Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:4863

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
01-09-2016
Zaaknummer
C/01/264949 / HA ZA 13-466
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

zorgplicht gemeente in geval van wateroverlast bij laag gelegen woning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/264949 / HA ZA 13-466

Vonnis van 24 augustus 2016

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. G.S. de Haas te Raamsdonksveer,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BERGEIJK,

zetelend te Bergeijk,

gedaagde,

advocaat mr. I.C. Nijenhuis te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eisers] en Gemeente Bergeijk genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 27 augustus 2014

  • -

    het deskundigenbericht

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van [eisers]

  • -

    de antwoordconclusie na deskundigenbericht van Gemeente Bergeijk.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 27 augustus 2014 heeft de rechtbank ing. R.J.C. van Alphen, verbonden aan Grontmij Nederland BV, benoemd tot deskundige ter beantwoording van de navolgende vragen:

  1. Heeft het perceel van [eisers] door zijn lage ligging ten opzichte van de omringende percelen een verhoogde kans op wateroverlast bij hevige regenval?

  2. Kunt u beschrijven welke aanvullende maatregelen ten behoeve van het voorkomen van wateroverlast bij hevige regenval door respectievelijk [eisers] en Gemeente Bergeijk zijn getroffen?

  3. Kunt u aangeven of het perceel van [eisers] door deze maatregelen op een vergelijkbaar niveau tegen wateroverlast bij hevige regenval is beschermd als de omringende percelen?

  4. Als u de vorige vraag ontkennend beantwoord: welke aanvullende maatregelen zijn nodig en wat zijn de kosten daarvan? Kunt u daarbij meer specifiek aangeven of de inrichting en capaciteit van de gemeentelijke riolering (inclusief de pomp ter plaatse van het perceel van [eisers] ) op zichzelf genomen toereikend zijn om met aanvullende maatregelen een gelijkwaardig beschermingsniveau als bedoeld in vraag 3 te realiseren?

  5. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

2.2.

De deskundige heeft deze vragen in zijn rapport van 1 december 2015 samengevat als volgt beantwoord:

Ad 1. Het antwoord op de vraag is ja. Het perceel [adres perceel] heeft op basis van het AHN2 (Actueel Hoogtebestand Nederland versie 2) een maaiveldniveau rond de woning van globaal NAP+28,00 tot +28,10. Het vloerpeil bedraagt +28,05 m. Het wegpeil voor de woning varieert van NAP +28,10 tot NAP + 28,20 m. De weg ligt dus gemiddeld 0,10 m hoger dan het terrein van het perceel en het vloerpeil van de woning. De aanliggende panden en de brandgang hebben een peil van circa NAP + 28,40 m en liggen derhalve circa 0,35 m hoger dan het terrein van het perceel en het vloerpeil van de woning.

Het perceel is als gevolg van deze omstandigheden waar er water op straat optreedt bijzonder kwetsbaar voor wateroverlast. Zonder maatregelen zullen het perceel en het pand in elke situatie waarin het rioolstelsel de neerslag niet kan verwerken wateroverlast ervaren.

Ad 2. [eisers] heeft op aanraden van Gemeente Bergeijk in 2002 een gescheiden rioolstelsel op eigen terrein aangelegd. Gemeente Bergeijk heeft daarvoor een bijdrage in de kosten geleverd. Voorts heeft [eisers] een muur geplaatst aan de linker achterzijde van het perceel. De deur in de muur is afsluitbaar met zandzakken. Als de zandzakken tijdig worden geplaatst, kan hiermee worden voorkomen dat water vanuit de brandgang het perceel op stroomt.

