Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:4862

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-08-2016
Datum publicatie
05-09-2016
Zaaknummer
C/01/303544 / HA ZA 16-70
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

vernietiging arbitraal vonnis; onbevoegdheid arbiter tijdig ingeroepen; arbiter buiten opdracht getreden; partiële vernietiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2016, afl. 6, p. 323
TvA 2017/12

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

zaaknummer / rolnummer: C/01/303544 / HA ZA 16-70

Vonnis van 31 augustus 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. H.C.M. Schaeken te Eersel,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. H.A.M.J. Loeffen te Geldrop.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 13 april 2016, met de daarin vermelde processtukken;

  • -

    de ten behoeve van de rolzitting van 10 februari 2016 binnengekomen akte, houdende overlegging processtukken, van de zijde van [eiser] ;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 21 september 2016 en de reactie daarop van de zijde van [gedaagde] bij brief van 12 augustus 2016, ter griffie binnengekomen op 15 augustus 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Als niet of onvoldoende weersproken en op grond van de overgelegde producties wordt uitgegaan van de volgende feiten:

  1. Partijen zijn blijkens schriftelijke overeenkomst de dato 1 september 2009 een vennootschap onder firma, genaamd [naam vennootschap] , aangegaan ter zake de exploitatie van een horecabedrijf in Helmond. Deze overeenkomst zal hierna worden aangeduid als: “vennootschapsovereenkomst”.

  2. Bij brief van 26 april 2013 heeft [gedaagde] deze overeenkomst opgezegd.

  3. Tussen partijen is een geschil ontstaan betreffende de afwikkeling van de vennootschap.

  4. De vennootschapsovereenkomst schrijft voor dat alle geschillen ter zake de vennootschap beslecht worden door arbiter(s).

  5. Overeenkomstig de vennootschapsovereenkomst is bij beschikking van 25 september 2013 van de kantonrechter te Eindhoven op verzoek van [gedaagde] mr. L.E.M. van Boxsel tot arbiter benoemd.

  6. In het kader van de arbitrale procedure heeft [gedaagde] onder meer een verklaring voor recht gevorderd dat zij het recht heeft de vennootschap voort te zetten en dat zij, voor zover zij voor de overname van het aandeel in de vennootschap van [eiser] een waarde dient te vergoeden aan [eiser] , dit bedrag kan verrekenen met een vordering op [eiser] uit hoofde van geldleningen die zij stelt in privé aan [eiser] te hebben verstrekt.

  7. Na een mondelinge behandeling op 17 juli 2014 heeft de arbiter op 27 augustus 2014 een tussenvonnis gewezen, waarin de arbiter met betrekking tot de gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de verrekenbevoegdheid – voor zover hier van belang – heeft overwogen:

“5.16 Dit verweer van [eiser] met betrekking tot het beroep van [gedaagde] op verrekening wordt verworpen. Als zekerheid voor terugbetaling van de geleende bedragen zijn in drie van de vier overgelegde schuldbekentenissen passages opgenomen. Een van die passages houdt bijvoorbeeld het volgende in (productie 8 memorie van eis): “(…) Ik waarborg mijn aandeel van mijn bedrijf ( [naam/adres bedrijf] ) voor dit lening. Als ik mijn aandeel verkoop moet ik mevrouw [gedaagde] het bovenstaande bedrag rechtstreeks betalen”.

8. Na uitgebrachte deskundigenberichten is vervolgens een arbitraal eindvonnis gewezen op 28 september 2015. In dit eindvonnis heeft de arbiter, voor zover hier van belang, voor recht verklaard dat voormelde VOF geëindigd is op 26 juli 2013, dat [gedaagde] het recht heeft de activiteiten van de vennootschap met uitsluiting van [eiser] voort te zetten en dat de waarde van het aandeel van [eiser] in het vermogen van de vennootschap nihil is.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert vernietiging van voormelde arbitrale vonnissen met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure, een en ander zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. Aan deze vordering legt [eiser] - samengevat - ten grondslag dat de arbiter zich ten onrechte bevoegd geacht heeft ten aanzien van de vordering van [gedaagde] tot verrekening. De arbitrageovereenkomst zag immers louter op geschillen ter zake van de vennootschap en de vorderingen die [gedaagde] verrekend wenste te zien vonden hun grondslag in een privé-verhouding tussen hen, aldus [eiser] . De arbiter is op dit punt buiten de arbitrageovereenkomst getreden zodat het arbitrale vonnis voor vernietiging in aanmerking komt.

3.2.

