Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:4867

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
01-09-2016
Zaaknummer
C/01/306250 / HA ZA 16-236
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Incident. Bevoegdheid. Verhouding Insolventieverordening en Herschikte EEX-verordening. Eiser in de hoofdzaak is curator, maar de vordering in de hoofdzaak houdt geen rechtstreeks verband met het faillissement.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2016-0338
AR 2016/2545
RI 2016/111
RBP 2016/85

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/306250 / HA ZA 16-236

Vonnis in incident van 24 augustus 2016

in de zaak van

REINOUD ANTON MAXIMILIAAN LOUIS VAN OEIJEN Q.Q., handelend in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. D.C.M.H. Vielvoye te Eindhoven,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOUTINDUSTRIE [gedaagde sub 2] BV,

gevestigd te Leiderdorp, kantoorhoudende te Helmond,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. M.P.G.M. Gorgels te Waalwijk.

Eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident zal hierna [eiser] genoemd worden. Gedaagden in de hoofdzaak / eisers in het incident zullen gezamenlijk [gedaagden] en afzonderlijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

[eiser] vordert in de hoofdzaak – zakelijk weergegeven – het volgende:

  • -

    een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens de gezamenlijke schuldeisers uit hoofde van onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW;

  • -

    hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot betaling van € 88.571,98, vermeerderd met wettelijke rente,

  • -

    afgifte van een certificaat als bedoeld in artikel 53 van de Verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid, erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken nr. 1215/2012 d.d. 12 december 2012 (hierna: Herschikte EEX-Vo).

2.2.

[eiser] legt aan het gevorderde onrechtmatig handelen van [gedaagden] ten grondslag en voert daartoe, samengevat, het volgende aan. [belanghebbende] is op 26 juni 2012 bij vonnis van de rechtbank ’s‑Hertogenbosch failliet verklaard. Op 19 juni 2012 heeft [gedaagden] een grote hoeveelheid hout afgevoerd van het terrein van [belanghebbende] [gedaagde sub 1] had een vordering van € 132.000,00 op [belanghebbende], die laatstgenoemde niet kon voldoen. [gedaagde sub 1] heeft toen besloten het hout mee te nemen, zodat de openstaande vordering kon worden ‘verrekend’. [gedaagde sub 2] heeft [gedaagde sub 1] daarbij geassisteerd. [gedaagde sub 1] beriep zich daarbij op een eigendomsvoorbehoud. Het hout was echter eigendom van [belanghebbende] [gedaagden] heeft derhalve inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [belanghebbende], aldus [eiser].

2.3.

[gedaagden] vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart, primair ten aanzien van [gedaagden], subsidiair ten aanzien van alleen [gedaagde sub 1]. [gedaagden] legt daaraan het volgende ten grondslag.

2.3.1.

Tussen [gedaagde sub 1] en [belanghebbende] is sprake van een handelsgeschil. [belanghebbende] heeft een groot aantal facturen van [gedaagde sub 1] onbetaald gelaten. Op grond van de algemene voorwaarden van [gedaagde sub 1] is de rechter te Kortrijk, België, bij uitsluiting bevoegd kennis te nemen van geschillen die uit de handelsrelatie voortvloeien. Dat [eiser] zijn vordering grondt op onrechtmatige daad, doet er niet aan af dat het geschil voortvloeit uit de handelsrelatie.

2.3.2.

[eiser] doet voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten onrechte een beroep op artikel 3 en 25 van de Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (hierna: IVO). Er is geen sprake van een insolventievordering in de zin van de IVO. Daarnaast is niet voldaan aan het criterium dat sprake moet zijn van een vordering die nauw samenhangt met de insolventieprocedure.

2.3.3.

De vorderingen tegen [gedaagde sub 2] hangen samen met de vorderingen tegen [gedaagde sub 1] en kunnen onmogelijk afzonderlijk behandeld worden. Nu op grond van het forumkeuzebeding de Belgische rechter exclusief bevoegd is kennis te nemen van de vordering tegen [gedaagde sub 1], dient gelet op de samenhang tussen de vorderingen de rechtbank zich ook ten aanzien van [gedaagde sub 2] onbevoegd te verklaren. Subsidiair wordt verzocht de procedure tegen [gedaagde sub 2] aan te houden totdat de Belgische rechter in de procedure tegen [gedaagde sub 1] onherroepelijk heeft beslist.