Gemeente Bergeijk heeft de volgende maatregelen getroffen:

  • -

    Het gemaal bij het perceel van [eisers] is aangesloten op het gemalenbeheersysteem van Gemeente Bergeijk;

  • -

    Er is een regenmeter geplaatst in de lantaarnpaal bij het perceel, die gekoppeld is aan het gemalenbeheersysteem;

  • -

    Er is een waterstandmeter geplaatst in de straat [naam straat] in een inspectieput dicht bij het perceel, die gekoppeld is aan het gemalenbeheersysteem;

  • -

    Er zijn twee waterstandmeters geplaatst in inspectieputten op andere locaties ( [naam straat] en [naam straat] ) in de wijk, die gekoppeld zijn aan het gemalenbeheersysteem;

  • -

    De vrijvervalverbinding tussen de terreinriolering van [eisers] en de openbare riolering is dichtgezet. De terreinriolering is aangesloten op de pompput;

  • -

    Er is een interne noodoverstort aangelegd ter plaatse van put 310700 (kruising [naam straat] / [naam straat] ) met een drempelhoogte van 27,40 m +NAP en een drempellengte van 2,00 m;

  • -

    Er is een overstortleiding aangelegd met een doorsnee van 800 mm aangelegd van put 310700 (kruising [naam straat] / [naam straat] ) naar de droogstaande sloot langs de geluidswal gelegen langs de [naam straat] . De overstortleiding heeft een externe overstort op de sloot met een drempelhoogte van 27,40 m +NAP en een drempellengte van 1,35 m. Het afschot van de leiding ligt in de richting van de sloot;

  • -

    Er is een ledigingsgemaal gebouwd op het laagste punt van de overstortleiding met een capaciteit van 50 m3/h;

  • -

    Er is een terugslagklep geplaatst in de streng van put 310310 naar put 310311 ter plaatse van laatstgenoemde put die gelegen is in het voetpad tussen [naam straat] en [naam straat] ;

  • -

    Er is een schildmuur aangebracht in de streng van put 310364 naar put 310601 ter plaatse van put 310364 (kruising [naam straat] / [naam straat] ).

Ad 3. Het antwoord op deze vraag is nee. Daarbij is de deskundige tot de volgende conclusies gekomen:

  1. Het veiligheidsniveau van de panden in de omgeving is hoger dan dat van het perceel [adres perceel] . Een bui met een herhalingstijd van 1 keer per 100 jaar zal bij deze panden niet of nauwelijks tot water in de woning leiden.

  2. Er zijn sterke aanwijzingen dat de afvoercapaciteit van de terreinriolering onvoldoende is. Een slechte afstroming, met als gevolg vervuiling, kan hiervan de oorzaak zijn. De binnenriolering is niet voorzien van ontspanningsleidingen. Voor het goed functioneren van zowel de terreinriolering als de binnenriolering is het noodzakelijk dat beide systemen ontspannen worden (atmosferische toestand). Voor de binnenriolering betekent dat dat er ontspanningsleidingen aanwezig moeten zijn, voor de terreinriolering betekent dat de hemelwaterafvoeren zonder stankafsluiter hierop aangesloten moeten zijn. Zie bijlage 5 waarop enkele hemelwaterafvoeren te zien zijn met stankafsluiter.

  3. Op het perceel [adres perceel] is weinig berging op straat onder het niveau van de dorpels van de deuren aanwezig. Als er water op het terrein komt te staan door onvoldoende capaciteit van de terreinriolering of de pomp, zal dit al snel de woning instromen.

  4. De pomp voor de bemaling van [adres perceel] heeft een time-out van vier minuten na bereiken van het afslagpeil. Dit is ongewenst, omdat de kans op het optreden van water op het perceel van [eisers] hierdoor toeneemt.

  5. De capaciteit van de pomp leidt theoretisch bij buien met een herhalingstijd zwaarder dan 1 keer per 2 jaar tot water op straat.

  6. De afstroming van regenwater van naastgelegen percelen naar het perceel [adres perceel] is niet te kwantificeren. De analyse van drie buien geeft geen aanwijzingen dat er sprake is van grote hoeveelheden afstromend water.

  7. Uit hydraulische berekeningen blijkt dat er bij buien met een herhalingstijd groter dan 1 keer per 10 jaar water van de straat kan afstromen naar het perceel [adres perceel] .