[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] in zijn vordering dan wel tot afwijzing daarvan en voert daartoe het volgende verweer. [eiser] heeft het beroep op onbevoegdheid van de arbiter pas na het arbitrale tussenvonnis van 27 augustus 2014 gedaan. Dit is te laat. [eiser] motiveert ook niet waarom het arbitrale vonnis of de totstandkoming daarvan in strijd is met de openbare orde of goede zeden. Voorts betwist [gedaagde] dat de vorderingen, waarvan zij verrekening gevorderd heeft, een privé-verhouding tussen haar en [eiser] betroffen. De tekst van de schuldbekentenissen laat immers geen andere conclusie toe dan dat een en ander in feite een aanvulling op de vennootschapsakte is. Tot slot benadrukt [gedaagde] dat de arbiter het aandeel van [eiser] op nihil gewaardeerd heeft en er daarom aan verrekening niet toegekomen wordt, hetgeen de onderhavige discussie tot een theoretische discussie reduceert en dat – zo er al een grond tot vernietiging zou bestaan – de arbitrale vonnissen slechts partieel vernietigd dienen te worden.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Gelet op de vastgestelde plaats van arbitrage, te weten Eindhoven, acht de rechtbank zich bevoegd tot kennisneming van het geschil.

4.2.

Partijen zijn het er over eens dat op het geschil tussen partijen de wettelijke bepalingen van het arbitragerecht van toepassing zijn zoals deze golden vóór 1 januari 2015.

4.3.1.

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] luidt dat [eiser] het beroep op onbevoegdheid van de arbiter te laat gedaan heeft. Indien dit verweer gehonoreerd wordt, leidt dit er immers toe dat [eiser] ingevolge het bepaalde in artikel 1052 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) (oud), niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering omdat dit verweer niet vóór alle weren is gevoerd.

4.3.2.

De rechtbank stelt voorop dat niet noodzakelijk is dat het beroep op onbevoegdheid wordt gedaan voor alle andere (exceptieve en principale) weren. Voldoende, doch tevens noodzakelijk is, dat dit beroep geschiedt in het eerste ingediende schriftelijke stuk. De vraag die ter beantwoording voorligt is derhalve of [eiser] bij de memorie van antwoord in conventie in de arbitrale procedure voldoende duidelijk een beroep op onbevoegdheid van de arbiter op het punt van de verrekening gedaan heeft.

4.3.3.

Anders dan [eiser] is de rechtbank van oordeel dat de door [eiser] aangehaalde passages uit de memorie van antwoord in de arbitrale procedure (randnummers 32 en 33) niet zo zeer betrekking hebben op de bevoegdheid tot verrekening, als wel op de vaststelling van de (hoogte van de) vordering, waarvan tussen partijen niet (meer) in geschil is dat de arbiter daartoe niet bevoegd was.

4.3.4.

Onder randnummer 41 van de memorie van antwoord in de arbitrale procedure heeft [eiser] echter het volgende aangevoerd:

“ [gedaagde] beroept zich voorts op verrekening. Verrekening is slechts toegestaan, indien de vordering waarmee [gedaagde] wil verrekenen vast staat en opeisbaar is. Dit is niet het geval. [eiser] betwist immers de vordering van [gedaagde] uit geldlening.

[gedaagde] vordert in de onderhavige procedure niet dat de arbiter haar vordering uit geldlening op [eiser] vaststelt. Voor zover [gedaagde] dit alsnog zou doen middels vermeerdering van eis, stelt [eiser] zich op het standpunt (zie hierboven) dat de arbiter niet bevoegd is deze vordering te beoordelen, nu deze tot het domein van de burgerlijke rechter behoort. Ook om die reden kan het beroep op verrekening niet worden gehonoreerd.”

En voorts onder randnummer 45:

“ [gedaagde] vordert dat zij het voornoemde bedrag kan verrekenen met haar vordering op [eiser] uit hoofde van verstrekte geldleningen. [eiser] verweert zich tegen deze vordering op de hiervoor genoemde gronden (…)”.

4.3.5.

In onderlinge samenhang bezien heeft [eiser] derhalve in de memorie van antwoord in de arbitrale procedure tegen de door [gedaagde] gevorderde verklaring voor recht dat zij tot verrekening bevoegd is, opgeworpen dat de arbiter niet bevoegd is deze vordering te beoordelen omdat deze tot het domein van de civiele rechter behoort. Gelet daarop wordt het beroep op onbevoegdheid van de arbiter geacht tijdig te zijn gedaan zodat het verweer van [gedaagde] wordt verworpen.

4.4.

Nu het beroep op onbevoegdheid van de arbiter geacht wordt tijdig te zijn gedaan, ligt de vraag voor of het arbitrale vonnis vatbaar is voor vernietiging. Als gronden voor de vernietiging heeft [eiser] een beroep gedaan op het bepaalde in art. 1065 lid 1 aanhef en onderdelen a. (ontbreken arbitrageovereenkomst), d. (het vonnis is niet met redenen omkleed) en e. (het vonnis, of de wijze waarop dit tot stand kwam, strijdt met de openbare orde of de goede zeden) Rv (oud)). Naar de rechtbank begrijpt gaat het [eiser] er met name om dat de arbiter buiten zijn opdracht is getreden (artikel 1065 lid 1 onderdeel c Rv) en dat het arbitraal vonnis om die reden moet worden vernietigd, waarbij [eiser] volgens zijn advocaat ter comparitie met name bezwaar heeft tegen het oordeel van de arbiter over de beweerde geldleningen van [gedaagde] aan hem.