2.4.

[eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.5.

De rechtbank kan voor wat betreft de vraag of zij bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen jegens [gedaagde sub 2] kort zijn. De rechtbank is bevoegd op grond van artikel 99 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Dat de vorderingen samenhangen met de vorderingen die jegens [gedaagde sub 1] zijn ingesteld, leidt, anders dan [gedaagden] stelt, niet tot onbevoegdheid, ook niet op grond van de bepalingen van de Herschikte EEX-Vo.

2.6.

De volgende vraag die beantwoord moet worden is of aan de hand van EEX-Vo dan wel de Insolventieverordening dient te worden bepaald of de Nederlandse rechter bevoegd is om over de vordering van de curator tegen [gedaagde sub 1] te oordelen. De rechtbank overweegt als volgt.

2.7.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft in haar arrest van 4 september 2014 met rolnummer C-157/13 (ECLI:EU:C:2014:2145) het volgende overwogen.

“(…)

20. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de vordering tot betaling van een schuldvordering voor vervoersdiensten die wordt ingesteld door de curator die is aangewezen in een in een lidstaat geopende insolventieprocedure tegen de in een andere lidstaat gevestigde ontvanger van die diensten, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1346/2000 dan wel van verordening nr. 44/2001 valt.

21. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Hof, met name op grond van historische werken over het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), dat is vervangen door verordening nr. 44/2001, heeft geoordeeld dat deze laatste verordening en verordening nr. 1346/2000 aldus moeten worden uitgelegd dat elke overlapping tussen de in die teksten vervatte rechtsregels en elk rechtsvacuüm worden vermeden. De krachtens artikel 1, lid 2, sub b, van verordening nr. 44/2001 van de werkingssfeer van die verordening uitgesloten vorderingen, voor zover zij deel uitmaken van “het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures”, vallen derhalve binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1346/2000. Parallel daaraan vallen vorderingen die niet onder artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 vallen, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 (arrest F-Tex, C-213/10, EU:C:2012:215, punten 21, 29 en 48).

22. Voorts heeft het Hof erop gewezen dat, zoals met name in punt 7 van de considerans van verordening nr. 44/2001 is aangegeven, de Uniewetgever heeft willen kiezen voor een ruime opvatting van het begrip “burgerlijke en handelszaken” in artikel 1, lid 1, van die verordening, en, bijgevolg, voor een ruime werkingssfeer van die verordening. De werkingssfeer van verordening nr. 1346/2000 mag volgens punt 6 van de considerans ervan daarentegen niet ruim worden uitgelegd (arrest German Graphics Graphische Maschinen, C-292/08, EU:C:2009:544, punten 23-25).

23. Volgens die beginselen heeft het Hof geoordeeld dat alleen vorderingen die rechtstreeks uit een insolventieprocedure voortvloeien en daarmee nauw samenhangen, buiten de werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 vallen. Dientengevolge vallen alleen die vorderingen binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1346/2000 (arrest F-Tex, EU:C:2012:215, punten 23 en 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

(…)

26. Uit deze rechtspraak volgt dat het Hof bij zijn beoordeling weliswaar rekening heeft gehouden met het feit dat de verschillende soorten vorderingen waarvan het kennis heeft genomen, waren ingesteld naar aanleiding van een insolventieprocedure. Het is echter telkens nagegaan of de betrokken vordering haar oorsprong vond in het recht inzake insolventieprocedures dan wel in andere regels.

27. Het doorslaggevende criterium voor het Hof om vast te stellen onder welk gebied een vordering valt, is derhalve niet de procedurele context van die vordering, maar de rechtsgrondslag van die vordering. Volgens deze benadering moet worden nagegaan of het recht of de verbintenis waarop de vordering is gebaseerd, voortvloeit uit de gemeenschappelijke regels van het burgerlijk recht en het handelsrecht dan wel uit specifieke afwijkende regels voor insolventieprocedures.

(…)”

Bovenstaande jurisprudentie ziet op de voorganger van de herschikte EEX-Vo. Er is echter geen reden om aan te nemen dat de jurisprudentie niet evenzeer van toepassing zou zijn op de verhouding tussen de IVO en de Herschikte EEX-Vo.

2.8.