Ad 4. De deskundige acht het wenselijk om het beschermingsniveau voor het perceel te verhogen naar 1 keer per 100 jaar. Dit beschermingsniveau hebben de meeste andere woningen in de wijk en het is aannemelijk dat het beschermingsniveau voor het perceel vóór de aanleg van de nieuwe woningen ook ongeveer op dat niveau lag. De noodzakelijke maatregelen om op dit beschermingsniveau uit te komen zijn volgens de deskundige:

  1. Verlaging van het maaiveld van het perceel tot circa vijf cm onder het laagste vloerpeil, zodanig dat een berging van 18 mm ten opzichte van het totale afvoerend oppervlak ontstaat. Rekening houdend met de toegankelijkheid voor mensen die slecht ter been zijn worden de kosten van herbestrating geraamd op € 10.000,00;

  2. Verbetering afstroming terrein en binnenriolering. De kosten van aanpassing van het verticale alignement en het aanbrengen van ontspanningsleidingen worden geraamd op € 7.500,00. Daarnaast wordt geadviseerd de terreinriolering minimaal jaarlijks te reinigen;

  3. Reductie van de bovengrondse aanvoer vanaf de weg door het aanbrengen van een waterkerende drempel die tien tot vijftien cm boven het maximale wegpeil ter plaatse moet uitstijgen. Rekening houdend met de toegankelijkheid van het perceel voor mensen die slecht ter been zijn worden de kosten hiervan geraamd op € 3.000,00;

  4. Voorkoming van afstroming van naastgelegen percelen door het plaatsen van damwandschermen met een hoogte van 0,50 m over een afstand van 75 m. De kosten hiervan worden geraamd op € 10.000,00;

  5. Vervanging van de huidige pomp van de terreinriolering door een pompinstallatie met twee pompen met een capaciteit van elk 30 m3/h. De nieuwe pompinstallatie dient op het gemeentelijk gemalenbeheersysteem te worden aangesloten. De kosten van plaatsing van een nieuwe put met twee pompen van elk 30 m3/h worden geraamd op € 30.000,00. Als minder berging op het maaiveld van het perceel kan worden gerealiseerd dan 18 mm dient de pompcapaciteit te worden vergroot.

Het rioolstelsel kan, aldus de deskundige, een bui van het type 08 afvoeren zonder dat er ter plaatse van het perceel water op straat optreedt. Daarmee voldoet het aan de gangbare normen voor de afvoercapaciteit van rioolstelsels. De pomp voor de terreinriolering heeft een time-out van 4 minuten en is kwetsbaar omdat er geen reservepomp is. De afvoercapaciteit van de huidige pomp in combinatie met de berging in de pompput zorgt theoretisch voor 1 keer per 2 jaar water op het maaiveld van het perceel. Dit leidt direct tot wateroverlast in de woning. Daarom dient de huidige pompinstallatie vervangen worden door een systeem met twee pompen. Over het functioneren van de terreinriolering bestaat twijfel. Ontspanningsleidingen ontbreken en er is vervuiling geconstateerd. Dit kan van invloed zijn op de afvoercapaciteit van het stelsel naar de pomp.

Ad 5. Niet duidelijk is of de (terrein)riolering in de brandgang voldoende afvoert. Het kan zijn dat deze vervuild is, waardoor eerder water op straat ontstaat in de brandgang. Dit water kan afstromen naar het perceel van [eisers] . Gemeente Bergeijk heeft echter onderzoek van het terreinriool afgewezen.

2.3.

