensate zijn een aantasting van de EHS en het cultuurhistorisch vlak.

Eiseres stelt voorts dat in het projectplan geen aantoonbare integrale afweging heeft plaatsgevonden van alle belangen die bij de ontgronding betrokken zijn. In het “Koepelplan Dynamisch Beekdal de Aa 2006” (dat goed paste in het provinciale natuurbeleid) was het terugbrengen van de gekanaliseerde Aa in zijn vroegere stroombedding uitgangspunt bij het herstel van de vrije waterrelatie tussen beekdal en beekloop. In het latere projectplan wordt afgeweken van de modelkeuze. De prioriteit van beekherstel wordt verlegd naar waterberging. In het projectplan is een confrontatie uitgebleven tussen de volgens het provinciaal natuurbeleid te behouden gebiedswaarden en de feitelijke nadelige gevolgen als gevolg van de ontgrondingen. Uit het projectplan blijkt niet dat de afwijkingen van het Koepelplan zijn getoetst aan het provinciale natuurbeleid.

3.2

Bij de beoordeling van de melding aan de eisen in artikel 9a van de Verordening heeft verweerder gekeken naar het onderliggende projectplan en de voor vaststelling daarvan gevolgde procedure alsmede naar het provinciale natuurbeleid. Het projectplan is na het voeren van een openbare inspraakprocedure op 9 oktober 2015 vastgesteld. Bij de vaststelling van het projectplan heeft een integrale belangenafweging van alle belangen betrokken bij de ontgronding plaatsgevonden, onder andere op archeologisch en hydrologisch gebied. Met het vaststellen van het projectplan heeft toetsing aan het provinciaal natuurbeleid plaatsgevonden. Nu de grondslag voor de melding wordt gevormd door artikel 9a van de Verordening en de daarin genoemde vrijstellingscriteria kunnen de vrijstellingscriteria uit artikel 10 van de Verordening in de onderhavige procedure niet aan de orde worden gesteld. Desgevraagd heeft verweerder aangegeven dat het de bedoeling is om te toetsen aan het provinciale natuurbeleid dat geldt ten tijde van de melding.

3.3

Eiser en de Combinatie hebben daarnaast gesteld dat de Verordening ook zo zou kunnen worden gelezen dat slechts ontgrondingen in kader van natuurontwikkelingsprojecten zouden moeten voldoen aan provinciaal natuurbeleid en de procedurele eisen aan het onderliggende plan. Zij zijn daarnaast van mening dat het veel te ver gaat om op basis artikel 9a van de Verordening onherroepelijke projectplannen nogmaals te toetsen aan provinciaal beleid. Dit is in strijd met de bedoeling van de Verordening. Eiser heeft benadrukt dat in beide projectplannen is getoetst aan de provinciale structuurvisie en de Verordening ruimte 2012 (VR 2012).

3.4

Tussen partijen is niet in geschil dat op kaart 3 Natuur en Landschap van de VR 2014 het projectgebied is aangewezen als groenblauwe mantel. De meanders zelf behoren tot de EHS, het aangrenzend beekdal is aangewezen als groenblauwe mantel. Evenmin is in geschil dat de gemelde ontgrondingen onderdeel uitmaken van de in rechtsoverweging 1 genoemde projectplannen.

3.5

In het Projectplan Molenhoek, Middelrode en Seldensate, Dynamisch Beekdal fase 3 en 4” is het volgende vermeld:

“Provinciale structuurvisie

Conform het provinciaal waterplan heeft de Aa een functie als ecologische verbindingszone. De huidige bedijkte en gekanaliseerde Aa heeft een lage ecologische waarde en voldoet niet aan die functie.

Verordening Ruimte

Op 11 mei 2012 hebben de Provinciale Staten van Noord-Brabant de Verordening ruimte Noord-Brabant vastgesteld. De Verordening ruimte bevat op hoofdlijnen algemene regels die gemeenten in acht moeten nemen bij het opstellen van bestemmingsplannen en het verlenen van omgevingsvergunningen waarbij afgeweken wordt van het bestemmingsplan. Daarnaast regelt de Verordening ruimte de organisatie van het regionaal ruimtelijk overleg waarin afspraken over woningbouw, bedrijventerreinen en kantorenlocaties worden gemaakt. Hierbij wordt getoetst op cultuurhistorie, natuur en landschap, de ontwikkeling van veehouderij en overig agrarische en stedelijke ontwikkeling.