In de hoofdzaak heeft [eiser] een vordering ingesteld op grond van onrechtmatig handelen van [gedaagden] wegens het maken van inbreuk op het eigendomsrecht van [belanghebbende] Die vordering had door [belanghebbende] zelf kunnen worden ingesteld voordat zij onbevoegd was geworden als gevolg van het feit dat tegen haar een insolventieprocedure was geopend, en alsdan zou zij onder de in burgerlijke en handelszaken toepasselijke regels inzake rechterlijke bevoegdheid zijn gevallen. Dat na het faillissement de vordering tot betaling van schadevergoeding is ingesteld door [eiser] als curator en dat hij daarbij in het belang van de gezamenlijke crediteuren van [belanghebbende] handelt, verandert niets aan de aard van de onderliggende schuldvordering, waarop nog steeds de regels uit het reguliere burgerlijke recht van toepassing zijn en geen specifieke afwijkende regels in verband met het faillissement.

2.9.

De rechtbank stelt derhalve vast dat de vorderingen in de hoofdzaak geen rechtstreeks verband houden met het faillissement van [belanghebbende] De vorderingen jegens [gedaagde sub 1] vallen niet binnen de werkingssfeer van artikel 3, lid 1 IVO en bijgevolg evenmin onder het begrip faillissement in de zin van artikel 1, lid 2, sub b Herschikte EEX-Vo. Al hetgeen [eiser] heeft betoogd tot het tegendeel wordt door de rechtbank, gelet op het vorenstaande, verworpen.

2.10.

De bevoegdheid om van de vorderingen jegens [gedaagde sub 1] kennis te nemen dient dus te worden vastgesteld aan de hand van de Herschikte EEX-Vo.

2.11.

De hoofdregel, neergelegd in artikel 4 Herschikte EEX-Vo, is dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat opgeroepen worden voor de gerechten van die lidstaat. Artikel 8, lid 1 Herschikte EEX-Vo bepaalt dat indien er meer dan één verweerder is, een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft ook kan worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van één van hen, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.

2.12.

Daaraan is in dit geval voldaan. Er zijn twee gedaagden, waarbij de rechtbank, zoals hiervoor is overwogen, bevoegd is van de vorderingen jegens één van hen, [gedaagde sub 2], kennis te nemen. De rechtbank is voorts van oordeel dat de vorderingen samenhangen in vorenbedoelde zin, wat overigens ook door [gedaagden] is onderkend, getuige de weergave van het standpunt van [gedaagden] hiervoor onder 2.3.3. Dat betekent dat de rechtbank op grond van artikel 8, lid 1 Herschikte EEX-Vo in beginsel bevoegd is van het geschil jegens [gedaagde sub 1] kennis te nemen, tenzij sprake is van exclusieve bevoegdheid van – in dit geval – de Belgische rechter.

2.13.

[gedaagden] beroept zich daartoe op artikel 25 Herschikte EEX-Vo. [gedaagden] stelt dat het geschil voortvloeit uit de handelsrelatie tussen [gedaagde sub 1] en [belanghebbende] Die relatie is onderworpen aan de algemene voorwaarden met daarin een forumkeuze voor de Belgische rechter. De rechtbank is met [eiser] van oordeel dat dit standpunt moet worden verworpen. De rechtbank overweegt dat de handelsrelatie weliswaar aan de wieg staat van de gerezen problemen maar dat de grondslag van de vordering van [eiser] daar los van staat. Er was een geschil over de betaling van facturen, maar het verwijt is dat [gedaagde sub 1] het recht in eigen hand heeft genomen en met inbreukmaking op het eigendomsrecht van [belanghebbende] zich het hout heeft toegeëigend. Dat kwalificeert niet als een vordering uit hoofde van een overeenkomst tussen [belanghebbende] en [gedaagde sub 1].

2.14.

De slotsom is dat de incidentele vordering wordt afgewezen.

2.15.

Wat door [gedaagden] is aangevoerd ter zake het toepasselijk recht kan in het kader van dit incident buiten beschouwing blijven. Het is aan de rechter in de hoofdzaak om te beoordelen welk recht op de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing is.

2.16.

[gedaagden] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

wijst het gevorderde af,

3.2.

veroordeelt [gedaagden] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 452,00,

3.3.

veroordeelt [gedaagden] in de na dit vonnis aan de zijde van [eiser] ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagden] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

3.4.

verklaart de veroordelingen onder 3.2. en 3.3. uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

3.5.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 5 oktober 2016 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2016.