[eisers] heeft –verkort en zakelijk weergegeven - aangegeven zich in grote lijnen te kunnen vinden in het rapport van de deskundige. Wel acht hij het ongelukkig dat de deskundige bij de hydraulische berekeningen uitgegaan is van het door Gemeente Bergeijk aangeleverde rioleringsmodel zonder onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verstrekte gegevens te doen. Voorts vindt hij dat de gebruikte rekenmodellen als regel een te optimistisch beeld geven doordat (kort gezegd) geabstraheerd wordt omstandigheden die zich in de praktijk kunnen voordoen. Zo is geen rekening gehouden met de mogelijkheid van hydraulische weerstand als gevolg van de aanwezigheid van boomwortels e.d. in de rioolbuizen en is gerekend met “losse” buien in plaats van kort opeenvolgende buien. Ten aanzien van de terreinriolering merkt [eisers] op dat het rapport onvoldoende grond biedt voor de vaststelling dat de terreinriolering van zijn perceel mede debet is aan de door hem ervaren problemen. Zoals de deskundige zelf heeft aangegeven, kan de oorzaak van het niet volledig leegstromen van de riolering zonder aanvullende metingen niet met 100 % zekerheid worden vastgesteld. Zonder nader onderzoek kan de deskundige niet de conclusie trekken dat het verticale alignement van de terreinriolering verbeterd moet worden.

2.4.

Gemeente Bergeijk heeft –verkort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat [eisers] nog steeds niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Hij heeft immers niet gespecificeerd voor welke concrete overlastsituaties hij Gemeente Bergeijk aansprakelijk houdt. Dit dient tot afwijzing van de vorderingen te leiden. Indien de rechtbank van oordeel is dat er (mogelijk) wel ruimte voor aansprakelijkheid is, dient de rechtbank terug te komen op hetgeen zij in rechtsoverweging 4.2 van het tussenvonnis van 26 maart 2014 heeft overwogen, althans het daar gegeven oordeel te nuanceren. Over het rapport van de deskundige merkt Gemeente Bergeijk op dat daarin bevestigd wordt dat de in het verleden getroffen maatregelen effect hebben gehad, maar dat Gemeente Bergeijk er (net) niet in is geslaagd voor het perceel van [eisers] een statisch gelijkwaardig beschermingsniveau te realiseren als geldt voor de omringende percelen. In de opsomming van de getroffen maatregelen ontbreken enkele maatregelen, terwijl evenmin is vermeld dat [eisers] heeft nagelaten (deels in strijd met gemaakte afspraken) een aantal maatregelen te treffen. Anders dan [eisers] stelt, is de conclusie van de deskundige dat er sterke aanwijzingen zijn dat de afvoercapaciteit van de terreinriolering onvoldoende is wel degelijk gestaafd door feitelijke constateringen. Dat er geen uitputtend onderzoek is gedaan naar de staat en ligging van de terreinriolering doet daar niet aan af. Uit de analyse van de deskundige blijkt, dat de capaciteit van het gemeentelijk rioolstelsel en van de pomp (30 m³/h) bij het perceel van [eisers] voldoende zijn om een beschermingsniveau van 1 op 100 jaar te realiseren mits de vier minuten time-out van de pomp wordt verwijderd en het maaiveldniveau rondom de woning van [eisers] met 18 mm wordt verlaagd. Anders dan de deskundige stelt, is vervanging van de huidige pompinstallatie door twee pompen met een gezamenlijke capaciteit van 60 m³/h geen noodzakelijke maatregel. De overige maatregelen die volgens het rapport van de deskundige noodzakelijk zijn liggen allemaal op het domein van [eisers] . Voor twee van deze maatregelen zijn in het verleden al afspraken gemaakt en zijn door Gemeente Bergeijk vergoedingen verstrekt. De waterkering rondom het perceel (waarvoor een bijdrage ad € 2.046,00 is verstrekt) is in strijd met de afspraken niet gerealiseerd. Met de bevindingen van de deskundige is de feitelijke kant van de zaak voor een groot gedeelte opgehelderd. Uit de inhoud van het rapport kan echter niet worden afgeleid dat Gemeente Bergeijk in het verleden niet aan haar zorgplicht heeft voldaan. Er is steeds overleg geweest met [eisers] en veel van de maatregelen zijn conform zijn verzoek en naar de stand van de destijds beschikbare informatie en technieken uitgevoerd.