4.5.

Met betrekking tot de vraag of de arbiter buiten zijn opdracht getreden is getreden overweegt de rechtbank het volgende.

4.6.

[gedaagde] heeft in de arbitrale procedure een verklaring voor recht gevorderd dat zij bevoegd was het eventueel door haar te betalen aandeel van [eiser] in het vennootschappelijk vermogen te verrekenen met vorderingen die zij op [eiser] had uit hoofde van een viertal geldleningen die zij aan [eiser] had verstrekt en waarvan zij het bestaan met onderhandse aktes heeft onderbouwd. [eiser] heeft het bestaan van deze vorderingen betwist. Daarmee stond in de arbitrale procedure niet zonder meer vast dat [gedaagde] een vordering had op [eiser] en van welke omvang. Om te kunnen vaststellen of de arbiter binnen de grenzen van zijn opdracht is gebleven door een onderzoek in te stellen naar het bestaan en de omvang van de beweerdelijke geldleningen moet worden beoordeeld of het geschil hierover tussen partijen aan te merken valt als een geschil ter zake van de vennootschap als bedoeld in art. 17 lid 1 van de vennootschapsovereenkomst. Naar de rechtbank begrijpt heeft de arbiter voor zijn oordeel dat dit geschil binnen de arbitrageovereenkomst valt doorslaggevend geacht, dat [eiser] in enkele overeenkomsten zekerheid verleend heeft op zijn aandeel in de vennootschap en dit aandeel heeft ‘ondergezet’ en dat hij zich verbonden heeft tot terugbetaling van de geldlening(en) bij overdracht van zijn aandeel in de vennootschap.

4.7.

Anders dan de arbiter is de rechtbank van oordeel dat het geschil met betrekking tot de geldlening(en) naar zijn aard is aan te merken als een privé kwestie tussen partijen. Tussen partijen bestaat althans geen verschil van mening dat, voor zover [gedaagde] geld heeft geleend aan [eiser] , zij dit niet heeft gedaan in haar hoedanigheid van vennoot. Ook staat niet ter discussie dat het niet gaat om een geldlening van de vennootschap aan [eiser] . Dat [eiser] in het kader van deze privé kwestie, bij gebreke van andere daarvoor in aanmerking komende vermogensbestanddelen, zekerheid verleend heeft op zijn aandeel in de vennootschap en de terugbetaling van de geldlening gekoppeld is aan het tijdstip van overdracht van het aandeel in de vennootschap door [eiser] , doet de aard van de kwestie niet ‘van kleur verschieten’ van privé naar zakelijk. De arbiter is dus buiten zijn opdracht getreden door het tot zijn taak te rekenen om onderzoek in te stellen naar het bestaan en de omvang van de door [gedaagde] aan die verrekening ten grondslag gelegde geldleningen. Dat de arbiter in zijn eindvonnis de door [gedaagde] gevorderde verklaring voor recht niet heeft verleend omdat het aandeel van [eiser] in de vennootschap gewaardeerd is op nihil, kan hieraan niet afdoen.

4.8.

De arbitrale vonnissen zijn in zoverre derhalve voor vernietiging vatbaar op grond van het bepaalde in art. 1065 lid 1 onderdeel c Rv (oud). Het gaat naar het oordeel van de rechtbank echter te ver de arbitrale vonnissen om de hiervoor vermelde reden volledig te vernietigen. Er is geen sprake van een onverbrekelijke samenhang tussen de kwestie rondom de verrekening van geldlening(en) en de overige geschilpunten waarover de arbiter geoordeeld heeft. De rechtbank zal daarom, overeenkomstig vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR 11 december 1931, NJ 1932, 168) die thans is gecodificeerd in art. 1065 lid 5 Rv, de vernietiging beperken tot de in het tussenvonnis van 17 augustus 2014 en het eindvonnis van 28 september 2015 vervatte overwegingen van de arbiter aangaande de bevoegdheid tot verrekening.

4.9.

Nu partijen over en weer ten dele in het ongelijk gesteld zijn worden de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

vernietigt het tussen partijen gewezen arbitrale tussenvonnis van 17 augustus 2014 en het arbitrale eindvonnis van 28 september 2015, doch enkel voor zover het betreft de overwegingen van de arbiter ten aanzien van de bevoegdheid tot verrekening van door [gedaagde] gestelde vorderingen op [eiser] ;

5.2.

laat voormelde arbitrale vonnissen voor het overige in stand;

5.3.

wijst af hetgeen meer of anders gevorderd is;

5.4.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.M. Effting-Zeguers en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2016.