Op de kaartlaag Natuur en Landschap (kaart 3 van verordening) is het projectgebied aangewezen als groenblauwe mantel. Voor de ontwikkeling van veehouderij is het gebied aangewezen als verwevingsgebied. Voor stedelijke ontwikkeling is het gebied aangewezen als regionaal waterbergingsgebied. Dit plan past door de inrichting als waterbergingsgebied binnen deze uitgangspunten.

(…)

Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het Natuur Netwerk Nederland, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur. Negatieve effecten op het NNN zijn echter niet te verwachten.

Het onderzoeksgebied ligt tevens geheel binnen de groenblauwe mantel. De werkzaamheden betekenen geen kwantiteitsverlies en ook geen kwaliteitsverlies van het onderzoeksgebied. De werkzaamheden zijn deels gericht op herstel van de Aa en betekenen een verbetering ten opzichte van de huidige uitermate onnatuurlijke situatie. Het gebied heeft op dit moment vrijwel geheel een onnatuurlijk karakter en is grotendeels in agrarisch gebruik. Een (gedeeltelijk) herstel van de meanderde loop van de Aa, de aanleg van poelen en gestuurde waterberging kan een verhoging betekenen van de aanwezige natuurwaarden. Het onderzoeksgebied zal structuurrijker worden.”

3.6

Aan een algemeen verbindend voorschrift, zoals neergelegd in de Verordening, kan verbindende kracht worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.

3.7

De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op de toelichting op de Verordening, artikel 9a van de Verordening zo moet worden gelezen dat niet alleen meldingen van ontgrondingen in het kader van natuurontwikkelingsprojecten maar ook ontgrondingen in het kader van de andere, in dat artikel genoemde projecten, moeten voldoen aan de in artikel 9a van de Verordening genoemde eisen. Eiseres merkt naar het oordeel van de rechtbank terecht op dat de Verordening niet alleen verlangt dat de melding moet voldoen aan het provinciale natuurbeleid, maar ook dat de melding past in een projectplan dat voldoet aan de in artikel 9a van de Verordening genoemde overige eisen.

3.8

Naar het oordeel van de rechtbank is de door provinciale staten kennelijk voorgestane dynamische verwijzing in de Verordening naar het provinciale natuurbeleid in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Uit de Verordening blijkt niet aan welk beleid moet worden getoetst. Zo is onduidelijk of moet worden getoetst aan geschreven of ongeschreven beleid, intern of extern gericht beleid dan wel beleid in een algemeen verbindend voorschrift of beleid in een beleidsregel. Evenmin of moet worden getoetst aan het beleid zoals dat gold ten tijde van de melding of ten tijde van de vaststelling van het projectplan waar de ontgronding deel van uitmaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 9a van de Verordening daarom onverbindend voor zover ingevolge dit artikel de melding van de ontgronding zelfstandig zou moeten voldoen aan provinciaal natuurbeleid.

3.9

De rechtbank is voorts van oordeel dat het niet de bedoeling van artikel 9a van de Verordening kan zijn dat een projectplan waartegen rechtsbescherming heeft opengestaan en dat moet voldoen aan de in hoofdstuk 2 van de Waterwet genoemde doelen en normen, nogmaals wordt getoetst op procedurele gronden. Met de enkele omstandigheid dat sprake is van een onherroepelijk projectplan staat vast dat via een openbare inspraakprocedure besluitvorming heeft plaatsgevonden. Voor zover verweerder een andere bedoeling heeft met de betreffende zinssnede in artikel 9a van de Verordening, moet deze zinssnede in geval van een projectplan buiten toepassing blijven.

3.10

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat kan worden volstaan met de toets of sprake is van een projectplan waarbij een aantoonbare, integrale afweging van alle belangen betrokken bij de ontgronding heeft plaatsgevonden. Als voldoende aannemelijk is dat deze belangenafweging heeft plaatsgevonden, kan de uitkomst van deze belangenafweging niet meer ter discussie staan bij de acceptatie van de melding. De gemelde ontgrondingen vallen in beide projectplannen. In de projectplannen is aangegeven dat is getoetst aan de VR 2012 en de provinciale structuurvisie. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat ook alle belangen betrokken bij de ontgronding in de integrale belangenafweging zijn betrokken. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat beide projectplannen onherroepelijk zijn. Verweerder heeft de meldingen daarom terecht geaccepteerd. Het beroep van eiseres faalt.

4. De beroepen van eiser en het beroep van eiseres zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2016.

Griffier voorzitter

De griffier is buiten staat
deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.