2.5.

De rechtbank stelt voorop, dat op Gemeente Bergeijk vanuit het publiek recht een afvalwaterzorgplicht en een hemelwaterzorgplicht rust. Deze zorgplichten zijn neergelegd in de navolgende bepalingen van de Wet Milieubeheer en de Waterwet.

In artikel 10.33, lid 1 Wet Milieubeheer is bepaald:

1. De gemeenteraad of burgemeester en wethouders dragen zorg voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater dat vrijkomt bij de binnen het grondgebied van de gemeente gelegen percelen, door middel van een openbaar vuilwaterriool naar een inrichting als bedoeld in artikel 3.4 van de Waterwet (rb: een rioolwaterzuiveringsinstallatie).

In artikel 3.5 Waterwet is bepaald:

  1. De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen zorg voor een doelmatige inzameling van het afvloeiend hemelwater, voor zover van degene die zich daarvan ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, redelijkerwijs niet kan worden gevergd het afvloeiend hemelwater op of in de bodem of in het oppervlaktewater te brengen.

  2. De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen tevens zorg voor een doelmatige verwerking van het ingezamelde hemelwater. Onder het verwerken van hemelwater kunnen in ieder geval de volgende maatregelen worden begrepen: de berging, het transport, de nuttige toepassing, het, al dan niet na zuivering, terugbrengen op of in de bodem of in het oppervlaktewater van ingezameld hemelwater, en het afvoeren naar een zuiveringtechnisch werk.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 3.5 Waterwet blijkt, dat de gemeentelijke hemelwaterzorgplicht in beginsel niet meer omvat dan het door de gemeente aanbieden van een voorziening, waarin het hemelwater kan worden geloosd. Beleidsmatig bestaat er een voorkeur dat dit een van het rioolstelsel gescheiden voorziening (een openbaar hemelwaterstelsel) is, maar ook een gemengd riool is mogelijk. Het ingezamelde hemelwater zal vervolgens ook moeten worden verwerkt. Daarop ziet het tweede lid van artikel 3.5. Het is aan de gemeente te kiezen hoe, bijvoorbeeld door bergen, transporteren en elders nuttig toepassen (bijvoorbeeld ten behoeve van de bestrijding van verdroging of paalrot), of het al dan niet na zuivering terugbrengen op of in de bodem of het oppervlaktewater. Verder is van belang, zoals ook uit het begrip ‘doelmatig’ in artikel 3.5 blijkt, dat de gemeentelijke taak het karakter heeft van een inspanningsverplichting. Bij de invulling van haar taak heeft de gemeente derhalve een beleidsvrijheid om, afgestemd op de lokale problematiek, een integrale afweging te maken hoe om te gaan met het afvloeiende hemelwater.

2.6.

Het rioolstelsel waar het in deze zaak om gaat is een gemengd rioolstelsel. Het dient zowel voor de inzameling en transport van afvalwater als voor de inzameling en transport van hemelwater. Het rioolstelsel fungeert derhalve als instrument om invulling te geven aan beide hiervoor vermelde zorgplichten. In het onderhavige geval gaat het erom of Gemeente Bergeijk jegens [eisers] al dan niet in voldoende mate invulling heeft gegeven aan haar zorgplicht ten aanzien van de afvoer van hemelwater bij hevige regenval. Bij de beoordeling daarvan is relevant dat het pand van [eisers] bij de bouw in 1974 in het buitengebied lag en dat om zijn pand heen een woonwijk is ontwikkeld waarbij het grondpeil is verhoogd. Hierdoor ligt het perceel van [eisers] (mede) als gevolg van het door Gemeente Bergeijk gevoerde planologische beleid lager dan de omringende percelen.

2.7.

De rechtbank neemt, zoals ook in het tussenvonnis van 26 maart 2014 tot uitdrukking is gebracht, als normatief uitgangspunt dat de gemeentelijke zorgplicht in het onderhavige geval met zich brengt dat Gemeente Bergeijk ervoor zorgt draagt dat het perceel van [eisers] op een vergelijkbaar niveau beschermd wordt tegen wateroverlast als de omringende percelen. De deskundige komt in zijn rapport tot de conclusie dat het veiligheidsniveau van de panden in de omgeving hoger is dan van het perceel van [eisers] . Als gerekend wordt met een bui van 60 mm/h met –naar de rechtbank begrijpt – een herhalingstijd van één keer per honderd jaar (een T=100 bui), ontstaat rond de woning van [eisers] een aanzienlijk hogere waterstand (0,15-0,20 m) dan bij naburige panden (0,02-0,05 m). Het is wenselijk, aldus de deskundige (rapport 4.6) om het beschermingsniveau voor het perceel van [eisers] te verhogen naar het niveau dat voor de meeste andere percelen in de wijk geldt. Aannemelijk is volgens de deskundige dat vóór de aanleg van de nieuwe woningen het beschermingsniveau voor het perceel van [eisers] ook ongeveer op het beschermingsniveau lag van (naar de rechtbank begrijpt:) verwerking van een T= 100 bui. Partijen hebben de juistheid van deze overwegingen van de deskundige niet betwist, zodat de rechtbank daar verder van uit zal gaan.

2.8.

[eisers] vordert – kort gezegd – een verklaring voor recht dat Gemeente Bergeijk aansprakelijk is voor schade en verwijzing naar de schadestaatprocedure. Op basis van de bevindingen van de deskundige kan de conclusie worden getrokken dat Gemeente Bergeijk bij de huidige stand van zaken onvoldoende invulling aan haar zorgplicht jegens [eisers] heeft gegeven. Daarbij zijn er geen aanwijzingen dat de capaciteit van het gemeentelijke rioolstelsel op zichzelf genomen ontoereikend is. De deskundige heeft immers verklaard dat rioolstelsel een bui van het type 08 kan afvoeren zonder dat er ter plaatse van het perceel water op straat optreedt en daarmee voldoet aan de gangbare normen voor de afvoercapaciteit van rioolstelsels. Dat de deskundige zich bij de beoordeling niet op gemeentelijke gegevens zou hebben mogen baseren volgt de rechtbank niet. [eisers] onderbouwt zijn stelling op dit punt ook niet en laat het slechts bij de suggestie dat deze wel eens onbetrouwbaar zouden kunnen zijn. Nu niet gebleken is dat andere percelen in de nabijheid met vergelijkbare wateroverlast te maken hebben c.q. hebben gehad als het perceel van [eisers] gaat de rechtbank ervan uit dat een eventuele schending van de zorgplicht niet gelegen is in het functioneren van het gemeentelijk rioolstelsel ter plaatse. Dit laat echter onverlet dat voor het perceel [eisers] het risico op wateroverlast beperkter zou zijn geweest als de ontwikkeling van een nieuwe woonwijk met verhoogd grondpeil rondom zijn woning niet zou hebben plaatsgevonden. Vandaar dat de zorgplicht van Gemeente Bergeijk ten aanzien van [eisers] verder gaat dan het aanbieden van een op zichzelf genomen aan de gangbare normen voldoende riolering voor de afvoer afval- en hemelwater. Gemeente Bergeijk heeft dit overigens blijkens haar houding in het verleden ook ingezien. Vastgesteld moet echter worden dat er om op het gewenste beschermingsniveau uit te komen nadere maatregelen moeten worden getroffen die (zoals uit het navolgende zal blijken) behalve onder de verantwoordelijkheid van Gemeente Bergeijk deels ook onder de verantwoordelijkheid van [eisers] vallen. Dus ook als Gemeente Bergeijk alsnog volledig invulling geeft aan haar zorgplicht bestaat een gerede kans dat er in de toekomst (vermijdbare) wateroverlast ontstaat. Daarmee zou het werkelijke probleem niet zijn opgelost. De rechtbank heeft kennis genomen van de suggestie van beide partijen om indien zij behoefte heeft aan een nadere toelichting van partijen (en/of de deskundige) een comparitie ter plaatse te gelasten. Die behoefte heeft de rechtbank inderdaad, zodat zij aan de suggestie van partijen gehoor zal geven. De rechtbank acht het wenselijk dat ook de deskundige bij de te gelasten comparitie wordt betrokken om een nadere toelichting te verkrijgen op door hem voorgestelde maatregelen en in te gaan op de kanttekeningen die partijen in hun conclusies na deskundigenbericht naar voren hebben gebracht. De deskundige heeft een concreet pakket aan maatregelen voorgesteld om het beschermingsniveau voor het perceel van [eisers] te verhogen naar dat van de omringende percelen. Partijen hebben aangegeven wat zij van die voorgestelde maatregelen vinden, maar de rechtbank acht het wenselijk dat zij ter plaatse de mogelijkheden c.q. onmogelijkheden om deze maatregelen uit te voeren nader toelichten en bovendien aangeven welke van de te treffen maatregelen zij voor hun rekening wensen te nemen. Daarbij dient bedacht te worden dat:

  1. [eisers] zelf verantwoordelijk is voor de opvang van hemelwater dat op het eigen perceel valt en op grond van artikel 5:38 BW ook voor de opvang van het water dat van hoger gelegen erven van nature afloopt;

  2. het vanwege de planologische ontwikkeling die ter plaatse heeft plaatsgevonden niet in de rede ligt aan te nemen dat het regenwater dat bij hevige regenval vanaf de openbare weg afstroomt naar het perceel van [eisers] onder de ontvangstplicht van artikel 5:38 BW valt;

  3. het perceel van [eisers] vanwege de lage ligging het verzamelde afval- en hemelwater niet onder vrij verval kan afvoeren naar het gemeentelijk rioolstelsel.

2.9.

Voormelde toelichting is mede van belang voor de beantwoording van de vraag of [eisers] voor toekomstige schadesituaties belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht. Voor de in het verleden opgetreden schadesituaties is de rechtbank van oordeel, dat een verwijzing naar de schadestaatprocedure niet in de rede ligt. Het gaat hier om schade die reeds geleden is, zodat [eisers] verwacht mag worden dat hij deze in de onderhavige procedure kan concretiseren. [eisers] wordt in de gelegenheid gesteld om een gespecificeerde schadebegroting bij akte in het geding te brengen en deze uiterlijk twee weken voor de te gelasten comparitie aan de rechtbank en de wederpartij te doen toekomen. Ter comparitie zal worden besloten of het nodig is Gemeente Bergeijk in de gelegenheid te stellen hier bij akte op te reageren of dat met een mondelinge reactie ter comparitie kan worden volstaan.

2.10.

In afwachting van de comparitie ter plaatse en de te nemen akte zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen als bedoeld in 2.8 en 2.9 en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. J.K.B. van Daalen te [adres perceel] op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

3.2.

bepaalt dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dan in persoon aanwezig moeten zijn en dat Gemeente Bergeijk dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

3.3.

bepaalt dat ing. R.J.C. van Alphen, verbonden aan Grontmij Nederland BV, als door de rechtbank benoemde deskundige bij de comparitie ter plaatse aanwezig dient te zijn,

3.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 7 september 2016 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de dinsdagen en woensdagen in de maanden oktober tot en met december 2016, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

3.5.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

3.6.

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

3.7.

wijst partijen er op, dat voor de zitting een dagdeel zal worden uitgetrokken,

3.8.

bepaalt dat de in de overwegingen opgevraagde informatie uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting aan de rechtbank en de wederpartij moet zijn toegestuurd,

3.9.

bepaalt dat van dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen,

3.10.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.B. van Daalen en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2016.